Antwoord schriftelijke vragen : Antwoord op vragen van de leden Maeijer, Faber, Vondeling en Wilders over het bericht 'Meer besneden meisjes en vrouwen in Nederland, duizenden meisjes lopen risico op genitale verminking'
Vragen van de leden Maeijer, Faber, Vondeling en Wilders (allen PVV) aan de Ministers van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, van Justitie en Veiligheid en van Asiel en Migratie over het bericht «Meer besneden meisjes en vrouwen in Nederland, duizenden meisjes lopen risico op genitale verminking» (ingezonden 27 maart 2026).
Antwoord van Minister Sterk (Langdurige Zorg, Jeugd en Sport) en de Minister van Justitie
en Veiligheid (ontvangen 9 juni 2026). Zie ook Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar
2025–2026, nr. 1652.
Vraag 1
Bent u bekend met het bericht «Meer besneden meisjes en vrouwen in Nederland, duizenden
meisjes lopen risico op genitale verminking»?1
Antwoord 1
Ja.
Vraag 2
Vindt u het acceptabel dat genitale verminking van meisjes en vrouwen in Nederland
de laatste vijf jaar niet gedaald is maar juist gestegen en beseft u zich dat deze
barbaarse islamitische praktijken het rechtstreekse gevolg is van de ongecontroleerde
massa immigratie?
Antwoord 2
Vrouwelijke genitale verminking (VGV) is een ernstige en onacceptabele schending van
de lichamelijke integriteit en mensenrechten van meisjes en vrouwen. Het kabinet zet
zich onverminderd in om deze praktijk te voorkomen en te bestrijden.
Uit het onderzoek van Pharos blijkt dat het geschatte aantal meisjes en vrouwen in
Nederland dat VGV heeft ondergaan licht is gestegen: van ongeveer 41.000 in 2018 naar
ongeveer 43.000 in 2023. De stijging hangt vooral samen met demografische ontwikkelingen
en met een verfijning in de onderzoeksmethode. Er wonen meer meisjes en vrouwen in
Nederland die afkomstig zijn uit landen waar VGV voorkomt. Daarnaast zijn in het huidige
onderzoek alle meisjes en vrouwen uit Irak meegenomen. In de studie uit 2018 werden
alleen meisjes en vrouwen uit de Koerdisch Autonome Regio in Irak meegenomen. Deze
aanpassing vergroot de onderzoekspopulatie en heeft daarmee invloed op de schatting.
Het is belangrijk te benadrukken dat het onderzoek werkt met schattingen en niet met
exacte aantallen. De onderzoekers passen prevalentiecijfers uit landen van herkomst
toe op de populatie meisjes en vrouwen in Nederland die afkomstig is uit landen waar
VGV voorkomt. Als deze populatie groeit, kan ook het geschatte aantal meisjes en vrouwen
met VGV toenemen.
De onderzoekers geven aan dat deze stijging niet betekent dat VGV vaker in Nederland
wordt uitgevoerd. Er zijn geen signalen dat VGV na migratie in Nederland plaatsvindt.
Veel vrouwen en meisjes die in de schatting zijn meegenomen, hebben VGV al vóór hun
komst naar Nederland ondergaan.
Verder laat het onderzoek zien dat het geschatte aantal meisjes dat in de komende
twintig jaar reëel risico loopt is gedaald: van ongeveer 4.190 in 2018 naar ongeveer
2.606 in 2023. Volgens de onderzoekers hangt deze daling vooral samen met een verfijning
van het rekenmodel, waarin rekening wordt gehouden met veranderende opvattingen na
migratie en vooral het lagere risico onder de tweede generatie. Dit duidt erop dat
preventie en bewustwording effect hebben.
VGV komt wereldwijd voor in verschillende landen en gemeenschappen en is niet exclusief
verbonden aan één religie of herkomst. Vrouwelijke genitale verminking wordt niet
veroorzaakt door immigratie, maar komt voort uit sociale normen, culturele opvattingen
(over vrouwelijkheid, huwelijk, seksualiteit en sociale acceptatie) en tradities,
en sociale verwachtingen die daaruit voortkomen. Mensen handelen niet enkel op basis
van persoonlijke overtuigingen maar ook vanuit normen en verwachtingen vanuit de gemeenschap
of familie. Pharos merkt op dat deze normen in veel landen waar vrouwelijke genitale
verminking voorkomt veranderen, onder meer na migratie en onder invloed van onderwijs,
wetgeving, preventie en bredere maatschappelijke ontwikkelingen. Dreigende vrouwelijke
genitale verminking kan reden zijn om asielbescherming te bieden. Op die wijze kan
asielbescherming ondersteunend zijn aan het tegengaan van vrouwelijke genitale verminking.
Vrouwelijke genitale verminking is in Nederland strafbaar als een vorm van mishandeling.
