Antwoord schriftelijke vragen : Antwoord op vragen van het lid Synhaeve over misstanden bij gezinshuizen
Vragen van het lid Synhaeve (D66) aan de Minister van Langdurige Zorg, Jeugd en Sport over misstanden bij gezinshuizen (ingezonden 15 mei 2026).
Antwoord van Minister Sterk (Langdurige Zorg, Jeugd en Sport) (ontvangen 2 juli 2026)
Zie ook Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2025–2026, nr. 2144.
Vraag 1
Bent u bekend met de misstanden in De Glind en in andere gezinshuizen, zoals gerapporteerd
door Omroep Gelderland en EenVandaag?1
2
3
Antwoord 1
Ja.
Vraag 2
Deelt u het beeld dat, ondanks dat gezinshuizen een hele mooie constructie zijn en
in veel gevallen goed werken en erg waardevol zijn, er ook misstanden plaatsvinden
in een aantal van deze gezinshuizen?
Antwoord 2
Gezinshuizen bieden de mogelijkheid om jeugdigen in een kleinschalige huiselijke setting
hulp te bieden. Wanneer een jeugdige uit huis is geplaatst, brengt dit voor de jeugdige
al een grote verandering met zich mee. Een gezinsgerichte plaatsing kan helpen om
deze verandering minder groot te maken. Het feit dat bovendien gezinshuizen bestaan
die zich specialiseren in een bepaalde problematiek, zoals bijvoorbeeld een lichte
verstandelijke beperking, is van meerwaarde. Tegelijkertijd erken ik dat ook binnen
gezinshuizen misstanden kunnen plaatsvinden. Daarom werk ik met de gezinshuissector
en gemeenten aan een kwaliteitsverbetering van de gezinshuiszorg.
Vraag 3
Klopt het dat de huidige kwaliteitscriteria gezinshuiszorg in feite richtlijnen zijn,
volgens het principe «pas toe of leg uit», en geen bindende of afdwingbare eisen?
Antwoord 3
In de Jeugdwet worden kwaliteitseisen gesteld aan aanbieders van jeugdhulp. Elke jeugdhulpaanbieder
moet hieraan voldoen, dus ook gezinshuizen. Ook is in de wet aangegeven dat gewerkt
moet worden vanuit professionele standaarden. Richtlijnen vanuit het veld zijn hier
onderdeel van, en daarmee een verdere invulling van de kwaliteitswaarborgen voor jeugdhulp.
Wanneer er richtlijnen zijn voor bepaalde onderdelen van de jeugdhulp, worden deze
meegenomen in het toetsingskader van de IGJ. Bijvoorbeeld, in het rapport van de IGJ
in het kader van thematisch toezicht «Pleegkinderen uit beeld», is expliciet getoetst
op de richtlijnen4. Tevens zijn de professionele standaarden (beroepscodes) de basis voor het professioneel
toezicht dat is ingericht voor professionals met een SKJ registratie (tuchtrecht).
Er zijn dus meerdere manieren waarop het gebruik van de professionele richtlijnen
geborgd zijn in het jeugdstelsel. De huidige kwaliteitscriteria zijn daarmee indirect
geborgd maar zijn niet direct afdwingbaar.
Vraag 4
Acht u dit voldoende om de veiligheid van kinderen te waarborgen?
Antwoord 4
De waarborgen voor kwaliteit zoals bij vraag 3 beschreven, kwaliteitseisen in de Jeugdwet
en professioneel toezicht gebaseerd op beroepscodes, dragen bij aan veilige en kwalitatief
goede gezinshuiszorg. Ik ben daarnaast met de sector in gesprek over de wijze waarop
we de veiligheid van gezinshuizen verder kunnen verbeteren. De sector is aan de slag
met het aanscherpen van de screening van gezinshuisouders en het steviger verankeren
van de kwaliteitscriteria bij de gezinshuizen. Deze laatste worden op dit moment herzien.
Vraag 5
Bent u bereid om de kwaliteitscriteria gezinshuiszorg daadwerkelijke kwaliteitseisen
te maken in plaats van richtlijnen, en dit ook te verankeren in de wet?
Antwoord 5
Zoals ik bij vraag 3 beschreef, zijn er reeds diverse manieren waarop professionele
standaarden worden geborgd. Ik heb geen voornemen om daarnaast specifiek deze kwaliteitscriteria
voor gezinshuizen wettelijk te verankeren. Momenteel worden de kwaliteitscriteria
voor gezinshuizen herzien vanuit het netwerk Kwaliteit en Blijvend Leren (KBL). Met
de gezinshuissector onderzoek ik hoe de implementatie ervan kan worden versterkt.
Vraag 6
Deelt u de zorgen dat financiële prikkels ertoe kunnen leiden dat gezinsouders meer
kinderen bij hen laten wonen dan verantwoord is, waardoor de kwaliteit van zorg onder
druk komt te staan?
