Schriftelijke vragen : De impact, uitwerking en aanpassing van en communicatie over de stikstofbrief
Vragen van de leden Grinwis (ChristenUnie), Goudzwaard (JA21), Flach (SGP) en Struijs (50PLUS) aan de Minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur over de impact, uitwerking en aanpassing van en communicatie over de stikstofbrief (ingezonden 19 augustus 2026).
Vraag 1
Waarom was u de afgelopen weken, tot gisteren, zo stil, terwijl de onrust over de
grote gevolgen van uw Kamerbrief op het platteland groter en groter werd? Waarom heeft
u de tijd niet benut om toegankelijk uit te leggen wat uw aangekondigde beleid wel
en niet betekent in gebieden en op bedrijfsniveau, afgezien van wat zogenaamde misverstanden,
waar pas gisteren een eerste repliek op kwam1?
Vraag 2
Waarom liet u de informatievoorziening over aan andere organisaties, zoals Agractie
met een heldere gratis rekentool2? Waar was uw explainer en rekentool? Bent u ook zo geschrokken van de impact van de bedrijfsspecifieke normen per
fosfaatrecht uit uw brief voor alle melkveehouders in ons land? Of klopt de globale
inschatting van de gevolgen voor de CO2- en ammoniakuitstoot en de financiële impact op melkveebedrijven in de rekentool
van Agractie niet? Op welke punten dan niet en hoe zit het dan wel en met welke impact?
Vraag 3
Hoe verhouden de potentieel strijdige landelijke sporen uit uw Kamerbrief van 26 juni
jl.3 van bedrijfsspecifieke emissienormen en andere landelijke regelingen, zoals inzake
extensivering en vrijwillige opkoop, zich tot elkaar én tot het spoor van de gebiedsgerichte
aanpak, waarin per Natura 2000-gebied wordt vastgesteld welke drukfactoren moeten
worden verminderd, bij het bepalen van de totale reductieopgave voor de landbouw?
Hoe werkt dit uit voor een individueel landbouwbedrijf, zowel binnen als buiten de
zones?
Vraag 4
Hoe verhoudt het antwoord op vraag 3 zich tot de uitspraak van de Raad van State inzake
Lieftinghsbroek4, waaruit blijkt dat niet van een vooraf vastgestelde generieke emissiereductie kan
worden terug geredeneerd naar de ecologische noodzaak, maar dat de causaliteit de
andere kant op moet worden aangetoond: eerst vaststellen welke natuurkwaliteit in
welk gebied moet worden beschermd, welke drukfactoren daarvoor moeten worden aangepakt,
en pas daarna bepalen welke bijdrage van de landbouw nodig is? Erkent u dat een generieke
landelijke reductiedoelstelling niet automatisch volgt uit de ecologische doelstelling
van een afzonderlijk Natura 2000-gebied? En dat een generieke reductie op landelijk
niveau met generieke normen niet afdoende is om lokale discussies rondom vergunningen
(lid 3), PAS-melders en interim-mers te beëindigen? Kunt u klare wijn schenken over
welk van deze strijdige paradigma’s prevaleert in de verdere uitwerking van uw beleid?
Vraag 5
Maakt u inzichtelijk, bijvoorbeeld via een openbaar en actueel dashboard, hoe de in
vraag 3 genoemde sporen zich tot elkaar verhouden, wat de historische en actuele stand
van zaken qua emissiereductie en natuurherstel is en hoeveel waar bereikt is (bij Natura 2000-gebieden, regionaal, provinciaal, sectoraal
en landelijk)? Hoe kunnen ondernemers en overheden straks weten waar ze staan, hoever
ze zijn en wat er nog moet gebeuren?
Vraag 6
Biedt u provincies inzake de gebiedsgerichte aanpak alleen ruimte voor een alternatieve
invulling van de zonering (zoals de brief die u aan de provincies hebt verstuurd suggereert)
en extra reductiedoelen bovenop de generieke stikstofaanpak, of kan de gebiedsgerichte
aanpak ook een alternatief vormen voor de landelijke bedrijfsspecifieke normen zodra
op gebiedsniveau vanuit het natuurbeheerplan wordt aangetoond dat voldaan kan worden
aan de doelen van de Vogel- en Habitatrichtlijn (VHR)? Zo nee, wat stelt de gebiedsgerichte
aanpak van onderop dan nog voor én blijft de onzekerheid rondom vergunningverlening
dan niet bestaan? Zo ja, hoe gaat het precies werken als de normen per fosfaatrecht
en dierplaats niet uniform, maar per regio verschillend worden?
Vraag 7
Hoe verhouden volgens u de eisen in de zonering (namelijk extensivering middels veebezetting
en mestgebruik, zoals in de Kamerbrief van 26 juni jl. staat) zich tot het alternatief
(geborgde gebiedsplannen, zoals ook benoemd in de genoemde Kamerbrief)? Hoe, wanneer
en op basis van welke berekening/methodiek weet een ondernemer (samen met de provincie in dat geborgde gebiedsplan)
of het alternatief voldoende is?
