Verslag van een commissiedebat : Verslag van een commissiedebat, gehouden op 23 april 2026, over justitiële jeugd
28 741 Jeugdcriminaliteit
Nr. 138
VERSLAG VAN EEN COMMISSIEDEBAT
Vastgesteld 9 juli 2026
De vaste commissie voor Justitie en Veiligheid heeft op 23 april 2026 overleg gevoerd
met mevrouw Van Bruggen, Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, over:
− de brief van de Staatssecretaris Rechtsbescherming d.d. 18 juni 2025 inzake reactie
op verzoek van het lid El Abassi, gedaan tijdens de regeling van werkzaamheden op
15 april 2025, over het bericht Vaker advies om niet te vervolgen bij kinderen zonder
migratieachtergrond (Kamerstuk 28 741, nr. 128);
− de brief van de Staatssecretaris Rechtsbescherming d.d. 30 juni 2025 inzake toekomst
Kleinschalige Voorzieningen Justitiële Jeugd (Kamerstuk 24 587, nr. 1055);
− de brief van de Staatssecretaris Rechtsbescherming d.d. 3 juli 2025 inzake advies
Raad voor Strafrechtstoepassing en Jeugdbescherming (RSJ) over het inzetten van de
elektronische enkelband bij jeugdigen (Kamerstuk 24 587, nr. 1057);
− de brief van de Minister van Justitie en Veiligheid d.d. 3 juli 2025 inzake voortgangsbrief
wapens en jongeren (Kamerstuk 28 741, nr. 129);
− de brief van de Minister van Justitie en Veiligheid d.d. 3 september 2025 inzake heropening
justitiële jeugdinrichting in Harreveld (Kamerstuk 24 587, nr. 1061);
− de brief van de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid d.d. 8 september 2025
inzake RSJ-advies Een nieuw perspectief op buitenstrafrechtelijke afdoeningen voor
jeugdigen (Kamerstuk 28 741, nr. 130);
− de brief van de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid d.d. 23 september 2025
inzake verzamelbrief justitiële jeugd (Kamerstuk 28 741, nr. 131);
− de brief van de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid d.d. 25 september 2025
inzake RSJ-advies Problemen in de PIJ. Advies over de door- en uitstroom van jeugdigen
met een PIJ-maatregel (Kamerstuk 24 587, nr. 1069);
− de brief van de Minister van Justitie en Veiligheid d.d. 27 november 2025 inzake beleidsreactie
op verkenning naar de kosten van criminele carrières van adolescenten (Kamerstuk 28 741, nr. 132);
− de brief van de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid d.d. 16 januari 2026 inzake
ontwikkelingen met betrekking tot justitiële jeugd (Kamerstuk 28 741, nr. 133);
− de brief van de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid d.d. 3 maart 2026 inzake
het onderzoek Jeugdige verdachten beter in beeld? Een haalbaarheidsstudie naar de
betrouwbaarheid van de Ritax-data uit het Landelijk Instrumentarium Jeugdstrafrechtketen
voor vergelijkingen over de tijd (Kamerstuk 28 741, nr. 134);
− de brief van de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid d.d. 25 maart 2026 inzake
doelgroeponderzoek justitiële jeugdinrichtingen (Kamerstuk 24 587, nr. 1093);
− de brief van de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid d.d. 9 april 2026 inzake
het onderzoek Cijfermatige ontwikkelingen van de Halt-interventie in de periode 2020–2024
(Kamerstuk 28 741, nr. 135);
− de brief van de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid d.d. 17 april 2026 inzake
voortgang justitiële jeugd april 2026 (Kamerstuk 28 741, nr. 136).
Van dit overleg brengt de commissie bijgaand geredigeerd woordelijk verslag uit.
De voorzitter van de commissie, Eerdmans
De griffier van de commissie, Van Tilburg
Voorzitter: Synhaeve
Griffier: Meijer
Aanwezig zijn zes leden der Kamer, te weten: Faber, Hamstra, Moinat, Synhaeve, Wendel
en Westerveld,
en mevrouw Van Bruggen, Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid.
Aanvang 14.29 uur.
De voorzitter:
Goedemiddag, iedereen. Van harte welkom. Bij dezen wil ik graag het commissiedebat
Justitiële jeugd openen. Welkom aan de Kamerleden. Vanuit de Kamer zijn aangeschoven:
mevrouw Wendel van de VVD, mevrouw Moinat van Groep Markuszower, mevrouw Faber van
de PVV, de heer Hamstra van het CDA en mevrouw Westerveld van GroenLinks-PvdA. Staatssecretaris
Van Bruggen is namens het kabinet aanwezig. Van harte welkom allemaal.
We hebben tot 17.30 uur. We beginnen natuurlijk met de eerste termijn van de Kamer,
waarin iedereen een spreektijd heeft van vier minuten en ik drie interrupties per
persoon zal toestaan. Ik ben eigenlijk helemaal niet uw voorzitter, maar aangezien
er helemaal geen voorzitter was voor vandaag, is me gevraagd om het voorzitterschap
vandaag over te nemen. Dat doe ik graag. Als ik mijn bijdrage lever, zal mevrouw Wendel
even de voorzittersrol overnemen.
We gaan beginnen. Ik geef als eerste het woord aan mevrouw Wendel.
Mevrouw Wendel (VVD):
Dank, voorzitter. We zien het regelmatig: zeer ernstige misdrijven die worden gepleegd
door minderjarigen. Denk bijvoorbeeld aan jongeren die explosieven plaatsen bij huizen
of bedrijfspanden, met enorme maatschappelijke onrust tot gevolg. Mensen voelen zich
niet meer veilig in hun eigen wijk. Grote criminelen weten dat minderjarigen ernstige
misdrijven kunnen plegen en er toch met een lage straf vanaf kunnen komen. Het lijkt
wel een verdienmodel te zijn geworden om minderjarigen in te zetten voor zware delicten.
Zo worden jongeren de zware criminaliteit ingezogen.
De VVD wil de inzet van minderjarigen in zulke zware delicten tegengaan. Uiteraard
moeten we ons richten op preventie, maar tegelijkertijd is het ook belangrijk dat
een straf afschrikwekkend werkt. Dat is nu, wat ons betreft, duidelijk niet het geval.
Ik wil de Staatssecretaris vragen of zij vindt dat het huidige jeugdstrafrecht, en
dan met name de maximale straffen die rechters kunnen opleggen, in verhouding staan
tot de zware misdrijven die soms door jongeren gepleegd worden. Denkt zij dat de maximumstraf
van een of twee jaar jeugddetentie voldoende afschrikt? Vindt zij dat we momenteel
voldoende inzetten op vergelding en genoegdoening voor de slachtoffers? Hoe stopt
zij het fenomeen dat grote criminelen jongeren gebruiken als verdienmodel? Laat ik
heel helder zijn: de VVD wil dat de rechter kan besluiten om jongeren hogere straffen
op te leggen. Het is belachelijk dat jongeren na de zwaarste misdrijven na een jaar,
of voor 16- en 17-jarigen na twee jaar, gewoon weer de poort uit lopen.
Voorzitter. Dan de huidige cultuur, waarin geweld en criminaliteit onder jongeren
genormaliseerd lijkt te zijn. In mijn werk zag ik regelmatig minderjarigen die het
gewoon heel normaal vonden om met een mes te zwaaien, in drugs te handelen of drugs
uit containers in de haven te halen. Soms zijn het echt gewoon nog kinderen van 11,
12 of 13 jaar. Het Openbaar Ministerie luidt zelfs de noodklok vanwege de toenemende
jeugdcriminaliteit in Noord-Nederland en het feit dat vier op de tien jongeren in
Groningen en Drenthe leeftijdsgenoten kennen die mogelijk betrokken zijn bij criminele
activiteiten.
Hierover heb ik een aantal vragen aan de Staatssecretaris. Hoe kijkt u naar dit signaal
van het Openbaar Ministerie? Wat zijn volgens u de oorzaken van de normalisering van
geweld onder jongeren? Wat gaat u doen om een cultuurverandering te bewerkstelligen?
Hoe gaat u ervoor zorgen dat geweld onder jongeren niet meer normaal is? Hoe kijkt
u naar de effectiviteit van de interventies die via Preventie met Gezag middelen ontvangen?
Ziet u meerwaarde in Preventie met Gezag, ook voor kleinere gemeenten? Wat gaat u
doen om ervoor te zorgen dat ouders van kinderen die afglijden hun verantwoordelijkheid
nemen?
De afgelopen weken werd ons een nieuw fenomeen bekend: jumpen. Dat is een nieuwe trend,
waar ik toch echt weer vol verbazing naar zit te kijken: jongeren die iemand in elkaar
slaan en dat dan filmen. Via Snapchat worden jongeren willekeurig aangemerkt als doelwit
en vervolgens worden ze op straat mishandeld. De VVD maakt zich hier grote zorgen
om. Ik heb een aantal vragen. Wat gaat de Staatssecretaris doen om deze trend tegen
te gaan? Wat gaat de Staatssecretaris concreet doen richting Snapchat? Snapchat wordt
namelijk massaal gebruikt voor jumpen, maar bijvoorbeeld ook voor drugshandel. We
weten allemaal dat dit gebeurt. Dit kunnen we toch niet langer tolereren?
Dan informatiedeling. Voor professionals is gebrekkige informatiedeling iedere dag
weer een obstakel in het voorkomen dat jongeren verder afglijden in de criminaliteit.
De VVD vindt het belangrijk dat er al informatie gedeeld kan worden voordat er daadwerkelijk
een ernstig strafbaar feit is begaan. Politieagenten, boa’s en jongerenwerkers kunnen
de criminelen van de toekomst vaak al van een afstand aanwijzen. Het is belangrijk
dat de verschillende partijen effectief samenwerken om jongeren de juiste hulp te
kunnen bieden. Deels mag informatiedeling niet en deels gebeurt het niet overal, omdat
wetgeving te ingewikkeld is. In de Taskforce Gegevensdeling van JenV wordt gewerkt
aan het vinden van oplossingsrichtingen voor ervaren gegevensproblematiek. Ik wil
de Staatssecretaris tot slot vragen wat de stand van zaken is als het gaat om het
tegengaan van jeugdcriminaliteit.
Dank u wel, voorzitter.
Mevrouw Westerveld (GroenLinks-PvdA):
Mevrouw Wendel had groot gelijk toen zij inging op wat er nu gebeurt op sociale media,
zoals het fenomeen jumpen. Vindt zij ook dat er een verantwoordelijkheid ligt ...
Nee, laat ik het anders zeggen. In eerste instantie is het altijd eerst de verantwoordelijkheid
van de mensen die dit doen; laat ik dat helder maken. Maar vindt zij ook dat er een
verantwoordelijkheid ligt bij platforms die dit faciliteren? Zo ja, wat zouden die
platforms dan kunnen doen?
Mevrouw Wendel (VVD):
Ik ben het met mevrouw Westerveld eens dat het in de eerste plaats de verantwoordelijkheid
is van degene die dit doet. De tweede verantwoordelijkheid ligt wat mij betreft bij
de ouders, want het is natuurlijk aan hen om hun kinderen op te voeden en bij te brengen
dat dit echt niet normaal is; dat wil ik nog maar eens benadrukken. Ten derde is dat
zeker een verantwoordelijkheid van de platforms. Ik vind dat een platform de verantwoordelijkheid
heeft om ervoor te zorgen dat dit soort schadelijke content niet gedeeld kan worden.
Mevrouw Westerveld (GroenLinks-PvdA):
Dat is een mooi antwoord. Natuurlijk ligt er ook een verantwoordelijkheid bij de ouders.
Ik heb nog een andere vraag. Mevrouw Wendel had het over maximumstraffen. We hadden
het ook over genoegdoening en vergelding. Ja, natuurlijk, als je iets doet wat niet
kan, moet er sprake zijn van genoegdoening en vergelding. Er is ook nog een andere
kant van het jeugdstrafrecht, namelijk resocialisatie. We weten dat jongeren soms
heel lang moeten wachten op hun straf en wat dat doet. Er is een aantal jaren geleden
een rapport gepresenteerd, Pedagogisch uitgangspunt onder druk, waar een aantal van
dit soort punten in staan. Vindt zij ook dat er hard gewerkt moet worden, zodat jongeren
straks weer een tweede kans krijgen, mee kunnen doen in de samenleving en het liefst
ook een startkwalificatie of een opleiding kunnen halen, ook als zij in detentie zitten?
Mevrouw Wendel (VVD):
Wat dat betreft is het vandaag best een eensgezinde dag voor mevrouw Westerveld en
mij. Het uitgangspunt van het jeugdstrafrecht is natuurlijk ook het tegengaan of het
voorkomen van recidive. We moeten er volgens mij met elkaar voor zorgen dat het hierbij
blijft. Ik ben het dus grotendeels met mevrouw Westerveld eens. Het punt dat ik zojuist
wilde maken, is dat een maximumstraf van een à twee jaar onvoldoende is voor jongeren
die echt een heel zwaar misdrijf plegen of die dat keer op keer doen. Ik zou de rechter
dus de ruimte willen geven om dan hogere straffen op te leggen. Maar dat betekent
natuurlijk niet dat bijvoorbeeld het tegengaan van recidive niet meer van belang is.
Dat is absoluut van belang.
De voorzitter:
Dat brengt ons bij de tweede spreker: mevrouw Moinat van de Groep Markuszower.
Mevrouw Moinat (Groep Markuszower):
Dank, voorzitter. We hebben hier vandaag een debat over justitiële jeugd. Voor de
mensen thuis: het debat gaat onder andere over straatschoffies, probleemkinderen en
minderjarige huurmoordenaars. Het gaat over 14-jarige drugskoeriers op fatbikes die
wijken en buurten terroriseren, over roedels op hol geslagen allochtone jongeren die
iemands onschuldige zoontje op het station compleet verbouwen, en over 13- en 14-jarige
jongetjes – laat dat even inzinken – die een 11-jarig meisje verkrachten. Het gaat
over fatbiketuig, 15 gasten tussen de 14 en de 17 jaar die terreur zaaien in Enschede.
Een tienerbende trapt de deur in en steekt een tiener neer. Vier tieners van 14, 15,
16 en 17 jaar worden verdacht van pogingen tot doodslag na de zware mishandeling van
een 16-jarige jongen op een schoolplein. Over die types hebben we het vandaag.
Voorzitter. De tijd van touwtjes uit de brievenbus ligt decennia achter ons. Ik ben
er nog mee opgegroeid, maar onze samenleving is verhard, gecriminaliseerd en wordt
geteisterd door tuig dat steeds verdergaat, steeds vaker toeslaat en bovenal steeds
jonger begint. Ze beginnen jonger en worden ook steeds jonger geronseld. De reden
is simpel: criminele bendes willen volwassen daden, maar het liefst geen volwassen
straf. Want iemand die twintig jaar vastzit, kun je niet over drie weken weer op pad
sturen. Eén groep biedt dat: de minderjarigen. Want door ons perverse systeem van
jeugd- en adolescentenrecht wordt het wel heel interessant om hordes 14-jarigen de
haven van Rotterdam in te sturen en wordt het wel heel interessant om een 15-jarige
een synagoge in de hens te laten zetten. Voorzitter, dus zeg ik via u tegen de bewindspersonen:
ga aan de bak. Zorg er nou toch eens eindelijk voor dat het ronselen van minderjarigen
voor dit soort zaken tien keer zo hard wordt aangepakt. Mijn collega Schilder heeft
hier de vorige keer al naar gevraagd, maar tot nu toe bemerk ik weinig beweging. Kan
de Staatssecretaris antwoord geven op de vraag hoe ver zij hiermee is? Want de tijd
tikt letterlijk door.
Dan over de minderjarige zelf. Mooi dat je je laat ronselen en vervelend dat er daartoe
een systeem is opgetuigd. Laten we niet hypocriet doen. Als je ertoe in staat bent
om op je ongeveer 14de jaar iemand om te leggen en op je 13de of 14de jaar iemand te verkrachten – ja, u hoort het goed – dan verdien je simpelweg geen
medelijden. Je verdient geen gratie. Je verdient geen soft pampergedrag. Je bent zo
stoer om je als een doorgeslagen criminele volwassene te gedragen. Dan mag je ook
als een doorgeslagen criminele volwassene behandeld worden. Want stoer doen, is stoer
zijn. Wat DNA betreft dus geen jeugdstrafrecht voor dit soort types. Gewoon keihard
straffen, net als volwassenen. En dus ook zeker geen enkelbandjes voor deze monsters
in wording. Wie extreme delicten pleegt, hoort vast te zitten. Zo’n enkelband weerhoudt
ze namelijk niet van contact met diezelfde bende, weerhoudt ze niet van een tripje
naar de haven van Rotterdam. En dan heb ik het nog niet eens over het doorknippen.
Medelijden met minderjarigen die de samenleving in gevaar brengen, is simpelweg onverantwoord
en onbestaanbaar wat DNA betreft.
Concluderend is het beeld heel helder. Stop met het pamperen van allesvernietigende
jongeren met zwakke strafjes, een foeigesprek of een aai over het bolletje met «niet
meer doen». Laat ze gewoon niet op de samenleving los met een enkelband en bovenal,
ga alstublieft aan de slag. Doe wat, zeg ik tegen de Staatssecretaris. Wacht niet
verder af. Dit is geen probleem van de afgelopen maanden, maar een structureel probleem
dat ieder jaar erger wordt. Grijp in, kom met wetgeving en ga niet, zoals weer te
zien was aan de veertien agendapunten voor dit debat, over tot het zoveelste onderzoek
en de duizendste evaluatie.
Daar wil ik het bij laten, voorzitter.
