Antwoord schriftelijke vragen : Antwoord op vragen van het lid Vermeer over de fiscale behandeling van kampeervoertuigen
Vragen van het lid Vermeer (BBB) aan de Staatssecretaris van Financiën over de fiscale behandeling van kampeervoertuigen (ingezonden 2 juni 2026).
Antwoord van Staatssecretaris Eerenberg (Financiën) (ontvangen 22 juni 2026)
Vraag 1
Wat zijn de exacte totale opbrengsten uit de MRB voor kampeerauto’s (campers) in het
eerste kwartaal (Q1) van 2026, vergeleken met de eerste kwartalen (Q1) van 2025, 2024,
2023 en 2022 nu het kwarttarief per 1 januari 2026 is omgezet in een halftarief?
Antwoord 1
Opbrengst MRB kampeerauto’s op basis van de verzonden rekeningen (in miljoenen euro)
Kwartaal
Q1 2022
Q1 2023
Q1 2024
Q1 2025
Q1 2026
Opbrengst MRB
€ 17,8
€ 19,5
€ 21,4
€ 37,1
€ 61,6
Vraag 2
Klopt het dat een burger, die zijn voertuig schorst en deze schorsing binnen één maand
weer opheft, met terugwerkende kracht alsnog het volle MRB-tarief over die periode
moet betalen (bovenop het betaalde schorsingstarief van de RDW)?
Antwoord 2
Ja.
Vraag 3
Zo ja, op welk artikel in de wet is dit gebaseerd?
Antwoord 3
Artikel 35a van de Wet op de motorrijtuigenbelasting 1994.
Vraag 4
Hoe beoordeelt u de juridische en morele houdbaarheid van deze «één-maand-regel» bij
schorsing, aangezien de burger gedurende de schorsingsperiode aantoonbaar geen gebruik heeft gemaakt (en mocht maken) van de openbare weg
en de MRB feitelijk fungeert als betaling voor een niet-geleverde overheidsdienst?
Antwoord 4
De fiscale minimumtermijn voor schorsen moet worden beoordeeld tegen de achtergrond
van het karakter van de motorrijtuigenbelasting als houderschapsbelasting. Sinds de
invoering van het houderschapsstelsel in 1995 is de motorrijtuigenbelasting primair
gekoppeld aan het houden van een geregistreerd motorrijtuig en niet aan het feitelijk
gebruik van de openbare weg. In de motorrijtuigenbelasting is het uitgangspunt dat
de houder van een motorrijtuig – ongeacht het daadwerkelijke gebruik – per kwartaal
een vast bedrag aan belasting is verschuldigd.
Een uitzondering op dit uitgangspunt is gemaakt voor het schorsen van een motorrijtuig.
De schorsingsregeling is bedoeld voor situaties waarin een motorrijtuig gedurende
een langere periode niet wordt gebruikt en daarom tijdelijk buiten de reguliere belastingheffing
wordt geplaatst. De wetgever heeft daarbij steeds benadrukt dat schorsing een uitzondering
op de hoofdregel moet blijven en niet is bedoeld als instrument om de belastingheffing
af te stemmen op incidenteel gebruik van een motorrijtuig.1 Het veelvuldig schorsen en ontschorsen van een motorrijtuig leidt bovendien tot een
toename van uitvoerings- en handhavingslasten. Daarbij bestaat het risico dat burgers
de status van hun motorrijtuig, de duur van de schorsing of de voorwaarden voor gebruik
tijdens een schorsing verkeerd inschatten, hetgeen kan leiden tot onbedoelde overtredingen,
onverzekerd rondrijden, naheffingen en een afname van de betrouwbaarheid van de kentekenregistratie.
Aldus heeft de wetgever in het verleden op goede gronden besloten om maatregelen te
treffen tegen lichtvaardig schorsen.
Bij de invoering van het houderschapsstelsel werd aanvankelijk beoogd deze uitzondering
te begrenzen door een schorsingstarief te hanteren ter hoogte van drie maanden motorrijtuigenbelasting.
Dat tarief moest fungeren als een financiële drempel, zodat schorsing alleen aantrekkelijk
zou zijn wanneer een motorrijtuig daadwerkelijk gedurende een langere periode buiten
gebruik werd gesteld. Naar aanleiding van kritiek vanuit de Tweede Kamer is deze benadering
echter verlaten. Er is toen besloten de koppeling tussen het schorsingstarief en de
hoogte van de motorrijtuigenbelasting los te laten.2 In plaats daarvan werd gekozen voor vaste schorsingstarieven in combinatie met een
fiscale minimumschorsingstermijn van drie maanden.3 In latere jaren is deze minimumschorsingstermijn voor vrachtauto’s en autobussen
verkort tot één maand, omdat voor deze motorrijtuigen een minimumtermijn van drie
maanden in de praktijk als onnodig bezwarend werd ervaren.4 Vervolgens is ook voor personenauto's, bestelauto's en motorrijwielen de termijn
verkort naar één maand.5 Daarmee beoogde de wetgever de regeling evenwichtiger vorm te geven, door de gevolgen
van een voortijdige beëindiging van de schorsing te verzachten en tegelijkertijd te
komen tot één uniforme regeling voor alle motorrijtuigen.