Vraag 8
Kunt u inzicht geven in de haalbaarheid van het doorlopen van een volwaardig gebiedsproces
binnen het door u gestelde tijdsframe? Acht u het praktisch uitvoerbaar om voor alle gezoneerde gebieden binnen deze termijn tot volwaardige
gebiedsplannen te komen? Kunt u daarbij aangeven of er voldoende procesregisseurs
beschikbaar zijn om deze processen zorgvuldig te begeleiden en op welke wijze en in
welke mate de betreffende gebieden hierbij worden ondersteund?
Vraag 9
Welke wetenschappelijke basis en rapporten liggen ten grondslag aan uw keuze voor
500 meter en voor (de locatie van) 1.000 meter-zones? Zijn kleinere/minder zones rond
stikstofgevoelige natuur (in slechte staat) ook overwogen? En hoe verhoudt de door
u gekozen zoneringsaanpak zich tot de hotspotaanpak, zoals gehanteerd bij de Veluweaanpak?
Vraag 10
Bent u bereid de volledige (reken-)methodiek, inclusief rapporten, data, emissie-
en depositiecijfers en de totaalanalyse van alle drukfactoren, voor alle aangewezen
zones, zowel rond Natura 2000-gebieden als beekdalen als grondwaterbeschermingsgebieden,
aan de Kamer te zenden, met daarbij dus de onderbouwing van de aanwijzing per afzonderlijk
gebied?
Vraag 11
Hoe beoordeelt u de grote verschillen tussen provincies in de invulling en uitwerking
van hun natuurbeheerplannen als ook de daadwerkelijke monitoring van het beheer in
relatie tot andere drukfactoren dan stikstof? Wat vindt u ervan dat daarin veelal
de stikstofproblematiek vanuit lid 3 VHR wordt aangevlogen in plaats van met de benodigde
onderbouwing vanuit lid 1 en 2, met als extreem voorbeeld de situatie in de provincie
Noord-Brabant? Herkent u deze problematische situatie en welke instructies bent u
voornemens te geven (zoals inzake tempo, evaluatiemethodiek, afweging van drukfactoren
en definiëring van de emissieruimte) ter invulling van uw stelselverantwoordelijkheid?
Vraag 12
Hoe staat u ondertussen ondernemers en provincies bij die te maken hebben met aanvallen
op de natuurvergunningen? Hoe voorkomt u daarbij dat er verschil (rechtsongelijkheid)
ontstaat in de omgang met vergunninghouders uit diverse sectoren, zoals in Noord-Brabant
het geval is, waar de provincie op een andere wijze omgaat met industriële bedrijven
en de Amercentrale dan met de vijf pluimveehouders? Welke instructies bent u voornemens
te geven ter invulling van uw stelselverantwoordelijkheid?
Vraag 13
Kunt u garanderen dat een ondernemer die aantoonbaar voldoet aan de generieke normen
uit uw brief en die de daarvoor noodzakelijke maatregelen uitvoert, ook daadwerkelijk
juridische ruimte krijgt om zijn bedrijf voort te zetten en te ontwikkelen? Zo nee,
waarin bestaat de rechtszekerheid van het voorgestelde doelsturingsbeleid dan concreet?
Vraag 14
Waarom kiest u ervoor om de norm van 0,164 kg NH₃ per fosfaatrecht alleen te koppelen
aan de emissies van stallen en mestopslagen en lijken veld- en mestaanwendingsemissies
hierbij buiten beeld te blijven? Als u niet bereid bent deze keuze te herzien, wat
is dan uw repliek waard op het zogenaamde misverstand dat de in de Kamerbrief van
26 juni gecommuniceerde bedrijfsspecifieke norm slecht uitpakt voor extensieve en
biologische melkveebedrijven, aangezien investeren in technische stalmaatregelen helemaal
niet past bij hun bedrijfsstijl? Bent u bereid managementmaatregelen als meer weidegang,
eiwitarmer voeren, aanzuren van mest, meer mestkwaliteit en mestverdunning bij aanwending
volwaardig mee te tellen als bijdrage aan het behalen van de norm per fosfaatrecht?
Waarom wel/niet?
Vraag 15
Als onverhoopt het terugdringen van veldemissies geen onderdeel maakt van de voorgestelde
doelsturing, dan wel niet meetelt in relatie tot de door u gekozen norm van 0,164
kg NH₃ per fosfaatrecht, terwijl deze wel circa de helft uitmaken van de ammoniakemissies
van de melkveehouderij, is het dan niet redelijk de gekozen norm navenant aan te passen?