De voorzitter:
Dat leidt tot een vraag van de heer Hamstra.
Mevrouw Moinat (Groep Markuszower):
Dat had ik verwacht.
De heer Hamstra (CDA):
Ook van mij? Het zijn stevige woorden die mevrouw Moinat uit. Ze heeft het in het
kader van ronselen ook over tien keer harder straffen. Nou heb ik sowieso het idee
dat het in de inbreng heel veel gaat over straffen, wat ik deels nog wel kan begrijpen.
Ik ben benieuwd wat de visie is van de Groep Markuszower, van DNA, ten aanzien van
de fase daarvoor. Hoe kunnen we ervoor zorgen dat we jongeren meer gaan ondersteunen,
zodat ze niet in aanraking komen met die criminaliteit en je dus niet harder hoeft
te straffen? Ik ben wel benieuwd naar uw visie daarop.
Mevrouw Moinat (Groep Markuszower):
Ik ga er antwoord op geven. Ik denk dat daar ook een stuk preventie ligt en ik denk
dat dat begint bij de jeugdzorg. Ik denk dat dat begint bij preventie. Het voorveld
dat we daar hebben in de jeugd moet dit soort signalen oppakken. Dan kunnen ze doorverwijzen
en eventueel hulp gaan inzetten voor deze jongeren die dreigen te ontsporen, maar
ook daar hebben we het probleem dat deze dingen vastlopen. Scholen zijn hierin ook
heel belangrijk. Wijkteams zijn hierin belangrijk. De wijkagent is hierin belangrijk.
Maar we zien dat er personeelstekorten zijn en we zien dat deze jongeren zich laten
ronselen. Dat zijn meestal net de jongeren die zich stoer voelen en graag mee willen
doen. Die worden geronseld. Het is gewoon heel makkelijk om minderjarigen te ronselen.
Je ziet het overal terugkomen. Je ziet de bommen aan de deur hangen. De personen worden
opgepakt. Het zijn 12-, 13- of 14-jarige jongetjes die voor twee tientjes een bommetje
aan een deur hangen. Er moet preventief wat voorafgaan, willen we dit kunnen helpen.
Doen we dat niet, dan hebben we deze monsters in wording en blijven ze in dat circuit
rondlopen. Dan zeg ik: harder straffen.
De voorzitter:
Dat brengt ons bij de derde spreker aan de zijde van de Kamer, mevrouw Faber.
Mevrouw Faber (PVV):
Dank u wel, voorzitter. De meeste jongeren willen graag een extra zakcentje verdienen,
maar waarom zou je ’s morgens vroeg je bed uitgaan om de krant te bezorgen als je
met veel minder moeite een ander pakketje kan bezorgen dat ook nog veel meer opbrengt?
Jongeren zijn een gewilde prooi voor de penoze, die ze dan ook makkelijk strikken
via het toetsenbord. Op een nepoproep op social media «wil je snel geld verdienen»,
reageerden binnen drie dagen 50 jongeren. Het betrof een verzoek om een pakketje te
bezorgen, explosieven te plaatsen en andere vage klusjes te doen tegen betaling. Deze
nepoproepen halen pijnlijk de realiteit naar boven, maar wat is er verder mee gedaan?
Deze jongeren werden uitgenodigd voor een gesprek, maar gaven niet thuis. En hoe zit
het met de verantwoordelijkheid van de ouders? Zij hebben immers een opvoedplicht.
Graag een reactie.
Voorzitter. De leeftijd van daders neemt gestaag af. 55% van de verdachten van straatroof
en overvallen is minderjarig. Tien jaar geleden was dat nog 35%. Word je gepakt, krijg
je een foeigesprek, een gebiedsverbod of een Halt-afdoening. Dat is geen straf, maar
een leertraject. Een 12-jarige jongen bereidde terreuraanslagen voor op het Vlaamse
parlement en op de luchtmachtbasis Deelen. Straf: drie maanden voorwaardelijke jeugddetentie
met voorwaarden. Nadat een 14-jarige jongen haar step had afgepakt en het vervolg
filmde, werd een 11-jarig meisje gedwongen om een 13-jarige jongen oraal te bevredigen.
Nettostraf: vijf dagen jeugddetentie en 180 uur taakstraf. Een lachertje. Dit gedrag
staat verre van kinderlijk gedrag. Daar hoort ook een straf bij conform het volwassenenstrafrecht
of het jeugdstrafrecht dient aangepast te worden. Graag een reactie van de Staatssecretaris.
Ondertussen wordt gezocht naar mogelijkheden voor buitenstrafrechtelijke afdoening
voor jeugdigen zonder aantekening op een strafblad. Dit voor lichte vergrijpen en
zwaardere delicten, zelfs als de zaak al bij de kinderrechter ligt. Het zou allemaal
in het belang van de samenleving zijn, maar dat geloof je toch zelf niet? Het is enkel
om de strafrechtketen te ontlasten. En het slachtoffer? Die moet maar een artikel
12-procedure opstarten, maar volgens de RSJ liever niet. Het zou alleen maar de positieve
ontwikkeling en de rem op de recidive van de jeugdige dader in de weg staan. Wat zouden
de ouders van het 11-jarige meisje met haar stepje hiervan vinden?
Voorzitter. Daders en hun handlangers weten dondersgoed dat er niet of licht gestraft
wordt. Criminele bendes ronselen daarom graag jonge kinderen. Ze duwen hen een wapen
in de hand, want ze weten dat ze vanwege het jeugdrecht weer vroeg op straat staan.
In Capelle aan den IJssel schoot de politie in een halfjaar tijd twee gewapende tieners
neer. Een ervan, een 15-jarige jongen, kwam daarbij om het leven. Gezinnen met kinderen
die een Happy Meal zaten te eten bij de McDonald’s waren hier getuige van.
Voorzitter. Het gaat niet alleen maar om de poen, maar ook om de kick. Zo wordt de
samenleving geconfronteerd met een nieuw fenomeen: de Snapchattrend «jumpen». Jongeren
bedreigen, vernederen en mishandelen hun slachtoffers uit het niets. Vervolgens worden
de beelden vol trots gedeeld op social media. Hoe ziek ben je?
Op tweede paasdag werd een man gruwelijk toegetakeld. Hij beschreef de daders als
een groep hyena’s die hem naar de grond sloegen, waarna hij tegen het hoofd werd geschopt.
Drie minderjarigen werden aangehouden en heengezonden. Zij moesten zich op een later
moment verantwoorden. Kopschoppen is een poging tot doodslag. Waarom werden zij niet
direct vastgezet voor onderzoek? Enkele weken eerder werden er vijf tieners tussen
de 12 en 15 jaar opgepakt voor een poging tot doodslag en mishandeling. Het is ongelofelijk
dat bij groepsaanvallen niet de gehele groep voor de rechter wordt getrokken. Het
meedoen aan een gewelddadige groepssituatie in de openbare ruimte gericht tegen mensen
is strafbaar. Deelname is al voldoende, zelfs als de betrokkene zelf geen fysiek geweld
pleegt. De wet voorziet hier al in, maar de overheid is te belabberd om te handhaven.
Wanneer gaat dit kabinet over tot actie, en dan doel ik niet op slappe verkenningen?
Graag een reactie.
Een extra detail: het doelgroepenonderzoek geeft aan dat binnen de jeugdgevangenissen
81% de jongeren verdacht is van of veroordeeld is voor gewelddadige delicten, waarvan
71% gepleegd is in groepsverband.
Tot zover.
De voorzitter:
Dank u wel. Dat brengt ons bij de volgende spreker, de heer Hamstra.
De heer Hamstra (CDA):
Voorzitter, dank. Niet iedereen heeft geluk in het leven: minder baankansen, onvoldoende
inkomen, een gebrek aan onderwijs of geen positieve rolmodellen. Deze factoren maken
de verleiding van een crimineel inkomen groter. Daarnaast zien we dat de verharding
van onze samenleving doorwerkt op onze jongeren. De gedragsproblemen van kwetsbare
jongeren worden zwaarder en de delicten die zij plegen heftiger. Criminelen maken
daar misbruik van door jongeren doelbewust te ronselen voor criminele activiteiten,
bijvoorbeeld als drugsuithaler in de haven. Dat is onacceptabel. Jongeren worden zo
de criminele wereld ingelokt, waar zij moeilijk weer uitkomen.
Voorzitter. Niemand wordt als crimineel geboren. Preventie is dus ook hier het toverwoord.
De omgeving van het kind, zoals de ouders, de school en de sportverenigingen, maar
ook wijken en buurten, zijn bepalend voor de opvoeding. Wij noemen dat «de pedagogische
civil society», want it takes a village to raise a child. Dat vraagt om betrokkenheid
van de hele samenleving en die betrokkenheid is niet vanzelfsprekend. Bij veel jongeren
die uiteindelijk in een justitiële jeugdinrichting terechtkomen zien we terugkerende
patronen, van schooluitval tot instabiele thuissituaties. Dat vraagt dus om een sterkere
samenhangende aanpak. Hoe kijkt de Staatssecretaris naar deze problematiek? Is zij
bereid om met een plan te komen om de samenwerking tussen de ggz en de jeugdstrafrechtketen
structureel te versterken, zodat er meer multidisciplinair wordt samengewerkt? Kan
de Staatssecretaris concreet aangeven welke stappen worden gezet om informatiedeling
tussen ketenpartners, van scholen en jeugdwerkers tot justitie, te verbeteren, zodat
signalen eerder worden opgepakt en jongeren beter geholpen kunnen worden?
De Nationale Jeugdraad, de NJR, trekt het nog breder, met een jeugdstrategie. Hoe
kijkt de Staatssecretaris naar zo’n integrale aanpak om te komen tot een jeugdstrategie
die domeinoverstijgend is? Ook vragen wij ons af wat de afbouw van de gesloten jeugdzorg
betekent voor de jeugdbeschermingsketen als geheel. Hoe ziet de Staatssecretaris de
opvang en ondersteuning van deze doelgroep richting 2030 en hoe wordt voorkomen dat
deze jongeren tussen wal en schip vallen? Daarnaast vragen wij ons af of bekend is
waar de jongeren gebleven zijn die voorheen in een gesloten setting zaten. Zijn zij
nog in beeld van deze Staatssecretaris?
Voorzitter. Dan het gevangeniswezen en de capaciteitsproblemen. Dat blijft een hardnekkig
pijnpunt. Dit werkt ook door in de jeugdstrafrechtketen. Detentie van jongeren moet
altijd het uiterste middel zijn, met als uitgangspunt dat zij zo dicht mogelijk bij
hun eigen omgeving worden geplaatst. In de praktijk blijkt dat vaak niet haalbaar
door capaciteitstekorten. Is regionale plaatsing van jongeren een harde norm of een
wettelijke verplichting, vraag ik aan de Staatssecretaris. In hoeveel gevallen lukt
dit daadwerkelijk? De Staatssecretaris neemt maatregelen om de druk te verlichten,
zoals de heropening van JJI Harreveld. Wanneer wordt deze inrichting daadwerkelijk
geopend en wat betekent dit voor het terugplaatsen van jongeren in een jji in plaats
van in het reguliere gevangeniswezen? Graag horen we wanneer de Staatssecretaris verwacht
dat er geen jongeren meer in een reguliere p.i. worden geplaatst, want dat is en dat
blijft onwenselijk.
Voorzitter. Dan de inzet van bodyscans in jeugdinrichtingen als vervanging van visitatie
van kinderen. Dat kan bijdragen aan het tegengaan van contrabande, maar belangrijker
is misschien wel dat het gebruik minder ingrijpend is voor de jongeren zelf. Kan de
Staatssecretaris aangeven hoeveel jji’s en kleinschalige voorzieningen bodyscanners
gebruiken? Welke mogelijkheden ziet zij om dit gebruik te stimuleren?
Voorzitter. Dan onderwijs. De Onderwijsraad was vorig jaar glashelder: het onderwijs
in jeugddetentie schiet ernstig tekort, terwijl onderwijs juist cruciaal is voor re-integratie
en het voorkomen van recidive. Het CDA vindt dit problematisch. Welke concrete stappen
zijn sindsdien gezet om dit te verbeteren en in hoeverre is er, ondanks personele
krapte, ruimte voor maatwerk, individuele ontwikkeltrajecten, in het kader van onderwijs
in de jeugdinrichtingen?
Voorzitter, tot slot. De zorgen over wapens – het is al eerder geadresseerd – onder
jongeren nemen toe. Uit onderzoek blijkt dat jongeren steeds vaker messen of zelfs
vuurwapens bij zich dragen uit angst, vanwege status of door groepsdruk. Welke concrete
stappen zet de Staatssecretaris om wapenbezit onder jongeren terug te dringen, juist
ook via scholen en socialmediaomgevingen? Hoe wordt voorkomen dat jongeren via sociale
media en netwerken verder het criminele circuit in worden getrokken? Als we jongeren
niet op tijd een volwaardig perspectief bieden, neemt de criminaliteit dat perspectief
van hen over en dat kunnen we ons niet permitteren.
We kijken uit naar de antwoorden van de Staatssecretaris.
Voorzitter, dank.
De voorzitter:
Dat brengt ons bij de volgende spreker aan de zijde van de Kamer, mevrouw Westerveld.
Mevrouw Westerveld (GroenLinks-PvdA):
Dank u wel, voorzitter. Het doel van jeugddetentie is niet alleen straf, maar ook
resocialisatie en terugkeer in de samenleving. Dat staat zwaar onder druk, omdat het
stelsel overbelast is en dat geldt ook voor het personeel. Jongeren ontvangen geen
of onvoldoende begeleiding en als ze al onderwijs krijgen, dan is dat vaak zwaar ondermaats.
Het ontbreekt dan ook aan perspectief om jongeren echt een tweede kans te geven.
Daarom zoom ik vandaag in op een groep waar weinig aandacht voor is en dat zijn jongeren
met een licht verstandelijke of een verstandelijke beperking, want we zien in de praktijk
en in de cijfers dat zij steeds vaker geronseld worden, dus ook misbruikt worden,
door criminele organisaties. We zien dat ze op straat geronseld worden en op scholen,
maar ook binnen zorgorganisaties of jeugdzorgorganisaties. Ik wil als eerste aan deze
bewindspersoon vragen wat ze doet om via het onderwijs en jeugdzorginstellingen of
instellingen voor begeleid wonen deze jongeren te bereiken, om te voorkomen dat ze
in aanraking komen met en worden geronseld door criminelen die ze inzetten, misschien
eerst voor lichte klusjes, waarna het vaak van kwaad tot erger gaat.
We zien ook dat het proces van arrestatie tot aan de zitting zelf voor deze groep
vaak heel moeilijk te volgen is, dat ze vaak niet goed begrijpen wat er gebeurt, dat
taal niet op hen is afgestemd en dat ze soms brieven niet goed kunnen lezen. Als je
niet begrijpt wat er gebeurt en wat de consequenties zijn, is natuurlijk ook het risico
op terugval heel groot. Ziet de Staatssecretaris dit ook? Wat ziet ze als verbeterpunt?
Ik zag dat er voorheen een werkagenda lvb-proof was. Deze is in 2024 opgehouden te
bestaan. Ik kon er niet achter komen wat daar de reden van is. Ik wil de bewindspersoon
dus vragen of dit een opvolging krijgt, wat de concrete resultaten zijn, enzovoort.
Dat geldt ook voor plannen voor een terbeschikkingstelling voor het onderwijs, het
idee dat je naast dat je iemand straf oplegt ook gaat zorgen dat een jongere een startkwalificatie
krijgt. Daar zijn voorheen ook plannen voor geweest. Dat is opgehouden. Mijn collega
Lahlah heeft daar vorig jaar ook nog een motie over ingediend, maar die werd als overbodig
gezien. Het lijkt mij wel zinvol dat we ervoor zorgen dat als jongeren vastzitten,
ze vervolgens weer kunnen meedoen en het liefst een startkwalificatie halen. Dus graag
een reactie daarop.
Voorzitter. Er is ook een kloof met de leefwereld van jongeren. Dat hebben meerdere
collega’s al aangeven. Dat is die onlinewereld, die razendsnel verandert, die nieuwe
slachtoffers en ook nieuwe daders maakt. Op welke manier wordt geanticipeerd op deze
ontwikkelingen? Ik vraag dat ook omdat volwassenen vaak nog een stuk achterlopen als
het gaat om de onlinewereld. Ook veel jeugdreclasseringsmethodieken zijn gedateerd
en sluiten onvoldoende aan op de digitalisering, op de groei van sociale media. We
zien ook dat problematieken van jongeren complexer worden. Op welke wijze zet deze
Staatssecretaris zich in voor het vernieuwen van methodieken? Wij kregen brieven –
ik hoorde meerdere collega’s daar al naar vragen – over bijvoorbeeld de landelijke
uitrol van Jeugdreclassering in Verbinding. Graag een reactie van de Staatssecretaris.
Voorzitter. Zoals ik net al zei, maken wij ook al jaren een punt over onderwijs aan
jongeren in detentie. Dat onderwijs is gewoon ondermaats, als het er al is. Vaak zitten
jongeren hele dagen op cel, zonder les, zonder een manier om zich te ontwikkelen.
Zij komen daar niet beter uit. Volgens mij moeten we dat niet willen. Het is ook in
strijd met kinderrechten. Onderwijs is essentieel en ik ben dan ook benieuwd naar
de plannen van de Staatssecretaris. Ik ben ook heel benieuwd wat ze concreet gaat
doen met de aanbevelingen uit het rapport Pedagogisch uitgangspunt onder druk, dat
twee jaar geleden is verschenen. We hebben er toen in de Tweede Kamer een technische
briefing over gehad. Er staan een aantal heel goede aanbevelingen in om ervoor te
zorgen dat jongeren die vastzitten daarna weer onderdeel kunnen uitmaken van de samenleving
en niet voortdurend terugvallen. Wat is er concreet gebeurd met de aanbevelingen uit
dat rapport?
