Antwoord schriftelijke vragen : Antwoord op vragen van het lid Keijzer over het artikel 'Inwoners grensdorp kunnen voordeur naar België verplaatsen: 'Ziektekosten, wegenbelasting en huur zijn lager''
Vragen van het lid Keijzer (Keijzer) aan de Minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening over het artikel «Inwoners grensdorp kunnen voordeur naar België verplaatsen: «Ziektekosten, wegenbelasting en huur zijn lager»» (ingezonden 23 juni 2026).
Antwoord van Minister Boekholt-O’Sullivan (Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening)
(ontvangen 14 augustus 2026).
Vraag 1
Bent u op de hoogte van berichtgeving over situaties in grensgemeenten, zoals in Baarle,
waar een appartementencomplex zowel een Nederlandse als een Belgische voordeur heeft
vanwege verschillen in regelgeving?1
Antwoord 1
Ja, ik ben op de hoogte van deze berichtgeving.
Vraag 2
Bent u op de hoogte van het feit dat aan de Nederlandse zijde van een dergelijk perceel
geen extra woningen mochten worden gerealiseerd vanwege gemeentelijke regels, terwijl
dit aan de Belgische zijde wél mogelijk bleek?
Antwoord 2
Via de berichtgeving ben ik daarvan op de hoogte gebracht.
Vraag 3
Deelt u de opvatting dat dergelijke casussen illustreren dat regelgeving in Nederland
knellender kan uitpakken dan in buurlanden en daarmee ongewenste prikkels creëert?
Is het mogelijk dat dergelijke regels ontstaan zijn in de jaren dat Nederland nog
dacht te krimpen?
Antwoord 3
Ik kan uit één casus geen algemene conclusie trekken over hoe knellend regelgeving
is in Nederland. De voorliggende casus heeft betrekking op een specifieke situatie,
waarbij lokale regels in een behoorlijk uitzonderlijke grenssituatie aan de zijde
van het buurland anders uitpakken.
Ik vind wel dat we kritisch moeten kijken naar het wegnemen van knellende regels om
de woningbouw te versnellen. Daarom ga ik aan de slag met vereenvoudiging van regels,
de uitwerking van de kabinetsreactie STOER en met nieuwe voorstellen binnen de Vereenvoudigingsopgave
voor de fysieke leefomgeving. Deze regels zullen onder andere landen in de jaarlijkse
Vereenvoudigingswet. Op 10 juli 2026 heb ik uw Kamer geïnformeerd over de stand van
zaken van STOER en de vereenvoudigingsopgave.2
Daarnaast wil ik dat het splitsen, delen en optoppen van woningen in meer gevallen
door gemeenten wordt gefaciliteerd en dat belemmeringen worden weggenomen. Verschillende
gemeentes zijn hier al mee bezig, maar ik zie ook dat initiatiefnemers nog vaak tegen
onnodige belemmeringen aanlopen. Met de VNG werk ik in de komende periode uit hoe
deze belemmeringen kunnen worden weggenomen. Ik heb uw Kamer daarover recent geïnformeerd.3
Vraag 4
Wat vindt u van het feit dat beperkingen worden gesteld, zoals maximale bouwhoogtes,
bebouwingspercentages en functiebestemmingen, die het realiseren van extra woningen
kunnen beperken of uitsluiten?
Antwoord 4
Bouw- en gebruiksregels in omgevingsplannen zijn van groot belang voor het borgen
van de leefbaarheid van woongebieden. Ter illustratie, naast woningen moet in stedelijke
gebieden doorgaans ook ruimte zijn voor een supermarkt, een school of een voetbalveld.
Daarvoor dienen functiebestemmingen. Daarnaast, bijvoorbeeld ter bescherming van de
identiteit van een dorpskern, kan het wenselijk zijn dat er maximale bouwhoogtes gelden.
Dergelijke planregels zijn dus van belang.
Tegelijkertijd zie ik dat regelgeving soms onnodig belemmerend kan uitpakken. Bij
vraag 3 heb ik toegelicht dat ik inzet op het wegnemen van belemmeringen. Dit doe
ik onder andere doormiddel van STOER en de vereenvoudigingsopgave fysieke leefomgeving.
Vraag 5
Hoe beoordeelt u het dat gemeenten via deze planregels feitelijk kunnen voorkomen
dat extra woningen worden toegevoegd, ook in gebieden met een groot woningtekort?
Antwoord 5
Ik wil dat gemeenten voldoende ruimte bieden voor het aantal woningen dat een gemeente
moet bouwen. Met provincies en gemeenten maak ik daarover afspraken in de geactualiseerde
woondeals. In de Wet versterking regie volkshuisvesting hebben provincies de wettelijke
taak om te zorgen voor voldoende woningbouwlocaties. Als in een gemeente die bouwlocaties
achterblijven door knellende regels verwacht ik van de provincies dat zij daarin hun
verantwoordelijkheid nemen. Eerst door bestuurlijk overleg, maar waar nodig door het
nemen van een instructiebesluit. Zo nodig kan ik de provincie ook daartoe instrueren.
