Antwoord schriftelijke vragen : Antwoord op vragen van de leden Köse en Jumelet over de aardbeving in Eleveld op 14 maart 2026 en de belofte voor een nieuwe regeling
Vragen van de leden Köse (D66) en Jumelet (CDA) aan de Staatssecretaris van Economische Zaken en Klimaat over de aardbeving in Eleveld op 14 oktober 2026 en de belofte voor een nieuwe regeling (ingezonden 23 maart 2026).
Antwoord van Staatssecretaris De Bat (Economische Zaken en Klimaat) (ontvangen 30 juni
2026). Zie ook Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2025–2026, nr. 1615.
Vraag 1
Gelet op het feit dat de Commissie Mijnbouwschade in eerdere gevallen 440.000 euro
aan onderzoeks- en proceskosten heeft gemaakt tegenover slechts € 80.000 aan uitgekeerde
herstelgelden en zij het hier zelf ook niet mee eens is, hoe wordt bij de uitwerking
van een nieuwe regeling geborgd dat een proportioneel en maatschappelijk uitlegbaar
deel van de middelen daadwerkelijk terechtkomt bij herstel en compensatie voor bewoners?
Antwoord 1
In 2025 is er een evaluatie geweest van de schadeafhandeling in Ekehaar door de Commissie
Mijnbouwschade (verder: CM).1 Hier kwam inderdaad uit naar voren dat er bij de afhandeling van de schademeldingen
naar verhouding veel kosten werden gemaakt voor causaliteitsonderzoek door deskundigen
ten opzichte van de bedragen die uiteindelijk zijn uitgekeerd om schade te vergoeden.
Daarom heeft de voormalige Minister van Klimaat en Groene Groei aangegeven samen met
de mijnbouwbedrijven (gas, olie, zout en opslag) te willen kijken naar een verbetering
van de reguliere procedure van de CM. Dit vergt tijd, mede ook omdat met alle mijnbouwondernemingen
overeenstemming moet worden bereikt.
Voor de afhandeling van schademeldingen als gevolg van de aardbeving bij Geelbroek
heeft het kabinet hier niet op willen wachten. We stellen een aanpak voor waarin schademeldingen
door de aardbeving bij Geelbroek sneller worden afgehandeld en er minder geld gaat
naar onderzoek2. In deze aanpak worden vier ringen onderscheiden binnen het door de CM vastgestelde
beoordelingsgebied. De CM en NAM willen in de twee ringen dichtbij het epicentrum
een versnelde procedure toepassen op grond van het Instellingsbesluit van de CM (artikel 7
van Protocol A in Bijlage 1). Dit houdt in dat een causaal verband wordt aangenomen
en inwoners hun schade tot bepaalde maximale bedragen vergoed kunnen krijgen. Voor
ring 1 gaat het om een maximaal bedrag van € 10.000 euro en voor ring 2 om een maximaal
bedrag van € 7.000 euro. Als de schademelder hier geen gebruik van wil maken wordt
de schademelding door de CM afgehandeld met behulp van de reguliere procedure, waarbij
wel onderzoek naar causaliteit wordt gedaan. Dit vergt een langere doorlooptijd en
de schademelder loopt het risico dat hij uiteindelijk geen of een lagere vergoeding
krijgt dan hij zou hebben gekregen onder de versnelde procedure. Dit aangezien schade
in woningen in Nederland vele verschillende en soms gecombineerde oorzaken heeft.
In de buitenste twee ringen wil NAM geen causaal verband aannemen, omdat NAM van mening
is dat slechts in uitzonderlijke gevallen en dan in beperkte mate sprake zal zijn
van schade die veroorzaakt of verergerd is door de beving bij Geelbroek. Dit zou betekenen
dat deze schades volgens de reguliere procedure moeten worden afgehandeld. Dit vindt
het kabinet, vanwege het grote aantal schademeldingen niet wenselijk. Wel is NAM bereid
om een bedrag beschikbaar te stellen om de afhandeling van schademeldingen in dit
gebied te bespoedigen en de uitvoeringskosten te mitigeren. Daarom werkt het kabinet
aan een beleidsregel, op grond waarvan schademelders voor de buitenste twee ringen
voor een onverplichte tegemoetkoming in aanmerking kunnen komen. Voor ring 3 en voor
ring 4 wordt er met een vast bedrag gewerkt als onverplichte tegemoetkoming van overheidswege.
Voor ring 3 gaat het om € 3.000 euro en voor ring 4 om 1.000 euro. Met deze aanpak
is geen causaliteitsonderzoek vereist. Daardoor is de verwachting dat er een betere
verhouding is tussen uitgekeerde tegemoetkomingen en onderzoekskosten. In ringen 3
en 4 kunnen schademelders ook voor de reguliere procedure kiezen.
