Antwoord schriftelijke vragen : Antwoord op vragen van de leden Vellinga-Beemsterboer en Klos over de waterproblematiek ten gevolge van klimaatverandering
Vragen van het lid Vellinga-Beemsterboer en het lid Klos (beiden D66) aan de Minister van Infrastructuur en Waterstaat over waterproblematiek als gevolg van klimaatverandering (ingezonden 15 juli 2026).
Antwoord van Minister Karremans (Infrastructuur en Waterstaat) (ontvangen 5 augustus
2026).
Vraag 1
Kunt u toelichten wat de opschaling van de Landelijke Coördinatiecommissie Waterverdeling
naar het niveau «dreigend watertekort» op 1 juli concreet betekent en of u verwacht
dat Nederland deze zomer opschaalt naar «feitelijk watertekort»?1
Antwoord 1
Van watertekort is sprake als de vraag naar water vanuit verschillende maatschappelijke
en ecologische behoeften groter is dan het aanbod met een voor de behoefte geschikte
kwaliteit. Watertekort ontstaat geleidelijk.
Op 16 juli is de Kamer per brief2 geïnformeerd over de opschaling. In de brief is opgenomen dat op 1 juli de Landelijke
Coördinatiecommissie Waterverdeling (LCW) is opgeschaald naar het niveau «dreigend
watertekort» (niveau 1). Ook wordt de Kamer in de brief geïnformeerd over de concrete
genomen maatregelen. Op advies van de LCW heeft de voorzitter van het Management Team
Watertekorten (MTW) donderdag 16 juli 2026 besloten om op te schalen naar een «feitelijk
watertekort» (niveau 2). De criteria voor opschaling zijn vastgelegd in het Landelijk
draaiboek Waterverdeling en Droogte3.
Het MTW bestaat uit Rijkswaterstaat, waterschappen, drinkwaterbedrijven, provincies
en betrokken Ministeries (LNV, EZK en IenW). Zij bereiden bovenregionale maatregelen
voor, om het water zo goed mogelijk te verdelen. Denk bij maatregelen aan schutbeperking,
onttrekkingsverboden en aangepaste inzet van de stuwen op de Rijntakken. De leden
van het MTW vertalen dit naar besluiten in de eigen bestuurlijke kolom. Waterschappen,
Rijkswaterstaat en provincies hebben elk hun eigen structuren, verantwoordelijkheden
en besluitvorming.
Vraag 2
Deelt u de analyse van de voorzitter van de Landelijke Coördinatiecommissie Waterverdeling
dat de huidige droogte steeds meer overeenkomsten vertoont met het uitzonderlijke
jaar 1976 en dat de kans op zulke zomers door klimaatverandering toeneemt?4
Antwoord 2
Ja, ik deel deze analyse. De aanhoudende droogte zorgt ervoor dat er een grotere vraag
is naar water dan wat er ons land binnenkomt via regen en rivieren. Elke droogte is
anders, maar tot nu toe zijn er veel overeenkomsten met de droogte uit 1976. Zo zijn
de rivierafvoeren historisch laag, en is op 15 juli de laagste juli-afvoer van 780
m/s, uit 1976, onderschreden. Ook het neerslagtekort loopt steeds verder op. Deze
is vergelijkbaar met het droge jaar 2018 maar blijft voorlopig nog onder het neerslagtekort
van 1976.
De KNMI-klimaatscenario’s5 laten zien dat perioden van droogte vaker zullen optreden en langer zullen aanhouden
naarmate het klimaat verandert.
Vraag 3
Kunt u toelichten welke keuzes u in de verdringingsreeks voorziet als de droogte de
rest van de zomer aanhoudt en op welk moment u de Kamer daarover informeert?6
Antwoord 3
De huidige droogte heeft op dit moment vooral gevolgen voor functies die vallen onder
categorie 4 van de wettelijke verdringingsreeks (bijlage 1). Voor de functies in de
categorieën 1 tot en met 3 doen zich momenteel geen bovenregionale waterverdelingsvraagstukken
voor.
De Kamer wordt geïnformeerd wanneer er wordt op- danwel afgeschaald naar een ander
niveau of wanneer er sprake is van ingrijpende bestuurlijke besluiten met aanzienlijke
maatschappelijke of financiële gevolgen. Dit laatste ligt waarschijnlijk pas in de
rede wanneer wordt opgeschaald van niveau 2 naar niveau 3 van de droogtekolom, en
de watertekorten ook gevolgen hebben voor functies in de categorieën 1 tot en met
3 van de verdringingsreeks.
Welke maatregelen in dat geval nodig zijn, hangt af van de aard van de watertekorten
en algehele situatie op dat moment. Het is daarom niet mogelijk daar nu op vooruit
te lopen.
