Antwoord schriftelijke vragen : Antwoord op vragen van het lid Vermeer over windturbines en grensregio’s
Vragen van het lid Vermeer (BBB) aan de Minister van Klimaat en Groene Groei over windturbines en grensregio’s (ingezonden 21 mei 2026).
Antwoord van Minister Boekholt-O’Sullivan (Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening),
van Staatssecretaris Bertram (Infrastructuur en Waterstaat) en van Minister Van Veldhoven-van
der Meer (Klimaat en Groene Groei) (ontvangen 30 juni 2026).
Vraag 1
Deelt u dat bij windturbines net over de Duitse grens ook de Nederlandse Staat verantwoordelijk
is voor naleving van Europese en internationale verplichtingen?
Antwoord 1
Zoals in eerdere Kamervragen toegelicht1, geldt er Europees en internationaal recht dat terug te vinden is in het Verdrag
van Espoo en de EU-richtlijnen over milieueffectrapportage om aanzienlijke grensoverschrijdende
milieueffecten van ruimtelijke plannen, zoals windturbines nabij de grens, zo goed
mogelijk in beeld te brengen en buurlanden daarbij te betrekken. Zolang dit recht
gevolgd wordt, is er logischerwijs geen reden tot ingrijpen door de nationale overheid
en zijn landen soeverein. Daarbij geldt dat in Nederland elke overheidslaag zijn eigen
bevoegdheden heeft. Het is in beginsel aan de betrokken medeoverheden om indien er
een vermoeden is dat het Europees recht niet wordt nageleefd, hierop actie te ondernemen.
Vraag 2
Op basis waarvan concludeert u dat geen sprake is van significante grensoverschrijdende
milieueffecten bij windturbines van circa 250 meter hoog, op korte afstand van de
Nederlandse grens?
Antwoord 2
Deze conclusie is niet aan het kabinet. In eerste instantie is de beoordeling of er
sprake is van aanzienlijke grensoverschrijdende milieueffecten bij een Duits windproject
aan het Duitse bevoegd gezag. De verantwoordelijkheid voor de lokale fysieke leefomgeving
in Nederland ligt in beginsel bij de medeoverheden. Indien een Nederlandse overheidsinstantie
meent dat er sprake is van aanzienlijke grensoverschrijdende milieueffecten van een
Duits mer-plichtig initiatief, kan zij dit bij het Duitse bevoegd gezag kenbaar maken.
Hiernaast geldt dat de Nederlandse overheidsinstantie de Minister van Infrastructuur
en Waterstaat kan vragen contacten te onderhouden met de bevoegde Duitse autoriteiten
indien het niet lukt om contact met hen te leggen aangaande een mer-plichtig initiatief
of als het overleg hierover niet tot het gewenste resultaat heeft geleid.
Vraag 3
Erkent u dat het Verdrag van Espoo en artikel 7 van de MER-richtlijn gelden zodra
grensoverschrijdende effecten niet kunnen worden uitgesloten, los van nationale MER-drempels?
Antwoord 3
Op basis van het Verdrag van Espoo geldt een mer-plicht voor gespecificeerde activiteiten
waarbij aanzienlijke grensoverschrijdende milieueffecten niet kunnen worden uitgesloten. Daarnaast geldt
op basis van de Europese mer-richtlijn een directe mer-plicht of een mer-beoordelingsplicht
voor bepaalde activiteiten. De uitkomst van een mer-beoordelingsplicht kan vervolgens
ook leiden tot mer-plicht. Zowel de vereisten uit het Verdrag als uit de mer-richtlijn
zijn omgezet in nationale regelgeving. Hierbij geldt dat het aan het bevoegd gezag
van de mer-plichtige activiteit is om de beoordeling te maken of er sprake kan zijn
van aanzienlijke grensoverschrijdende milieueffecten. Alleen als uit de beoordeling
volgt dat deze effecten niet kunnen worden uitgesloten, bieden het Verdrag en art.
7 van de mer-richtlijn verplichtingen rondom informatie-uitwisseling en overleg met
een andere Verdragspartij.
Vraag 4
Hoe beoordeelt u dat Nederlandse inwoners in de praktijk nauwelijks effectief kunnen
participeren in Duitse procedures door taal-, kosten- en juridische drempels?
Antwoord 4
Participeren in Duitse procedures kan inderdaad complex zijn voor Nederlandse inwoners.
