Schriftelijke vragen : De Kamerbrief ‘Schriftelijke reactie rapport 'Het vlagregister en het woonlandbeginsel, economische en strategische waarde'’.
Vragen van de leden Vellinga-Beemsterboer en Neijenhuis (beiden D66) aan de Ministers van Infrastructuur en Waterstaat en van Sociale Zaken en Werkgelegenheid over de Kamerbrief «Schriftelijke reactie rapport «Het vlagregister en het woonlandbeginsel, economische en strategische waarde»» (ingezonden 13 augustus 2026).
Vraag 1
Deelt u de mening dat de uurlonen van een Indonesische zeevaarder en een Europese
zeevaarder van respectievelijk 3,25 euro per uur en bijna 15 euro per uur onwenselijk
ver uit elkaar liggen als zij hetzelfde werk doen? Herkent u het feit dat de Indonesische
zeevaarder meer dan vier keer zoveel uur moet werken voor dezelfde uitgaven tijdens
een avond walverlof te bekostigen als zijn Europese collega? Erkent u dat dit wrang
en oneerlijk aanvoelt voor de Indonesische zeevaarder?
Vraag 2
Acht u het wenselijk dat zeevaarders op Nederlandse schepen, ondanks het verrichten
van hetzelfde werk, verschillend worden beloond vanwege hun nationaliteit? Zo ja,
waarom?
Vraag 3
Kunt u aangeven waarom de Kamerbrief alleen ingaat op de economische effecten van
het loslaten van het woonlandbeginsel en niet op de de gevolgen van de huidige beloningsverschillen
voor het welzijn en de rechtspositie van zeevarenden uit onder meer Indonesië, de
Filipijnen en Oekraïne?
Vraag 4
Kunt u alsnog ingaan op de gevolgen van het woonlandbeginsel voor deze zeevarenden?
Vraag 5
Erkent u dat juridisch gezien economische argumenten niet zonder meer een structureel
onderscheid naar nationaliteit kunnen legitimeren?
Vraag 6
Bent u bekend met het rapport «Second opinion HCSS/Deloitte over het vlagregister
en woonlandbeginsel» van Stichting Economisch Onderzoek (SEO), waarin SEO laat zien
dat de schatting door HCSS/Deloitte onhoudbaar is en dat het aantal schepen dat omvlagt
hooguit 20 procent bedraagt?1
Vraag 7
Hoe reageert u op de hoofdbevindingen van dit rapport?
Vraag 8
Hoe kijkt u aan tegen de methodologische kritiek van het rapport over de aannames
van HCSS/Deloitte wat betreft bemanningssamenstelling, scheepstypen, het gewicht van
loonkosten in de vlagbeslissing en het absorptievermogen van stijgende loonkosten?
Vraag 9
Hoe kijkt u aan tegen de bevinding van SEO dat de geraamde werkgelegenheidsverliezen
niet of nauwelijks opgaan?
Vraag 10
Bent u het eens met de observatie van SEO dat clustervoordelen samenhangen met de
plaats waar economische activiteit aan wal plaatsvindt en niet met de vlag die een
schip voert?
Vraag 11
Deelt u de mening dat op basis van het Deloitte-rapport geen conclusies kunnen worden
getrokken over het potentiële vertrek van een deel van de Nederlandse reders als pagina
43 van het rapport expliciet aangeeft dat hiernaar geen onderzoek is gedaan? Zo ja,
waarom noemt de Kamerbrief het vertrek van Nederlandse reders als één van de potentiële
risico's van omvlaggen?
Vraag 12
Herkent u dat het niet toepassen van het woonlandbeginsel door andere Europese vlagstaten
laten zien dat een hogere mate van loonharmonisatie niet noodzakelijkerwijs onverenigbaar
is met operationele levensvatbaarheid?
Vraag 13
Bent u bereid om de woorden uit de Kamerbrief over het belang van het woonlandbeginsel
te nuanceren gezien enerzijds het belang van welzijn en de rechtspositie van zeevarenden
en anderzijds de overschatte gevolgen van het loslaten van het woonlandbeginsel?
Vraag 14
Kunt u net als bij het Deloitte-rapport ook per brief schriftelijk reageren op de
Second Opinion van SEO? Kunt u deze reactie voorgaand aan het commissiedebat Maritiem
d.d. woensdag 30 september 2026 naar de Kamer sturen?
Vraag 15
Bent u bereid om in het kader naar het onderzoek naar het behoud van Nederlandse gevlagde
zeeschepen en de maritieme sector in Nederland ook maatregelen te onderzoeken hoe
de concurrentiepositie van het Nederlandse vlaggenregister kan worden versterkt zonder
gebruik te maken van verschillende loonstandaarden voor hetzelfde werk?
Vraag 16
Kunt u zich in dit kader inzetten voor een afschaffing van het woonlandbeginsel op
Europees, International Labour Organization (ILO) of anderszins internationaal niveau
opdat zeevaarders gelijk worden beloond zonder dat dit ten koste gaat van de Nederlandse
concurrentiepositie?
Vraag 17
Deelt u de mening dat een neerwaartse concurrentie op arbeidsvoorwaarden in de maritieme
sector onwenselijk is en dat een internationale inzet dit kan tegengaan?
Vraag 18
Deelt u de zorg dat langdurige toepassing van het woonlandbeginsel kan bijdragen aan
verdringing van Nederlandse zeevarenden en een afname van instroom in Nederlandse
maritieme opleidingen?
Vraag 19
Gelet op het feit dat het Deloitte-rapport vermeldt dat de Nederlandse vlag van groot
strategisch belang is voor de nationale veiligheid maar geen onderscheid maakt tussen
typen schepen, kunt u aangeven welke vormen van zeevaart volgens u met name van belang
zijn (containervervoer, bulkvervoer, cruiseschepen, bijzondere scheepvaart – zeesleepvaart,
bagger, oliewinning)? Maakt het voor de nationale veiligheid uit of al dan niet uitgevlagd
wordt naar andere NAVO- of EU-landen?
Vraag 20
Kunt u uiteenzetten welke juridische risico’s u ziet indien het huidige woonlandbeginsel
in stand blijft, mede in het licht van de uitspraak van het College voor de Rechten
van de Mens?
Vraag 21
Kunt u deze vragen afzonderlijk beantwoorden voorafgaand aan het commissiedebat Maritiem?
Indieners
-
Gericht aan
J.A. Vijlbrief, minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid -
Gericht aan
V.P.G. Karremans, minister van Infrastructuur en Waterstaat -
Indiener
Marieke Vellinga-Beemsterboer, Kamerlid -
Medeindiener
Stephan Neijenhuis, Kamerlid
Gerelateerde documenten
Hier vindt u documenten die gerelateerd zijn aan bovenstaand Kamerstuk.