Antwoord schriftelijke vragen : Antwoord op vragen van het lid Beckerman over het opheffen van de afdeling ArtScience door de Hogeschool der Kunsten Den Haag
Vragen van het lid Beckerman (SP) aan de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap over het opheffen van de afdeling ArtScience door de Hogeschool der Kunsten Den Haag (ingezonden 9 juni 2026).
Antwoord van Minister Letschert (Onderwijs, Cultuur en Wetenschap) (ontvangen 9 juli
2026) Zie ook Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2025–2026, nr. 2361
Vraag 1
Bent u bekend met het bericht dat de afdeling ArtScience die gezamenlijk vormgegeven
wordt door de Koninklijke Academie van Beeldende Kunsten en het Koninklijk Conservatorium
per september opgeheven wordt?1
Antwoord 1
Ja.
Vraag 2
Bent u het ermee eens dat het onwenselijk is dat met het opdelen en elders onderbrengen
van de opleidingen van ArtScience de structuur verdwijnt die deze opleidingen met
elkaar verbindt en waarvoor studenten zich expliciet hadden ingeschreven?
Antwoord 2
De Hogeschool der Kunsten Den Haag (hierna: de hogeschool) heeft mij geïnformeerd
dat besloten is tot een organisatorische wijziging van het onderwijs. De variant ArtScience
binnen de bachelor Fine Arts wordt organisatorisch ondergebracht in de faculteit Koninklijke
Academie voor Beeldende Kunst (KABK) en de variant ArtScience binnen de Master of
Music wordt organisatorisch ondergebracht in de faculteit Koninklijk Conservatorium
(KC) van de hogeschool. De interfaculteit ArtScience wordt daarmee opgeheven.
Als Minister ben ik verantwoordelijk voor het stelsel van het hoger onderwijs. De
instelling is zelf verantwoordelijk voor de inrichting en kwaliteit van het onderwijs,
waarbij de Nederlands-Vlaamse Accreditatieorganisatie (NVAO) periodiek de kwaliteit
van de opleidingen in het hoger onderwijs toetst. Het is vanuit mijn stelselrol niet
passend dat ik als Minister uitspraken doe over de wenselijkheid van organisatorische
wijzigingen in het onderwijs binnen een instelling.
Vraag 3
Wat vindt u ervan dat het besluit tot opheffing er plotseling toe geleid heeft dat
studenten van het ArtScience-programma sommige cursussen niet meer kunnen volgen,
geen toegang meer hebben tot faciliteiten en geen duidelijke informatie ontvangen
over de toekomst van hun studie?
Antwoord 3
Zoals in het antwoord op vraag 2 is toegelicht, wordt de interfaculteit ArtScience
opgeheven en het onderwijs in respectievelijk de KABK en het KC ondergebracht. Door
deze organisatiewijziging kunnen volgens de instelling zowel de bachelorvariant ArtScience
als de mastervariant ArtScience duurzamer worden ingericht met behoud van de interdisciplinariteit,
experimentele cultuur en identiteit van het onderwijs. Wat met name wijzigt is de
plaats van het onderwijs binnen de organisatie.
De hogeschool heeft mij tevens laten weten dat de kwaliteit en continuïteit van de
twee varianten de hoogste prioriteit heeft en het belangrijk te vinden met de studenten
in gesprek te zijn en blijven over de veranderingen in het onderwijs. De hogeschool
heeft aangegeven dat de studenten toegang blijven houden tot alle faciliteiten.
Vraag 4
Bent u bereid stappen te ondernemen om het gesprek tussen studenten, medewerkers en
het bestuur op gang te brengen om tenminste te kijken wat er gedaan kan worden voor
de studenten wiens studievoortgang door dit besluit bedreigd wordt?
Antwoord 4
Zie hiervoor ook het antwoord op vraag 3. De hogeschool heeft mij laten weten dat
kwaliteit en continuïteit van de twee varianten de hoogste prioriteit heeft en met
de zittende bachelor- en masterstudenten hierover reeds in gesprek te zijn. Dit is
ook de verantwoordelijkheid van de instelling en ik constateer dat de instelling die
ook neemt.
Vraag 5
Vindt u het een wenselijke gang van zaken dat het besluit tot opheffing van een 35
jaar oude afdeling in één vergadering tot stand lijkt te zijn gekomen en door het
hoofd Marketing aan studenten is gecommuniceerd via een bericht op hun online portal?
Antwoord 5
De instelling gaat over de organisatorische inrichting van het onderwijs en doorloopt
hiervoor de gebruikelijke interne besluitvormings- en communicatieprocessen. Zo ook
in dit geval. De hogeschool heeft mij geïnformeerd dat zorgvuldig de tijd is genomen
om tot het besluit te komen. Het docententeam en de studenten zijn gedurende het proces
meegenomen in de voorgenomen veranderingen. Het uiteindelijke besluit is genomen na
positief advies van de medezeggenschapsraad.