Daarom is recent door de Nederlands Duitse Commissie Ruimtelijke Ordening (NDCRO)
een speciale brochure2 opgesteld die inwoners van Nederland een overzicht geeft van de planningsprocessen
in Duitsland, alsmede van wat de belangrijkste termen en bijzonderheden van het Duitse
recht zijn. Ook verheldert de brochure welke rechten Nederlandse inwoners hebben volgens
het Duitse recht, als het gaat om participatie en inspraak in de planningsprocessen.
Vraag 5
Heeft het Rijk hierover overleg gevoerd met de provincie Overijssel, en zo ja wanneer
en met welk resultaat richting Duitsland?
Antwoord 5
Er vindt vier maal per jaar overleg plaats tussen ambtenaren van de Nederlandse overheid,
alle grensprovincies en ambtenaren van de Duitse deelstaten en grensregiobesturen
in de NDCRO. Dit overleg is informerend en informeel van karakter en gaat over ruimtelijke
plannen in het grensgebied. Tijdens dit overleg hebben de Nederlandse provincies de
windmolens in het grensgebied aangekaart. De Duitse collega’s hebben uitleg gegeven
over de uit te werken plannen van de Bondsregering en hoe de deelstaatregeringen hier
vervolgens uitwerking aan dienen te geven. Daarnaast heeft het Rijk op ambtelijk niveau
overleg met de Duitse Bondsregering over het gehele grensgebied tussen Duitsland en
Nederland, waar ook gesproken is over de plaatsing van windmolens in het grensgebied.
Hierbij hebben wij aangegeven wat het grensoverschrijdend effect is van de nationale
beleidskeuzes van de Duitse Bondsregering. Hierop heeft Duitsland enkele zoeklocaties
nabij de grens verplaatst.
Vraag 6
Kunt u de verslagen hiervan aan ons doen toekomen?
Antwoord 6
Vanwege het informele karakter van deze overleggen worden er geen verslagen vastgesteld.
Vraag 7
Deelt u dat overlegstructuren zoals de Nederlands Duitse Commissie Ruimtelijke Ordening
(NDCRO) geen vervanging zijn voor juridisch afdwingbare verplichtingen uit het EU-milieurecht?
Antwoord 7
De NDCRO heeft inderdaad geen juridische status of beslisbevoegdheid. Dat is ook niet
de doelstelling van het overleg. Hier brengt men elkaar op de hoogte van de ruimtelijke
plannen en ontwikkelingen aan beide zijden van de grens en deelt men kennis inzake
de ontwikkelingen en vraagstukken waar de partijen mee te maken hebben. Omdat de commissie
het ook belangrijk vindt dat de betrokkenen aan de grens goed weten wat hun juridische
rechten zijn, heeft de NDCRO voor inwoners van de Nederlandse grensstreek in de Nederlandse
taal deze samengevat in de eerdergenoemde brochure.
Vraag 8
Bent u bereid te komen tot een helder Rijkskader voor grensoverschrijdende windprojecten
ter bescherming van leefomgeving, inwoners en gemeenten?
Antwoord 8
We voorzien momenteel geen specifiek aanvullend Rijkskader voor grensoverschrijdende
windprojecten. Bestaande afspraken, zoals het verdrag van Espoo, maken voldoende duidelijk
aan welke eisen moet worden voldaan. Hier is een contactpunt voor ingericht om medeoverheden
daar waar nodig te ondersteunen. Dit is online te vinden. Wel zijn en blijven we in
gesprek met de grensprovincies om te bezien of, en zo ja op welke wijze, we hen nader
kunnen ondersteunen.
Vraag 9
En zo ja, per wanneer?
Antwoord 9
N.v.t.
Vraag 10
En zo nee, waarom niet?
Antwoord 10
Zie het antwoord op vraag 8.
Vraag 11
Kunt u deze vragen afzonderlijk beantwoorden?
Antwoord 11
Zie hierboven.
Ondertekenaars
-
Eerste ondertekenaar
E. Boekholt-O’Sullivan, minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening -
Mede ondertekenaar
S. van Veldhoven-van der Meer, minister van Klimaat en Groene Groei -
Mede ondertekenaar
A.W.H. Bertram, staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat
Bijlagen
Gerelateerde documenten
Hier vindt u documenten die gerelateerd zijn aan bovenstaand Kamerstuk.