Antwoord 6
Gezinshuisouders gaan niet zelf over of een kind bij hen geplaatst wordt, daarover
beslist een gecertificeerde instelling of een andere verwijzer zoals de gemeente/lokale
team. De verwijzer dient te zorgen voor een verantwoorde plaatsing en kan daarbij
alert zijn op eventuele financiële motieven van gezinshuisouders. Daarnaast moeten
de gezinshuizen zich houden aan de norm verantwoorde werktoedeling zoals uitgewerkt
in het Kwaliteitskader Jeugd en de waarborgen voor kwaliteit zoals beschreven bij
vraag 3. Tevens kan de gemeente aanvullende kwaliteitseisen stellen bij de contractering
van deze zorg.
Vraag 7
In hoeverre is het begrip gezinshuis juridisch verankerd in de Jeugdwet?
Antwoord 7
Het begrip gezinshuis is niet verankerd in de Jeugdwet.
Vraag 8
Bent u bereid dit expliciet in de wet op te nemen om duidelijkheid en uniformiteit
te creëren?
Antwoord 8
In de Hervormingsagenda Jeugd is afgesproken dat er landelijke standaarden komen voor
de (hoog) specialistische jeugdzorg. In dat kader wordt gewerkt aan een gelimiteerde
set van productomschrijvingen die momenteel worden uitgewerkt voor de gezinshuiszorg.
Op dit moment is nog niet bekend of en hoe deze landelijk geldende productomschrijvingen
worden verwerkt in wet- en regelgeving.
Vraag 9
Bent u bekend met signalen van de Inspectie dat zij informatie over niet-functionerende
gezinshuisouders niet mogen delen vanwege het ontbreken van een vergewisplicht?
Antwoord 9
Daar ben ik mee bekend.
Op korte termijn gaat een wetsvoorstel over de meld- en vergewisplicht in internetconsultatie.
Hiermee worden onder andere jeugdhulpaanbieders verplicht het arbeidsverleden van
nieuw aan te nemen jeugdhulpverleners – waaronder gezinshuisouders – na te gaan. En
ontslag vanwege ernstig disfunctioneren te melden.
Verder werk ik aan de invoering van een vergunningplicht voor jeugdhulpaanbieders.
Deze moet ook gaan gelden voor gezinshuisouders die werken als zelfstandig ondernemer.
Vraag 10
Deelt u de opvatting dat dit een direct risico vormt voor de veiligheid van de betrokken
kinderen?
Antwoord 10
De Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (hierna: IGJ) gebruikt signalen om een inschatting
te maken van de mogelijke risico’s binnen de hulp. Op basis van signalen maakt de
IGJ een inschatting of een onderzoek moet starten en vervolgens of maatregelen moeten
worden genomen. Het doen van meldingen of het doorgeven van signalen aan de IGJ zijn
dan ook belangrijk voor de mogelijkheden die de IGJ heeft om maatregelen te treffen
in verband met de veiligheid van kinderen. Het wetsvoorstel over een meld- en vergewisplicht,
dat ik binnenkort in consultatie breng, moet hieraan bijdragen.
Vraag 11
Bent u bereid een wettelijke vergewisplicht voor gezinshuizen in te voeren, zodat
relevante informatie over de (on)geschiktheid van zorgverleners gedeeld en geborgd
kan worden?
Antwoord 11
Ja. Op korte termijn gaat het wetsvoorstel over de meld- en vergewisplicht in internetconsultatie.
Door deze in te voeren voor de Jeugdwet zullen alle jeugdhulpaanbieders verplicht
zijn het arbeidsverleden van nieuw aan te nemen jeugdhulpverleners – waaronder gezinshuisouders
– na te gaan en melding te doen wanneer sprake is van ernstig disfunctioneren.
Vraag 12
Bent u het met de indiener eens dat we op voorhand zouden moeten checken of een gezinshuisouder
geschikt is, en niet pas wanneer er signalen zijn van misstanden?
Antwoord 12
Het achteraf toetsen van gezinshuisouders op geschiktheid is niet gewenst. Ik werk
daarom aan een meld- en vergewisplicht.
Gezinshuisouders worden nu meestal vooraf gescreend door de aanbieders van gezinshuiszorg
waarmee een contract wordt gesloten. Dit kan een zorgaanbieder zijn, maar kan ook
een franchiseorganisatie of een hoofdaannemer. Jeugdhulpaanbieders zijn verplicht
een verklaring omtrent gedrag op te vragen van personen die beroepsmatig of (niet
incidenteel) als vrijwilliger in contact kunnen komen met jeugdigen of ouders. Indien
een gezinshuis een zogeheten vrijgevestigd gezinshuis is en rechtstreeks door gemeenten
of regio’s wordt ingekocht, dan is de gemeente of regio verantwoordelijk om de gezinshuisouder
te toetsen op geschiktheid als gezinshuisouder. Ook deze vrijgevestigde gezinshuizen
dienen te beschikken over een verklaring omtrent gedrag van de gezinshuisouder zelf.
De wijze van toetsen door de gemeente of regio is vormvrij en kan bijvoorbeeld ook
op basis van steekproeven.
Vraag 13
Klopt het dat zelfstandige gezinshuizen zichzelf moeten melden bij de Inspectie en
dat er geen volledig landelijk overzicht bestaat van het aantal gezinshuizen, en hoe
beoordeelt u deze situatie?
