Schriftelijke vragen : De houdbaarheid van de positie van de minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening in het licht van haar rol in twee klokkenluidersdossiers bij Defensie
Vragen van de leden Markuszower, Claassen en Ten Hove (allen Groep Markuszower) aan de Minister-President over de houdbaarheid van de positie van de Minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening in het licht van haar rol in twee klokkenluidersdossiers bij Defensie (ingezonden 13 augustus 2026).
Vraag 1
Bent u bekend met dit bericht en met de eerdere reconstructie waarnaar daarin wordt
verwezen? Zo nee, bent u bereid daarvan kennis te nemen alvorens de onderstaande vragen
te beantwoorden?1
2
Vraag 2
Kunt u bevestigen of weerspreken dat de huidige Minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke
Ordening (VRO) in februari 2017, als commandant van vliegbasis Eindhoven en kort na
een uitzending van EenVandaag over de zaak, aan klokkenluider Van Wulfen een inroosterverbod
oplegde, waarmee hem feitelijk de uitoefening van zijn beroep werd ontnomen? Kunt
u het tevens aangeven indien u dit niet kunt bevestigen of weerspreken en waarom niet?3
4
Vraag 3
Kunt u bevestigen of weerspreken dat dat de huidige Minister van VRO, terwijl het
bezwaar tegen dat besluit nog ter toetsing lag, de behandelaar van dat bezwaar per
e-mail verzocht haar te blijven «bestoken» met bruikbaar materiaal over de betrokkene,
en daarbij meldde inmiddels over circa 1.700 e-mails over hem te beschikken? Kunt
u het tevens aangeven indien u dit niet kunt bevestigen of weerspreken en waarom niet?5
Vraag 4
Kunt u bevestigen of weerspreken dat dat de huidige Minister van VRO bij haar vertrek
in 2018 het commando over vliegbasis Eindhoven – met inbegrip van de op dat moment
openstaande dossiers over haar eigen handelen – overdroeg aan haar echtgenoot? Kunt
u het tevens aangeven indien u dit niet kunt bevestigen of weerspreken en waarom niet?6
Vraag 5
Is het juist dat het Huis voor Klokkenluiders in december 2020 heeft vastgesteld dat
de declaratiefraude op vliegbasis Eindhoven daadwerkelijk heeft plaatsgevonden, terwijl
onder verantwoordelijkheid van de betrokken Minister opgestelde stukken over diezelfde
kwestie een andere voorstelling van zaken gaven en aan de Kamer zijn gezonden? Zo
ja, is de Kamer daarmee onjuist geïnformeerd en door wie? Zo nee, waarom niet en op
welk onderdeel wijkt uw lezing af van de vaststelling van het Huis voor Klokkenluiders?7
Vraag 6
Hoe verhoudt de verklaring die de Minister onder ede heeft afgelegd voor de rechtbank
Gelderland – dat zij geen aangifte had gedaan en geen vermoeden van een strafbaar
feit had – zich tot het feit dat die aangifte langs drie onderscheiden lijnen wordt
bevestigd, te weten (a) haar eigen e-mail van 5 juli 2016 waarin zij meldt die dag
conform afspraak aangifte te hebben gedaan bij de Koninklijke Marechaussee, (b) een
e-mail van de toenmalige plaatsvervangend Commandant Luchtstrijdkrachten waarin diezelfde
aangifte wordt bevestigd, en (c) een interview waarnaar het artikel verwijst? Was
het kabinet van deze discrepantie op de hoogte en zo ja, sinds wanneer? Zo nee, waarom
niet gelet op het feit dat deze stukken sinds 2016 bestaan en de zaak sindsdien meermalen
in de Kamer en in de media aan de orde is geweest?8
9
Vraag 7
Is op of omstreeks 5 juli 2016 door of namens de toenmalige commandant van vliegbasis
Eindhoven aangifte gedaan bij de Koninklijke Marechaussee, ja of nee? Dit betreft
een administratief verifieerbaar registratiegegeven en geen juridisch oordeel; kunt
u dit desgewenst laten navragen? Indien u deze vraag niet met ja of nee beantwoordt,
kunt u dan aangeven op grond van welke wettelijke bepaling u zich daartoe niet in
staat acht?
Vraag 8
Indien het antwoord op vraag 7 bevestigend is: hoe verhoudt die registratie zich tot
haar verklaring onder ede dat zij geen aangifte had gedaan en geen vermoeden van een
strafbaar feit had? Indien het antwoord ontkennend is: hoe verklaart u dan haar eigen
e-mail van diezelfde datum en de bevestiging daarvan door de toenmalige plaatsvervangend
Commandant Luchtstrijdkrachten?
Vraag 9
Heeft het kabinet sinds het bekend werd met deze tegenstrijdigheid, zelf enige poging
ondernomen om vast te stellen welke van beide voorstellingen van zaken juist is? Zo
ja, door wie, wanneer en met welke uitkomst? Zo nee, acht u het verenigbaar met uw
verantwoordelijkheid voor de integriteit van het kabinet dat een dergelijke tegenstrijdigheid
rond een zittend bewindspersoon onopgehelderd blijft?