Vraag 6
Kunt u een overzicht geven van of nagaan welke opleidingen in 2026 en 2027 vanwege
de bezuinigingen van het kabinet Schoof – inclusief de nog voor 2026 staande bezuinigingen
– worden ingekrompen, samengevoegd of geheel verdwijnen?
Antwoord 6
Het ministerie beschikt niet over een dergelijk overzicht. Hogescholen en universiteiten
bepalen zelf hoe zij de middelen voor onderwijs en onderzoek inzetten; ze hebben hierin
bestedingsvrijheid.
In de vraag wordt gerefereerd aan de nog voor 2026 staande bezuinigingen. Ik neem
aan dat dan gedoeld wordt op de bezuiniging gekoppeld aan internationale studenten.
Deze is grotendeels ingevuld met de afname van het aantal niet-Nederlandse EER-studenten
die volgde uit de referentieraming. In het hbo resteert in 2026 daardoor een opgave
van € 2 miljoen in totaal.2 Dit heeft gevolgen voor de hoogte van de rijksbijdrage van instellingen, deze zal
daardoor op instellingsniveau beperkt afnemen.
Het betekent natuurlijk ook dat er minder internationale studenten ingeschreven staan
bij de instellingen en als gevolg van demografische ontwikkelingen tevens het totaal
aantal studenten daalt. Dit kan ervoor zorgen dat instellingen genoodzaakt zijn keuzes
te maken en bezuinigingen door te voeren om de organisatie daarmee financieel gezond
te houden.
Ik heb echter van de hogeschool begrepen dat het besluit omtrent ArtScience geen bezuinigingsoperatie
is, maar juist is bedoeld om het onderwijs een duurzame borging te geven.
Vraag 7
Begrijpt het kabinet dat het wrang voelt dat er alsnog drastische bezuinigingen worden
doorgevoerd op hogescholen en universiteiten terwijl bij de presentatie van het coalitieakkoord
bij studenten en medewerkers de hoop werd gewekt dat de bezuinigingen en de gevolgen
daarvan zouden worden teruggedraaid?
Antwoord 7
Dit kabinet investeert in het hoger onderwijs en draait een aantal bezuinigingen van
het vorige kabinet terug. Naast de hierboven genoemde € 2 mln. in het hbo kunnen instellingen
te maken hebben met dalende studentenaantallen als gevolg van demografische ontwikkelingen
waardoor ze minder studentgebonden financiering ontvangen, en kunnen instellingsspecifieke
factoren en gestegen kosten een rol spelen bij dergelijke keuzes om hun instelling
financieel gezond te houden.
In het geval van het opheffen van de interfaculteit ArtScience benadrukt de hogeschool
dat dit niet door bezuinigingen is ingegeven maar juist een investering is in een
duurzaam toekomstperspectief voor zowel het bachelor- als het masteronderwijs ArtScience.
Vraag 8
Waarom is ervoor gekozen een jaar te wachten met het terugdraaien van de onderwijsbezuinigingen
van het kabinet Schoof?
Antwoord 8
Het resultaat van de onderhandelingen van de coalitiepartijen is dat dit kabinet vanaf
2027 extra investeert in onderwijs. Deze investering loopt op van € 1 miljard tot
€ 1,5 miljard structureel.
Vraag 9
Erkent u dat nieuwe investeringen daarmee voor sommige opleidingen en studenten te
laat zullen komen?
Antwoord 9
In zijn algemeenheid kan ik hier geen antwoord op geven. Wijzigingen in het opleidingsaanbod,
zoals het stoppen of samenvoegen van opleidingen, kunnen het gevolg zijn van bezuinigingen,
maar voor het hbo resteert enkel een bezuiniging van € 2 miljoen in 2026. Er kunnen
daarom ook andere redenen zijn zoals teruglopende studentenaantallen, een veranderende
behoefte van de arbeidsmarkt of instellingsspecifieke redenen en algemeen gestegen
kosten. Het is daardoor niet uit te sluiten dat er ergens opleidingen stoppen, ook
na eventuele investeringen.
Zoals hiervoor reeds aangegeven is dat voor wat betreft ArtScience niet het geval.
Bovendien stopt de opleiding niet, maar betreft het een organisatorische wijziging
met als doel het onderwijs duurzaam in te richten.
Vraag 10
Bent u van plan om maatregelen te treffen om opleidingen die geheel of als opzichzelfstaande
opleiding verdwijnen vanwege de staande bezuinigingen financieel te ondersteunen om
zo de periode tot het daadwerkelijk terugdraaien van de onderwijsbezuinigingen te
overbruggen?
