Antwoord schriftelijke vragen : Antwoord op vragen van het lid Claassen over het bericht ‘Klap voor woonminister: ING verwacht veel minder nieuwe woningen dan ministerie voorspelde’
Vragen van het lid Claassen (Groep Markuszower) aan de Minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening over het bericht «Klap voor woonminister: ING verwacht veel minder nieuwe woningen dan ministerie voorspelde» (ingezonden 5 augustus 2026).
Antwoord van Minister Boekholt-O’Sullivan (Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening)
(ontvangen 21 augustus 2026).
Vraag 1
Bent u bekend met het bericht «Klap voor woonminister: ING verwacht veel minder nieuwe
woningen dan ministerie voorspelde»?1
Antwoord 1
Ja.
Vraag 2 en 3
Deelt u de opvatting van sectoreconoom bouw Maurice van Sante van ING dat uw claim
over 100.000 woningen in 2027 gebaseerd was op een onjuiste weergave van de feiten
(noch een nieuwbouwgetal, noch een woningvoorraadgetal)?
Hoe beoordeelt u het feit dat u een misleidende berekening heeft gebruikt?
Antwoord 2 en 3
De ING-econoom stelt in het artikel dat alleen naar de nieuwbouw gekeken zou moeten
worden. Als toevoegingen zoals transformaties en splitsingen daarbij opgeteld worden
dan zou het aantal gesloopte woningen in mindering moeten worden gebracht.
Zoals eerder met uw Kamer is gecommuniceerd (zie jaarlijkse ABF-rapporten en bijbehorende
Kamerbrieven2, voortgangsrapportages programma woningbouw, Staat van de Volkshuisvesting), betreft
de woningbouwdoelstelling een «bruto doelstelling». Dat wil zeggen: de doelstelling
is zo geformuleerd dat we rekening houden met de noodzakelijke compensatie van de
geraamde sloop van woningen. Om die reden wordt sloop niet van de doelstelling afgetrokken.
Deze zit al in de doelstelling verwerkt. Het aan u aangeboden Primos 2026 rapport,
het rapport waar in het artikel op wordt gereageerd, is duidelijk over woningbouw,
sloop en over het effect hiervan op de woningvoorraad.
Voor de woningbouwdoelstelling tellen bovendien niet alleen nieuwbouwwoningen, want
elke nieuwe woning is er één. Woningbouw betreft woningen die gerealiseerd worden
door nieuwbouw van woningen (het realiseren van woningen op een lege kavel) en de
woningen die gerealiseerd worden door «verbouw» van reeds bestaande gebouwen tot (meer)
woningen. Denk daarbij aan het realiseren van woningen in voormalige kantoorgebouwen
(transformatie), optoppen (toevoegen van woningen op reeds bestaande gebouwen) of
het splitsen van woningen zodat meer woningen ontstaan.3 Deze transformaties, splitsingen en optoppingen vormen onderdeel van het beter benutten
van de bestaande voorraad gebouwen. In de communicatie met uw Kamer, zoals de hierboven
genoemde voorbeelden, wordt ook telkens expliciet duidelijk gemaakt dat dergelijke
toevoegingen meetellen in de woningbouwdoelstelling, en benadruk ik dat er veel potentie
is om dit nog beter te benutten.
Er is dan ook geen sprake van een onjuiste weergave van feiten. Er wordt transparant
gecommuniceerd over onze doelstelling.
Vraag 4
In hoeverre begrijpt u de urgentie van de problemen op de Nederlandse woningmarkt?
Realiseert u zich dat de woningcrisis Nederlandse jongeren enorm schaadt? Wist u dat
66 procent van de thuiswonende starters graag uit huis zou willen, maar dat niet kan
door de problemen op de woningmarkt en dat de ontwikkeling van jongvolwassenen wordt
belemmerd door langdurig thuiswonen omdat zij hierdoor later (financieel) zelfstandig
worden en meer moeite hebben om relaties te vormen? Wist u dat ernstige woningtekorten
bovendien gekoppeld zijn aan uitstel (en soms zelfs afstel) van belangrijke levensgebeurtenissen,
zoals trouwen, samenwonen en kinderen krijgen? Wist u dat onderzoek laat zien dat
de hogere woonlasten in Nederland leiden tot slechtere mentale gezondheid bij de mensen
die hiervan last hebben?
Antwoord 4
De problematiek op de woningmarkt en de urgentie ervan is mij volstrekt duidelijk.
Vraag 5
Vindt u dat u als Minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening verantwoordelijk
bent voor het oplossen van de woningcrisis in Nederland?
Antwoord 5
Ja, hier werk ik elke dag aan.
Vraag 6
Hoe beoordeelt u dan het falen van kabinet op kabinet om dit probleem op te lossen?
Antwoord 6
Het terugdringen van het woningtekort is geen eenvoudige opgave en iets wat een lange
adem vraagt. Het kabinet maakt zich hier hard voor. Zo is onlangs de wet regie aangenomen
door beide Kamers, heeft het kabinet een veelomvattend stikstofplan gepresenteerd
die ook de woningbouw verder zal helpen en werk ik met collega Ministers aan een actieplan
(Taskforce versnelling woningbouw) om meer, sneller en beter te bouwen.
Vraag 7 en 8
Denkt u dat u kunt doen wat uw voorgangers niet is gelukt, namelijk dit probleem daadwerkelijk
oplossen? Zo nee, wanneer treedt u af als Minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke
Ordening en laat u iemand anders het proberen die wél denkt dit te kunnen oplossen?