Vraag 4
Kunt u toelichten hoe u de zoetwatervoorziening voor drinkwater, landbouw, natuur
en industrie borgt nu de verzilting in het benedenrivierengebied verder toeneemt en
regionaal al onttrekkings- en beregeningsverboden gelden?7
Antwoord 4
De Kamerbrief8 van 16 juli biedt overzicht van de reeds genomen maatregelen. Zo hebben waterbeheerders
al vroeg in het jaar geanticipeerd op mogelijke droogte door het peil lokaal en in
het IJssel- en Markermeer te verhogen. Plaatselijk worden pompen ingezet om kanalen
en het regionale watersysteem van extra water te voorzien en verschillende maatregelen
zijn al ingezet om de verzilting te beperken en waterpeilen te kunnen handhaven. Denk
aan het extra inlaten van water, het sluiten van de Haringvlietsluizen, beperkt spuien
bij de Afsluitdijk en de inzet van de Klimaatbestendige wateraanvoer (KWA). Waterbeheerders
hebben hiermee de gevolgen van de droogte gedeeltelijk kunnen opvangen en/of uitstellen.
Hoe langer de droogte aanhoudt, hoe ingewikkelder het wordt om functies lager in de
verdringingsreeks (categorie 4) van zoetwater te voorzien. De gevolgen van droogte
kunnen niet altijd en overal voorkomen worden.
Vraag 5
Kunt u specifiek toelichten in hoeverre de huidige droogte en verzilting een concreet
risico vormen voor een feitelijk drinkwatertekort voor consumenten op de korte en
middellange termijn?
Antwoord 5
De huidige droogte en verzilting vormen geen risico op een drinkwatertekort en brengen
dan ook geen concrete gevolgen mee voor de consument. Er is momenteel voldoende drinkwater
beschikbaar en de levering van drinkwater blijft stabiel. Risico’s voor de drinkwaterwinning
zijn beheersbaar door de preëmptieve peilopzet van het IJsselmeer begin dit jaar,
het inschakelen van de Klimaatbestendige wateraanvoer (KWA) voor West-Nederland en
andere genomen maatregelen uit de Kamerbrief9. Wel is belangrijk bewust met kraanwater om te gaan. Het vaste advies van de drinkwaterbedrijven
is dat minder water gebruiken altijd beter is – het hele jaar door.
Het is bekend dat de drinkwatervoorziening op de middellange termijn steeds meer onder
druk komt te staan. Onder andere door langere periodes van droogte, maar ook door
een groeiende vraag. De beschikbaarheid van voldoende, schoon en betaalbaar drinkwater
wordt voor een belangrijk deel bepaald door de beschikbaarheid en kwaliteit van de
drinkwaterbronnen. Om de komende jaren onze drinkwaterbeschikbaarheid ook veilig te
stellen werken de drinkwaterbedrijven en provincies in het kader van het Actieprogramma
beschikbaarheid drinkwaterbronnen aan maatregelen om de productiecapaciteit van drinkwater
in 2030 ook structureel te vergroten. Tegelijkertijd werken we met de uitvoering van
het Nationaal Plan van aanpak drinkwaterbesparing samen met veel stakeholders aan
het terugbrengen van de vraag naar drinkwater met 20% in 2035, zowel voor consumenten
als voor zakelijke gebruikers.
Vraag 6
Hoe beoordeelt u de ecologische gevolgen van deze droogte, zoals vissterfte, blauwalg,
botulisme, droogvallende nevengeulen en een landelijk verhoogd risico op natuurbranden?
Antwoord 6
Het risico op vissterfte, blauwalg, botulisme, droogvallende nevengeulen en natuurbranden
is jaarlijks terugkerend en lokaal verschillend, maar naarmate de droogte aanhoudt
neemt dit risico overal toe. Zo zijn onlangs in het noordelijke deel van de Krimpenerwaard
grote aantallen dode vissen en watervogels aangetroffen, vermoedelijk ten gevolge
van een botulisme-uitbraak door de hoge watertemperaturen. Het handelen ten aanzien
van het verhoogde risico op natuurbranden is vastgelegd in het Landelijk Crisisplan
Natuurbranden10.
Vraag 7
Kunt u aangeven welke gevolgen de aanhoudende droogte heeft voor de staat van kades,
dijken en funderingen?
Antwoord 7
De droogte heeft vooralsnog beperkte gevolgen voor de staat van kades en dijken omdat
we op tijd ingrijpen waar dat nodig is. Waterbeheerders controleren locaties waar
door uitdroging risico’s kunnen ontstaan en nemen maatregelen om deze te beschermen.