Binnen de grenzen van de wet en gemaakte afspraken, is de taak om ruimtelijke regels
te stellen en ook te zorgen voor ruimte voor andere voorzieningen. Dat kan betekenen
dat gemeenten op een bepaalde locatie geen nieuwe woningen toestaan, bijvoorbeeld
omdat de gemeente op die plek voorzieningen willen creëren, zoals een zwembad of andere
noodzakelijke sportfaciliteiten
Vraag 6
Deelt u de opvatting dat procedures, die in de praktijk maanden tot jaren kunnen duren,
een rem zetten op het tempo waarin nieuwe woningen worden gerealiseerd?
Antwoord 6
Het beeld dat procedures een vertragende werking kunnen hebben op woningbouw herken
ik. Op een aantal manieren wil ik zorgen voor versnelling.
Zo is op 1 juli 2026 is de Wet versterking regie volkshuisvesting inwerking getreden.
Deze wet zorgt op verschillende manieren dat procedures om te komen tot onherroepelijke
vergunningen ten behoeve van woningbouw worden versneld. Deze wet regelt dat beroep
bij woningbouw én energie-infrastructuur aanzienlijk wordt versneld door versnelde
behandeling en altijd één gang naar de rechter. De versnelling van bezwaar- en beroepsprocedures
maakt ook onderdeel uit van (de actieagenda van) STOER. Daarvoor verwijs ik naar het
antwoord op vraag 3.
Met het Programma Uitvoeringskracht zet ik daarnaast in op versterking van de uitvoeringscapaciteit
van gemeenten. Op die manier kunnen vergunningaanvragen sneller worden behandeld.
Vraag 7
Hoe beoordeelt u de stapeling van regels uit omgevingsplannen, huisvestingsverordeningen
en Algemene Plaatselijke Verordeningen in relatie tot de nationale woningbouwopgave?
Antwoord 7
Waar het om gaat is dat we met meer tempo jaarlijks 100.000 woningen bouwen. De stapeling
van regels zit daarbij soms in de weg. Dat was ook een van de aanleidingen voor het
project STOER. In het kader van STOER en de Vereenvoudigingsopgave fysieke leefomgeving
besteed ik daarom ook aandacht aan de stapeling van regels. Met het vereenvoudigen,
schrappen en beter uitleggen van regels wil ik dit samen met de betrokken partners
in de keten, andere departementen, medeoverheden, corporaties en marktpartijen oplossen.
Daarnaast wordt bij Beter Benutten ook aandacht besteed aan de stapeling van regels.
Zo kijk ik voor splitsen en woningdelen niet alleen naar omgevingsplannen, maar juist
ook naar huisvestingsverordeningen.
Vraag 8
Hoe beoordeelt u het risico dat vergelijkbare woninginitiatieven in de ene gemeente
wel en in de andere gemeente niet mogelijk zijn vanwege lokaal beleid?
Antwoord 8
Uitgangspunt is dat ruimtelijke regels primair lokaal worden gesteld omdat iedere
locatie weer anders is. Het is bijvoorbeeld goed denkbaar dat een wooninitiatief voor
hoogbouw niet passend is in een kleine kern in het landelijk gebied, maar wel binnen
het stedelijk gebied van een naburige gemeente.
Tegelijkertijd waak ik ervoor dat overheden geen bovenwettelijke eisen stellen of
woningbouw onnodig belemmeren. Zie daarvoor het antwoord op vraag 5.
Vraag 9
Kunt u aangeven hoe vergunningplichten voor het splitsen, samenvoegen of verkameren
van woningen ertoe leiden dat het aantal feitelijk beschikbare woonruimten wordt beperkt?
Hoe komen we daarvan af?
Antwoord 9
Vergunningplichten voor splitsen en verkamering kunnen zeker een rem zetten op het
beter benutten van de bestaande bebouwing, omdat ze een drempel zijn voor initiatiefnemers.
Daarom wil belemmeringen waar mogelijk wegnemen. Bij vraag 4 heb ik dit toegelicht.
Tot slot, het samenvoegen van woningen is in veel gemeenten vergunningplichtig op
grond van de Huisvestingswet omdat samenvoeging leidt tot minder woningen. De lokale
bevoegdheid om dit vergunningplichtig te maken, wil ik dus behouden.
Vraag 10
Kunt u een integraal overzicht geven van de relevante hervormingen, beleidswijzigingen
en regelgeving van de afgelopen decennia (waaronder veranderingen in de invullingsvrijheid
van bestemmings- en omgevingsplannen, huisvestingsverordeningen, vergunningplichten
en bepalingen in Algemene Plaatselijke Verordeningen) die direct of indirect hebben
bijgedragen aan het beperken van woningbouw en woningvorming, en daarmee aan het vastlopen
van de woningmarkt?