Antwoord 13
Ja, het klopt dat sinds de invoering van de Wtza (Wet toetreding zorgaanbieders) alle
nieuwe zorg- en jeugdhulpaanbieders, dus ook zelfstandige gezinshuizen, zich moeten
melden bij de IGJ.
Er bestaat geen landelijke registratie van het aantal gezinshuizen in Nederland. Wel
heeft onderzoeksbureau Significant in 2025, in opdracht van VWS, onderzoek gedaan
naar het aantal gezinshuizen in Nederland. Hierdoor kan voor 2025 een indicatie worden
gegeven van het aantal gezinshuizen, uitgesplitst naar een aantal kenmerken van de
gezinshuizen.
Zoals ook benoemd onder vraag 9 werk ik hiernaast aan een vergunningplicht voor jeugdhulporganisaties.
Deze gaat ook gelden voor gezinshuizen.
Vraag 14
Deelt u de opvatting dat verplichte registratie van gezinshuisouders, bijvoorbeeld
via de Stichting Kwaliteitsregister Jeugd (SKJ), noodzakelijk is om toezicht en uitsluiting
bij misstanden mogelijk te maken?
Antwoord 14
Jeugdhulpaanbieders moeten verantwoorde hulp verlenen. Dat houdt in dat de hulp van
goed niveau en veilig is, en is afgestemd op de reële behoefte van de jeugdige. In
het Kwaliteitskader Jeugd is door het veld vastgesteld wanneer een SKJ-registratie
vereist is. Dit is afhankelijk van cliënt- en professional-gerelateerde indicatoren.
Jeugdigen die in gezinshuizen worden geplaatst hebben veelal complexe problematiek.
Voor tenminste één van de betrokken professionals is een SKJ-registratie daarom verplicht.
Dat kan de gezinshuisouder zelf zijn of een andere betrokken professional. Gezinshuisouders
moeten in ieder geval over pedagogische competenties en vaardigheden beschikken. In
de praktijk is er vaak een SKJ-geregistreerde gedragswetenschapper betrokken bij een
gezinshuis.
Om te voorkomen dat professionals die niet functioneren hun werkzaamheden elders in
de jeugdhulp kunnen voortzetten ben ik voornemens om een meld- en vergewisplicht in
te voeren (zie ook mijn antwoord op vraag5. Daarnaast wordt er een wetsvoorstel voorbereid om een vergunningplicht voor jeugdhulpinstellingen
in te voeren.
Vraag 15
Bent u het met de indiener eens dat het onwenselijk is dat wanneer momenteel een gezinshuis
na misstanden moet sluiten, zij een paar kilometer verderop weer een nieuw gezinshuis
kunnen starten?
Antwoord 15
Ja. Met de invoering van een vergunningplicht in combinatie met de aanvullende weigering-
en intrekkingsgronden vanuit het wetsvoorstel Integere bedrijfsvoering zorg- en jeugdhulpaanbieders
(Wibz), kan deze situatie worden voorkomen.
Hiernaast kunnen gemeenten nu ook veel doen door bij hun inkooptrajecten gebruik te
maken van de wet Bibob.
Vraag 16
Bent u bereid om te onderzoeken of landelijke eisen voor gezinshuiszorg mogelijk zijn,
zodat niet alleen het toezicht en de veiligheid verbeterd kunnen worden, maar er ook
minder verschillen tussen gemeenten zullen ontstaan?
Antwoord 16
Momenteel ben ik in gesprek met de gemeenten, VNG en de aanbieders van gezinshuiszorg
over de (kwaliteits-)eisen die gesteld worden aan gezinshuiszorg. Doel van deze gesprekken
is om te bepalen welke eisen landelijk kunnen worden vastgelegd.
Vraag 17
Welke stappen gaat u concreet zetten om richtlijnen om te zetten in bindende kwaliteitseisen,
registratie van gezinshuizen en gezinshuisouders verplicht te maken, en een vergewisplicht
in te voeren?
Antwoord 17
Zie mijn toelichting hierop in reactie op de vragen 5, 8, 11 en 14.
Vraag 18
Bent u het met de indiener eens dat het van groot belang is om meer grip te krijgen
op gezinshuizen, zowel in het belang van deze kinderen als in het belang van het voortbestaan
van deze waardevolle manier van jeugdzorg?
Antwoord 18
Ja, het is in het belang van alle betrokkenen in de gezinshuiszorg, en in het bijzonder
voor die van de kinderen die hier verblijven, om kwalitatief goede gezinshuiszorg
te leveren. Ik werk dan ook samen met de sector aan een kwaliteitsverbetering van
de gezinshuiszorg. Zo wordt er onder meer gewerkt aan de herziening van de kwaliteitscriteria
en de standaardisatie van de producten en tarieven voor de gezinshuiszorg. Ook wordt
een meld- en vergewisplicht en een vergunningplicht voor jeugdhulpaanbieders voorbereid.
Ondertekenaars
W.R.C. Sterk, minister van Langdurige Zorg, Jeugd en Sport
Bijlagen
Gerelateerde documenten
Hier vindt u documenten die gerelateerd zijn aan bovenstaand Kamerstuk.