Het recentelijk afsluiten van de Twentekanalen is hier een voorbeeld van. De stabiliteit
van keringen heeft de hoogste prioriteit in de verdringingsreeks.
Funderingen zijn als zodanig niet opgenomen in de verdringingsreeks, maar waterbeheerders
nemen wel maatregelen om bodemdaling door droogte (klink en zetting) te voorkomen.
Hiermee wordt ook schade aan funderingen door de huidige droogte beperkt.
Vraag 8
Kunt u toelichten wat de lage waterstanden nu al betekenen voor de binnenvaart, waar
schepen minder diep mogen varen, minder lading kunnen meenemen en verladers te maken
krijgen met hogere transportkosten, laagwatertoeslagen en langere doorlooptijden?
Antwoord 8
De huidige lage waterstanden in Nederland hebben aanzienlijke gevolgen voor de binnenvaartsector.
Door de verminderde vaardiepte mogen binnenvaartschepen minder diep varen, wat direct
leidt tot een verminderd laadvermogen per schip. Hierdoor neemt de beschikbare transportcapaciteit
af, terwijl de vraag naar vervoer onverminderd blijft. Uit ervaringen in 2018 en 2022
hebben wij gezien dat de transportprijzen in dergelijke periodes -tijdelijk- enorm
kunnen stijgen. Bovendien leiden lage waterstanden tot langere wachttijden bij sluizen,
omdat deze minder vaak schepen doorlaten om water te besparen, wat de vertragingen
in de logistieke keten verergert. Verladers en bedrijven moeten hun planning aanpassen,
bijvoorbeeld door voorraden op te bouwen of alternatieve transportmodaliteiten te
overwegen.
De recente stremming van de Twentekanalen illustreert hoe ingrijpend de gevolgen van
droogte voor de binnenvaart en de regionale economie kunnen zijn. Door het sluiten
van de sluizen bij Eefde is de vaarverbinding tussen de IJssel en belangrijke Twentse
industrie- en overslaglocaties (tijdelijk) weggevallen. Bedrijven die afhankelijk
zijn van aanvoer en afvoer over water worden daardoor gedwongen op zoek te gaan naar
mogelijke alternatieven zoals het wegvervoer of andere logistieke oplossingen, hetgeen
extra kosten en organisatorische uitdagingen met zich brengt. Wij blijven in goed
gesprek met de sector en zijn ons bewust dat hierdoor niet alleen de binnenvaart wordt
geraakt, maar ook verladers, industriële bedrijven, overslagterminals en andere schakels
in de logistieke keten. De uiteindelijke duur van dergelijke stremmingen als gevolg
van droogte is vooraf vaak onzeker.
Vraag 9
Houdt het kabinet rekening met dreigende tekorten aan specifieke goederen en grondstoffen
in Nederland als gevolg van de beperkte toevoer via de commerciële binnenvaart en
zo ja, welke goederen betreft dit en hoe wordt dit gemonitord?
Antwoord 9
Het kabinet is zich bewust van de risico’s op tekorten als gevolg van beperkte toevoer
via de binnenvaart en monitort dit actief. Binnen het kader van de Mobiliteitsvisie
wordt gewerkt aan het verhogen van de leveringszekerheid door risicovolle afhankelijkheden
in kaart te brengen. Daarnaast hebben wij een langlopend programma dat de klimaatimpact
inzichtelijk maakt in zgn. stresstesten en mogelijke maatregelen in kaart brengt in
een Uitvoeringsagenda. Vooralsnog zijn er geen signalen van specifieke tekorten van
goederen. De voorraden en de mate van transportalternatieven, bijvoorbeeld vervoer
via de weg, bepaalt mede de continuïteit van commerciële partijen. Het kabinet blijft
de situatie nauwlettend volgen in samenwerking met brancheorganisaties, waterschappen,
Rijkswaterstaat en andere betrokken partijen.
Vraag 10
Kunt u aangeven of het kabinet een raming maakt van de economische schade van de droogte
van 2026 voor Nederlandse handels-, productie- en industriebedrijven? Zo nee, kunt
u toezeggen dit wel te doen?
Antwoord 10
Er zijn evaluaties gemaakt van de economische effecten van droogte In de droge jaren
201811 en 202212. Indien de droogte van dit jaar verder doorzet zal ook over dit seizoen een economische
evaluatie worden gemaakt.
Op dit moment ontwikkelt het kabinet een dashboard dat de schade van (dreigende) watertekorten
voor de huidige en aankomende perioden in beeld kan brengen. Een van de doelen van
dit dashboard is om jaarlijkse droogterapportages te kunnen maken die ingaan op de
economische effecten. De informatie in dit dashboard kan al worden gebruikt voor een
evaluatie van economische effecten van de droogte dit jaar.