Antwoord 10
De meeste rijksregels die een inperking kunnen geven aan de lokale ruimte voor woningbouw
staan in het in het Besluit kwaliteit leefomgeving. Het Bkl stelt onder meer regels
over geluid op woningen, de bescherming van de luchtkwaliteit, bodemkwaliteit, geur
en nog vele andere onderwerpen. Deze regels zijn gesteld om waarborgen te bieden voor
de gezondheid en veiligheid maar ook voor het waarborgen van het nationaal belang.
Bijvoorbeeld voldoende ruimte voor de luchthaven Schiphol, rijkswegen of voor defensie.
Daarnaast gaat het ook om rijksregels in Omgevingswet, de andere amvb’s op grond van
de Omgevingswet, de Huisvestingswet en andere wetten en amvb’s.
Deze rijksregels waren voorheen verbrokkeld over tientallen wetten en ongeveer 120
voornamelijk sectorale AMvB’s die in de afgelopen decennia veelvuldig zijn gewijzigd.
Bijvoorbeeld de Wet bodembescherming, de Wabo, de Wet milieubeheer, het Activiteitenbesluit
en het Barro. Deze regels zijn veelvuldig gewijzigd waarbij het niet bij alle hervormingen
te is duiden of deze ook een belemmerend effect hebben gehad op de woningbouw. Het
is dan ook niet doenlijk om een dergelijk overzicht te verstrekken. Wel verwijs ik
u naar de jaarverslagen van het Ministerie van Binnenlandse Zaken en naar de Beleidsdoorlichting
artikel 3 Woningmarkt 2015–2021 opgesteld door SEO economisch onderzoek.
Verder heb ik op rijksniveau de rol als coördinerend bewindspersoon in het integrale
fysieke domein. Vanuit die coördinerende rol vraag ik bij overleggen met andere departementen
nadrukkelijk aandacht voor de gevolgen van wijzigingen in regelgeving en beleid op
onder meer de woningbouw. Verder werk ik samen met mijn collega-bewindspersonen aan
de Nota Ruimte. In deze nota maakt het kabinet keuzes ten aanzien van de fysieke leefomgeving,
als onderdeel van een brede integrale afweging. Ook bij het opstellen van de Nota
Ruimte heb ik aandacht voor de goede ruimtelijke inpassing van de woningbouwopgave,
bijvoorbeeld door het aanwijzen van nationaal grootschalige woningbouwlocaties waar
het Rijk prioriteit geeft aan het realiseren van woningen.
Het uitgangspunt is dat lokale, provinciale en rijksregels niet onnodig belemmerend
zijn. Daarom ben en blijf ik bezig met het wegnemen van belemmeringen. In de antwoorden
op de vragen 3, 6 en 7 heb ik dat toegelicht.
Vraag 11
Klopt het dat de regels die het aantal woningen in het bestemmings- of omgevingsplan
niet laten toenemen, het splitsen van bestaande woningen beperken, wonen in bijgebouwen
verbieden of wonen in aanbouwen verbieden het toevoegen van woningen bemoeilijken?
Zijn er mogelijkheden om deze landelijk en generiek te schrappen? Zo ja, hoe? Bent
u bereid dat te doen?
Antwoord 11
Bij vraag 3 heb ik toegelicht welke maatregelen ik neem om de bestaande voorraad beter
te benutten onder andere ten aanzien van splitsen. Ook heb ik toegelicht dat via de
woondeals afspraken met gemeenten en provincies zijn gemaakt over het toevoegen van
woningen. Daarnaast zal het (nog inwerking te treden) Besluit versterking regie volkshuisvesting
de mogelijkheden vereenvoudigen om als familielid of mantelzorger te wonen in een
bijgebouw of aanbouw.
Verder bekijk ik continu welke belemmeringen weg kunnen worden genomen om woningen
toe te voegen. Dit moet op een zorgvuldige wijze gebeuren, waarbij de gevolgen altijd
eerst goed in kaart dienen te worden gebracht.
Vraag 12
Welke maatregelen bent u verder bereid te treffen om te voorkomen dat lokale regelgeving
het realiseren van extra woningen onnodig belemmert? En op welke termijn zijn deze
maatregelen te verwachten? En neemt u in uw overwegingen het opleggen van een instructiebesluit
mee? Zo nee waarom niet? Zo ja, hoe en binnen welke termijn?
Antwoord 12
Ik verwijs naar de antwoorden op de vragen 3, 5, 6 en 7. Daarin heb ik ook aangegeven
dat daar waar dat nodig is, ik mijn verantwoordelijk zal nemen om bij te sturen. Waar
nodig kan dat ook zijn in de vorm van instructieregels of een instructiebesluit.
Ondertekenaars
E. Boekholt-O’Sullivan, minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening
Bijlagen
Gerelateerde documenten
Hier vindt u documenten die gerelateerd zijn aan bovenstaand Kamerstuk.