Tegen deze achtergrond acht ik de minimumschorsingstermijn van één maand zowel juridisch
als beleidsmatig verdedigbaar. De regeling vormt een beperkte drempel tegen lichtvaardig
schorsen, terwijl tegelijkertijd rekening wordt gehouden met de financiële belangen
van houders die hun motorrijtuig gedurende een periode van één maand of langer buiten
gebruik stellen.
Vraag 5
Bent u bereid om, mede in het licht van de verdubbeling van de MRB voor campers per
2026, het schorsingssysteem te moderniseren en flexibeler te maken (bijvoorbeeld door
schorsen per dag of week mogelijk te maken zonder fiscale naheffing), zodat seizoensgebruikers
niet onnodig financieel worden gestraft?
Antwoord 5
Vooropgesteld wordt dat het huidige schorsingssysteem de mogelijkheid biedt om een
motorrijtuig op ieder gewenst moment te schorsen en te ontschorsen. Het schorsingssysteem
op zichzelf is dus maximaal flexibel. De RDW brengt hiervoor een tarief in rekening
die onder meer ter dekking dient van de uitvoeringskosten van de schorsingsregeling.
De vraag is of voor het fiscale voordeel bij schorsing een (kortere) minimumtermijn
dan één maand moet gelden, mede in het licht van de verdubbeling van de motorrijtuigenbelasting
voor campers. Ik zie daar geen aanleiding toe.
In de eerste plaats is van belang dat de huidige combinatie van (I) een houderschapsbelasting
(II) een halftarief voor kampeerauto’s en (III) een fiscale minimumtermijn van één
maand na schorsing een samenhangend stelsel vormt. Voor het houden van een kampeerauto
is slechts de helft van het reguliere houderschapstarief voor vergelijkbare motorrijtuigen
verschuldigd. De rechtvaardiging hiervoor is dat kampeerauto’s worden verondersteld
minder vaak gebruik te maken van de weg. Indien de motorrijtuigenbelasting volledig
naar rato van het aantal schorsingsdagen zou worden vastgesteld, zou de fiscale behandeling
van kampeerauto’s in toenemende mate aansluiten bij werkelijk gebruik van een motorrijtuig.
Dat roept de vraag op in hoeverre het bestaande halftarief voor kampeerauto’s dan
nog gerechtvaardigd is, en of voor kampeerauto’s het reguliere tarief van toepassing
zou moeten zijn. Het veelvuldig schorsen van een kampeerauto was eerder voor de wetgever
mede aanleiding om het kwarttarief te vervangen door een halftarief.6
In de tweede plaats merk ik op dat het huidige stelsel juist goed aansluit op de situatie
van seizoensgebruikers. De schorsingsregeling is bedoeld voor motorrijtuigen die gedurende
een langere periode buiten gebruik worden gesteld. Dat geldt in het bijzonder voor
veel kampeerauto’s, die gedurende de herfst- en wintermaanden in de stalling staan
en vervolgens vanaf het voorjaar weer in gebruik worden genomen. In dergelijke gevallen
wordt het motorrijtuig gedurende meerdere maanden geschorst, waardoor over de gehele
schorsingsperiode geen motorrijtuigenbelasting is verschuldigd. De fiscale minimumtermijn
van één maand vormt voor seizoensgebruikers dus geen belemmering.
In de derde plaats is de uitvoerbaarheid en handhaafbaarheid van de motorrijtuigenbelasting
van belang. Zoals ook bij de invoering van het houderschapsstelsel is benadrukt, leidt
lichtvaardig schorsen tot extra uitvoerings- en handhavingslasten. Een systeem waarbij
motorrijtuigen frequent worden geschorst en ontschorst vergroot het risico op fouten,
misverstanden over de status van een motorrijtuig, onbedoelde overtredingen, onverzekerd
rondrijden en een afname van de betrouwbaarheid van het kentekenregister. Ook voor
burgers kan een dergelijke systematiek minder overzichtelijk zijn doordat voertuigverplichtingen
vaker wijzigen en verschillende juridische beschikkingen elkaar in korte tijd kunnen
opvolgen of doorkruisen. Voorts kunnen kortdurende schorsingen die primair zijn ingegeven
door financiële motieven ertoe leiden dat vaker onrechtmatig gebruik van de weg wordt
gemaakt tijdens een schorsingsperiode. Door de beperkte duur van de schorsing is de
kans op constatering kleiner, hetgeen de fraudegevoeligheid van het stelsel vergroot.
In de vierde plaats zijn de budgettaire aspecten van belang. Indien de fiscale minimumschorsingstermijn
verder zou worden verkort of zou vervallen, ontstaat een fiscale stimulans om de schorsingsregeling
vaker te benutten. Voor zover dat leidt tot een lagere opbrengst van de motorrijtuigenbelasting,
zal deze derving elders moeten worden gedekt.
Ondertekenaars
E. Eerenberg, staatssecretaris van Financiën