Vraag 2
Welke uitgangspunten hanteert u om te waarborgen dat de nieuwe regeling uitgaat van
vertrouwen in bewoners, in plaats van wantrouwen en bewijsdruk?
Antwoord 2
Zoals toegelicht in het antwoord op vraag één, kunnen schademelders, afhankelijk van
in welke ring hun woning staat, aanspraak maken op een vergoeding tot een maximaal
bedrag (ringen 1 en 2) of een vast bedrag als onverplichte tegemoetkoming van overheidswege
(ring 3 en 4). Er is geen causaliteitsonderzoek naar de oorzaak van de schade vereist.
De schademelder kan ook nog steeds kiezen voor de reguliere procedure van de CM.
Vraag 3
Welke waarborgen komen er voor een eenvoudige, laagdrempelige en snelle afhandeling
van kleine en evidente schadegevallen?
Antwoord 3
Zoals beschreven in het antwoord op vraag één kunnen schademelders, afhankelijk van
in welke ring hun woning staat, aanspraak maken op een schadevergoeding of onverplichte
tegemoetkoming. De voorgestelde aanpak draagt bij aan een snellere afhandeling. De
versnelde procedure (ring 1 en 2) is vastgelegd in een overeenkomst tussen de CM en
NAM. Voor ring 3 en 4 wordt onder andere een beleidsregel opgesteld. Indien de schademelder
geen gebruik wil maken van deze aanpak, wordt de schademelding door de CM afgehandeld
met behulp van de reguliere procedure, zoals vastgelegd in het Instellingsbesluit
van de CM en het bijbehorende protocol (Protocol A in Bijlage 1).
Vraag 4
Op welke wijze wordt in de uitwerking expliciet rekening gehouden met de impact van
schade en procedures op het welzijn en vertrouwen van bewoners, en welke ondersteuning
wordt daarbij geboden?
Antwoord 4
De CM ondersteunt bewoners (en micro-ondernemingen) die een schademelding hebben ingediend
bij de CM met onafhankelijk en deskundig advies over de afhandeling van de mijnbouwschade.
Hierbij wordt voorzien in persoonlijke begeleiding gedurende het gehele proces van
schadeafhandeling met behulp van een vaste zaakbegeleider die het proces en de schaderegeling
uitlegt, aanwezig is bij de schadeopname en fungeert als persoonlijk aanspreekpunt
voor de schademelder. Bewoners worden door de zaakbegeleider in het gehele traject
ontzorgd en kunnen met al hun inhoudelijke en persoonlijke vragen bij hun zaakbegeleider
terecht. Daarnaast wordt door de CM ingezet op het op een laagdrempelige manier verstrekken
van informatie over de schadebeoordeling, het beantwoorden van vragen en het bieden
van een «luisterend oor» voor inwoners in de regio die daaraan behoefte hebben. Naast
het benutten van online communicatiekanalen en lokale media wordt daarbij bijvoorbeeld
gebruik gemaakt van het Informatiepunt Digitale Overheid in lokale bibliotheken en
worden er in samenwerking met de betrokken Drentse gemeenten bijeenkomsten georganiseerd
in dorpshuizen en wijkcentra. Ook is de CM telefonisch bereikbaar om vragen te beantwoorden.
Vraag 5
Hoe wordt voorkomen dat bewoners met vergelijkbare schade uitsluitend op basis van
het moment van melding of afhandeling verschillend worden behandeld?
Antwoord 5
De beving is inmiddels bijna drie maanden geleden. Naar verwachting hebben de meeste
mensen met schade zich bij de CM gemeld. Schademeldingen die zijn gedaan voor het
tijdstip van publicatie van de overeenkomst tussen CM en NAM voor versnelde procedure
en de betaalovereenkomst tussen NAM en de Staat, worden op grond van de versnelde
procedure (eerste en tweede ring) dan wel de beleidsregel voor de onverplichte tegemoetkoming
van overheidswege (derde en vierde ring) afgehandeld. De regionale bestuurders hebben
gevraagd om enige coulance omdat soms mensen door omstandigheden zich niet hebben
kunnen melden. Aangezien dit om slechts enkele gevallen zal gaan, geldt er bij de
versnelde procedure en de beleidsregel een hardheidsclausule voor uitzonderlijke situaties,
waarin een schademelder kan aantonen dat eerdere indiening niet mogelijk was om redenen
die hem of haar niet zijn aan te rekenen.
Vraag 6
Bent u bekend met het feit dat dat na de aardbeving bij Eleveld een situatie is ontstaan
waarbij de straat of postcode van inwoners bepalend is voor de hoogte en toegankelijkheid
van schadevergoeding, doordat er verschillende regelingen gelden van Instituut Mijnbouwschade
Groningen (IMG) en de Commissie Mijnbouwschade? Hoe beoordeelt u deze ontstane tweedeling,
waarbij inwoners in vergelijkbare situaties ongelijk worden behandeld?
