Antwoord schriftelijke vragen : Antwoord op vragen van het lid Ellian over het bericht 'Rechtbank beëindigt tbs van moordenaar student Nadia van de Ven'
Vragen van het lid Ellian (VVD) aan de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid over het bericht «Rechtbank beëindigt tbs van moordenaar student Nadia van de Ven» (ingezonden 28 mei 2026).
Antwoord van Staatssecretaris Van Bruggen (Justitie en Veiligheid) (ontvangen 30 juni
2026) Zie ook Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2025–2026, nr. 2297
Vraag 1
Bent u bekend met het bericht «Rechtbank beëindigt tbs van moordenaar student Nadia
van de Ven?1
Antwoord 1
Ja, ik ben bekend met dit nieuwsbericht van de NOS op 26 mei jongstleden.
Vraag 2
Wat vindt u ervan dat een moordenaar slechts zes jaar gevangenisstraf uitzit, terwijl
20 jaar is opgelegd door de rechter?
Antwoord 2
Ik realiseer mij dat het maatschappelijk en voor nabestaanden mogelijk moeilijk te
begrijpen is wanneer een veroordeelde de door de rechter opgelegde gevangenisstraf
niet volledig ondergaat, in het bijzonder bij ernstige misdrijven zoals moord. Tegelijkertijd
is het van belang deze zaak, waarin sprake is van een zogeheten combinatievonnis,
te bezien in het licht van het wettelijk kader dat gold ten tijde van de tenuitvoerlegging
van dergelijke vonnissen. Bij een combinatievonnis legt de rechter zowel een gevangenisstraf
als de maatregel van terbeschikkingstelling (tbs) op.
In 1997 werd de zogenoemde Fokkensregeling ingevoerd.2 Deze regeling maakte het mogelijk dat een veroordeelde met een combinatievonnis onder
bepaalde omstandigheden na het ondergaan van een derde van de gevangenisstraf kon
starten met de tbs-behandeling. Hieraan lag de overtuiging ten grondslag dat een tbs-behandeling
voor personen met een ernstige psychische stoornis effectiever is wanneer daarmee
zo spoedig mogelijk wordt gestart. Zonder toepassing van de Fokkensregeling kon de
tbs-behandeling in de regel pas starten nadat twee derde van de gevangenisstraf was
ondergaan, gelet op de koppeling met het moment van voorwaardelijke invrijheidsstelling.3 De Fokkensregeling is in 2010 afgeschaft.4 Op grond van het overgangsrecht had deze afschaffing echter geen gevolgen voor veroordeelden
die reeds op basis van deze regeling waren geplaatst in een tbs-kliniek, nadat een
derde van de gevangenisstraf ten uitvoer was gelegd.5 In de onderhavige zaak gaat het derhalve om een uitvloeisel van het destijds geldende
wettelijk kader voor de tenuitvoerlegging van combinatievonnissen. De gang van zaken
past binnen dat kader.
Vraag 3
Hoe vaak komt het voor dat een tbs-maatregel volledig wordt beëindigd terwijl het
Openbaar Ministerie (OM) verlenging van de tbs-maatregel heeft gevorderd? Als dit
niet uit de managementsystemen van het OM of de Rechtspraak kan worden afgeleid, kunt
u dan een schatting maken?
Antwoord 3
Het komt in de rechtspraktijk voor dat de officier van justitie een vordering tot
verlenging indient, maar deze vordering ter terechtzitting niet handhaaft. Ook kan
de vordering tot verlenging van de tbs-maatregel door de rechter worden afgewezen.
In beide gevallen is het context- en zaaks afhankelijk. Er vindt door het OM geen
afzonderlijke registratie plaats van deze beslissingen, waardoor geen zicht is op
het aantal zaken waarin (initieel) een vordering is ingediend door het OM dan wel
de vordering door de rechter (rechtbank en/of gerechtshof) wordt afgewezen. Wegens
het ontbreken van gegevens daaromtrent geeft het OM aan ook geen schatting te kunnen
maken.
De Rechtspraak heeft desgevraagd aangegeven dat in de afgelopen vijf jaar in ongeveer
7 tot 9% van de gevallen waarin het OM in eerste aanleg verlenging van de tbs-maatregel
heeft gevorderd, deze vordering door de rechter is afgewezen. In 2025 bedroeg het
aantal vorderingen tot verlenging van tbs circa 1.490. In de managementinformatiesystemen
van de Rechtspraak wordt geen registratie bijgehouden van gevallen waarin de officier
van justitie een vordering tot verlenging van de tbs-maatregel indient, maar deze
ter terechtzitting niet handhaaft. Wegens het ontbreken van gegevens daaromtrent geeft
de Rechtspraak aan ook geen schatting te kunnen maken.
Vraag 4
In hoeverre vindt u het verstandig dat wanneer een dader tijdens een tbs-traject met
een gemankeerd delictscenario werkt en wisselend verklaart over zijn alcoholgebruik
voorafgaand aan het plegen van een moord, terugkeert in de maatschappij?