Voorzitter. Ik heb nog twee korte vragen. In 2024 werd de motie van collega’s Van
der Werf en Lahlah aangenomen die vroeg om een verbeterde pilot voor de inzet van
de Halt-interventie voor 18-plus jongeren te onderzoeken. Hoe staat het met de uitvoering
van deze motie? Zijn er al resultaten?
In 2025 werd er in een rapport van de Raad voor de Kinderbescherming geconstateerd
dat bij kinderen zonder migratieachtergrond er vaker wordt geadviseerd om niet te
vervolgen en dat bij kinderen met een migratieachtergrond er vaker wordt geadviseerd
om wel te vervolgen. Daar zit dus bewuste of onbewuste discriminatie in. Ik ben benieuwd
wat er is gedaan met deze onderzoeksbevindingen. Wat is er gebleken uit de ingezette
discriminatietoets?
Ik sluit mij aan bij de vragen die werden gesteld over de NJR. Volgens mij is het
heel goed om jongeren ook zelf te betrekken en dat heeft de NJR op een heel goede
manier gedaan.
Mevrouw Faber (PVV):
Ik werd getriggerd toen mevrouw Westerveld het had het over zwakbegaafde jongeren
die misbruikt worden door bendes die hen ronselen voor allerlei slechte zaken. Ik
ben in principe voor zware straffen voor jeugdige criminelen, maar zou het ook niet
een idee zijn om strafverzwaring in te voeren voor de bendes die deze jongeren ronselen?
Mevrouw Westerveld (GroenLinks-PvdA):
Ik vind dat best een interessante gedachte, want hier wordt gewoon keihard misbruik
gemaakt van mensen met een beperking. We weten dat zij minder vaak de consequenties
van hun handelen kunnen overzien. Ik praat op geen enkele manier goed wat zij hebben
gedaan, maar het geeft soms wel een verklaring voor wat ze hebben gedaan, ook al omdat
het vaak jongeren zijn met minder toekomstperspectief dan anderen. Ik zou heel graag
willen dat als zij geronseld worden, dat wordt meegeteld bij de straf van de criminelen
die hen ronselden. Ik vind dat een heel interessante gedachte, want er wordt keihard
misbruik gemaakt van deze groep.
Mevrouw Faber (PVV):
Misschien is het dan ook interessant om dat niet alleen te doen bij de zwakbegaafden
maar bij alle minderjarigen, want in feite kunnen minderjarigen zaken minder goed
inschatten dan volwassenen. Dat zou dan best een interessante gedachte zijn. Ik kijk
met één oog naar de Staatssecretaris. Misschien wil zij hier straks ook op reageren.
Mevrouw Westerveld (GroenLinks-PvdA):
Dat vind ik ook. We weten dat jongeren over het algemeen minder goed de consequenties
van hun daden kunnen overzien. Nogmaals, daarmee praat ik geen enkel misdrijf goed,
maar het is natuurlijk wel een feit dat als je jong bent, je nog veel moet leren en
je hersenen nog niet optimaal zijn ontwikkeld. Ik zou het interessant vinden om te
bekijken in hoeverre je degenen die jongeren ronselen en die misbruik maken van deze
jongeren daar nog meer aansprakelijk voor kan maken. Een interessante gedachte. Ik
ben ook heel benieuwd naar de antwoorden.
De heer Hamstra (CDA):
Ik sprak een docent uit het speciaal onderwijs die lesgeeft aan kinderen van 13, 14
jaar. Hij staat voor de klas en er komt een grote zwarte Mercedes het terrein op rijden.
Een meisje van 13 jaar springt op en rent die Mercedes in. Drie dagen laten komt zij
terug, uit diezelfde Mercedes. Niemand weet wat daar gebeurd is, maar dat het niet
goed was, weten we volgens mij allemaal wel. Wat mevrouw Westerveld zegt over het
beschermen van zeker lvb-jongeren en lvg-jongeren is mij dus uit het hart gegrepen.
Mijn vraag aan mevrouw Westerveld is of zij er ideeën over heeft hoe wij om deze kwetsbare
groep heen kunnen gaan staan. Hoe zouden we hen beter kunnen beschermen tegen mensen
die niet het goede met hen in de zin hebben?
Mevrouw Westerveld (GroenLinks-PvdA):
Dat is een goede vraag. Ik vind het ook een ingewikkelde vraag, want we kunnen niet
alles op het bordje van het onderwijs leggen. Volgens mij moeten we ervoor zorgen
dat er een goed contact is met wijkagenten, jeugdbeschermers, jeugdhulpverleners en
wijkteams, om er zo voor te zorgen dat als een docent iets ziet – een docent ziet
vaak heel veel, soms meer dan sommige ouders – die docent daarbij geholpen wordt.
Dat zou ik heel goed vinden. Ik ken dit soort verhalen ook. Ik was een tijdje geleden
op bezoek bij een praktijkschool hier in de buurt. Een docent daarvan zei tegen mij:
«Lisa, let alsjeblieft goed op. Dit zijn kinderen, jongeren, die minder toekomstperspectief
hebben. Die weten soms ook: ik kan de rest van mijn leven voor een minimumloon wc’s
schoonmaken, op de markt staan of andere praktische beroepen uitvoeren, of ik kan
een keer een klusje doen waarmee ik meteen binnen ben en soms ook in hoger aanzien
sta bij mijn klasgenoten.» Ik vond dat best een heel indringende waarschuwing. We
moeten ook in brede zin zorgen dat juist jongeren in het vmbo en praktijkonderwijs
veel meer toekomstperspectief hebben en dat ze gewaardeerd worden om wie ze zijn.
Laten we inderdaad alsjeblieft beginnen bij het goed ondersteunen van het onderwijs
om te voorkomen dat dit gebeurt, want dat willen we allemaal niet. Maar we kunnen
niet alleen van docenten vragen om dit op te pikken. Daar hebben ze echt hulp bij
nodig.
De voorzitter:
Dank u wel. Dan zou ik nu mevrouw Wendel willen vragen om even tijdelijk het voorzittersstokje
over te nemen.
Voorzitter: Wendel
De voorzitter:
Dat moet lukken, denk ik. Ik geef direct het woord aan mevrouw Synhaeve van D66 voor
haar inbreng.
Mevrouw Synhaeve (D66):
Dank u wel, voorzitter. Achter het onderwerp van dit debat schuilen jongeren, jongeren
met dromen, talenten en nog een hele toekomst voor zich. Soms gaat het mis. Soms gaat
het ook heel erg mis, omdat de thuissituatie moeilijk is, omdat kansen ontbreken of
omdat ze een verkeerde of soms heel verkeerde keus maken. Dan is een straf terecht.
Juist dan moeten we ook verder kijken, want deze jongeren zitten in de belangrijkste
fase van hun leven. Een straf moet duidelijk zijn, maar ook de kans en hulp bieden
om een toekomst op te bouwen en vooruit te komen. Straf en perspectief gaan dan hand
in hand. Bij de justitiële jeugdinrichting De Haven, waar ik recent ben geweest, heb
ik ook gezien dat dat kan: grenzen stellen en jongeren helpen om te bouwen aan een
betere toekomst. Daar wil mijn fractie volop op inzetten.
Voorzitter. Jeugdcriminaliteit kost onze maatschappij meer dan 10 miljard per jaar.
10 miljard per jaar! Belangrijker nog, het kost jongeren hun kansen en hun toekomst.
Daarom moeten we er alles aan doen om te voorkomen dat jongeren op het verkeerde pad
terechtkomen. Zo houden we die sneeuwbal vast voordat het een lawine wordt. Als het
dan toch misgaat, moeten we zorgen dat het daarbij blijft. Het Centrum voor Criminaliteitspreventie
en Veiligheid heeft onderzoek gedaan naar de effectiviteit van interventies gericht
op het tegengaan van criminaliteit. Van de 26 onderzochte interventies om jeugdcriminaliteit
tegen te gaan, blijken er maar 3 aantoonbaar effectief te zijn, zoals de interventie
rond «Alleen jij bepaalt wie je bent». We zien dus dat er heel veel goede intenties
zijn, maar in de praktijk blijven we soms misschien te vaak hangen in een versnipperd
geheel, terwijl we weten dat het gerichter, samenhangender en veel effectiever kan.
Daarom de volgende vragen. Hoeveel geld gaat er nu naar interventies waarvan het CCV
aangeeft dat ze niet werken? Is de Staatssecretaris bereid om duidelijke keuzes te
maken en te stoppen met wat niet of veel minder goed werkt?
Voorzitter. Wanneer strafbare feiten zijn gepleegd, moet een straf ook zorgvuldig
en op tijd worden uitgevoerd. Juist daar gaat het nog te vaak mis. Het is eigenlijk
vergelijkbaar met de problemen in het gevangeniswezen: dit komt door personeelstekorten
en de druk op de capaciteit, en dat terwijl we in de stukken lezen dat plekken in
de Kleinschalige Voorzieningen Justitiële Jeugd nu niet optimaal worden benut. Zo
werd mij tijdens mijn werkbezoek ook duidelijk dat deze justitiële jeugdinrichtingen
relatief veel tijd en capaciteit kwijt zijn aan jongeren die daar maar een of twee
weken blijven. Dat zijn juist de jongeren, denk ik dan, voor wie die Kleinschalige
Voorzieningen Justitiële Jeugd bedoeld zijn, waarvan we plekken niet optimaal benutten.
De vraag is dus aan de Staatssecretaris: hoe kan de capaciteit in Kleinschalige Voorzieningen
Justitiële Jeugd beter worden benut voor jongeren met een kortdurend verblijf, zodat
de capaciteit in de justitiële jeugdinrichtingen optimaal benut kan worden?
We zien dat door de tekorten in de justitiële jeugdinrichtingen jongeren worden geplaatst
in het volwassenengevangeniswezen. Dat is onwenselijk, schadelijk en niet uit te leggen.
Dat zegt ook de inspectie. Wat doet de Staatssecretaris daartegen? Ik denk namelijk
dat we dat niet als normaal moeten gaan zien.
Voorzitter, ik rond af. We hebben het over jonge mensen die nog in ontwikkeling zijn,
die kunnen vallen en ook weer kunnen opstaan. Daarom moeten we niet alleen straffen
om het straffen, maar ingrijpen op een manier die gedrag verandert. Elke jongere die
we vast weten te houden, is er een minder op verkeerde pad. Zo houden we de samenleving
veilig.
Dank u wel.
Mevrouw Faber (PVV):
Mevrouw Synhaeve heeft het over gedragsverandering. Ik denk dat je gedragsverandering
ook kan beïnvloeden als je langer ergens vastzit. Niemand vindt het leuk om niet naar
buiten te kunnen, en jongeren al helemaal niet. Dat kan ook een vorm zijn van een
pedagogische maatregel. Vaak denken we bij pedagogische maatregelen meer aan de zachtere
kant van het begeleiden, maar soms kan het ook een goede invloed hebben als je hele
duidelijke regels stelt en die ook uitvoert.
Mevrouw Synhaeve (D66):
Ja, zeker. Soms is de straf zelf ook bijzonder effectief. Die moeten we natuurlijk
inzetten, maar het is en-en. Het moet er ook toe leiden dat de jongere daarna weer
op het goede pad komt.
De voorzitter:
Dan draag ik het voorzitterschap weer over aan mevrouw Synhaeve.
Voorzitter: Synhaeve
De voorzitter:
Dank u wel. Ik kijk even naar de Staatssecretaris. Hoeveel tijd denkt zij ongeveer
nodig te hebben? Een halfuur. Dan stel ik voor dat we om 15.35 uur verdergaan met
het debat. Dank u wel.
De vergadering wordt van 15.05 uur tot 15.34 uur geschorst.
De voorzitter:
Goedemiddag. Wij vervolgen het commissiedebat Justitiële jeugd. Ik stel voor om aan
de zijde van de Kamer drie interrupties per persoon toe te staan. Ik hoor onmiddellijk
«dat is weinig». Vier dan. Maar dan gaan we er wel strak op sturen dat er in zo’n
interruptie vrij snel een vraag komt. Ik kijk even naar de Staatssecretaris of er
blokjes zijn in haar antwoord die ons kunnen helpen.
Staatssecretaris Van Bruggen:
Voorzitter, die zijn er zeker. Ik heb straks in de beantwoording vier blokjes. Het
eerste blokje gaat over preventie en de stand van zaken jeugdcriminaliteit. Het tweede
blokje gaat over de jeugdstrafrechtketen en jeugdhulp. Het derde blokje gaat over
justitiële jeugdinrichtingen en het vierde blokje is het blokje overig.
De voorzitter:
Helder. Dan geef ik u als eerste het woord.
Staatssecretaris Van Bruggen:
Hartelijk dank, voorzitter. Ik ben blij dat ik precies twee maanden na mijn aantreden
al met uw Kamer over justitiële jeugd van gedachten kan wisselen. Ik ben daar zelf
nog maar acht weken bij betrokken, maar wat je ziet, is dat het een ongelofelijk belangrijk
en ook actueel onderwerp is. Het raakt ons allemaal, niet alleen in de wijken, waar
een aantal Kamerleden al aan refereerden, maar zeker ook in hoe we dagelijks met de
jeugd omgaan en hoe er door de jeugd met ons wordt omgegaan. Ik geloof dat we samen
proberen om vorm te geven aan die wisselwerking en de verantwoordelijkheid die wij
daar als samenleving in voelen – «it takes a village» zei meneer Hamstra.
Ik zie dat er vanuit het ministerie dagelijks ontzettend veel mensen werken om dit
goed te doen. Tegelijkertijd blijft het ontzettend uitdagend. Ik heb dat de afgelopen
periode gezien en u heeft dat al veel langer gezien, ook als Kamerleden. U refereert
daarbij ook aan werkbezoeken die u heeft afgelegd waarin je juist de praktijk terugziet
van de mooie dingen en ook de tekortkomingen, waar we nog veel aan zullen moeten werken.
De manier waarop we daar als overheid mee omgaan, doet ertoe, juist bij die jongeren.
Vanuit mijn stelselverantwoordelijkheid voor de jeugdstrafrechtketen en mijn ministeriële
verantwoordelijkheid voor de tenuitvoerlegging van de straffen, stuur ik op een aanpak
die juridisch klopt en die juridisch werkt. Ik wil de jeugdstrafrechtketen in staat
stellen om doelgericht en proportioneel te reageren. Dat betekent dat we bij jongeren
niet alleen kijken naar wat er mis is gegaan, maar ook naar wat er nodig is om herhaling
te voorkomen en een positieve ontwikkeling weer mogelijk te maken.
Een passende en effectieve manier hiervoor is cruciaal. In tegenstelling tot het maatschappelijk
sentiment dat soms heerst rond jeugdcriminaliteit – en terecht – vind ik het ook van
belang om te wijzen op de cijfers van de geregistreerde jeugdcriminaliteit. Daaruit
blijkt namelijk dat het aantal minderjarige en jongvolwassen daders in de afgelopen
twintig jaar ruimschoots gehalveerd is, waarbij sinds 2019 de geregistreerde jeugdcriminaliteitscijfers
een min of meer stabiel beeld laten zien. Hoewel dit natuurlijk bemoedigende cijfers
lijken, is er ook echt werk aan de winkel, want de zorgen die leven, ervaren we zelf
natuurlijk ook, niet alleen in uw Kamer, want ook de voorbeelden die u hierbij noemde,
zijn op zijn minst heftig te noemen.
Daarnaast wachten jongeren momenteel te lang op een passende interventie, op een passende
plek. Ik pak daarom de regie op een duurzame aanpak van doorlooptijden en wachtlijsten
in de jeugdstrafrechtketen. Ik verken de mogelijkheden voor afdoening op maat, waaronder
buitenstrafrechtelijke afdoeningen. Tegelijkertijd versterk ik de capaciteit en de
personele bezetting via afspraken met ketenorganisaties en gerichte middelen, en werk
ik aan uitvoerbare opdrachten voor de justitiële jeugdinrichting. In het kader van
de herbezinning zal ik, zoals ook in de brief is gezegd, in Q1 van 2027 de Kamer oplossingsrichtingen
doen toekomen, waarin we juist naar de hele keten willen kijken en naar de effecten
die we nu bij de jeugd zien en waarin we tekortschieten. Met gerichte financiële impulsen
wordt expertise gewaarborgd, onder meer via Preventie met Gezag; een aantal van u
heeft er ook over gesproken.
Als onderdeel van deze aanpak zetten gemeenten interventies in om lokale problematiek
te bestrijden. Gemeenten zijn zelf verantwoordelijk voor de besteding van deze middelen
en geven zelf ook invulling aan de programma’s die zijn toegespitst op juist die lokale
problematiek. De inzet en de resultaten van deze interventies komen terug in de monitoring
die we daarover bijhouden.
De beschikbaarheid van jeugdhulp verbeter ik via bovenregionale inkoop van hoog specialistische
jeugdzorg.
Tot slot is er de discriminatietoets, waar mevrouw Westerveld ook al aan refereerde.
Ik zal daar straks nog iets uitgebreider op ingaan. Deze toets is geïntroduceerd bij
de Raad voor de Kinderbescherming. Ik verken de toepassing van de kinderrechtentoets
bij besluitvorming bij de jeugdstrafrechtketen.