Vraag 11
Welke risico's ziet u door de aanhoudende droogte, hoge watertemperaturen en lage
rivierstanden voor de koelwatercapaciteit van elektriciteitscentrales en in hoeverre
brengt dit de leveringszekerheid van energie in Nederland in gevaar?
Antwoord 11
Op dit moment is de leveringszekerheid van energie niet in gevaar als gevolg van de
huidige droogte. Wel is de watertemperatuur hoger dan normaal en is het risico dat
bij verdere daling van rivierafvoeren en aanhoudende hoge luchttemperatuur dat het
lozen van koelwater op de rivieren dan sterk moet worden beperkt of gestaakt.
De elektriciteitscentrales in Nederland liggen zeer beperkt aan rivieren en veelal
langs de kust of aan water met invloed van het getij, waar opwek blijvend mogelijk
is doordat de watertemperatuur daar lager is. Bij de elektriciteitscentrales aan de
Maas en de Amer kan eventueel een koeltoren worden ingezet, waardoor veel minder warmte
wordt toegevoegd aan de rivier.
Leveringszekerheid van energie zit in categorie 2 van de verdringingsreeks. Dat betekent
dat de watervraag voor de leveringszekerheid van energie voorrang krijgt op economische
functies indien dat nodig is. In zeer uitzonderlijke gevallen kan voor de leveringszekerheid
van elektriciteit de inzet van centrales ook bij hoge watertemperaturen worden toegelaten,
bijvoorbeeld als ook op Europese schaal onvoldoende elektriciteit beschikbaar is.
Vraag 12
Deelt u de opvatting dat extreme droogte en extreem hoogwater twee uitingen zijn van
hetzelfde onderliggende probleem, namelijk klimaatverandering, en dat het waterdossier
daarmee onlosmakelijk ook een klimaatdossier is?
Antwoord 12
Het waterdossier is ook, maar niet alleen, een klimaatdossier. De oorzaak van de toenemende
wateropgaven ligt in de combinatie van klimaatveranderingen en sociaal-economische
ontwikkeling.
Door klimaatverandering verandert het wateraanbod. De Deltascenario’s13 laten zien dat het zomers droger en ’s winters natter wordt en de extremen extremer
zullen worden en vaker zullen optreden. Het weerbeeld wordt grilliger, de Rijn- en
Maasafvoeren gaan veranderen en de zeespiegel stijgt met verzilting in de kustgebieden
als gevolg.
Tegelijkertijd laten de Deltascenario’s zien dat ook sociaal-economische ontwikkelingen
een rol spelen. De vraag naar zoetwater groeit door bevolkingsgroei, economische ontwikkeling
en nieuwe water-intensieve activiteiten (bijv. datacentra en waterstoffabrieken).
Ook bepalen de ruimtelijke keuzes die we nu en in het verleden gemaakt hebben de waterbeschikbaarheid
en het risico op wateroverlast.
Vraag 13
Op welke wijze werkt u samen met de Minister van Klimaat en Groene Groei (KGG) om
te zorgen dat mitigatie en adaptatie op het klimaat- en waterterrein elkaar versterken?
Antwoord 13
De ontwerpNationale Klimaatadaptatiestrategie (NAS; Kamerbrief 31 793, nr. 301) is een rijksbrede strategie, waarbij de betrokken ministeries (waaronder die van
IenW en EZK/KGG) nauw hebben samengewerkt. Zo bevat de Ontwerp-NAS een aanpak voor
een klimaatbestendige energieinfrastructuur. In het Programma Energiehoofdinfrastructuur
wordt bekeken waar nieuwe energie-infrastructuur ruimtelijk geordend kan worden om
zo te werken naar een klimaatneutraal energiesysteem in 2050. Klimaatadaptatie wordt
hierbij integraal meegewogen. Het kabinet blijft verder gecommitteerd aan klimaatmitigatie
en zet met volle kracht in op het halen van de klimaatdoelen.
Vraag 14
Bent u bekend met de stelling van hydrometeoroloog Jan Verkade dat de enige échte,
structurele oplossing voor de toenemende droogte- en waterproblematiek ligt in het
drastisch verminderen van de CO2-uitstoot? Deelt u deze visie en is het kabinet bereid om op basis hiervan extra (mitigerende)
maatregelen te treffen om gegarandeerd aan de nationale en internationale klimaatafspraken
te voldoen?
Antwoord 14
Ik deel de visie dat het verminderen van de CO2-uitstoot belangrijk is. Het kabinet werkt daarom aan het behalen van de klimaatdoelen
en de implementatie en realisatie van maatregelen. Maar zelfs als we morgen alle klimaatdoelen
halen, dan krijgt Nederland de komende jaren alsnog te maken met extremer weer. Bovendien
heeft de mate waarin de rest van de wereld de klimaatdoelen behaalt, ook een groot
effect op de klimaatverandering in Nederland.