Vraag 16
Bent u bereid om, gelet op de grote uitdaging voor melkveehouderijbedrijven om aan
de gecommuniceerde bedrijfsspecifieke normen per fosfaatrecht te kunnen voldoen (en
daarmee samenhangend de hoge kosten, uithollend draagvlak en het risico op rechtszaken
zodra de norm niet wordt gerealiseerd en handhaving volgt), de norm verder te differentiëren
naar bedrijfstype en te herformuleren naar een norm op bedrijfsniveau, waarbij het
fosfaatrecht alleen wordt gebruikt om de norm in uit te drukken, waarna alle maatregelen
inzetbaar zijn om aan deze reductie op bedrijfsniveau te voldoen? Als daarmee een equivalente reductie mogelijk is met draagvlak vanuit de sector, is dat dan niet te prefereren boven generieke uitrol van een hoge
norm waarmee de sector verder moet intensiveren?
Vraag 17
En kunt u nog een aantal zaken met betrekking tot de ammoniakemissie per fosfaatrecht
ophelderen, zoals: (a) Hoe ziet de achterliggende berekening voor de 0,164 kg NH3 per fosfaatrecht eruit?; (b) Is die 0,164 kg NH₃ is gebaseerd op het huidige aantal
rechten, en zo ja, hoe gaat u dan om met de doorgehaalde rechten bij afroming en opkoop?
Worden die opnieuw uitgegeven? En welke bedrijven komen daarvoor dan in aanmerking?
Wat is de rol van de bestaande fosfaatbank daarbij?; (c) Is innovatie volgens u een
belangrijk onderdeel van de oplossing? Zo ja, is dan de lijst van toegestane technieken
niet veel te kort? Hoe wilt u daarbij het wantrouwen in de eerder afgeschoten Regeling
Ammoniak en Veehouderij-lijst (RAV-lijst) verhelpen? Hoe en wanneer komt er een nieuwe
juridisch houdbare lijst met meer nieuwe technieken met daarbij een herbeoordeling
van de oude innovaties en stalvloeren, met zekerheid voor ondernemers; (d) Hoe regelt
u de erkenning voor managementmaatregelen op dier- en stalniveau, die zorgen voor
een belangrijke reductiedaling? Hoe wordt dit op de zeer korte termijn geregeld qua
systematiek, waarbij hedendaags vakmanschap wordt beloond? En hoe wordt ten slotte
hierbij de opgave voor dierwaardigheid meegewogen?
Vraag 18
Kunt u duidelijkheid geven aan de Kamer en aan veehouders of reeds gedane investeringen
in inmiddels afgekeurde stalvloeren wel mee gaan tellen in het doelbereik, aangezien
een vloer die circa de helft aan emissies reduceert ten opzichte van de aanvankelijke
belofte nog altijd die helft van de oorspronkelijke emissies reduceert?
Vraag 19
Kunt u inzicht geven in de haalbaarheid van de klimaatnorm van 92 kg CO2-eq. per fosfaatrecht, zowel voor extensieve/biologische bedrijfsstijlen met relatief
weinig fosfaatrechten en veel weidegang die niet overgaan tot maatregelen als mestvergisting
en toediening van Bovaer als voor intensievere bedrijfsstijlen?
Vraag 20
Hoe voorkomt u dat de gekozen koppeling aan fosfaatrechten economisch juist schaalvergroting
en intensivering bevoordeelt, omdat voor de hand liggende technische stalsysteemaanpassingen
meer passen bij een dergelijke bedrijfsstijl? Heeft u dit mogelijke gedragseffect
onderzocht? En ook eventuele alternatieven die meer aansluiten bij een biologische
en/of extensieve bedrijfsvoering?
Vraag 21
Op welke wijze voert u de afspraak uit het coalitieakkoord uit, namelijk dat er een
uitzondering op de grondgebondenheidsnorm komt voor bedrijven die voldoen aan doelsturing?
Hoe en op basis van welke parameter(s) geeft u daar invulling aan in uw wetsvoorstel?
Vraag 22
Wanneer maakt u intern en extern salderen weer mogelijk? En welke afwijkingsmogelijkheden komen er op bedrijfsniveau, als op gebiedsniveau de doelen worden
gerealiseerd? Welke ruimte biedt u met andere woorden aan een collectieve aanpak op
gebiedsniveau met ruimte voor verschil op bedrijfsniveau?
Vraag 23
Hoe ver bent u, samen met de provincies en het RIVM, met het ophogen van de rekenkundige
ondergrens? Erkent u dat het verhogen van de rekenkundige ondergrens slechts een tijdelijke
tussenoplossing is die vooral behulpzaam is op korte termijn, zolang Aerius een rol
speelt in de vergunningverlening? Wat is de tijdlijn van de aanpassing van het vergunningenstelsel
en vanaf wanneer speelt Aerius geen rol meer in de vergunningverlening?
Indieners
-
Gericht aan
J. van Essen, minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur -
Indiener
Pieter Grinwis, Kamerlid -
Medeindiener
André Flach, Kamerlid -
Medeindiener
Maarten Goudzwaard, Kamerlid -
Medeindiener
Jan Struijs, Kamerlid
Gerelateerde documenten
Hier vindt u documenten die gerelateerd zijn aan bovenstaand Kamerstuk.