Antwoord schriftelijke vragen : Antwoord op vragen van het lid Lammers over het bericht ‘Politie vertelt waarom zo lang is gewacht met tonen video van schokkende aanval in Albert Heijn’
Vragen van het lid Lammers (Groep Markuszower) aan de Minister van Justitie en Veiligheid over het bericht «Politie vertelt waarom zo lang is gewacht met tonen video van schokkende aanval in Albert Heijn» (ingezonden 5 juni 2026).
Antwoord van Minister Van Weel (Justitie en Veiligheid) (ontvangen 21 juli 2026).
Zie ook Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2025–2026, nr. 2376.
Vraag 1
Bent u bekend met de brute mishandeling van een 19-jarige jongen door Syrische terreurgroepen
in de Albert Heijn Groningen op 21 januari 2026, waarbij circa tien mannen hem achtervolgden,
tegen de grond werkten en bleven schoppen en slaan, ook nadat hij bewusteloos was?1
Antwoord 1
Ja.
Vraag 2 t/m 6
Waarom heeft de politie de herkenbare beelden van de daders pas na een half jaar vrijgegeven
via Opsporing Verzocht, terwijl twee verdachten al vroeg waren aangehouden en de overige
daders maandenlang vrij rondliepen?
Deelt u de mening dat deze onacceptabele vertraging de daders de kans heeft gegeven
om te vluchten of opnieuw geweld te plegen, en dat een directe publicatie van de beelden
veel eerder tot arrestaties had geleid?
Waarom weigert de politie standaard bij geweld direct herkenbare beelden openbaar
te maken, in plaats van de privacy van gewelddadige daders boven de veiligheid van
burgers en winkelpersoneel te stellen?
Deelt u de mening dat beelden van geweldsincidenten onmiddellijk, het liefst dezelfde
dag nog, vrijgegeven moeten worden?
Bent u bereid dit naar de politie te communiceren?
Antwoord 2 t/m 6
Ik doe geen uitspraak over individuele zaken. In zijn algemeenheid kan ik zeggen dat
het tonen van beelden in Opsporing Verzocht onder de verantwoordelijkheid valt van
de hoofdofficier van justitie die deze taak (deels) kan mandateren aan de persofficier
van justitie of rechercheofficier van justitie. De inzet dient rechtmatig, proportioneel,
subsidiair en doelmatig te zijn. De officier van justitie beoordeelt de noodzaak tot
inzet aan de hand van factoren als de stand van het onderzoek, opsporingsindicaties,
de beschikbare capaciteit, het voorhanden zijn van minder ingrijpende alternatieven
en de (mogelijke) gevolgen voor de maatschappij en de verdachte.
Vraag 7 en 8
Wat gaat u doen tegen de groep Syriërs die al jaren Groningen en andere steden terroriseert?
Bent u bereid om ongenadig hard op te treden tegen deze mensen, in plaats van de in
het verleden opgelegde gebiedsverboden? Zo ja, waar laat u dat uit blijken?
Antwoord 7 en 8
Ik heb met afschuw kennisgenomen van deze mishandeling. Het veroorzaken van overlast
en het plegen van strafbare feiten zijn onacceptabel. Voor het kabinet is het belangrijk
dat het gevoel van veiligheid op straat blijft bestaan. Het is aan het bevoegd gezag
om daarvoor zorg te dragen, en ik zet mij ten volle in om het daartoe in staat te
stellen.
Vraag 9
Deelt u de mening dat Syriërs in Syrië horen, helemaal nu, gezien het feit dat Syrië
veilig is, en dat zij terug moeten naar hun eigen land in plaats van de veiligheid
van Nederlanders te verzieken?
Antwoord 9
Tegen crimineel en overlast gevend gedrag moet altijd worden opgetreden, ongeacht
de achtergrond van de daders.
Ondertekenaars
D.M. van Weel, minister van Justitie en Veiligheid
Gerelateerde documenten
Hier vindt u documenten die gerelateerd zijn aan bovenstaand Kamerstuk.