Antwoord 6
Ja, ik ben hiermee bekend en snap ook dat dit om uitleg vraagt. In het effectgebied
van het Groningenveld en de gasopslagen Grijpskerk en Norg geldt een bijzondere aanpak
voor de afhandeling van schade. Deze aanpak is gerechtvaardigd, omdat er in dat effectgebied
in korte tijd tienduizenden gelijksoortige gevallen van fysieke schade gemeld werden,
waarvan het grootste deel te herleiden was tot bodembeweging door gaswinning uit het
Groningenveld. In de rest van Nederland is het aantal, de ernst en omvang van schadegevallen
door bodembeweging als gevolg van de gaswinning geringer (ook in het geval van Geelbroek),
waardoor een aanpak zoals in het effectgebied van het IMG onvoldoende gerechtvaardigd
is. Dat neemt niet weg dat de schade buiten het IMG-effectgebied ook op een zorgvuldige
en adequate wijze moet worden afgehandeld.
Vraag 7
Deelt u de opvatting dat de huidige situatie, met meerdere loketten en regelingen
voor schadeafhandeling in hetzelfde gebied, leidt tot onduidelijkheid en ongelijkheid
voor gedupeerden? In hoeverre ziet u een oplossing in het organiseren van één centraal
loket voor mijnbouwschade (één loket voor alle gedupeerden) om in dit gebied te zorgen
voor een eerlijkere, transparantere en toegankelijkere afhandeling?
Antwoord 7
In het kader van de «een-loket aanpak» werken de CM en IMG al intensief samen, waardoor
één centraal loket niet nodig is. Gezien het aantal, de ernst en omvang van de schadegevallen
in het effectgebied van het Groningenveld en de gasopslagen bij Norg en Grijpskerk,
is een bijzondere aanpak daar gerechtvaardigd. In de brief van 20 maart is geconstateerd
dat er zowel bij de CM als bij het IMG meldingen van schade als gevolg van de bevingen
bij Geelbroek zijn binnengekomen.3 Daar waar nodig wordt doorverwezen of samengewerkt tussen het IMG en de CM.
Vraag 8
Welke andere mogelijkheden ziet u om de onwenselijke situatie te repareren waarin
bewoners die dichter bij het epicentrum wonen soms juist onder een ongunstiger regime
vallen, waarbij zij moeten aantonen dat schade door de aardbeving is veroorzaakt,
terwijl in andere gebieden die met schade door dezelfde aardbeving kampen het bewijsvermoeden
geldt?
Antwoord 8
Hier is rekening mee gehouden door te werken met vier ringen. Het maximale bedrag
voor inwoners in de eerste ring rond het epicentrum is het hoogst, daarna volgt het
plafondbedrag in de tweede ring enzovoorts. Daarbij is geen causaliteitsonderzoek
vereist.
Vraag 9
Wordt ook bezien of voor eerder afgehandelde gevallen een vorm van herbeoordeling,
nabetaling of aanvullende compensatie mogelijk is om de gehanteerde regeling gelijk
te trekken?
Antwoord 9
Nee, de versnelde procedure en beleidsregel geldt alleen voor schades die gemeld zijn
naar aanleiding van de bevingen op 14 maart 2026 bij Geelbroek. De aanpak geldt niet
voor schades door eerdere bevingen die zijn afgehandeld, omdat schades in beginsel
maar één keer worden vergoed. Wel zal ik – op basis van de evaluatie van de CM die
begin dit jaar naar uw Kamer is verzonden4 – samen met de mijnbouwondernemingen (waaronder NAM, maar ook andere mijnbouwondernemingen
die actief zijn op land) in gesprek gaan om te komen tot verbeteringen binnen de reguliere
systematiek van de CM. In dat traject streef ik er ook naar om – in lijn met de motie
van de leden Jumelet en Peter de Groot5 -aandacht te besteden aan mensen die eerder schade hebben gemeld naar aanleiding
van de aardbeving in Ekehaar van 2023 en die slechts een deel van schade aan de woning
vergoed hebben gekregen. Het gaat daarbij om schadegevallen, waarbij is vastgesteld
dat deze voor een deel door bodembeweging als gevolg van de beving in Ekehaar is ontstaan
en voor een deel door andere oorzaken. Ik besteed hierbij expliciet aandacht aan de
mogelijkheid van een «terugwerkende kracht» bepaling.
Ondertekenaars
J. de Bat, staatssecretaris van Economische Zaken en Klimaat
Bijlagen
Gerelateerde documenten
Hier vindt u documenten die gerelateerd zijn aan bovenstaand Kamerstuk.