Vraag 3
Hoeveel gevallen van genitale verminkingen van meisjes en vrouwen vonden er in de
laatste vijf jaar binnen Nederland plaats en hoeveel in het buitenland?
Antwoord 3
Op basis van signalen van professionals en beschikbare kennis stelt Pharos dat VGV
in Nederland zelf niet wordt uitgevoerd. Voor meisjes bestaat het risico om tijdens
verblijf in het buitenland te worden besneden. Op dit moment doet Pharos een uitvraag
onder professionals met de vraag in hoeverre zij te maken hebben gehad met minderjarige
meisjes die in Nederland wonen of onder Nederlands recht vallen, en van wie zij wisten
of vermoedden dat zij na migratie zijn besneden. Uit een tussentijdse analyse onder
bijna 250 professionals, zoals JGZ-professionals, huisartsen en gynaecologen, komen
tot nu toe geen bevestigde gevallen naar voren van meisjes die na migratie, terwijl
zij in Nederland woonden, zijn besneden. Het is mogelijk dat vrouwen en meisjes in
landen van herkomst slachtoffer zijn geworden van vrouwelijke genitale verminking
en op latere leeftijd naar Nederland verhuizen.
In Nederland wordt daarom vooral ingezet op preventie en voorlichting, onder andere
via de jeugdgezondheidszorg, zorg en ondersteuning voor slachtoffers, en samenwerking
met betrokken gemeenschappen, sleutelpersonen en ketenpartners. De verklaring tegen
meisjesbesnijdenis kan aan ouders worden meegegeven als zij afreizen naar het land
van herkomst. Deze verklaring is beschikbaar in acht talen en bevat informatie over
hoe schadelijk meisjesbesnijdenis is en dat dit strafbaar is in Nederland.
UNICEF schat dat op dit moment ten minste 230 miljoen meisjes en vrouwen in 31 landen
leven met de gevolgen van VGV. In de afgelopen tien jaar is het percentage meisjes
van 15 tot 19 jaar dat de praktijk heeft ondergaan gedaald van 41 procent naar 34
procent (UNICEF, 2025). Nederland ondersteunt partners die schadelijke praktijken
zoals VGV tegengaan, zoals via het Future4Binti programma (2026–2030) in Oost-Afrika.
Vraag 4
Vindt u het acceptabel dat hulpverleners en dokters terughoudend zijn om het gesprek
aan te gaan uit «angst om culturele grenzen te overschrijden»? Zo nee, wat gaat u
hiertegen ondernemen?
Antwoord 4
Het is van groot belang dat professionals het gesprek over VGV tijdig en zorgvuldig
aangaan wanneer er signalen of risico’s zijn. Terughoudendheid die de bescherming
van meisjes in de weg staat is niet wenselijk. Het uitgangspunt is dat signalen van
mogelijke VGV altijd serieus worden genomen en dat professionals weten hoe zij, met
oog voor culturele sensitiviteit én de veiligheid van het kind, het gesprek kunnen
voeren en passende stappen kunnen zetten. Om die reden wordt ingezet op het versterken
van de deskundigheid en het handelingsperspectief van professionals, onder andere
via richtlijnen, training en voorlichting. De Meldcode Huiselijk Geweld en Kindermishandeling
biedt professionals een stappenplan om signalen van onder andere VGV zorgvuldig te
beoordelen en hierop te handelen. Daarnaast zijn er diverse trainingen gericht op
gespreksvoering beschikbaar en wordt een richtlijn ontwikkeld voor de Jeugdgezondheidszorg
waarin handvatten voor professionals zijn opgenomen.
Vraag 5
Hoeveel meldingen zijn er de laatste vijf jaar gedaan door hulpverleners en dokters
vanwege vermoeden van genitale verminking van meisjes en vrouwen en is hier ook sprake
van terughoudendheid? Deelt u de mening dat artsen en schooldokters een meldplicht
zouden moeten hebben?
Antwoord 5
Er zijn geen landelijke cijfers over het aantal meldingen van vermoedens van VGV in
de afgelopen vijf jaar. Dit kan onder meer samenhangen met de verborgen aard van VGV
en het feit dat VGV vaak in het buitenland plaatsvindt. Als (zorg)professionals in
Nederland een slachtoffer zien dat al VGV heeft ondergaan, wordt veelal ingezet op
ondersteuning en hulp van het slachtoffer in plaats van melden bij Veilig Thuis.