Bij dit alles past ook realisme. Er is de afgelopen jaren immers veel gevraagd van
de professionals in de strafrechtketen, de jeugdzorg en aanpalende beleidsterreinen;
mevrouw Wendel refereerde er al aan. Velen van u hebben, al dan niet in het verleden,
kennisgemaakt met het veld of er zelfs in gewerkt. Dan realiseer je je hoe ingrijpend
en intens het werken daar kan zijn, maar ook – dat moet ik erbij zeggen – hoe je aan
heel kleine lichtpuntjes juist ziet dat er een grote verandering teweeg wordt gebracht.
Ik heb heel veel respect en waardering voor de mensen die in de jeugdbescherming en
jeugdzorg werken. Op sommige plekken staat de uitvoering stevig onder druk. Niet alles
is op korte termijn op te lossen; voor hardnekkige problemen bestaan geen eenvoudige
oplossingen. Dat neemt niet weg dat ik een verantwoordelijkheid heb en voel om verbeteringen
te realiseren en om daarin ook scherpe keuzes te maken waar dat nodig is.
Ik ga naar de beantwoording van de vragen, maar niet voordat ik refereer aan mijn
werkbezoek afgelopen maandag aan RJJI De Hartelborgt. Een aantal collega’s daar vertelden
over hun werk op een hoogspecialistische unit. Natuurlijk hoor je dan dat het intens,
zwaar moeilijk en ingewikkeld is. Jongeren verblijven er soms voor zo’n lange periode
dat de medewerkers met echt heel kleine lichtpuntjes proberen om nog wat perspectief
te bieden. Alleen al als een jeugdige bijvoorbeeld «goedemorgen» zegt als hij de gezamenlijke
ontbijtzaal inloopt terwijl hij dat de afgelopen twee jaar nooit heeft gedaan, voel
je als professional dat er toch iets gebeurt, zo vertelden ze mij. Ik geloof dat dit
de lichtpuntjes zijn waar we aandacht voor moeten blijven houden, want deze professionals
staan er elke dag.
Voorzitter. Met uw goedvinden ga ik naar de blokjes. Als eerste het blokje over preventie
en de stand van zaken jeugdcriminaliteit. Mevrouw Wendel heeft veel vragen gesteld,
die ik samen pak, over jeugdcriminaliteit in Noord-Nederland. Dat is een heel belangrijk
onderwerp, want we zien ook zelf wel dat zeker ten aanzien van de landelijke vertegenwoordiging
in het noorden van Nederland daar een oververtegenwoordiging is van jeugdcriminaliteit.
U stelde dat het Openbaar Ministerie zelfs de noodklok luidt over de toenemende jeugdcriminaliteit
daar en over het feit dat vier op de tien jongeren in Groningen en Drenthe leeftijdsgenoten
kennen die mogelijk betrokken zijn bij criminele activiteiten. Ik vat dit signaal
ernstig op. In de CBS-cijfers over de geregistreerde verdachten in 2025 zie ik ook
dat in Noord-Nederland veel meer minderjarige verdachten zijn dan in overige delen
van het land. Dit geeft aan dat jeugdcriminaliteit niet alleen een grootstedelijk
probleem is maar ook echt een regionaal probleem. Ik kan nog geen nadere duiding geven
van dat probleem; het is alleen een constatering. Met de Monitor Jeugdcriminaliteit
verwacht ik meer inzicht te krijgen in dergelijke ontwikkelingen, zodat waar nodig
daar beleidsmatig op kan worden ingespeeld. Uw Kamer ontvangt de nieuwe Monitor Jeugdcriminaliteit
dit najaar, na de zomer.
Dan vraagt mevrouw Wendel: wat zijn volgens u de oorzaken van de normalisering van
geweld onder jongeren en wat gaat u doen om ervoor te zorgen dat dat geweld niet meer
wordt ervaren als normaal? Ik moet wel zeggen dat het met veruit de meeste jongeren
heel erg goed gaat. Er is een kleine groep jongeren die ernstig geweld plegen en daar
hebben we het vandaag over. Er worden diverse factoren onderscheiden die van invloed
kunnen zijn op geweldpleging. Individuele factoren kunnen daarbij een rol spelen,
maar ook fysieke, maatschappelijke en sociale factoren. U heeft hier allen aan gerefereerd.
Normalisering van geweld impliceert dat geweldpleging in toenemende mate in de eigen
sociale kring als geaccepteerd gedrag wordt beschouwd. Als er onder jongeren sprake
is van een dergelijke normalisering, zal vooral een sociale factor als groepsdynamiek
hierop van invloed zijn; mevrouw Faber refereerde daar al aan. Op het moment dat het
interessanter is om met een groep dit soort criminele activiteiten te plegen, hebben
we echt te maken met een geweldspiraal waar we uit zouden moeten blijven met deze
kleine groep jongeren die hier dus zo kwetsbaar in is gebleken.
Het is lastig om hier concrete maatregelen tegen te treffen; we doen dat wel op een
aantal domeinen zoals bij online geweld, waar we ons meer op de normstelling richten.
Ik ga straks nog iets uitgebreider in op wat we wel en niet kunnen doen op het punt
van dat online geweld.
Mevrouw Faber (PVV):
Even over dat groepsgedrag. Groepsgedrag, gewelddadig gedrag, in de openbare ruimte
is gewoon strafbaar, ook als je erbij staat te kijken, want dan grijp je dus niet
in. Met die strafbaarheid wordt echter heel weinig gedaan binnen de strafrechtketen.
Mijn verzoek is die strafbaarheid nu eens een keertje gewoon in te gaan zetten. Je
ziet namelijk dat een groot deel van de jongelui die vastzitten – uit mijn hoofd is
dat 71% – mee heeft gedaan aan een groepsdelict. Ik noem het voorbeeld van een groep
waarin er twee of drie kopschoppen terwijl de rest erbij staat. Maar doordat ze erbij
blijven staan, worden die andere twee of drie kopschoppers gesterkt in hun gedrag.
Dus in feite zijn degenen die erbij staan medeplichtig. Waarom wordt daar niets mee
gedaan? Bent u bereid, vraag ik via de voorzitter, om u er hard voor te maken dat
daar wél wat mij gedaan wordt? Die groepsdruk, dat groepsgedrag, moet in feite doorbroken
worden.
De voorzitter:
Ik geef zo het woord aan de Staatssecretaris, maar even het volgende. We hebben vier
interrupties afgesproken, maar wel met het idee dat we dan vrij snel tot een vraag
zouden komen. Laten we daar met elkaar alert op zijn. De Staatssecretaris.
Staatssecretaris Van Bruggen:
In eerste instantie is het natuurlijk aan de rechter om goed te bekijken of deze jongeren
strafbaar bezig zijn en of er sprake is van medeplichtigheid of zelfs van medeplegen
in zo’n situatie. Ik herken wel wat mevrouw Faber zegt over groepsgedrag. Groepsgedrag
is heel natuurlijk gedrag voor jongeren. Je kunt dat niet tegengaan, maar je kunt
er wel heel alert en scherp op zijn, zeker met betrekking tot voorlichting, zoals
programma’s die hierover op scholen worden gegeven. Dan wil je namelijk juist de kwetsbaarheid
aangeven van jongeren die wellicht zelf nooit een kopschopper zullen zijn maar die
er wel bij staan te kijken, zodat ze zich realiseren wat er daardoor gebeurt, wat
ze daarmee doen en wat ze op het spel zetten. Het is dus altijd aan de rechter om
te kijken wie er welke straf krijgt als je op welke manier dan ook hebt meegedaan
aan het plegen van zo’n delict. Tegelijkertijd vind ik voorlichting en ervoor zorgen
dat ze zich realiseren wat het met zich meebrengt een belangrijke factor. Ik denk
namelijk dat we niet ontkomen aan het feit dat jongeren zich nou eenmaal graag ophouden
in groepen, naar elkaar kijken en van elkaar leren, soms op een heel goede en positieve
manier, maar in dit geval op een heel slechte en negatieve manier.
Mevrouw Faber (PVV):
Ik begrijp dat het aan de rechter is, maar dan moet wel de hele groep opgepakt zijn.
Wanneer van de tien personen er vijf zijn opgepakt, komen die andere vijf dus niet
voor de rechter. Daar moeten we mee beginnen. Ik denk verder dat je echt wel wat tegen
dat groepsgedrag kunt doen als de omstanders ook voor de rechter worden geleid. Het
is dan natuurlijk aan de rechter om te beoordelen of deze personen schuldig zijn.
Staatssecretaris Van Bruggen:
Ik laat niet alleen de veroordeling maar zeker ook het oppakken over aan de professionaliteit
van de politie en het OM. Collega Van Weel zal hier ongetwijfeld ook mee bezig zijn.
Het is juist heel erg belangrijk om de professional de ruimte te geven om te bekijken
of er sprake is van een strafbaar feit, of de groep aangepakt kan worden, of het individuen
betreft, of er sprake is van groepsdruk, of dit misschien zo is ervaren door bepaalde
medeplegers. Ik vind het in dit geval echt aan de professionals, zoals OM en politie,
om hiernaar te kijken. Zoals ik al zei, valt het niet onder mijn portefeuille maar
onder die van collega Van Weel om heel goed te kijken wat er wel en niet mogelijk
is met deze groep. Nogmaals, ik denk dat we niet moeten onderschatten dat het ook
heel erg belangrijk is dat jongeren zich in groepen ophouden, dat dat vaak heel goed
en leerzaam is, maar dat het op dit soort momenten heel kwetsbaar kan zijn.
De voorzitter:
Het vervolg van het eerste blokje.
Staatssecretaris Van Bruggen:
Voorzitter. Mevrouw Wendel stelde een vraag over de ouderbetrokkenheid. Een aantal
van u knikte instemmend toen zij deze vraag stelde, ik kan mij dus voorstellen dat
het antwoord voor een aantal van u interessant kan zijn. Mevrouw Wendel wilde weten
wat ik ga doen om ervoor te zorgen dat de ouders van kinderen die afglijden hun verantwoordelijkheid
nemen. Het is natuurlijk superlastig, zeker vanuit een liberaal perspectief, om te
bepalen hoever je achter de voordeur komt. Maar ouders van kinderen die met justitie
in aanraking komen, worden nu al intensief betrokken. Dat geldt zowel voor jeugdigen
die in een strafrechtelijk traject lopen als voor jeugdigen die worden opgeroepen
in een traject met een buitenstrafrechtelijke maatregel, bijvoorbeeld een Halt-maatregel.
Ouders worden daarbij betrokken. In een strafzaak van een minderjarige geldt er voor
ouders een verplichte aanwezigheid bij de zitting. Ouders kunnen dan bevraagd worden
en geconfronteerd worden met het gedrag van hun kind. Verder zijn er mogelijkheden
voor burgemeesters om in bepaalde gevallen dwang uit te oefenen op ouders door middel
van bestuurlijke handhaving of APV-bepalingen – het is dus echt lokaal ingegeven –
bijvoorbeeld met betrekking tot messenbezit of hinderlijk gedrag in de openbare ruimte.
Dan een vraag over Preventie met Gezag van mevrouw Wendel van D66 en mevrouw Synhaeve
van de VVD. Zij willen weten hoe ik kijk naar de effectiviteit van de interventies
die via Preventie met Gezag middelen ontvangen. We stoppen met interventies die niet
effectief blijken. Zo zijn we gestopt met voorlichting met gedragsverandering als
doel, omdat dit bewezen ineffectief bleek te zijn. Ik stimuleer dat bewezen effectieve
en juist kansrijke interventies wel steeds doorgaan en breed worden ingezet. Een voorbeeld
hiervan is de re-integratieofficier. Het is wel zo dat de gemeente zelf beslist hoe
een programma op maat eruit kan zien. Wij grijpen in op het moment dat we zien dat
het echt niet effectief is. Tegelijkertijd moeten sommige interventies langer duren
en kunnen we niet na een jaar of twee, drie al bepalen of ze al dan niet effectief
zijn. Het is dus een constante vinger aan de pols. Dit geldt ook voor de uitgangspunten.
Die hebben we vastgelegd in een kwaliteitskader en dat is dus ook waar we over in
gesprek zijn met gemeenten. Als een interventie niet effectief is, stoppen we die
gewoon. Die kennis wordt jaarlijks gemonitord en gedeeld met de Preventie met Gezag-gemeenten,
zodat zij ook weer van elkaar kunnen leren. Wanneer werkt het wel en wanneer werkt
het misschien net niet? Zo gaan we daar nu mee om.
Dan de vraag over de kleine gemeenten, namelijk of ik ook de meerwaarde van Preventie
met Gezag zie de voor kleine gemeenten. Preventie met Gezag is geen brede aanpak van
jeugdcriminaliteit, maar juist een gerichte en preventieve aanpak in kwetsbare wijken
in Nederland; die hebben we een aantal jaar geleden natuurlijk met elkaar aangeduid.
Daarin zie je dat juist de kennisdeling belangrijk kan zijn. Ik noem maar even het
voorbeeld van Delfzijl. Ook in kleinere gemeenten waarin je specifieke problematiek
ziet, wil je van elkaar leren. Hoe zorg je nou dat zij aangehaakt zijn bij het preventieprogramma
van de gemeente Groningen? Kunnen ze daarvan leren? Dat zie je nu in de kennisdeling,
zoals die nu gebeurt en uitgewerkt wordt. Dat gebeurt vanuit de monitoring en met
een landelijke kennisdelingsdag; dat is één keer in het jaar. Ik ben er wel naar op
zoek hoe we ervoor zorgen dat dat bijvoorbeeld ook in Zorg- en Veiligheidshuizen een
goede plek krijgt. Ik denk dat je dan de regionale kennis vanuit grote steden met
grootstedelijke problematiek kunt delen met de omliggende gemeenten, die vaak allemaal
in zo’n Zorg- en Veiligheidshuis vertegenwoordigd zijn.
Dan het ronselen van jongeren. Een aantal van u, namelijk mevrouw Wendel van de VVD,
mevrouw Faber van de PVV en mevrouw Westerveld van Partij van de Arbeid-GroenLinks,
PRO, vroegen: wat doet u ertegen dat kwetsbare jongeren door criminelen geronseld
worden? Dat gaat bijvoorbeeld om mensen met een lvb of om minderjarigen op scholen
en instellingen. Preventie met Gezag is onderdeel van de integrale ondermijningsaanpak.
In beginsel valt het hele ondermijningsaanpakgedeelte, dat pakketje, onder mijn collega
David van Weel, maar bepaalde onderdelen binnen Preventie met Gezag komen weer in
mijn portefeuille. Dan noem ik even de uitvloeiselen van jeugdcriminaliteit, die ik
weer terugzie in de jji’s, en bijvoorbeeld wijkrechtspraak, waarbij je ook ziet dat
die echt iets kan toevoegen aan hoe we met de jeugd omgaan. Ik probeer de vraag dus
zo zorgvuldig mogelijk te beantwoorden. Ik wil ook niet te veel doorverwijzen bij
dit onderwerp, maar weet dat het allemaal vanuit de ondermijningsaanpak is ingericht.
Dan de zorgen over ronselen. Dat komt natuurlijk juist heel dicht bij de brede ondermijning.
Op dit moment wordt er vanuit het ministerie gewerkt aan een aanpak van online en
hybride geweld. Over deze aanpak wordt uw Kamer deze zomer verder geïnformeerd. Ik
ga straks even na wanneer dat precies is. Dat is dan wel zo helder. Dat is vaak ervoor
of erna. Ook wordt in lijn met het regeerakkoord verkend of we delen van content die
misdrijven toont, strafbaar kunnen stellen. Vanuit de ondermijningsaanpak wordt Keerpunt
gefinancierd. Dat is het programma waarbij jongeren die vastzitten in de criminaliteit
of die gevraagd worden voor een klus, anoniem kunnen chatten met een hulpverlener.
Wanneer nodig wordt een jongere hulp geboden in zijn of haar regio. Om meer handelingsperspectief
te krijgen willen we meer zicht krijgen op de werkwijze van die online ronselaars.
Voor de zomer verwachten we de resultaten van een van de onderzoeken die precies hierover
zijn uitgezet. Om te voorkomen dat deze jongeren met criminaliteit in aanraking komen
of daarin doorgroeien, zetten we in op kansrijke en bewezen effectieve interventies,
zoals de gedragsinterventie Alleen jij bepaalt wie je bent. Daar refereerde mevrouw
Synhaeve al aan. In de meest kwetsbare wijken van Nederland zetten gemeenten en justitiepartners
via Preventie met Gezag intensief en gezamenlijk in op het voorkomen dat jongeren
in de criminaliteit belanden of daarin doorgroeien.
Dan nog even specifiek over de ...
De voorzitter:
Maar niet voordat er een vraag is beantwoord van mevrouw Moinat.
Mevrouw Moinat (Groep Markuszower):
Ik wil ingaan op het stukje over ronselen. Ik zei al dat mijn collega, mevrouw Schilder,
u daar ook al naar gevraagd had. Toen zei u inderdaad dat u daar voor de zomer mee
zou komen. Ik zou u toch willen oproepen om te kijken of dat niet eerder kan, omdat
het zeer belangrijk is dat dit zo snel mogelijk wordt aangepakt en dat we hier gewoon
beleid op gaan voeren, zodat kinderen uiteindelijk niet meer geronseld kunnen worden.
Hoe eerder, hoe beter, denk ik in dezen. Ik vraag u dus echt om dat zo snel mogelijk
op te pakken.