Antwoord 10
Dit kabinet investeert in 2027 € 1 miljard in onderwijs en dit loopt op tot structureel
€ 1,5 miljard vanaf 2031. Zoals ik in het antwoord op vraag 6 en 7 heb aangegeven
resteert in het hbo in 2026 een bezuiniging van € 2 miljoen in totaal, wat neerkomt
op een minimale daling van de rijksbijdrage per instelling. Hier komen geen extra
middelen voor beschikbaar. Dalende studentenaantallen of instellingsspecifieke factoren
kunnen ook leiden tot keuzes van instellingen om opleidingen stop te zetten.
Vanuit mijn stelselrol ben ik verantwoordelijk voor een landelijk dekkend, doelmatig
opleidingsaanbod. Dit opleidingsaanbod is altijd in beweging, er komen opleidingen
bij, er worden opleidingen stopgezet en opleidingen worden gewijzigd. Om te borgen
dat er een toegankelijk, divers opleidingsaanbod blijft dat aansluit op de behoeften
van maatschappij en arbeidsmarkt, zijn hogescholen en universiteiten in toenemende
mate met elkaar in gesprek over wijzigingen in het aanbod. Ik stimuleer deze afstemming
omdat er dan gehandeld wordt vanuit een collectief belang in plaats van een instellingsbelang
en de afstemming voorkomt dat er gaten vallen in het landelijk dekkende opleidingsaanbod.
Vraag 11
In hoeverre wordt bij de in uw Beleidsbrief 2026–2030 genoemde «lastige keuzes» voor
een nieuwe verdeling van middelen specifiek rekening gehouden met het voortbestaan
van kleine of niche studies of studies die anderszins grote gevolgen hebben ondervonden
aan de onderwijsbezuinigingen?
Antwoord 11
Ervan uitgaande dat de vragensteller doelt op de passage in de Beleidsbrief
2026–2030 van het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap die gaat over de
verdeling van de middelen van onderzoek en wetenschapsbeleid:3 Het kabinet investeert in bestaande instrumenten van het onderzoek en wetenschapsbeleid.
Deze bestaande instrumenten zijn praktijkgericht onderzoek, sectorplannen, infrastructuur
en Europese samenwerking. Kleine of niche opleidingen zijn geen primair beleidsdoel
van deze instrumenten.
Om te borgen dat er een toegankelijk, divers opleidingsaanbod blijft dat aansluit
op de behoeften van maatschappij en arbeidsmarkt, zijn hogescholen en universiteiten
in toenemende mate met elkaar in gesprek over wijzigingen in het aanbod. Hierbij is
specifiek aandacht voor kleine of niche studies. Ik stimuleer deze afstemming omdat
er dan gehandeld wordt vanuit een collectief belang in plaats van een instellingsbelang
en de afstemming voorkomt dat er gaten vallen in het landelijk dekkende opleidingsaanbod.
Vraag 12
Wanneer gaat u duidelijkheid geven over deze nieuwe verdeling en bent u het ermee
eens dat als dit niet voor de zomer gebeurt studenten geen goed geïnformeerde keuzes
kunnen maken over hun studie en onderwijsinstellingen in onzekerheid blijven over
het onderwijs dat ze komende jaren kunnen bieden?
Antwoord 12
De verdeling van het geld over de instrumenten is opgenomen in de Beleidsbrief 2026–2030
van het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap.4
Het is de verantwoordelijkheid van de instellingen om studenten goed te informeren
over de opleidingen en het onderwijs dat zij aanbieden. Ik heb er alle vertrouwen
in dat dit ook gebeurt.
Vraag 13
Indien u de hierboven genoemde maatregelen zoals het alsnog terugdraaien van de bezuinigingen
voor 2026, het financieel ondersteunen van instellingen ter overbrugging, of het bij
de herverdeling van middelen rekening houden met studies die geraakt zijn door de
bezuinigingen niet gaat nemen, welke maatregelen bent u dan bereid te nemen om studenten
die hierdoor geraakt zijn te helpen?
Antwoord 13
Zoals bij het antwoord op vraag 10 is aangegeven resteert in het hbo een bezuiniging
van € 2 miljoen in totaal, wat neerkomt op een minimale daling van de rijksbijdrage
per instelling. Hier komen geen extra middelen voor beschikbaar.
In het geval een instelling heeft besloten een opleiding – om welke reden ook – stop
te zetten, dan is de instelling verplicht de in de opleiding ingeschreven studenten
de mogelijkheid te bieden de opleiding binnen een redelijke termijn af te ronden.
Ondertekenaars
R.M. Letschert, minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap
Bijlagen
Gerelateerde documenten
Hier vindt u documenten die gerelateerd zijn aan bovenstaand Kamerstuk.