Het kabinet is niet voornemens om een meldplicht in te stellen, een meldplicht kan
juist averechts werken en een drempel vormen om hulp te zoeken. In Nederland wordt
gewerkt met de Meldcode Huiselijk Geweld en Kindermishandeling, die professionals
ondersteunt bij het signaleren en beoordelen van signalen om zo de nodige passende
stappen te zetten. Bij signalen van vrouwelijke genitale verminking is het belangrijk
dat professionals contact opnemen met Veilig Thuis voor advies. Het is aan organisaties
om kennis en kunde over de meldcode onder werknemers blijvend te bevorderen. In de
meldcode is opgenomen dat bij acuut en structureel geweld het de professionele norm
is om een melding te doen bij Veilig Thuis. Daarnaast loopt er momenteel een verkenning
naar een brede adviesplicht om de adviesfunctie te versterken, waarbij professionals
advies moeten vragen als zij vermoedens van huiselijk geweld of kindermishandeling
(waaronder vrouwelijke genitale verminking) hebben.
Vraag 6
Bent u bereid met extra wetgeving en/of beschermingsmaatregelen te komen ter bestrijding
van genitale verminking van vrouwen? Zo ja, welke? Zo nee, waarom niet?
Antwoord 6
Vrouwelijke genitale verminking is momenteel al strafbaar als (zware) mishandeling
op grond van de artikelen 300 tot en met 303 van het Wetboek van Strafrecht (Sr).
In aanvulling op deze bestaande wetgeving, wordt momenteel gewerkt aan een implementatiewetsvoorstel
ter uitvoering van de EU-richtlijn ter bestrijding van geweld tegen vrouwen en huiselijk
geweld (Richtlijn EU 2024/1385). Dit wetsvoorstel – dat naar verwachting op korte
termijn aan de Afdeling advisering van de Raad van State zal worden aangeboden – bevat
een aantal nadere aanscherpingen van het strafrechtelijk kader. Het gaat onder andere
om het strafbaar stellen van degene die een vrouw of meisje ertoe dwingt of beweegt
om vrouwelijke genitale verminking te ondergaan (of daar een poging toe doet). Daarmee
wordt eveneens uitvoering gegeven aan de motie-Eerdmans om verheerlijking en propaganda
van vrouwelijke genitale verminking strafbaar te stellen (Kamerstukken II 2024/25,
29 279, nr. 961), zoals eerder toegezegd (Handelingen II 2024/25, nr. 89, item 3, p. 9).
Verder is uw Kamer in december 2025, middels de voortgangsbrief over de aanpak van
huiselijk geweld en kindermishandeling, geïnformeerd over de beleidsreactie op het
onderzoeksrapport «Over Grenzen: een rechtsvergelijkend onderzoek naar preventieve
beschermingsbevelen bij huwelijksdwang, achterlating en vrouwelijke genitale verminking».
In deze beleidsreactie wordt – in reactie op één van de aanbevelingen – vermeld dat
juridisch zal worden onderzocht of en hoe preventieve beschermingsbevelen mogelijk
kunnen worden gemaakt, mede in relatie tot het verbetertraject van het tijdelijk huisverbod,
waarin ook wordt verkend of er aanvullende bestuursrechtelijke beschermingsmaatregelen
moeten worden gecreëerd. Deze beleidsverkenning is inmiddels gestart. In de verkenning
worden ook de mogelijkheden onderzocht van een uitreisverbod ingeval van een risico
op vrouwelijke genitale verminking, zoals opgenomen in het coalitieakkoord. De eerste
bevindingen van deze verkenning zullen begin 2027 met uw Kamer worden gedeeld.
Tot slot merk ik op dat de aanpak van vrouwelijke genitale verminking onderdeel uitmaakt
van de bredere aanpak van huiselijk geweld en kindermishandeling. Het kabinet heeft
met het plan «Stop femicide!» stevige maatregelen getroffen ten aanzien van vroegsignalering,
een versterkte samenwerking en het bieden van tijdige en effectieve bescherming aan
(potentiële) slachtoffers. Op 10 juli 2025 is de Kamer reeds geïnformeerd over de
voortgang van de prioriteiten uit dit plan van aanpak. Daarnaast is de Kamer middels
eerdergenoemde Kamerbrief geïnformeerd over de aanstelling van een Nationaal Coördinator
Geweld tegen Vrouwen en Huiselijk Geweld, die – naar verwachting – voor de zomer zal
worden aangesteld.
Vraag 7
Deelt u de mening dat ouders die hun dochter laten besnijden strafrechtelijk vervolgd
moeten worden en dat, indien zij een verblijfsvergunning hebben, deze onmiddellijk
moet worden ingetrokken?
Antwoord 7
Zoals is toegelicht in het antwoord op vraag 6, is vrouwelijke genitale verminking
een ernstig misdrijf en in Nederland strafbaar gesteld als (zware) mishandeling. Afhankelijk
van hun precieze rol, is het in voorkomende gevallen mogelijk dat personen die de
genitale verminking niet zelf toebrengen, zich schuldig maken aan strafbare deelneming
hieraan. Verder biedt artikel 284 Sr de mogelijkheid om personen die een vrouw of
meisje dwingen genitale verminking te ondergaan (ook als dit in het buitenland plaatsvindt)
strafrechtelijk te vervolgen. Zoals hiervoor bij vraag 6 aan de orde is gekomen, zal
de strafbaarheid met het daar genoemde implementatiewetsvoorstel verder worden uitgebreid
naar personen die een vrouw of meisje ertoe bewegen om vrouwelijke genitale verminking
te ondergaan. Het is aan het openbaar ministerie om in een concreet geval te beoordelen
of sprake is van strafbaar handelen en of strafrechtelijke vervolging aangewezen is.