Daarom zet ik tegelijk in op adaptatie, zoals het vergroten van de sponswerking van
onze landschappen zodat we water beter kunnen vasthouden, en het flexibiliseren van
het hoofdwatersysteem zodat we het schaarse water slimmer kunnen verdelen waar dit
het meest nodig is.
Door klimaatverandering neemt het belang van sterke internationale samenwerking verder
toe. Nederland is immers voor een groot deel afhankelijk van het rivierwater dat vanuit
bovenstrooms gelegen landen ons land instroomt. Binnen de internationaal rivierencommissies
zet Nederland zich daarom actief in voor afspraken over de rivierafvoer.
Vraag 15
Bent u van mening dat Nederland genoeg doet om de effecten van klimaatverandering
tegen te gaan via mitigatie en adaptatie? Zo nee, waar is extra inzet nodig en welke
rol ziet u voor zichzelf daarin?
Antwoord 15
Uit de evaluatie van de NAS’16 (2022)14 blijkt dat zowel de Rijksoverheid als veel decentrale overheden en bedrijven al aan
de slag zijn gegaan met klimaatrisico’s. Maar hieruit blijkt ook dat die inzet onvoldoende
is gezien het huidige tempo van klimaatverandering. Met de (ontwerp)NAS’26 streeft
het kabinet naar duidelijkheid over onze ambities en doelen en zetten we op de korte
termijn stappen waarmee we ons voorbereiden op de benodigde veranderingen op de middellange
termijn. Om de benodigde snelheid te behalen is het echter nodig om – in samenwerking
met belanghebbenden – keuzes te maken waar welke maatregelen worden genomen. Dit vergt
eveneens capaciteit en middelen bij alle betrokken partijen.
Het kabinet zet verder in op de implementatie en realisatie van de klimaatmitigatiemaatregelen
die reeds zijn afgesproken, op langetermijnbeleid en een slimme Europese aanpak zodat
we de klimaatdoelen voor 2040 en 2050 conform afspraak halen. Behalen van het klimaatdoel
van 2030 blijft lastig, maar we houden de ambitie vast.
Vraag 16
Kunt u per hoofdaanbeveling van het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL)-rapport
«Voorbij de risico's»15 op het waterdossier aangeven welke door u in de Ontwerp Nationale Klimaatadaptatiestrategie
is overgenomen en welke niet en wat de reden is bij de aanbevelingen die u niet heeft
overgenomen?
Antwoord 16
Het onderzoek van het PBL is meegenomen in de ontwerpNAS. Zo zijn de risicoanalyses
in alle hoofdstukken mede gebaseerd op dit onderzoek en hanteren we in de adaptatiepadenkaarten
een vergelijkbare indeling van intensiverende en transformerende maatregelen. Een
intensiverende maatregel voor zoetwaterbeschikbaarheid is bijvoorbeeld het verder
optimaliseren van de flexibiliteit van het hoofdwatersysteem. Daarbij kunnen we, afhankelijk
van de specifieke droogteomstandigheden en aan de hand van de wettelijk vastgelegde
verdringingsreeks, het water slim verdelen naar waar dat het meest nodig is. Een transformerende
maatregel is bijvoorbeeld het beter vasthouden van grondwater. Hiervoor kan een functiewijziging
nodig zijn. In de Ontwerp-NAS worden echter geen beleidskeuzes voor het waterdomein
gemaakt. Dit gebeurt in het Nationaal Waterprogramma dat in 2027 ter inzage wordt
gelegd, maar ook op regionaal niveau, onder andere ook aan de hand van de stapsgewijze
aanpak van Deltaprogramma Ruimtelijke Adaptatie waarin gemeenten, waterschappen en
provincies samenwerken.
Vraag 17
Kunt u toelichten of het Deltaprogramma Zoetwater, de Nationale Klimaatadaptatiestrategie
en het uitgangspunt «water en bodem sturend» in hun huidige vorm toereikend zijn voor
zomers als deze, of dat u versnelling nodig acht en wat die versnelling dan concreet
zou inhouden?
Antwoord 17
Het aanbod van zoetwater in de neemt in de zomerperiode af, terwijl de vraag toeneemt.
Toekomstige waterschaarste, in zomers zoals deze met lage rivierafvoeren, kunnen niet
volledig worden voorkomen. De genoemde programma’s helpen ons voor te bereiden op
deze waterschaarste. We zien dat al uitgevoerde maatregelen de effecten van schaarste
tot nu toe hebben weten te beperken.