Staatssecretaris Van Bruggen:
Dat is een heldere vraag van mevrouw Moinat en eerder al van mevrouw Schilder. Ik
ben het nagegaan. Het is een toezegging die gedaan is door de Minister van Justitie
en Veiligheid. Het antwoord heb ik voor me liggen, maar daar zijn we het waarschijnlijk
niet over eens. Ik denk dus dat het goed is om in ieder geval even helder met elkaar
te duiden waar het over gaat. De toezegging is afgedaan in de beantwoording van de
Kamervragen van mevrouw Schilder over criminele uitbuiting. Dat gesprek werd met Minister
David van Weel gevoerd. Het opnemen van ronselen als apart delict in het Wetboek van
Strafrecht blijkt niet noodzakelijk voor het opsporen en aanpakken van ronselen. Dat
kan dus al binnen de wet die we daar nu over hebben in het Wetboek van Strafrecht.
Het OM en de politie bevestigen dit beeld en zeggen over voldoende middelen te beschikken
om de daders die zich schuldig maken aan het ronselen van jongeren, op te sporen en
aan te pakken. U stelt mij de vraag nu ook weer. Dat begrijp ik ook goed, dus ik wil
graag uw zorg overbrengen bij de Minister. Deze toezegging is namelijk blijkbaar afgedaan.
Ik zal overbrengen dat de beelden daarover nog uiteenlopen, zodat daar in ieder geval
nog even contact over is.
Dat was het blokje preventie en de stand van zaken wat betreft jeugdcriminaliteit.
Dan zou ik graag overgaan naar de jeugdstrafrechtketen en jeugdhulp. De eerste vraag
daarover is van mevrouw Faber. Zij vroeg naar de lage straffen, bijvoorbeeld als het
gaat over seksueel misbruik of seksueel grensoverschrijdend gedrag van jongeren. Zij
zei: dat hoort niet meer bij kinderlijk gedrag; dat hoort bij het volwassenenstrafrecht
en misschien is er wel aanpassing van het jeugdstrafrecht nodig. Het is nu zo dat
de rechter voor 16- en 17-jarige jongeren kan beslissen dat die bestraft worden via
het volwassenenstrafrecht. Dat kan dus. Het is aan de rechter om hierover een beslissing
te nemen. Of de jongere volgens het volwassenstrafrecht berecht wordt, heeft natuurlijk
te maken met hoe volwassen de rechter de jongere acht. Over het verhogen van de straffen
voor minderjarigen heb ik in de verzamelbrief van 17 april iets gezegd. Voor de zomer
zal ik een inhoudelijk standpunt innemen over het verhogen van die maximale straffen
voor jeugdigen. Dan moet u nagaan dat we het dan dus hebben over de straffen van 14-
en 15-jarigen. Daar kom ik voor de zomer dus op terug. Dat was overigens ook een vraag
die mevrouw Wendel gesteld had.
Mevrouw Faber (PVV):
Dat van die 16- en 17-jarigen wist ik, maar dit waren jonge mensen van 13 en 14 jaar.
Hoe zit het daar dan mee? Volgens mij kunnen we er zoals het nu is namelijk op zich
heel weinig mee. Daarom is mijn vraag of we dan wellicht kritisch moeten gaan kijken
naar het jeugdstrafrecht.
Staatssecretaris Van Bruggen:
Voor de zomer kijk ik naar het strafrecht ten aanzien van 14- en 15-jarigen en ten
aanzien van 16- en 17-jarigen. Daar zal ik dus in de reactie op terugkomen. Ik hoor
uw zorg over de 13-jarigen doorklinken. Ik weet niet of we daar heel specifiek onderscheid
in maken in het huidige Wetboek van Strafrecht ten aanzien van het jeugdstrafrecht,
dus ik zou daar even goed naar moeten kijken om te zien of het van toegevoegde waarde
is om ook 13-jarigen daaraan toe te voegen. Tegelijkertijd moet ik wel zeggen dat
het pedagogische karakter van het jeugdstrafrecht ook maakt dat we met, om het even
wat technisch te zeggen, het punitieve, dus het straffen, heel zorgvuldig om moeten
gaan. Dat is voor een bepaalde tijd effectief. Daarna moet je eigenlijk vooral inzetten
op het resocialiseren, op het heropvoeden en zorgen dat ze op het juiste pad komen.
Daar heb je tijd voor nodig. Daar zal ik zo dadelijk nog iets over zeggen ten aanzien
van de PIJ-maatregel, want die duurt wel degelijk veel langer. Maar ik zal kijken
of het noodzakelijk of handig is om in de verkenning ook de 13-jarigen mee te nemen.
Dan de maximumstraffen. Zoals ik net al zei, is er meer dan de jeugddetentie. We hebben
natuurlijk ook de PIJ-maatregel. Daar vertel ik waarschijnlijk niks nieuws mee, maar
het doel van die maatregel is het verminderen van recidive. Dat is nou juist waar
je met deze groep mee bezig wilt, want alleen het straffen gaat het niet oplossen
voor de toekomst. Je wil juist recidive zien te voorkomen door middel van behandeling
en re-integratie van de jeugdige. De minimale duur van de PIJ-maatregel is drie jaar
en de maximale duur is zeven jaar. In de afgelopen jaren is onderzoek gedaan naar
diverse mogelijkheden en scenario’s om die maximale straffen te verhogen, waardoor
je het wat meer naar elkaar toe zou kunnen brengen. Op dit moment wordt er gewerkt
aan een impactanalyse; daar had ik het net over. Voor de zomer kom ik daarover met
een beeld.
Dan het wapenbezit onder jongeren. De heer Hamstra heeft daar een vraag over gesteld,
en dan vooral over de rol van sociale media, ook als het gaat over vuurwapens en messen.
Hij vroeg of het binnen de mogelijkheden van deze Staatssecretaris ligt om wapenbezit
onder jongeren op scholen en online terug te dringen. Ik vond het mooi dat het gesprek
ontstond over wie er verantwoordelijk is en hoe we die verantwoordelijkheid met elkaar
kunnen delen. Dat doen we als samenleving natuurlijk. We letten allemaal een beetje
op elkaar. Dat is bij deze groep ook het belangrijkst. Dus ja, een school heeft een
verantwoordelijkheid, in eerste instantie begint het bij de jeugdige en er zijn ook
nog ouders, maar als overheid hebben we er ook iets aan te doen en kunnen we er ook
iets aan doen.
Ik heb de Kamer in juli geïnformeerd over de aanpak van wapens en jongeren, en over
de actielijn om die problematiek tegen te gaan. Dat was dus in juli 2025. Ik realiseer
me dat dit een nieuwe Kamer is, dus dat als ik daaraan refereer, ik daar ook iets
over zou moeten kunnen zeggen. Dit is nu even wat ik ervan weet: er is in 2025 iets
over gezegd. De aanpak is tot stand gekomen in samenwerking met een breed palet aan
partners. We sluiten met de acties aan bij wat er al breder loopt voor de preventie
van jeugdcriminaliteit op scholen. Het betreft onder andere het verder ontwikkelen
van online jongerenwerk en de inzet daarop, want ja, hoe bereik je tegenwoordig jongeren?
We denken vaak dat dat is met de buurtcoach en de straathoekwerker, maar dat is allang
niet meer zo. Het is vooral heel erg online.
Op 1 april, dus onlangs, is er daarnaast een pilot op scholen gestart om het veiligheidsgevoel
van jongeren zelf te vergroten. Het betreft een educatief pakket voor jongeren rondom
life skills, zoals dat heet, bijvoorbeeld conflicthantering. Hoe ga ik ermee om als
ik in een conflict terechtkom? Hoe verweer ik mij? Hoe uit ik mij? Hoe zorg ik dat
het met woorden gebeurt en niet altijd met handen of, nog erger, met iets in mijn
handen? De pilot loopt tot en met 2028 en wordt met praktijkonderzoek geëvalueerd.
2028 klinkt best ver, dus ik zou in de volgende voortgangsbrief de voortgang van dit
programma kunnen meenemen.
De vraag van de heer Hamstra ging over de afbouw van gesloten jeugdhulp. Wat betekent
dat voor de hele keten? Hoe wordt voorkomen dat jongeren tussen wal en schip vallen?
Voor een groot deel van de jeugdigen die tot enkele jaren geleden in de gesloten jeugdhulp
terechtkwamen, lukt het om ze op een andere manier een plek in de jeugdhulp, bescherming
en veiligheid te bieden. Er zijn echter wel te weinig plekken en de plekken zijn niet
altijd passend. We zoeken dus binnen de hele jeugdketen, om het maar even zo te zeggen.
Ik vond het ook mooi dat er door u gerefereerd werd aan de Nationale Jeugdstrategie,
met de jongerenparticipatie daar ook in. Je ziet dat daar een grotere opgave ligt
dan alleen op het bordje van het Ministerie van Justitie en Veiligheid. We zien dat
het voor een deel van de jeugdigen gewoon ingewikkeld blijft om een passende plek
te vinden. Om het aantal plaatsingen verder af te bouwen, is het van belang dat jeugdigen
en hun gezin eerder passende hulp ontvangen. Daarnaast moeten gemeenten en zorgaanbieders
vol inzetten op het vormgeven van de doorontwikkeling van alternatieven voor jeugdhulp
– daarbij heb ik het specifiek over gesloten jeugdhulp – zoals de uitbreiding van
intensieve ambulante hulp of het opzetten van kleinschalige woonvormen.
Vorige week heeft de Minister van Langdurige Zorg, Jeugd en Sport, mijn collega mevrouw
Sterk, uw Kamer per brief geïnformeerd over de aanpak om de passende jeugdhulp aan
jongeren met complexe problematiek te verbeteren. Ik wil vanuit mijn portefeuille
vooral weten of deze jongeren mogelijk terecht kunnen komen in de justitiële jeugdinrichtingen,
want dat is vaak natuurlijk niet passend. Daarom heb ik het WODC gevraagd te onderzoeken
of de afbouw van de gesloten jeugdhulp effect heeft op de capaciteitsbehoefte van
de justitiële jeugdinrichtingen. Als de uitkomsten bekend zijn, deel ik die heel graag
met uw Kamer.
Dan het programma Jeugdreclassering in Verbinding. Daar had mevrouw Westerveld een
vraag over.
De voorzitter:
Voordat we naar die vraag toe gaan, heeft mevrouw Wendel eerst nog een vraag.
Mevrouw Wendel (VVD):
Ik zocht even naar een logisch moment om deze vraag te stellen. Die gaat over wat
de Staatssecretaris hiervoor zei, over dat we niet willen dat jongeren zaken oplossen
met hun handen of met iets in hun handen, als ik haar zo goed parafraseer. Jaren geleden
zou de Wet wapens en munitie al gewijzigd worden, waardoor er een landelijk messenverbod
zou komen. Ik zie dat vele gemeenten hun stinkende best doen om daar binnen hun bevoegdheden
iets aan te doen, maar ik zie vooral dat die wet hier nog steeds niet ligt. Kan de
Staatssecretaris mij zeggen of die wet deze kant op komt?
Staatssecretaris Van Bruggen:
Die vraag beantwoord ik graag in de tweede termijn. Daar heb ik wel een antwoord op,
maar dat wil ik even netjes uit laten schrijven.
De voorzitter:
U vervolgt.
Staatssecretaris Van Bruggen:
Dan de vraag van mevrouw Westerveld over het programma Jeugdreclassering in Verbinding.
Op welke wijze zet de Staatssecretaris in op de methodiek Jeugdreclassering in Verbinding?
Dat doe ik door de methodiekontwikkeling in ieder geval te subsidiëren. Dat is wat
we in het begin hebben gedaan. We zagen ook dat het belangrijk was om uniform te kunnen
werken, zeker als het gaat over jeugdreclassering. Dat wordt weer in verbinding gebracht
met het Toekomstscenario kind- en gezinsbescherming, waar we ook mee bezig zijn. Jeugdreclassering
heeft een veel kleinere omvang dan de jeugdbescherming, maar tegelijkertijd zie je
dat er, als je niet oppast, op veel verschillende plekken op een andere manier wordt
gewerkt. Juist het financieren van die methodiekontwikkeling is vanuit het ministerie
ingegeven.
Door het vaststellen van de resultaten zie je dat het een hele goede methodiek is,
maar ook dat het veel kost om het jaarlijks te implementeren, namelijk structureel
30 miljoen euro. Gemeenten, die verantwoordelijk zijn voor de financiering van de
jeugdreclassering, hebben aangegeven: wij hebben dat geld niet. Dat begrijpen wij
natuurlijk ook goed. Dus we kijken elkaar aan en we hebben het hier over. Ik heb hier
afgelopen week nog over gesproken met de voorzitter van Jeugdzorg Nederland, de heer
Aboutaleb. We hebben samen gezien dat die methodiek heel goed kan werken. We willen
het ook laten samenvallen met hoe wij nu naar het Toekomstscenario kind- en gezinsbescherming
kijken, en het liefst nog breder: hoe zorgen we ervoor dat jeugdhulp, jeugdbescherming
en jeugdreclassering één lopend traject kan zijn, in plaats van opzichzelfstaande
ontwikkelingen? Dat is misschien wel het allerbelangrijkste. Daarover ben ik in overleg
met mevrouw Sterk.
Het platte feit blijft wel dat we niet zomaar 30 miljoen op de plank hebben liggen.
Het is ook logisch: we zijn ook niet de eerstverantwoordelijken. We zien dat het zou
kunnen werken, maar we hebben hier een opgave, samen met de gemeenten. Dat gesprek
voer ik heel graag. Het is namelijk ook jammer als het helemaal stil komt te liggen.
Dan moeten we dus kijken hoe het wél kan, om het toch zo maar even te zeggen. Er moet
gekeken worden hoeveel er minstens voor nodig is om op een bepaalde plek te kunnen
beginnen. Nou, dat gesprek loopt.
Mevrouw Westerveld (GroenLinks-PvdA):
Ik begrijp best dat de Staatssecretaris niet even 30 miljoen op de plank heeft liggen.
Tegelijkertijd kijk ik naar de kosten van jeugdcriminaliteit en naar wat preventie
kan doen om te voorkomen dat de kosten straks oplopen. Dan heb je natuurlijk al een
hele grote slag gewonnen. Dat is waarom ik deze vraag stel. Ik zie namelijk vaker,
en ik denk ook dat meerdere collega’s het zullen herkennen, dat er te weinig wordt
gedaan aan preventie, waardoor de kosten juist enorm oplopen. Dat zien we in de jeugdzorg,
in de jeugdbescherming en in de jeugdreclassering. Vandaar mijn aansporing aan de
Staatssecretaris. Ik zou haar willen vragen op welke termijn ze ons hierover kan informeren.
Zo kunnen we als Kamer een vinger aan de pols houden.
Staatssecretaris Van Bruggen:
Terecht. Ik geloof heel erg dat de kosten voor de baten uit lopen, zeker binnen de
jeugd. Het is misschien het mooie, maar ook wel het wrange aan mijn portefeuille.
Als ik de capaciteitsproblemen in het gevangeniswezen wil oplossen, heb ik hier ook
iets te doen. We willen namelijk voorkomen dat deze jeugdigen op een plek komen waar
ze eigenlijk helemaal niet horen, omdat we het aan de voorkant niet goed hebben gedaan.
Ik geloof er dus heel erg in. Maar een-op-een een maatschappelijke kosten-batenanalyse
hierop loslaten en dan zeggen «we investeren nu vast, want het betaalt zich straks
uit», daar kom ik natuurlijk ook niet helemaal mee weg. Dat geldt vooral omdat we
dit samen met de gemeenten doen. De verantwoordelijkheid ligt natuurlijk voor een
groot deel daar. Ik ben wel blij dat we dit gesprek met ze hebben, want dat is het
allerbelangrijkste. We erkennen ook met elkaar dat we het heel graag zouden willen.
Dan moet je kijken hoe dat dan kan. Daar zijn we nu mee bezig. Ik overleg even met
mijn ondersteuning over wanneer we zouden kunnen informeren. Kort na de zomer, hoor
ik, zouden we kunnen terugkomen op hoe we het zouden willen inrichten.
Mevrouw Wendel (VVD):
Ik zat net een beetje te dubben: vind ik dit antwoord voldoende of wil ik erop doorvragen?
Maar ik hoor de Staatssecretaris nu toch wel heel duidelijk stelling innemen over
het belang van preventie. Dat deel ik overigens. Alleen, we hadden het zojuist over
de vraag of het jeugdstrafrecht voldoende is. Ik heb daar een aantal vragen over gesteld:
Schrikt het voldoende af? Vindt de Staatssecretaris dat er momenteel voldoende inzet
op vergelding en genoegdoening voor slachtoffers is? Dan hoor ik de Staatssecretaris
doorverwijzen naar de brief die later komt en waarin ze specifiek gaat kijken naar
wat er gebeurt met het jeugdstrafrecht voor 14- en 15-jarigen. De vraag die ik de
Staatssecretaris concreet wil stellen is als volgt. Kan de Staatssecretaris dan ook
iets zeggen over hoe ze daarnaar kijkt? Gelet op het standpunt dat u net eigenlijk
inneemt over preventie, hoe kijkt u dan naar het afschrikkende effect van jeugddetentie?
Staatssecretaris Van Bruggen:
Ik vond de interventie tussen u en een aantal partijen net heel mooi. Natuurlijk levert
dit een ongelofelijk belangrijke bijdrage. Het is ontzettend belangrijk dat er gestraft
wordt als jeugdigen iets doen wat niet mag. Ik geloof er heel erg in dat we daar heel
duidelijk over moeten zijn. Er moeten hele strenge regels voor zijn. De lat moet niet
heel hoog liggen om daadwerkelijk een straf te ervaren. Maar ik vind dat we beide
moeten doen. Ik denk dat als we niets aan de voorkant zouden doen en te weinig op
preventie inzetten, we ook een groep kwetsbaren over het hoofd zien. Daardoor krijgen
we ze in de strafrechtketen, waar we ze eigenlijk niet willen hebben. Dat is waarom
ik op beide zou willen inzetten.