Als u denkt dit probleem wel te kunnen oplossen, bent u dan bereid uw eigen lot te
verbinden aan de resultaten die u op dit domein bereikt? Simpeler gezegd: bent u bereid
af te treden als de doelstelling van 100.000 woningen per jaar niet binnen twee jaar
wordt gehaald? Zo nee, waarom niet? Betekent dat dat u falen acceptabel vindt? Vindt
u het acceptabel dat het falen van een Minister het leven van jongvolwassenen ruïneert?
Vindt u dat dit falen geen gevolgen hoeft te hebben?
Antwoord 7 en 8
Het terugdringen van het woningtekort is zoals de econoom in het in het desbetreffende
artikel noemt, een «veelkoppig monster». Er zijn veel complexe problemen. Ik ben zeer
gemotiveerd om het probleem aan te pakken en wil een belangrijke bijdrage leveren
aan het oplossen van de woningnood. Ik draag ministeriële verantwoordelijkheid voor
mijn portefeuille en leg daarover verantwoording af aan uw Kamer.
Vraag 9
Het artikel noemde hoge bouwkosten als één van de oorzaken van de woningproblemen;
wanneer gaat u zelf bouwregels zoeken die geschrapt kunnen worden, in plaats van enkel
de suggesties van het programma STOER over te nemen (die inmiddels alweer bijna een
jaar oud zijn)?
Antwoord 9
Samen met andere departementen, medeoverheden, marktpartijen en woningcorporaties
ben ik actief aan de slag met de brede vereenvoudigingsopgave voor de fysieke leefomgeving
en volkshuisvesting. Naast de uitwerking van de actieagenda STOER4, zetten we nadrukkelijk in op het ophalen en uitwerken van nieuwe vereenvoudigingsvoorstellen,
waaronder de modernisering van het Besluit Bouwwerken en Leefomgeving (Bbl). Deze
voorstellen worden onder andere geïnventariseerd voor de jaarlijkse vereenvoudigingswet.
Daarmee kijken we dus verder dan de voorstellen die al in het STOER-actieplan zijn
opgenomen. Over de voortgang van de actieagenda en de eerste aanpassingen aan het
Bbl heb ik uw Kamer 10 juli geïnformeerd5. Daarin meld ik onder meer dat de in het Bbl aangewezen NEN-normen voortaan kosteloos
digitaal beschikbaar worden gesteld waarmee kosten zijn verlaagd en regelgeving toegankelijker
is gemaakt voor initiatiefnemers en bouwpartijen. Ook breder in het kabinet worden
stappen gezet: onlangs heeft de Staatssecretaris van IenW besloten tot een grootschalige
verlaging van geluidproductieplafonds bij spoorwegen waarmee eenvoudiger en goedkopere
woningbouw kan worden ontwikkeld in de buurt van spoorwegen.
Vraag 10
Hoe gaat u ervoor zorgen dat dit u daadwerkelijk lukt en dat u niet over een halfjaar
in dezelfde situatie zit als uw collega van Economische Zaken, die zelfs haar eigen
doel niet kon halen?
Antwoord 10
In het Actieplan van de Ministeriële Taskforce Versnelling Woningbouw die ik na de
zomer uw Kamer zal toekomen, zal ik ingaan op de wijze waarop ik, in samen met de
andere partijen die voor de woningbouw van belang zijn, de woningbouw beoog te versnellen.
Vraag 11
Bent u ook van plan uit te zoeken of ruimtelijke regels versoepeld kunnen worden omdat
ook deze de woningbouw aanzienlijk duurder maken? Zo nee, waarom niet? Zo ja, hoe
wilt u dit aanpakken? En op welke domeinen wilt u dit gaan doen?
Antwoord 11
In het kader van de vereenvoudigingsopgave wordt onderzocht waar regelgeving en procedures
die de woningbouw onnodig vertragen of duurder maken, kunnen worden vereenvoudigd.
In het Actieplan STOER is daarbij expliciet aandacht voor de stapeling van regelgeving
en voor bovenwettelijke eisen. Deze kunnen leiden tot extra tijd, capaciteit en kosten
en daarmee een negatief effect hebben op de businesscase van woningbouwprojecten.
Daarom werken de ministeries in het fysieke domein aan een bredere vereenvoudigingsopgave.
Onderdeel hiervan zijn onder meer de verdere uitvoering van de Actieagenda STOER,
de modernisering van het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl), de jaarlijkse verbetering
van het stelsel van de Omgevingswet en een nadere verkenning van de mogelijkheden
om experimenteerruimte binnen de Omgevingswet beter te benutten. Ook wordt gekeken
naar de mogelijkheden die de Omgevingswet al biedt om activiteiten bijvoorbeeld in
het omgevingsplan vergunning vrij te maken.
Hiermee wordt specifiek gewerkt aan het standaardiseren, opschalen en moderniseren
van de bouwregelgeving. De inzet is daarmee niet om regels generiek te versoepelen,
maar om gericht te bezien waar regelgeving en aanvullende eisen onnodige kosten, vertraging
of complexiteit veroorzaken en waar vereenvoudiging mogelijk is, met behoud van de
noodzakelijke publieke belangen.
Ondertekenaars
E. Boekholt-O’Sullivan, minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening
Bijlagen
Gerelateerde documenten
Hier vindt u documenten die gerelateerd zijn aan bovenstaand Kamerstuk.