Vraag 10
Heeft de betrokkene u, de formateur of degene die de screening uitvoerde over deze
tegenstrijdigheid geïnformeerd voordat zij werd voorgedragen? Zo nee, beschouwt u
het achterwege laten daarvan als een omissie? Welk gevolg verbindt u daaraan?
Vraag 11
Nu de juistheid van een verklaring onder ede naar haar aard niet door de betrokkene
zelf kan worden vastgesteld, bent u bereid de feiten te laten vaststellen door een
instantie buiten het Ministerie van Defensie en buiten het Ministerie van Volkshuisvesting
en Ruimtelijke Ordening en de uitkomst met de Kamer te delen? Zo nee, waarom niet
en wie stelt de feiten dan wél vast en op welk moment?
Vraag 12
Welke informatie over beide klokkenluidersdossiers was bij u, bij de formateur en
bij het kabinet bekend op het moment van de benoeming? Maakten het OIO-rapport uit
2015 – dat sinds dat jaar openbaar op de website van de Tweede Kamer staat (Kamerstuk
34 000 X, nr. 8) –, het rapport van het Huis voor Klokkenluiders uit 2020 en de lopende civiele procedure
tegen de Staat deel uit van de screening? 3 Wat heeft de betrokkene hierover zelf
gemeld en wie heeft geconcludeerd dat dit geen belemmering vormde? Indien deze stukken
geen deel uitmaakten van de screening, waarom niet? Bent u ervan op de hoogte dat
de klokkenluider de kernfeiten van deze dossiers in juni 2025 – dus ruim voor de benoeming –
op verzoek van een fractiemedewerker van D66 schriftelijk heeft vastgelegd en deze
feiten vervolgens heeft toegelicht in een videogesprek met de toenmalige Defensiewoordvoerder
van die fractie? Zo ja, hoe verklaart u dat deze informatie geen rol heeft gespeeld
bij de voordracht? Zo nee, waarom niet en bent u bereid dit na te gaan en de Kamer
daarover te informeren?10
Vraag 13
Deelt u de opvatting dat een bewindspersoon die als leidinggevende een door de hoogste
integriteitsonderzoeksraad in het gelijk gestelde klokkenluider feitelijk zijn beroep
heeft ontnomen en die daarbij zelf materiaal aanleverde bij degene die haar eigen
besluit moest toetsen, geen geloofwaardige uitdrager kan zijn van rijksbreed integriteits-
en meldersbeleid? Zo nee, waarom niet?11 12
Vraag 14
Gelet op het feit dat de eisende partij de Minister bij dagvaarding als getuige heeft
opgeroepen en het aan de rechtbank is om te bepalen of zij daadwerkelijk moet verschijnen,
deelt u de opvatting dat het onwenselijk is dat een zittend bewindspersoon door de
rechtbank kan worden gehoord over haar eigen handelen in een procedure tegen de Staat
en dat het kabinet daarmee zelf partij is in een zaak waarin een van zijn leden persoonlijk
is betrokken? Zo nee, waarom niet? Welke consequenties verbindt u hieraan?13
Vraag 15
Is het kabinet bereid het volledige dossier over de betrokkene – inclusief maar zich
niet beperkend tot de e-mailcollectie waarvan het bestaan nooit is ontkend – alsnog
te verstrekken aan de betrokkene en, voor zover mogelijk, aan de Kamer? Zo nee, op
welke grond wordt dat geweigerd nu jarenlange verzoeken op grond van de Algemene Verordening
Gegevensbescherming (AVG) niet tot verstrekking hebben geleid?
Vraag 16
Welke vaststelling zou voor u wél leiden tot de conclusie dat de positie van deze
Minister onhoudbaar is: een rechterlijk oordeel, een besluit van het Openbaar Ministerie,
een erkenning door de betrokkene zelf, of iets anders? Kunt u die grens concreet benoemen,
in plaats van te volstaan met de mededeling dat de zaak onder de rechter is? Onderschrijft
u daarbij dat de omstandigheid dat een zaak bij de civiele rechter aanhangig is, geen
zelfstandige weigeringsgrond oplevert onder Artikel 68 van de Grondwet en dat de inlichtingenplicht
slechts kan wijken voor het belang van de staat? Zo nee, waarom niet, en welke weigeringsgrond
meent u dan wel te kunnen inroepen?14
Vraag 17
Wilt u deze vragen allemaal afzonderlijk beantwoorden?
Indieners
-
Gericht aan
R.A.A. Jetten, minister-president -
Indiener
Gidi Markuszower, Kamerlid -
Medeindiener
Tamara ten Hove, Kamerlid -
Medeindiener
René Claassen, Kamerlid
Gerelateerde documenten
Hier vindt u documenten die gerelateerd zijn aan bovenstaand Kamerstuk.