Natuurlijk moet je streng straffen, ook of misschien wel juist op het moment dat het
om jeugdigen gaat, zodat het lerend effect er is. De vraag is alleen hoelang je dat
doet. Dat is waarom ik er nu langer naar wil kijken en ik niet zeg: 14 of 15, ik doe
maar even een greep. Ik vind dat je ook heel goed moet kijken wat het effect is. Er
wordt door mensen die daarvoor doorgeleerd hebben, natuurlijk ook goed gekeken naar
wat werkt bij 13-, 14- en 15-jarigen. Op het moment dat we dat weten, moeten we ons
afvragen wat zou kunnen helpen om iemand ook echt te laten ervaren dat diegene een
straf ondergaat. Als je iets hebt gedaan wat echt niet door de beugel kan, dan is
dat ook wat we zouden moeten doen. Tegelijkertijd moeten we natuurlijk nooit vergeten
dat vergelding alleen deze jongeren niet uit de strafrechtketen gaat halen. Je wilt
ze er a liever niet in hebben en b nooit meer in terugzien.
De voorzitter:
Een vervolgvraag van mevrouw Wendel.
Mevrouw Wendel (VVD):
Dat waar de Staatssecretaris mee afsluit, deel ik heel erg. Laat ik helder zijn, we
moeten natuurlijk zo veel mogelijk voorkomen dat jongeren in de strafrechtketen terechtkomen.
Maar mijn specifieke vraag aan de Staatssecretaris is als volgt. Als ze straks met
de brief komt en naar de straffen voor 14- en 15-jarigen kijkt, neemt ze dan wel ook
mee of het voldoende afschrikwekkend werkt en of het voldoende tegemoetkomt aan de
slachtoffers? Dan doel ik vooral op de ruimte die de rechter daar wat mij betreft
in zou moeten hebben.
Staatssecretaris Van Bruggen:
Mevrouw Wendel voegt een belangrijke invalshoek toe: het slachtofferperspectief. Absoluut,
ik neem dat mee.
Dan vervolg ik met een vraag van de heer Hamstra. Ben ik bereid om met een plan te
komen om de samenwerking tussen de ggz en de jeugdstrafrechtketen structureel te versterken,
zodat er meer multidisciplinair samengewerkt kan worden? Zeker. Het is alleen ontzettend
lastig om dat in één plan te vatten. Ik zou bijna willen zeggen: we doen bijna niet
anders dan heel goed kijken hoe we de ggz en de forensische zorg of de strafrechtketen
op elkaar aan kunnen laten sluiten, zodat we iedereen op de goede plek hebben. In
het nazorgoverleg zoals dat nu is vormgegeven, onder voorzitterschap van de Raad voor
de Kinderbescherming, wordt gezamenlijk met de jeugdigen, met de ouders of de verzorgers
en met de ketenpartners een plan gemaakt voor de hulp en begeleiding tijdens en aansluitend
op het verblijf in een jji. Op het moment dat ze daar zijn of naartoe gaan, is er
steeds contact met die multidisciplinaire groep in het nazorgoverleg. De landelijke
handreiking nazorg vormt hiervoor de basis.
Jeugdhulp is onderdeel van die nazorg. Gemeenten kopen passende jeugdhulp in, maar
er is een tekort aan een landelijk dekkend aanbod. Daarmee vertel ik u niets nieuws.
De VNG is bezig met het uitbreiden van de contractering van hoogspecialistische klinische
jeugdhulp. Binnenkort komt er een regionaal onderzoeksrapport. Zo kunnen gemeenten
en aanbieders vervolgstappen zetten om tot een betere beschikbaarheid van inkoop van
deze jeugdhulp te komen. Ik heb daar voor mezelf nog bij gezet dat ik mijn collega
van VWS, de Minister van Langdurige Zorg, Jeugd en Sport, mevrouw Sterk, er ook nog
even aan zal herinneren dat dit gesprek hier heeft plaatsgevonden. Wellicht ziet zij
een moment om uw Kamer te informeren over het regionaal onderzoeksrapport.
Dan de vraag van mevrouw Westerveld over de stand van zaken rond de motie van mevrouw
Lahlah uit 2024. Dat betrof een pilot voor de Halt-interventie voor 18-plusjongeren.
Momenteel zijn we bezig met het formuleren van een reactie op de aanbevelingen uit
het RSJ-advies Een nieuw perspectief op buitenstrafrechtelijke afdoeningen voor jeugdigen.
Een van de aanbevelingen ziet juist op het openstellen van de buitengerechtelijke
afdoening voor jongvolwassenen, zoals Halt. De opvolging van de motie neem ik mee
in de beleidsreactie op het RSJ-advies. Het lijkt elkaar daarin namelijk goed te vinden.
In het najaar zal ik inhoudelijk ingaan op de aanbevelingen die de RSJ daarin heeft
gedaan.
Dan de vraag van mevrouw Westerveld over het lvb-proof zijn van de strafrechtketen.
Dat is echt een hele belangrijke en grote vraag. De lvb-werkagenda is in 2025 afgerond.
Daarmee zijn de resultaten behaald, ergo het is naar de verschillende ketenorganisaties
gegaan. De praktijk is natuurlijk wel dat we zien dat het niet over, weg of opgelost
is. We moeten daar dus juist met de ketenorganisaties over in gesprek blijven. Een
specifieke aanpak van lvb kan namelijk heel helpend zijn om de jongeren verder te
helpen, misschien eerder dan we nu met onze reguliere methodiek doen. Ik noem altijd
maar even het volgende voorbeeld. Ik vond het zelf altijd wel een mooie. Soms moesten
tbs-patiënten bij Mesdag, waar ik een tijdje gewerkt heb, naar de rechtbank omdat
er een verlengingszitting was. Die waren daar dan ontzettend zenuwachtig voor. Dat
roept bepaald gedrag op. Met een VR-bril kan je dan even zo’n rechtbank binnenlopen.
Dan kan de behandelaar daarnaast zeggen wie je op welk moment tegenkomt. Daardoor
is de spanning al zo veel minder. Ik denk dat we dat soort interventies, ook bij lvb,
constant moeten begeleiden en ondersteunen. Daarmee voorkomen we dat mensen door het
onvermogen dat er ontstaat, gedrag laten zien dat de boel eigenlijk alleen maar erger
maakt.
De voorzitter:
Er is een vraag van mevrouw Westerveld, tenzij dit het einde van blokje twee is. Bent
u aan het einde van blokje twee, Staatssecretaris?
Staatssecretaris Van Bruggen:
Ik ben nog niet aan het einde van blokje twee.
De voorzitter:
Dan stel ik voor dat we naar mevrouw Westerveld gaan.
Mevrouw Westerveld (GroenLinks-PvdA):
Ik heb een specifieke vraag over de werkagenda. Ik weet niet of de Staatssecretaris
klaar is met de beantwoording daarop?
Staatssecretaris Van Bruggen:
Ik heb daarop nog een aanvulling. Ik subsidieer nu nog de ontwikkeling van de toolkit
die jeugdreclasseerders in kunnen zetten bij jongeren met lvb-problematiek, en een
initiatief tot herstelbemiddeling in de jeugdstrafrechtketen voor jongeren met lvb-problematiek.
Dat is in samenwerking met Restorative Justice. Er gebeurt dus ook nog heel specifiek
iets op een aantal projecten.
De voorzitter:
Dat leidt tot een vraag van mevrouw Westerveld.
Mevrouw Westerveld (GroenLinks-PvdA):
Dan heb ik toch wel een vraag, ja. Dit is mijn eerste debat over justitiële jeugd,
maar ik ben al wel langer woordvoerder gehandicaptenbeleid en onder meer praktijkonderwijs
zit in mijn portefeuille. We horen de hele tijd signalen van jongeren met een lichte
verstandelijke beperking of jongeren die op andere manieren wat minder toekomstperspectief
hebben. Als je kijkt naar alle berichten, zie je dat deze groep die met justitie in
aanraking komt groter wordt. Toen zocht ik dus op wat hier in het verleden mee gebeurd
is, want je zou toch denken dat er al heel vaak Kamerdebatten over zijn geweest. Toen
vond ik dus deze werkagenda. Wat mijn verbazing schetste, is dat zo’n werkagenda een
tijdelijke looptijd heeft en dat er daarna niks meer mee lijkt te gebeuren. Ik hoor
de Staatssecretaris «we hebben er lering uit getrokken» en «het werkveld moet ermee
aan de slag» zeggen, maar dan is mijn vraag: wat wordt er dan precies gedaan met de
opbrengsten uit die werkagenda? Ik hoop dat over een tijdje dan ook terug te kunnen
zien in minder jongeren met een lichte verstandelijke beperking die in aanraking komen
met justitie, in plaats van dat het er alleen maar meer lijken te worden, zoals nu.
Staatssecretaris Van Bruggen:
Ik ben even mijn antwoord aan het ordenen, in mijn hoofd en met mijn ondersteuning.
Het is belangrijk dat ... Ik heb ook gezien dat die werkagenda één keer verlengd is,
van 2020–2022 naar 2022–2024. Die heeft opbrengsten gekend. Ik moet in alle realiteit
ook zeggen dat lvb gewoon een probleem ... Nou ja, het is in ieder geval een uitdaging
voor ons allemaal in de samenleving om mensen die blijkbaar minder goed meekomen,
ook mee te laten komen. Daar heb je bepaalde methodieken voor. We zijn als overheid
aanjager geweest van die werkagenda. Die heeft resultaten opgeleverd die doorgegeven
zijn aan de ketenorganisaties. Ik ben het met mevrouw Westerveld eens dat je dan ook
resultaten mag blijven zien of in ieder geval een vinger aan de pols mag houden bij
die organisaties om te zien of er nog steeds op deze manier gewerkt wordt.
Zoals ik net noemde, doe ik dus de ontwikkeling van bijvoorbeeld de toolkit voor jeugdreclasseerders
en wordt geprobeerd op een bepaalde manier de interventies te doen, maar niet meer
vanuit die werkagenda die we toen met elkaar hebben gehad. Wel kunnen we – misschien
is dat dan een toezegging aan mevrouw Westerveld; daar moet ik wel even de goede woorden
voor vinden – de resultaten die toen zijn opgehaald uit die werkagenda nog eens tegen
het licht houden om te kijken of er nou op die manier wordt gewerkt bij de ketenorganisaties
of dat we daar met elkaar nog iets aan zouden moeten of kunnen doen. Dat zou ik na
kunnen gaan. «Graag», hoor ik. Oké.
De voorzitter:
Ik ben me bewust van de tijd en van het gegeven dat er na dit blokje nog twee blokjes
zijn, dus ...
Staatssecretaris Van Bruggen:
Ja, dus ik ga echt hollen. Er is nog één vraag te beantwoorden in dit blokje en dan
ga ik door.
Mevrouw Westerveld vroeg ook naar de discriminatietoets bij de Raad voor de Kinderbescherming.
Wat is er gedaan met die onderzoeksbevindingen, vroeg ze. De Raad voor de Kinderbescherming
werkt aan het voorkomen van discriminatie via een samenhangende aanpak. Die zet bijvoorbeeld
de Discriminatietoets Publieke Dienstverlening in. Naar verwachting komen zij tegen
de zomer van 2026 met uitkomsten van concrete verbetermaatregelen en met een actieplan.
Zij zijn hiermee dus volop aan de slag gegaan. Verder wordt er actief gewerkt aan
het voorkomen van discriminatie door het betrekken van het perspectief van de kinderen,
van de jongeren en van de ouders, zodat beleid en uitvoering beter aansluiten bij
hún leefwereld. Ook wordt er aandacht besteed aan het inwerktraject voor nieuwe werknemers,
is er een adviseur diversiteit, inclusie en gelijkwaardigheid aangesteld en worden
medewerkers en leidinggevenden ondersteund in het herkennen van en handelen bij onbewuste
vooroordelen. Zij hebben de invulling van die discriminatietoets dus zeer uitgebreid
en zorgvuldig opgepakt.
Dan kom ik bij het blokje justitiële jeugdinrichtingen. Dat zijn ook weer best wat
vragen, dus ik probeer er tempo in te houden, voorzitter.
De aanpak van schooluitval en de thuissituatie van jongeren in de jji. Volgens de
heer Hamstra is er een samenhangende aanpak nodig om terugkerende patronen van schooluitval
en instabiele thuissituaties aan te pakken. Ik denk dat hij dat terecht zegt; ja,
dat is nodig. Elke jongere krijgt tijdens en aansluitend op het verblijf de nazorg,
zoals ik net al zei. Werk, school en de thuissituatie maken allemaal onderdeel uit
van de verschillende leefgebieden. De Raad voor de Kinderbescherming heeft de casusregie.
Ik onderstreep het belang van het voorkómen van het ontstaan en/of de escalatie van
de problematiek, juist doordat je nazorg goed blijft vormgeven. Om die reden werken
we ook interdepartementaal en met gemeenten aan het versterken van kansengelijkheid
en een sociale basis. Dat is weer met de collega van VWS.
Dan hebben we nog de heropening van Harreveld in relatie tot de plaatsing in het gevangeniswezen.
De justitiële jeugdinrichting Harreveld gaat medio 2027 open. Het verloopt allemaal
volgens planning, dus dat is goed nieuws. Dat is niet altijd zo in de bouw, maar in
dit geval is dat wel zo.
Is de uitbreiding van de capaciteit in de justitiële jeugdinrichting voldoende om
te zorgen dat er geen jongeren meer in het gevangeniswezen terechtkomen? Dat is een
van de factoren die afhankelijk zijn van de ontwikkeling in de instroom van jeugdigen.
Succesvolle werving en verbouwing van het pand in Harreveld en het behouden van personeel,
ook bij andere justitiële jeugdinrichtingen, hebben er allemaal mee te maken of we
het uiteindelijk ook zonder die twee vleugels kunnen in het reguliere detentiewezen.
Ik kan u vertellen dat we ze daar ook gewoon keihard nodig hebben. Dus dat zou het
mooiste zijn. Belangrijk is ook dat de omgeving passend is bij wat de jongeren nodig
hebben. Dan zie je natuurlijk wel terug, zeker als het gaat om reguliere detentie,
dat er alles aan gedaan wordt om zo’n omgeving zo pedagogisch verantwoord mogelijk
te maken. Tegelijkertijd is het wel een jeugdinrichting. Ik moet u zeggen dat ik afgelopen
maandag zelf op bezoek ben geweest. Dan is de vergelijking met een reguliere gevangenis
er natuurlijk ook gewoon.
Dan de vraag over de bodyscanners. Volgens mij was dat ook weer een belangrijke vraag.
Bij de visitatie zoals die nu wordt gedaan in de jji’s en in de KVJJ’s worden de bodyscanners
nog niet ingezet. Dat is even het korte en simpele antwoord. Wel zeggen we dat het
van toegevoegde waarde kan zijn. Daarom willen we onderzoeken of dat ook bij de jji’s
mogelijk is. Ik denk dat dit een belangrijke ontwikkeling kan zijn. Je ziet het eigenlijk
binnen de verschillende tbs-settings ook: men kijkt naar manieren om bij de alternatieven
voor visitatie, zeker als het gaat over jeugd, dit soort ontwikkelingen absoluut serieus
mee te nemen. Het zijn wel bredere vraagstukken dan alleen ... Het klinkt veel interessanter,
maar bodyscanners brengen ook weer iets anders met zich mee, namelijk dat je toch
even door zo’n ding heen moet. De vraag is wat beter zou passen. Dit is wel iets wat
wij willen onderzoeken.
De heer Hamstra (CDA):
Het kan heel kort, misschien om het even smart te maken. Ik ben blij dat de Staatssecretaris
dit zegt. Heeft u enig idee op welke manier en waar u ons hierover kunt terugkoppelen?
Staatssecretaris Van Bruggen:
Dat kan in de volgende voortgangsbrief.
Dan de onderwijsvraag van mevrouw Westerveld. Die betreft vooral de startkwalificatie
voor de jongeren. Daar zijn plannen voor geweest, maar dat is opgehouden. Het mooiste
zou zijn als je met een startkwalificatie uit de jji kunt komen, zegt zij. Binnen
de jji kan op dit moment vaak al wel een startkwalificatie worden gehaald, dus hier
liggen onze beelden wat uiteen. Op de jji-school zelf kan weliswaar geen examen worden
afgenomen, maar dat kan wel via het staatsexamen of via het reguliere onderwijs. In
meerdere jji’s wordt ook mbo 1 en 2 aangeboden. Het is wel zo dat het onderwijs qua
kwaliteit en aanbod echt moet aansluiten bij wat de jongeren nodig hebben, dus daar
hebben ze slagen in te maken. Daar hebben ze ook slagen in gemaakt, maar we zijn er
nog niet. We kijken hoe de huidige onderwijsvoorziening beter kan aansluiten bij de
onderwijsbehoefte van de jongeren, die gemiddeld ook steeds ouder worden.
Dan een vraag van de heer Hamstra over regionale plaatsing. Dat is ook een belangrijke
vraag. Volgens mij heeft mevrouw Faber daar ook een vraag over gesteld. Is regionale
plaatsing van jongeren in justitiële jeugdinrichtingen een harde norm of een wettelijke
verplichting? In hoeveel gevallen lukt het om jongeren regionaal te plaatsen? Het
is geen wettelijke verplichting, maar wel een uitgangspunt in de jeugdstrafrechtketen
en een basis voor onze bestuurlijke afspraken. In de afgelopen drie maanden is ongeveer
65% van de jongeren geplaatst in de regio, conform het plaatsingsbeleid van DJI. Een
kleine 7% is buiten de regio geplaatst vanwege onvoldoende beschikbaarheid. 28% van
de jongeren is bewust buiten de regio geplaatst vanwege juist die specifieke zorgbehoefte
of het netwerk, dat niet bijdraagt aan het herstel of de strafmaatregel van deze specifieke
jongere. Dat is dus in ongeveer een kwart van de gevallen.