Antwoord 4
Vooropgesteld moet worden dat het mij als Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid
niet past om te treden in het oordeel van de rechter in een individuele zaak. Wel
kan ik aangeven dat de voortgang van een tbs-behandeling en de beoordeling of het
risico op gevaar voor de samenleving voldoende is teruggebracht niet uitsluitend worden
gebaseerd op een delictscenario, maar worden bezien in samenhang met de overige onderdelen
van de behandeling en adviezen van deskundigen.
Een tbs-behandeling bestaat uit diagnostiek, risicotaxatie, behandeling en resocialisatie,
uitstroom en nazorg. Deze onderdelen zijn gebaseerd op wetenschappelijk onderzoek
of worden optimaal geacht en frequent toegepast door professionals. Sinds 2022 vormt
het Kwaliteitskader Forensische Zorg de basis voor kwaliteit in het forensische zorgveld.6 Professionals werkzaam in de forensisch klinische zorg handelen dienovereenkomstig,
waarbij het verkleinen van het recidiverisico vooropstaat. In de behandeling wordt
te allen tijde uitgegaan van de strafrechtelijke veroordeling, ook als een tbs-gestelde
het delict (gedeeltelijk) ontkent of daarover wisselend verklaart. Indien een tbs-gestelde
vanuit een ontkennende houding geen stappen in de behandeling zet, komt diegene niet
in aanmerking voor verlof en andere vervolgstappen.
Tot slot hecht ik eraan te benadrukken dat een beslissing tot onvoorwaardelijke beëindiging
van tbs met dwangverpleging niet lichtvaardig wordt genomen. Daaraan gaat in de regel
een voorwaardelijke beëindiging van de verpleging vooraf van ten minste één jaar,
waartoe de rechter besluit op basis van adviezen van deskundigen. Bij de beoordeling
van een eventuele beëindiging van de maatregel wordt de rechter opnieuw door deskundigen
geadviseerd.
Vraag 5
Hoe vaak hebben slachtoffers en nabestaanden de mogelijkheid gehad om hun spreekrecht
uit te oefenen bij tbs-verlengingszittingen en hoe vaak hebben zij dat ook daadwerkelijk
uitgeoefend?
Antwoord 5
Het beperkt spreekrecht bij tbs-verlengingszittingen is per 1 januari 2025 in werking
getreden. Het Centraal Justitieel Incassobureau (CJIB) raadpleegt slachtoffers en
nabestaanden of zij gebruik wensen te maken van dit spreekrecht en geeft dit door
aan het OM. Het OM roept de slachtoffers en nabestaanden vervolgens op voor de zitting.
Het is onbekend hoeveel slachtoffers zijn bevraagd over hun wensen, hoeveel slachtoffers
zijn opgeroepen voor de zitting en hoeveel slachtoffers tijdens de zitting daadwerkelijk
gebruik hebben gemaakt van het beperkt spreekrecht. Hierover zijn geen cijfers beschikbaar
in de systemen van CJIB, OM en Rechtspraak. Ik verwijs op dit punt tevens naar de
eerdere beantwoording van Kamervragen over dit onderwerp.7
Het beperkt spreekrecht is onderdeel van de inhoudelijke effectevaluatie van de Wet
Uitbreiding Slachtofferrechten die naar verwachting later dit jaar van start gaat.
Het CJIB kijkt bij de verdere optimalisering van het werkproces van het raadplegen
over het beperkt spreekrecht naar de mogelijkheden voor monitoring van cijfers daarvan.
Vraag 6
Wat is wat uw betreft een passende sanctie als slachtoffers of nabestaanden niet wordt
gewezen op hun wettelijk recht het spreekrecht uit te oefenen bij tbs-verlengingszittingen?
Antwoord 6
Zoals bij alle slachtofferrechten is aandacht voor een goede uitvoering in de praktijk
van groot belang. Als echter alle inspanningen ten spijt, een slachtoffer of nabestaande
geen gebruik heeft kunnen maken van het beperkt spreekrecht, kan via de bestaande
klachtenprocedure een klacht worden ingediend bij de betreffende organisatie. Dit
kan erkenning bieden aan het slachtoffer of de nabestaande en draagt tevens bij aan
het lerend vermogen en een betere kwaliteit van de dienstverlening.
Naast de klachtenprocedure worden via de tweede aanvullingswet van het nieuwe Wetboek
van Strafvordering voorstellen gedaan om de naleving van slachtofferrechten te versterken,
waarmee uitvoering wordt gegeven aan de motie van het lid Ellian (VVD).8 Dit ziet op het beter inzetten en faciliteren van klachtenprocedures bij organisaties.
Daarnaast wordt bezien of het slachtoffer een recht kan krijgen om een financiële
uitkering te verzoeken bij niet-naleving van bepaalde wettelijke voorschriften waarbij
herstel niet mogelijk is, zoals het oproepen voor een zitting. De formele consultatie
van het conceptvoorstel voor de tweede aanvullingswet loopt tot 11 september 2026.
Ondertekenaars
K.T. van Bruggen, staatssecretaris van Justitie en Veiligheid
Gerelateerde documenten
Hier vindt u documenten die gerelateerd zijn aan bovenstaand Kamerstuk.