De programma’s geven richting aan een bredere aanpak waarin de nadruk verschuift van
het treffen van maatregelen in het watersysteem naar aanpassingen in het ruimtegebruik
en de ruimtelijke inrichting. Belangrijk hiervoor is dat maatschappelijke partijen
en gebruikers beter inzicht krijgen in de lokale veranderingen in waterbeschikbaarheid
door klimaatverandering, en de inspanningen van overheden en waterbeheerders om dit
gebiedsgericht te beperken, of niet, afhankelijk van hun doelen en strategie. Aanvullend
op een goede samenwerking en voldoende capaciteit en financiering bij alle betrokkenen,
is voorwaardelijk ook voldoende kennis, duidelijkheid en transparantie. Deze nieuwe
aanpak wordt momenteel concreet uitgewerkt in het Nationaal Waterprogramma (NWP) welke
in 2027 ter inzage wordt gelegd.
Vraag 18
Kunt u een reflectie geven op het bericht dat Waterschappen pleiten voor Europese
regels om te voorkomen dat Nederland niet alleen een «restje rivierwater» krijgen?16
Antwoord 18
Nederland is afhankelijk van het water uit de rivier dat vanuit bovenstrooms gelegen
landen ons land instroomt. Deze afhankelijkheid geldt omgekeerd ook: bovenstroomse
gebieden zijn afhankelijk van voldoende zoetwater in Nederland voor bijvoorbeeld scheepvaart
en daarmee de bevoorrading van eigen industrie. Internationale samenwerking is daarom
essentieel om de waterbeschikbaarheid te waarborgen. Het beeld dat Nederland alleen
een «restje rivierwater» krijgt deel ik daarom niet.
Door klimaatverandering neemt de noodzaak van een sterke Europese samenwerking verder
toe. Nederland is al lang actief om in Europees verband afspraken te maken en zet
daarbij vooral in op afspraken binnen de riviercommissies. Onder meer binnen de Internationale
Commissie ter bescherming van de Rijn (ICBR) en de Internationale Maascommissie (IMC).
Deze Rijn- en Maascommissies gaan o.a. over waterkwaliteit en waterkwantiteit. De
afspraken zijn vastgelegd in verdragen. Doel van de verdragen is het bereiken van
een duurzaam en integraal waterbeheer van de internationale stroomgebieden.
Met de Europese Water Resilience Strategy zet de Europese Commissie samen met lidstaten
in op een efficiënter gebruik van water en het verder versterken van de internationale
samenwerking.
Vraag 19
Bent u bekend met de berichtgeving dat de burgemeester van Valkenburg aan de Geul
vijf jaar na de watersnood van 2021 spreekt van «een ramp na de ramp», omdat particulieren
achterbleven met een restschuld van 15 tot 45 procent en hoe beoordeelt u die kwalificatie?17
Antwoord 19
Ja, ik ben bekend met de berichtgeving.
Gedupeerden hebben schadevergoedingen verkregen vanuit de afgesloten verzekeringen.
Voor schade die onverzekerbaar is hebben gedupeerden een tegemoetkoming ontvangen
op basis van de Wet tegemoetkoming schade bij rampen (Wts). Deze wet geldt als vangnet
en biedt de mogelijkheid aan de overheid om een tegemoetkoming aan gedupeerden te
verstrekken. Het gaat dus niet om een schadevergoeding en is niet kostendekkend. Dit
is een belangrijk onderscheid.
De Wts is ruimhartiger toegepast dan louter juridisch voorgeschreven, Zo zijn voertuigen
die schade hebben ondervonden door de wateroverlast in principe verzekerbaar door
een all-risk verzekering en vallen daarmee buiten de werking van de Wts. Toch heeft
het kabinet besloten bij hoge uitzondering en eenmalig de voertuigen die slechts WA-verzekerd
waren toch onder de werking van de regeling van de Wts voor het hoogwater Limburg
2021 te brengen.
Naast deze ruimhartige toepassing van de Wts heeft het kabinet bovendien coulancehalve
aanvullend de beleidsregel financiële nood in het leven geroepen. Door toepassing
van de Wts en deze beleidsregel is absoluut ruimhartig opgetreden.
Met de term «ruimhartig» is overigens nooit bedoeld dat gedupeerden volledig schadeloos
worden gesteld en dat is, zoals hierboven uiteengezet, ook niet het doel van de Wts.
Het uitgangspunt blijft dat burgers en bedrijven voor verzekerbare schade zijn aangewezen
op particuliere verzekeringen; de Wts is uitsluitend bedoeld als vangnet voor onverzekerbare
schade.