Dan de vraag van mevrouw Synhaeve over de capaciteit in de kleinschalige voorzieningen.
Ze zei: «We zien dat ten opzichte van de jji’s de capaciteit daar wel op orde is.
Sterker nog, er is ruimte in de kleinschalige voorzieningen. We willen dat die optimaal
gebruikt zou kunnen worden.» Die vraag had ik zelf ook, zal ik de voorzitter vertellen,
omdat je juist ook wil dat alle plekken binnen de keten benut worden. De vraag is
even waar ze toe op aarde zijn. Het is niet eenvoudig om zomaar iedereen door te laten
stromen vanuit de jji’s naar de kleinschalige voorzieningen. We kijken natuurlijk
wel wat het precies voor bed is. Randvoorwaardelijk is bijvoorbeeld dat er dagbesteding
is en dat die niet op meer dan anderhalf uur van die locatie af is. Het verschil is
dat bij een jji de voorzieningen op locatie zijn, maar dat je die bij de kleinschalige
voorzieningen veel minder hebt. Bijvoorbeeld bij onderwijs is het aanbod niet daar,
maar moet je ernaartoe. Ik denk wel dat het belangrijk is om te noemen dat we aandachtsfunctionarissen
hebben op de jji’s om juist de doorstroom te stimuleren. Op het moment dat de jongeren
er wel klaar voor zijn, besluit je met elkaar dat iemand naar een kleinschalige voorziening
kan.
Zelf kijk ik naar de randvoorwaarden voor de plaatsing, dus bijvoorbeeld de anderhalf
uur. Je wilt ook niet, zeg ik in alle eerlijkheid, dat je als jongere, als jeugdige
tweeënhalf uur in een bus kan zitten onderweg naar school. Dan is a bijna de helft
van je dag voorbij en is het b de vraag met welke uitdagingen je onderweg weer in
aanraking komt. We moeten dus heel goed kijken naar welke randvoorwaarden we nu stellen
aan het verblijf in de kleinschalige voorziening. We willen natuurlijk alle bedden
die beschikbaar zijn ten aanzien van jeugd, of het nou een uitstroom vanuit gesloten
is of een uitstroom vanuit de jji’s, beschikbaar worden gesteld voor de jongeren die
dat nodig hebben. We kijken dus ook goed naar welke bedden dit precies zijn en hoe
we daar de beste groep op kunnen plaatsen. Zoals ik zei, zijn er aandachtsfunctionarissen
bij de jji’s om te zorgen dat ook doorlopend wordt gekeken of iemand daar al klaar
voor zou kunnen zijn.
Dan heb ik de vraag van mevrouw Synhaeve over de jongvolwassenen in het gevangeniswezen.
Dat is eigenlijk aansluitend bij de vraag die de heer Hamstra daarover had gesteld.
De jji’s hebben momenteel onvoldoende capaciteit. Mijn ambtsvoorganger heeft daarom
twee afdelingen in het gevangeniswezen vrijgemaakt waar tijdelijk jeugdigen van 18
jaar en ouder, dus bij wie het adolescentenstrafrecht is toegepast, geplaatst kunnen
worden als er geen plek is in de jji’s. De uitbreiding van de capaciteit in onder
andere Harreveld en de herbezinning op dit hele dossier moeten bijdragen aan de afbouw
en het reguliere gebruik weer van die afdelingen voor het reguliere detentiewezen.
Het blijft wel afhankelijk van factoren als de instroom. Daarnaast biedt de Life Changing
Group op dit moment op beide locaties een educatief, sportief en creatief dagprogramma
aan. De normen die wij stellen voor het programma van jeugd – dat zijn bijvoorbeeld
de normen voor een dagprogramma met een hoger aantal uren dan dat we dat voor regulier
gedetineerden hebben – vullen wij dan bijvoorbeeld in samenwerking met de Life Changing
Group, die op educatief, sportief en creatief gebied een dagprogramma heeft.
Dan heb ik nog het blokje overig. Daar zitten ook best nog wel een aantal vragen in.
Het is een mix. We beginnen met jumpen en Snapchat en dan heb ik nog de vragen over
de gegevensdeling.
Jumping was ook een nieuw fenomeen voor mij. Dat is een zeer zorgelijk fenomeen. Je
hoopt dat met zo’n nieuw fenomeen niet ook weer andere jongeren worden aangezet tot
dit soort nieuwe manieren van je zou bijna zeggen crimineel geweld – want dat is het
natuurlijk wel. Het ministerie werkt momenteel aan de aanpak van online en hybride
geweld. Dat vertelde ik u eerder. Het delen van dit soort beelden krijgt daarin een
plaats. We zien namelijk dat in de onlinewereld trends als jumping en andere vormen
van het verspreiden van gewelds- en vernedervideo’s elkaar in rap tempo opvolgen.
Het kan op een gegeven moment bijna niet gekker. Onderdeel van deze aanpak van preventieve
maatregelen is om de online weerbaarheid van jongeren te verhogen en om met elkaar
juist de online normstelling te bevorderen. Dit is immers niet normaal. Ook wordt
in lijn met het regeerakkoord verkend of we het delen van content waarin misdrijven
worden getoond, strafbaar kunnen stellen.
Dan over het gebruik van Snapchat, wat natuurlijk eigenlijk het platform is waarop
dit gebeurt. Maar bijvoorbeeld drugshandel vindt ook veelvuldig op Snapchat plaats.
We kunnen dat toch niet langer tolereren, is een vraag van een aantal van u. Voor
Snapchat gelden zorgvuldigheidsverplichtingen en verantwoordelijkheden die in de Digital
Services Act zijn vastgelegd. Vanwege vermoedens van risico’s voor minderjarigen,
waaronder ronselen, en ontoereikende mechanismen om illegale content te melden, heeft
de Europese Commissie als toezichthouder op 26 maart een formeel onderzoek ingesteld.
Afhankelijk van de uitkomsten kunnen hieruit handhavende maatregelen volgen. Dit zou
ons dus kunnen helpen. Daarnaast zoeken we op het gebied van contentmoderatie de dialoog,
juist ook met platforms zoals Snapchat.
Dan hebben we de gegevensdeling en de informatie-uitwisseling tussen partners. Mevrouw
Wendel en meneer Hamstra hebben daar vragen over gesteld in het kader van de Taskforce
Gegevensdeling: wat is de stand van zaken? De Taskforce Gegevensdeling werkt aan het
oplossen van de gegevensdelingsproblematiek binnen geprioriteerde thema’s, waaronder
Preventie met Gezag. De gegevensdelingsknelpunten die binnen die criminelefamilieaanpak
werden ervaren door de gemeente Tilburg zijn weggenomen. Daarmee is de informatiedeling
binnen de aanpak duurzaam verbeterd. Eigenlijk is dat zo’n best practice, om het maar
even zo te zeggen. Daarnaast worden er binnen de persoonsgerichte aanpakken concrete
afspraken gemaakt over de gegevensdeling. Ze gaan vaak over zorg en veiligheid en
worden vaak in een convenant vastgelegd, zodat je met elkaar afspreekt op welk moment
je welke informatie kunt delen. Ik herken dat wel uit de regio waarin ik gewerkt heb.
De Kamer wordt nader geïnformeerd bij de volgende halfjaarbrief georganiseerde ondermijnende
criminaliteit over hoe het staat met de Taskforce Gegevensdeling.
Daarop aansluit de info over school en ...
De voorzitter:
Eerst nog een feit vanuit mevrouw Wendel.
Staatssecretaris Van Bruggen:
O, excuus.
De voorzitter:
Dat is tevens uw laatste vraag, mevrouw Wendel.
Mevrouw Wendel (VVD):
Ja, dan zal ik die effectief gebruiken, in het kader van effectieve interventies.
Ik ben benieuwd. De Staatssecretaris koppelt onder andere over Preventie met Gezag
terug dat daarin problemen met informatiedeling zijn opgelost. De crux is volgens
mij nu juist dat heel veel gemeenten geen Preventie met Gezag hebben. We hebben het
eerder gehad over Noord-Nederland. Met afstand de meeste gemeentes daar hebben geen
Preventie met Gezag. Ik kom zo tot een afronding, voorzitter. Ik heb in mijn werk
veel gezien dat we gewoon een heel duidelijke jeugdgroep hadden die er iedere dag
voor zorgde dat mensen zich niet veilig voelden op straat. We wisten wie het waren,
maar we mochten die informatie niet delen tussen allerlei verschillende partners,
waardoor we ze gewoon niet effectief konden aanpakken en het echt wachten was totdat
zij het strafrecht ingingen. Ik heb al door dat de Staatssecretaris en ik het er met
elkaar over eens zijn dat we dat liever niet willen. Mijn concrete vraag is dus: wat
gaan we nu dan doen om ervoor te zorgen dat het voor al die gemeenten mogelijk is
om samen te werken met de partners die daarin samen optrekken, dus ook de jongerenwerkers
en ook de ambtenaren van de gemeente, om ervoor te zorgen dat die jongeren niet in
de strafrechtketen terechtkomen en we dus al voor die tijd informatie kunnen delen?
Staatssecretaris Van Bruggen:
Dit is heel herkenbaar. Ik heb net geprobeerd te zeggen dat het geprioriteerde thema
Preventie met Gezag binnen die Taskforce Gegevensdeling met aandacht wordt opgepakt,
om het maar even zo te zeggen. Het is niet zo dat alleen daarop gefocust wordt. Dit
gaat echt over gegevensdeling, in de brede zin van het woord, die raakt aan ondermijning.
Ik denk dat het belangrijk is dat alle gemeenten daarvan zouden kunnen profiteren,
en misschien ook wel alle zorgorganisaties, omdat het in de praktijk vaak als heel
knellend wordt ervaren dat informatie niet gedeeld kan worden. Tegelijkertijd is het
ook vaak zo dat heel veel kan waarvan men nog geen weet heeft. We weten dat de functionarissen
gegevensbescherming hun werk vaak heel serieus nemen, maar ook steeds op zoek zijn
naar wat wel kan. Dat zie je ook wel weer terugkomen in hun opleiding.
Zeker als het gaat over gegevensdeling, heb je in het maatschappelijk beeld dat we
daarvan hebben echt een grote stap te zetten. Het draagt namelijk bij aan het veiligheidsgevoel
van mensen als we in ieder geval weten wat we op welk moment met elkaar kunnen delen.
Ik vind het ook wel belangrijk om te benoemen dat we tegelijkertijd met elkaar regels
afgesproken hebben over privacy en over wat je wel en niet op een bepaald moment met
elkaar mag delen. Dat is de continue spanning waarin we zitten. Dat is natuurlijk
ook wat de taskforce nu op de weegschaal ligt. Je kijkt naar de maximale mogelijkheden
om gegevens met elkaar te delen in het kader van zorg en veiligheid. Je ziet dat er
regionaal oplossingen zijn binnen een convenant, niet per se alleen binnen Preventie
met Gezag, maar ook echt in samenwerkingsverbanden, bijvoorbeeld vanuit een Zorg-
en Veiligheidshuis. Je zou eigenlijk willen dat de best practices, zoals die in Tilburg,
die ik net noemde, breder gedeeld worden. Zoals ik zei, komt het beeld hiervan in
die halfjaarbrief georganiseerde ondermijnende criminaliteit bij u terug.
Dan ben ik bij de laatste vraag. O, mevrouw Wendel wil nog een interruptie plegen.
Ja, daar ga ik niet over.
De voorzitter:
Deze voorzitter wel. Als uw eigen interrupties op zijn, zijn ze op, mevrouw Wendel.
Ik geef de Staatssecretaris dus opnieuw het woord.
Staatssecretaris Van Bruggen:
Dan een vraag over de jeugdstrategie, waar een aantal van u aan heeft gerefereerd.
Dan gaat het om de Nationale Jeugdstrategie en de overstijgende samenwerking met vooral
VWS. Er werd gevraagd hoe ik daar op hoofdlijnen naar kijk. Ik ben zoals gezegd heel
positief over die Nationale Jeugdstrategie. Jongerenparticipatie is daar een heel
belangrijk onderdeel van; «niks over ons zonder ons». Het is ook onderdeel van de
werkagenda burgerparticipatie. Momenteel ben ik met de Nationale Jeugdraad in gesprek
over hoe wij jongeren meer zouden kunnen betrekken bij ons beleid, bijvoorbeeld in
het kader van de herbezinning op de opgave van de justitiële jeugdinrichtingen. Ook
daar betrek ik hen graag zelf bij.
Dan ben ik door de beantwoording van de vragen in de eerste termijn heen, voorzitter,
dank u wel.
Mevrouw Westerveld (GroenLinks-PvdA):
Ik verwees in mijn bijdrage naar het rapport Pedagogisch uitgangspunt onder druk en
vroeg wat daar nou precies mee is gedaan. Het was een heel waardevol rapport. Naar
mijn idee heb ik daar de laatste tijd niet meer zo veel over gehoord.
Staatssecretaris Van Bruggen:
Ik herinner mij de vraag. Ik heb daar inderdaad nog geen antwoord op gegeven. Ik kom
daar graag in de tweede termijn op terug.
De voorzitter:
U hebt nog een laatste interruptie.
Mevrouw Westerveld (GroenLinks-PvdA):
Dan wil ik mijn laatste interruptie gebruiken voor het onderwijs. Ook over onderwijs
in jji’s is een tijd geleden een rapport verschenen, van de Onderwijsraad. We hebben
toen gevraagd naar de opvolging van dit rapport. In de kabinetsbrief las ik dat we
in het voorjaar van 2026 – dat is nu, zou ik denken – een visie van het kabinet zouden
krijgen op onderwijs in jji’s. Nou is het kabinet intussen gevallen en ik snap dat
de Staatssecretaris het misschien niet uit haar hoofd weet, maar ik zou heel graag
die visie willen ontvangen, want het is al een tijd geleden dat dit rapport verscheen.
Ik ben niet de enige die vroeg naar onderwijs in jji’s. Het lijkt mij hoog tijd dat
er opvolging aan wordt gegeven, want ook dit was een heel waardevol onderzoek.
Staatssecretaris Van Bruggen:
Ik kom graag in de tweede termijn terug op de termijn waarop ik dat zou kunnen doen.
De voorzitter:
Mevrouw Faber, uw laatste interruptie.
Mevrouw Faber (PVV):
Ja, daar ben ik mij van bewust, voorzitter. Ik had een vraag over de verantwoordelijkheid
van de ouders. Zo langzamerhand moet de halve maatschappij helpen, maar de ouders
hebben natuurlijk ook een verantwoordelijkheid. In de stukken heb ik gelezen dat het
strafrechtelijk lastig is, maar je kunt bij een strafrechtelijke zitting altijd een
civiele zaak voegen en dan kun je volgens mij wel degelijk ook de ouders verantwoordelijk
stellen. Zou u daarop in willen gaan?
Staatssecretaris Van Bruggen:
Het klopt wat mevrouw Faber zegt. Ik kan het even niet terugvinden, maar ik ben er
wel op ingegaan. Er zijn mogelijkheden om de ouders te betrekken bij de strafrechtelijke
maatregelen en de buitenstrafrechtelijke maatregelen zoals Halt, maar ook tijdens
de zitting en ook in civiele procedures. Er zijn dus echt wel mogelijkheden om de
ouders meer verantwoordelijkheden te geven. Het is natuurlijk wel belangrijk dat we
altijd kijken naar het systeem: wat gebeurt er om de jeugdige heen en zijn de ouders
in staat om de goede interventies en opvoeding te bieden, of is het belangrijk dat
we daar oog voor hebben omdat we anders iets onmogelijks vragen en het er naar alle
waarschijnlijkheid niet beter op wordt? Maar die mogelijkheden zijn er zeker, ja.
De voorzitter:
Dat brengt ons bij de tweede termijn van de zijde van de Kamer. Ik geef daarvoor als
eerste aan mevrouw Wendel het woord.
Mevrouw Wendel (VVD):
Dank, voorzitter. Allereerst wil ik een tweeminutendebat aanvragen waarin ik moties
zal indienen, onder andere over de strafrechtketen voor minderjarigen, maar ook over
Preventie met Gezag; het zal u, denk ik, niet verbazen, gezien mijn inbreng en eerdere
schriftelijke vragen.
Dan rest mij nog een laatste vraag. Die gaat over informatiedeling. U bent er net
uitgebreid op ingegaan en ik heb daar nog één vraag over. U ging vooral in op informatiedeling
in relatie tot jongeren die afglijden naar de ondermijnende criminaliteit. Voor mij
is het belangrijk dat als jongeren zware overlast veroorzaken, bijvoorbeeld in Delfzijl,
bij mij in de provincie, informatiedeling dan mogelijk is, juist omdat het daar begint
en vervolgens steeds erger wordt. Kan de Staatssecretaris mij zeggen of dat ook wordt
meegenomen of dat het echt beperkt wordt tot ondermijnende criminaliteit?
Dank u wel.
De voorzitter:
Mevrouw Moinat.
Mevrouw Moinat (Groep Markuszower):
Dank, voorzitter. Ik wil de Staatssecretaris bedanken voor de beantwoording, al vind
ik het jammer voor dit debat dat heel veel dingen voor de zomer pas komen. Ik denk
dat we veel hebben meegegeven en dat de urgentie wel voelbaar is bij iedereen. Ik
zie dat ook wel bij u. Ik heb nog even overlegd met mijn collega, mevrouw Schilder.