Wanneer een vreemdeling zich schuldig heeft gemaakt aan vrouwelijke genitale verminking
dan zal zo mogelijk de verblijfsvergunning van de dader worden ingetrokken. Voor het
intrekken van de verblijfsvergunning op grond van gevaar voor de openbare orde, is
ten minste een onherroepelijke rechterlijke veroordeling van de desbetreffende vreemdeling
nodig. Naarmate een vreemdeling langer in Nederland verblijft, dient de opgelegde
straf zwaarder te zijn; deze zogenoemde «glijdende schaal» is neergelegd in artikel 3.86
van het Vreemdelingenbesluit 2000. Daarnaast is de IND gehouden om te toetsen aan
het evenredigheidsbeginsel of er specifieke redenen zijn, zoals de aanwezigheid van
kleine kinderen, die de intrekking van de verblijfsvergunning zouden kunnen belemmeren.
En bij een aantal categorieën vreemdelingen, asielstatushouders, EU-burgers en hun
gezinsleden, langdurig ingezetene derdelanders en Turken die verblijfsrecht ontlenen
aan het Associatieverdrag met EU-Turkije, moet de IND op grond van het EU-recht toetsen
of de vreemdeling nog steeds een actuele bedreiging vormt voor de fundamentele belangen
van de samenleving.
Vraag 8
Deelt u de mening dat imams en andere personen die genitale verminking van meisjes
en vrouwen aanbevelen, daar rechtstreeks toe aanzetten of dit anderszins faciliteren
strafrechtelijk vervolgd moeten worden en indien zij een verblijfsvergunning of een
dubbele nationaliteit hebben na hun straf het land uitgezet moeten worden? Zo nee,
waarom niet?
Antwoord 8
Het in het openbaar oproepen tot en verheerlijken van vrouwelijke genitale verminking
is op dit moment in voorkomende gevallen al strafbaar, namelijk als anderen daarmee
worden aangespoord tot het toebrengen van zulke genitale verminking. In dat geval
kan immers sprake zijn van opruiing (artikel 131 Sr) of het aanzetten tot geweld tegen
vrouwen wegens hun geslacht (artikel 137d Sr). Verder is het dwingen van vrouwen en
meisjes om genitale verminking te ondergaan strafbaar (artikel 284 Sr) en is het mogelijk
dat personen die genitale verminking faciliteren zich in voorkomende gevallen schuldig
maken aan strafbare deelneming aan dat feit. Zoals in reactie op vraag 6 aan de orde
is gekomen, wordt met het wetsvoorstel tot implementatie van Richtlijn EU 2024/1385
de strafbaarheid verder uitgebreid tot personen die een vrouw of meisje ertoe bewegen
vrouwelijke genitale verminking te ondergaan, waarmee eveneens uitvoering wordt gegeven
aan de daar al genoemde motie-Eerdmans.
Wat betreft het intrekken van de verblijfsvergunning geldt hetgeen in het antwoord
op vraag 7 is aangegeven. Hetzelfde is ook van toepassing op vreemdelingen die een
dubbele nationaliteit hebben, tenzij één van die nationaliteiten die van Nederland
is. Nederland mag geen eigen onderdanen het land uitzetten.
Vraag 9
Wanneer gaat u stoppen met het importeren van deze barbaarse islamitische praktijken
en kondigt u een asielstop af?
Antwoord 9
Vrouwelijke genitale verminking (VGV) is een ernstige en onacceptabele schending van
de lichamelijke integriteit en mensenrechten van meisjes en vrouwen. Zoals geformuleerd
in antwoord op vraag 2 wordt vrouwelijke genitale verminking niet veroorzaakt door
immigratie en kan asielbescherming ondersteunend zijn aan het tegengaan van vrouwelijke
genitale verminking. Het kabinet hecht eraan meer grip te krijgen op migratie en geeft
daaraan invulling met een brede agenda binnen de kaders van het internationaal recht.
Ondertekenaars
-
Eerste ondertekenaar
W.R.C. Sterk, minister van Langdurige Zorg, Jeugd en Sport -
Mede ondertekenaar
D.M. van Weel, minister van Justitie en Veiligheid
Bijlagen
Gerelateerde documenten
Hier vindt u documenten die gerelateerd zijn aan bovenstaand Kamerstuk.