Vraag 20
Kunt u toelichten hoe het kan dat van de door Deltares becijferde schade van circa
433 miljoen euro ten minste vijftien miljoen euro die voor gedupeerden bestemd was
hen nooit heeft bereikt en bent u bereid te bezien of die middelen alsnog ten goede
kunnen komen aan de resterende schade in het gebied?18
Antwoord 20
Deltares heeft in hun rapport Een watersysteemanalyse – wat leren we van het hoogwater van juli 2021? een totaaloverzicht opgenomen van tegemoetkomingen en uitgekeerde schade per eind
2022. Dit betrof € 433 miljoen. Onderdeel van dit totaaloverzicht is onder andere
de omzetdervingsregeling. Het Rijk heeft in 2023 een voorshot van € 24 miljoen verleend
aan de provincie Limburg voor een eenmalige tegemoetkoming in omzetderving bij mkb'ers.
Dit bedrag omvatte zowel de tegemoetkomingen als de uitvoeringskosten en de afhandeling
van bezwaar- en beroepsprocedures, maar was verder beperkt onderbouwd omdat er destijds
nog geen beeld was van de daadwerkelijk in-aanmerking-komende schade.
Het voorschot is verstrekt in de vorm van een specifieke uitkering (SPUK) met daar
bijkomende voorwaarden. Zo moest, bijvoorbeeld, uitkering ervan in overeenstemming
zijn met de Europese mededingingsregels, met name de staatssteunregels, en een eventuele
onderuitputting moest terugkomen bij het rijk.
De provincie Limburg voerde de regeling in twee tranches uit, maar uiteindelijk raakte
lang niet alle middelen bestemd. Conform de voorwaarden van de SPUK wordt het resterende
bedrag daarom terugbetaald aan het Rijk. Dit is deels nog lopend vanwege een laatste
beroeps- en bezwarenprocedure. Het kabinet is verder niet van plan de resterende middelen
opnieuw als schadetegemoetkoming beschikbaar te stellen aan de provincie.
Vraag 21
Wat zegt het volgens u over de uitvoerbaarheid van de regelingen dat gemeenten als
Gulpen-Wittem en Meerssen speciale medewerkers moesten aanstellen om inwoners door
het «woud aan regels» te loodsen19 en welke opvolging geeft u aan de conclusie van het Wetenschappelijk Onderzoek- en
Datacentrum (WODC) dat de Wet tegemoetkoming schade bij rampen niet toekomstbestendig
is?20
Antwoord 21
Communicatie over de regelingen zijn ruim opgezet en breed uitgedragen in samenwerkingen
tussen het Ministerie van Justitie en Veiligheid, de Rijksdienst voor Ondernemend
Nederland, gemeenten en lokale hulpverlenende partijen. Het staat gemeenten uiteraard
vrij om additioneel verdere ondersteuning in te schakelen waar zij dat nodig achten.
Ten aanzien van de conclusie van het WODC dat de Wts in de huidige vorm niet toekomstbestendig
is, is bij Kamerbrief van 7 november 2025 de Kamer geïnformeerd dat binnen het Ministerie
van Justitie en Veiligheid wordt bezien hoe opvolging gegeven kan worden aan de gedane
suggesties om deze wet wél toekomstbestendig te maken.
Vraag 22
Kunt u aangeven hoe hoog de verzekeringsgraad tegen overstromings- en wateroverlastschade
nu is onder huishoudens en onder mkb'ers, welk streefcijfer u hanteert en met welke
instrumenten u die graad wilt verhogen?
Antwoord 22
Het kabinet heeft geen generieke streefcijfers voor verzekerbaarheid. Uiteraard is
het wel wenselijk dat de verzekerbaarheid wordt bevorderd. Hierop is in de voornoemde
brief van 7 november 2025 reeds ingegaan, kortheidshalve verwijs ik u daarom naar
deze brief.
Vraag 23
Kunt u toelichten of het beperken van de langdurige nasleep van een watercrisis, dus
herstel, schadeafhandeling en verzekerbaarheid, expliciet onderdeel is van de derde
laag van de meerlaagsveiligheid en van het Hoogwaterbeschermingsprogramma (HWBP)?
Zo niet, kunt u toezeggen dit onderdeel te laten zijn van de Nationale Klimaatadaptatiestrategie?
Antwoord 23
«Meerlaagsveiligheid» is de basis van het beleid voor waterveiligheid en wateroverlast.
Naar aanleiding van de wateroverlast en hoogwater in Limburg is meerlaagsveiligheid
uitgebreid met twee lagen, laag 0: waterbewust handelen en laag 4 waterrobuust herstel.
De eerste laag is preventie: het voorkómen van een overstroming of van wateroverlast.