Zij geeft aan dat ze niet tevreden is met de beantwoording die ze heeft gehad. Ik
wil u dus oproepen om daar nog een keertje naar te kijken en daar misschien op een
andere manier op terug te komen, of de Minister daarop terug te laten komen.
De voorzitter:
Mevrouw Faber.
Mevrouw Faber (PVV):
Dank u wel, voorzitter. Allereerst wil ik de Staatssecretaris danken voor de beantwoording.
Ik heb nog wel een dingetje over dat groepsgedrag. Geweld met groepsgedrag is gewoon
strafbaar volgens artikel 141 van het Wetboek van Strafrecht. De Staatssecretaris
geeft aan: we moeten het laten afhangen van wat de professionals daarmee doen. Maar
het is gewoon strafbaar. Dat is gewoon de wet. Ik zeg dus: laten we nou alsjeblieft
die wet gaan handhaven. In het geval van dergelijk groepsgedrag, vind ik dat iedereen
zich daarvoor moet verantwoorden bij de rechter. Daar wil ik graag nog een reactie
op.
Dank u wel.
De voorzitter:
Meneer Hamstra.
De heer Hamstra (CDA):
Voorzitter, dank. Ook van mijn kant dank voor de beantwoording van de vragen. Het
waren er best wel veel, dus dank. We zijn onder andere blij dat dat over die bodyscans
in de volgende voortgangsbrief wordt meegenomen. We zijn ook heel erg blij dat u in
gesprek bent met de Nationale Jeugdraad, en dat zij zo actief betrokken willen worden.
Ik heb nog één vraag over plaatsing in de eigen regio. Dat lukt nu in 65% van de gevallen.
Zijn we daar tevreden mee? Doen we genoeg? Dat zou ik aan u willen vragen. Dat is
een normatieve vraag, maar ik ben wel benieuwd hoe de Staatssecretaris daarnaar kijkt.
Ik heb ook een aanmoediging of een stimulering met betrekking tot jongeren die nu
nog in reguliere p.i.’s geplaatst worden. Als dat het geval is – ook als we dat met
z’n allen niet willen – is er iets dat de Life Changing Group heet. Het is mooi dat
dat er is. Gegeven het feit dat ze in reguliere p.i.’s zitten en we dat niet moeten
willen, is de aanmoediging vanuit onze kant: laten we erop blijven inzetten dat dat
niet lang meer het geval is.
Dank.
De voorzitter:
Mevrouw Westerveld.
Mevrouw Westerveld (GroenLinks-PvdA):
Dank aan de Staatssecretaris voor haar antwoorden. We zijn inmiddels bezig met de
tweede termijn en ik ben nu wel heel benieuwd naar de antwoorden op mijn vragen over
het rapport Pedagogisch uitgangspunt onder druk en het rapport Onderwijs in justitiële
jeugdinrichtingen. Die zijn respectievelijk van twee jaar geleden en één jaar geleden.
Ze gaan echt over de vraag: hoe zorgen we ervoor dat jongeren, als ze met justitie
in aanraking komen, daar wel beter uitkomen? Volgens mij zou onderwijs aan deze groep
jongeren prioriteit nummer één moeten zijn, ook als we kijken naar het Kinderrechtenverdrag,
trouwens. Heel vaak ziet iedereen dat wel, maar moeten we heel lang wachten voordat
we eindelijk merken dat er iets met de rapporten en aanbevelingen gebeurt. Daarom
ben ik benieuwd naar de antwoorden van de Staatssecretaris.
De voorzitter:
Dank u wel. Ik zou mevrouw Wendel willen vragen of ze weer even het voorzittersstokje
over wil nemen.
Voorzitter: Wendel
De voorzitter:
Uiteraard. Ik geef met veel genoegen het woord aan mevrouw Synhaeve van D66.
Mevrouw Synhaeve (D66):
Dank u wel, voorzitter. Dank voor de beantwoording van alle vragen. De uitdaging is:
hoe kunnen we ervoor zorgen dat straf en perspectief steeds hand in hand gaan? Ik
wil nog even één punt expliciet maken. We hebben gezegd: op het moment dat er strafbare
feiten zijn gepleegd, moeten we ervoor zorgen dat de straf zorgvuldig en op tijd wordt
uitgevoerd. Om dat te kunnen doen, moeten we de capaciteit optimaal benutten. Als
het gaat over de Kleinschalige Voorziening Justitiële Jeugd is mijn oproep niet ...
Mijn oproep was juist gericht op de vraag: hoe zorgen we ervoor dat de kleinschalige
voorzieningen een alternatief kunnen zijn voor jongeren die heel kort in de jji’s
blijven? Dan weegt de afstand tot voorzieningen misschien op een andere manier mee.
Dank u wel.
De voorzitter:
Ik draag het voorzitterschap weer over aan mevrouw Synhaeve.
Voorzitter: Synhaeve
De voorzitter:
Dank u wel. Ik kijk even naar de Staatssecretaris. Is het mogelijk om direct door
te gaan? De Staatssecretaris heeft een paar minuutjes nodig. Dan stel ik voor dat
we zo veel mogelijk in deze ruimte blijven. Uiterlijk om 16.50 uur gaan we weer verder.
De vergadering wordt enkele ogenblikken geschorst.
De voorzitter:
We gaan door met de tweede termijn van het kabinet. Daarvoor geef ik de Staatssecretaris
het woord.
Staatssecretaris Van Bruggen:
Dank u wel, voorzitter. Dank voor de vragen in de tweede termijn. Eén vraag stond
nog open, namelijk: wat is de stand van zaken rondom het landelijke messenverbod?
Dat antwoord had mevrouw Wendel nog van mij tegoed. De verantwoordelijkheid daarvoor
ligt bij de Minister van Justitie en Veiligheid. Dat is het ene deel van het antwoord.
Het tweede deel is als volgt. In het najaar van 2023 is er een uitgebreide internetconsultatie
geweest, met een aantal fundamentele bezwaren die zien op diverse beleidsmatige en
juridische beginselen, zoals de effectiviteit, handhaafbaarheid, uitvoerbaarheid en
proportionaliteit van dat messenverbod. De uitvoerbaarheid is ontzettend lastig, nog
los van alle juridische ingewikkeldheden die hierbij komen kijken. Dat is gebleken.
Omdat verschillende gemeenten het signaal hebben afgegeven dat ze teleurgesteld zijn
in de uitkomsten van die consultatieronde, is vanuit het departement meerdere malen
ambtelijk overleg geweest met de Vereniging van Nederlandse Gemeenten en is er gezocht
naar een houdbare en juridische onderbouwing van nut en noodzaak. Tot op heden lukt
dat onvoldoende. Los van een landelijk verkoopverbod, kun je wel altijd in een lokale
APV afspraken maken en regels vastleggen ten aanzien van een messenverbod op lokaal
niveau. Landelijk hebben we daar echter dus nog niet iets sluitends voor kunnen regelen,
omdat daar te veel haken en ogen aan zitten.
De voorzitter:
Heel kort.
Mevrouw Wendel (VVD):
Mag ik de Staatssecretaris vragen om hier dan op aan te dringen bij de Minister? Dat
was namelijk in 2023 en we zijn inmiddels namelijk jaren verder.
Staatssecretaris Van Bruggen:
Dat begrijp ik goed. Ik zal het meenemen. Sowieso zal ik vertellen dat ik dit antwoord
aan u heb gegeven; dat lijkt me wel zo zorgvuldig. Ik zal ook aangeven, of in ieder
geval vragen, net zoals ik op een ander onderdeel zal doen ... Ik zal aan hem teruggeven
wat hier besproken is en dat die zorg geuit is.
Dan de vraag over informatiedeling. Iemand vroeg of dat niet alleen een onderdeel
is van de preventie vanuit gemeenten, maar ... Dat we dat breder doen, kan ik bevestigen.
Het gaat echt over de brede informatiedeling. De best practices die we daaruit willen
leren, komen terug in de brief over ondermijning, zoals ik al eerder zei, maar die
is niet zo smal ingestoken als alleen maar Preventie met Gezag. Ik hoop dat we elkaar
hebben begrepen. U bent op zoek naar hoe we kunnen voorkomen dat er delicten plaatsvinden
en vraagt of er in zo’n vroeg stadium al informatie te delen is. Dat moet je natuurlijk
heel zorgvuldig met elkaar afwegen, maar het maakt wel onderdeel uit van deze taskforce
om dat te onderzoeken.
Dan de vraag van mevrouw Moinat. Haar collega op afstand, mevrouw Schilder, was helaas
teleurgesteld over het antwoord. Dat was ook wel de verwachting. Ik heb ook een beetje
teruggegeven in het antwoord dat dat een moeilijke kwestie is. Ik heb aangegeven dat
ik de zorgen over zal brengen naar de Minister van Justitie en Veiligheid. Daar verandert
in feite door mij nu niets aan.
Waar ook niets aan gaat veranderen, maar wat wel een heel terechte opmerking was van
mevrouw Faber, is dat het groepsgedrag gewoon strafbaar is volgens het wetsartikel
dat u noemt, artikel 141 Sr. Dat is absoluut waar. Tegelijkertijd moeten er natuurlijk
altijd – dat bedoel ik met de inzet van de professionals – voldoende verdenkingen
zijn. Er moet altijd een aanleiding zijn op basis waarvan de politie en het OM denken:
dit vinden wij iets waar wij strafrechtelijk opvolging aan kunnen geven. Dat is niet
aan mij. Dat is aan de professionals. Echter, het is absoluut waar dat dat groepsgedrag
op bepaalde manieren strafbaar is. Daar heeft mevrouw Faber zeker gelijk in.
De voorzitter:
Een hele korte vraag.
Mevrouw Faber (PVV):
Ja, ik zal het heel kort doen. Ik wil niet vervelend doen tegen de Staatssecretaris.
Zo moet u dat niet zien. Ik hoop dus dat u het niet zo opvat. Je staat daar wel bij,
en als je erbij staat en niks doet als je ziet dat iemand in elkaar wordt geslagen,
dan ben je gewoon strafbaar. Dat lijkt me zo klaar als een klontje. Ik zie toch dat
daar in de praktijk te weinig mee gedaan wordt. Ik begrijp wel: u staat daar niet
mee ... Nee, ik moet het kort houden.
Staatssecretaris Van Bruggen:
Ik denk dat we elkaar precies begrijpen. Ik begrijp waar de zorg zit van mevrouw Faber
en ik begrijp ook waar de verantwoordelijkheden liggen van mijzelf en de keten. In
dit geval ligt daar de verantwoordelijkheid om te kijken wanneer en in welke mate
het ook echt strafbaar is, en of we gaan vervolgen. Dat is niet aan mij. Dat is het
eerlijke en toch ook een beetje korte antwoord.
Dan de terechte vraag van de heer Hamstra over die 65% die regionaal geplaatst kan
worden. Is dat genoeg? Doen we daar genoeg aan? Je ziet dat – wat was het? – 27% buiten
de regio geplaatst wordt omdat er geconstateerd wordt dat het helemaal niet helpend
is om deze jeugdigen op een regionale voorziening te plaatsen. Juist daarom denk ik
dat het heel goed is dat we er op die manier naar kijken. Het is zeker wel terecht
om te vragen of dat nog steeds altijd gebeurt, omdat het belangrijk is dat, als iemand
regionaal geplaatst kan worden, we proberen om dat daadwerkelijk te doen.
Dan de vraag van mevrouw Westerveld over de twee rapporten waaraan gerefereerd is,
het rapport over onderwijs en het rapport Pedagogisch uitgangspunt onder druk. Mijn
antwoord is best uitgebreid. Even voor mijn eigen begrip: het tweede rapport dat genoemd
werd, gaat over de druk op de jji’s waardoor er niet altijd een volledig programma
kon worden geboden. Daarnaast blijft het onderwijs ook nog achter, vat ik het in mijn
eigen woorden samen. Dit is iets wat je anders zou willen zien. Ik zeg graag toe dat
ik de rapporten meeneem in de herbezinning. Ze betreffen namelijk twee belangrijke
ontwikkelingen die mogelijk nu niet voldoende aandacht krijgen in de herbezinning
waar we dit jaar mee bezig zijn, terwijl ik wel denk dat juist een goed, volledig
programma op de jji’s en een passend onderwijsaanbod – een aantal van u refereerde
hier al aan – belangrijke uitgangspunten zijn om bij de herbezinning mee te nemen.
Wat mij betreft zou ik die graag daarin terug willen laten komen.
De voorzitter:
Dat leidt tot een korte vraag van mevrouw Westerveld.
Mevrouw Westerveld (GroenLinks-PvdA):
Ik heb de kabinetsreactie bij het rapport van de Onderwijsraad erbij gepakt. Daarin
staat letterlijk dat er een visie zou komen op onderwijs in jji’s en dat we die visie
in het voorjaar van 2026 zouden ontvangen. Het is nu voorjaar 2026. Misschien is het
komen te vervallen omdat het kabinet is gevallen, maar ik zou nog wel heel graag deze
visie willen ontvangen.
Staatssecretaris Van Bruggen:
Dat begrijp ik heel goed. Terecht. Maar als ik die visie er nu uithaal, om het zo
te zeggen, halen we die uit het pakketje van de herbezinning. Mijn voorstel zou zijn
om die visie juist daarin mee te nemen. Dat is misschien een geval van zorgvuldigheid
boven snelheid; om voor de zomer al heel goed te kijken naar wat we uit die aanbeveling
van de Onderwijsraad halen, zou namelijk tekortdoen aan wat we in den brede binnen
de herbezinning van de jji’s nu meenemen. Mijn voorstel zou dus toch zijn om daar
in ieder geval in de brede herbezinning op de jji’s uiterlijk begin 2027 op terug
te komen. Ik heb daarbij de oproep van u vandaag dat onderwijs een belangrijke plek
moet krijgen in die herbezinning heel goed begrepen.
De voorzitter:
Heel kort.
Mevrouw Westerveld (GroenLinks-PvdA):
Maar begrijp ik het dan goed dat – ik zeg het in mijn eigen woorden – deze visie op
de een of andere manier niet van de grond is gekomen? Want als ik die kabinetsreactie
van 3 juli 2025 erbij pak, staat daar twaalf keer het woord «visie» in, omdat dat
de aanbeveling betreft. Vervolgens schrijven de toenmalige Minister van Onderwijs
maar ook de toenmalige Staatssecretaris voor Rechtsbescherming heel veel woorden over
die visie, dat die visie er komt en dat de Kamer die visie in het voorjaar van 2026
krijgt. Is dat gewoon niet gebeurd? Is dat dan misschien toch de samenvatting?
Staatssecretaris Van Bruggen:
Ja. Het eerlijke antwoord is: ja, dat is niet gebeurd. We nemen dit punt dus nu mee.
Dan nog de terechte vraag van mevrouw Synhaeve over het verkennen van het kort verblijf
op de kleinschalige voorzieningen. Ik geef even op inhoud de eerste reactie. Het is
best lastig om juist de kortverblijvers daar een plek te geven omdat het programma
daar zo uitgekleed is. Je verwacht al van ze dat ze in staat zijn om bijvoorbeeld
naar school of naar dagbesteding te gaan. Wat ik wel wil doen, is deze oproep meenemen
naar de aandachtsfunctionarissen en het veld zelf om te kijken of het mogelijk is
dat we specifieke groepen zoals kortverblijvers plaatsen op de KVJJ’s. Maar het uitgangspunt
is natuurlijk de vraag of het programma dat we daar bieden passend is voor deze groep.
Ik wil er goed naar kijken of het kan of niet.
De voorzitter:
Dank u wel. Ik ga richting een afronding. Er is een tweeminutendebat aangevraagd door
het lid Wendel. Er is een aantal toezeggingen gedaan, die ik nu zal opnoemen.
− De Staatssecretaris neemt in haar inhoudelijke standpunt over het verhogen van straffen
de vraag mee van het lid Faber over de wenselijkheid om daar ook 13-jarigen bij te
betrekken. Daarbij worden ook de vragen van het lid Wendel betrokken over het slachtofferperspectief.
Dit standpunt komt voor de zomer.
− De Staatssecretaris komt schriftelijk terug op de vragen van het lid Westerveld over
de resultaten van de werkagenda.
Hier hebben we volgens mij nog geen datum aan gekoppeld. Ik kijk dus even naar de
Staatssecretaris. Ik begrijp nu dat deze brief iets na de zomer zal komen. Bij dezen.
− De Staatssecretaris komt in de volgende voortgangsbrief ook terug op de bodyscanners.
Dit is een toezegging aan het lid Hamstra.
− De Staatssecretaris komt na de zomer terug op de vragen van het lid Westerveld met
betrekking tot preventie. Daarin neemt zij in ieder geval Jeugdreclassering in Verbinding
mee.
− De Staatssecretaris neemt de rapporten over onderwijs in jeugdinrichtingen en Pedagogisch
uitgangspunt onder druk mee in de herbezinning.
Ik wil iedereen bedanken. Dank aan de Staatssecretaris voor de beantwoording, dank
aan de leden voor hun inbreng, dank aan de mensen op de publieke tribune en de mensen
die het debat digitaal hebben gevolgd. Ik wens u nog een fijne avond.
Sluiting 17.01 uur.
Ondertekenaars
-
Eerste ondertekenaar
B.J. Eerdmans, voorzitter van de vaste commissie voor Justitie en Veiligheid -
Mede ondertekenaar
I. van Tilburg, griffier