Dit is de belangrijkste pijler van het waterveiligheidsbeleid. Het Hoogwaterbeschermingsprogramma
(HWBP) is een alliantie van alle 21 waterschappen en het Rijk. Via dit programma worden
de primaire waterkeringen versterkt, zodat ze voor 1 januari 2050 voldoen aan de wettelijke
gestelde omgevingswaarden (norm). Het gaat hier om preventie en is dus geen directe
maatregel voor herstel na een crisis. Waterrobuust herstel is opgenomen in de Ontwerp
Nationale Klimaatadaptatiestrategie (NAS) onder opgave 4.2 Veerkracht en weerbaarheid
bij wateroverlast door extreme regen. Verdere uitwerking van het herstel na wateroverlast
situaties zal plaatsvinden in de Nationale Aanpak Wateroverlast die eind 2026 gepubliceerd
zal worden.
Vraag 24
In de Nationale Klimaatadaptatiestrategie kondigt u een klimaatadaptatieladder en
een herziene klimaatschadeschatter aan, maar kunt u aangeven wanneer die ladder er
ligt, of daarin ook wordt vastgelegd welk deel van de restschade bij inwoners en ondernemers
mag blijven liggen en hoe deze ladder zich verhoudt tot de Wet tegemoetkoming schade
bij rampen, waarvan het WODC concludeerde dat die niet toekomstbestendig is?
Antwoord 24
De klimaatadaptatieladder wordt volgens de Ontwerp-NAS’26 uiterlijk 2029 opgeleverd.
De ladder gaat over de keten van investeren, schade en herstel, en gaat over alle
klimaatrisico's. Doel is om duidelijk te maken (voor verschillende doelgroepen) wie
welke risico's en kosten draagt, inclusief schade die niet of moeilijk te verzekeren
is. De eventuele herziening van de Wts heeft een eigen beloop maar de uiteindelijke
uitkomst ervan zal worden meegenomen in de klimaatadaptatieladder. Een antwoord op
de vraag over de restschade die bij inwoners en ondernemers komt te liggen is daarom
op dit moment niet te geven.
Vraag 25
Kunt u deze vragen binnen de gebruikelijke termijn van drie weken beantwoorden, in
plaats van verlenging tot zes weken, gezien de urgentie van het onderwerp?
Antwoord 25
Ja.
BIJLAGE 1: LANDELIJKE VERDRINGINGSREEKS (UITLEG IPLO)
De verdringingsreeks geeft een rangorde voor de verdeling van de hoeveelheid water
bij waterschaarste of dreigende waterschaarste. De verdringingsreeks bestaat uit 4
categorieën. De rangorde van belangen binnen de categorieën 1 en 2 is in het Besluit
kwaliteit leefomgeving (Bkl) vastgelegd. Dit staat in artikel 3.14. Binnen de categorieën
3 en 4 legt het Bkl geen rangorde vast.
De provincie kan in de omgevingsverordening een rangschikking binnen categorie 3 en
4 vastleggen. Dit kan alleen binnen deze categorieën, maar niet tussen de categorieën.
categorie 1 -
categorie 2 -
categorie 3 -
categorie 4 -
veiligheid en voorkomen van onomkeerbare schade
nutsvoorzieningen (in verband met leveringszekerheid)
kleinschalig hoogwaardig gebruik
overige belangen (economische afweging, ook voor natuur)
– stabiliteit van waterkeringen
– voorkomen van klink en zetting (veen en hoogveen)
– natuur, voor zover het gaat om onomkeerbare schade
– drinkwatervoorziening
– energievoorziening
– tijdelijke beregening kapitaalintensieve gewassen
– Verwerken van industrieel proceswater
– scheepvaart
– landbouw
– natuur
– industrie
– waterrecreatie
– binnenvisserij
– drinkwatervoorziening (anders dan belang van leveringszekerheid)
– energievoorziening (anders dan belang van leveringszekerheid)
– overige belangen
gaat voor →
gaat voor →
gaat voor →
–
De verdringingsreeks geldt voor alle oppervlaktewateren. Op grond van artikel 7.13
Bkl kan de provincie in de omgevingsverordening de rangorde van categorie 3 en 4 ook
van toepassing verklaren op grondwater. Alle waterbeheerders moeten hiernaar handelen.
Dit betekent dat de verdringingsreeks doorwerkt:
– als in een andere dan de eigen regio een watertekort heerst, en
– als die andere regio afhankelijk is van water dat via de eigen regio wordt aangevoerd
Ondertekenaars
V.P.G. Karremans, minister van Infrastructuur en Waterstaat
Bijlagen
Gerelateerde documenten
Hier vindt u documenten die gerelateerd zijn aan bovenstaand Kamerstuk.