Schriftelijke vragen : De uitvoering van de aangenomen motie Ceder Kamerstuk 19 637, nr. 3488 en de antwoorden op Kamervragen 2025Z20177
Vragen van het lid Ceder (ChristenUnie) aan de Minister van Asiel en Migratie over de uitvoering van de aangenomen motie Ceder Kamerstuk 19 637, nr. 3488 en de antwoorden op Kamervragen 2025Z20177 (ingezonden 28 oktober 2026).
Vraag 1
Herinnert u zich uw antwoorden op de reeds gestelde Kamervragen over de motie Ceder
(Kamerstuk 19 637, nr. 3488) dat het belang van het kind inmiddels wordt meegewogen en een verplichte toets daarom
geen wezenlijke bijdrage zou leveren?1 Kan u uiteenzetten hoe in individuele zaken het belang van het kind nu wordt vastgesteld,
welke factoren daarbij worden betrokken en welk gewicht daaraan wordt toegekend?
Vraag 2
Klopt het dat bij reguliere verblijfsaanvragen een ambtshalve toets aan artikel 8
Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM) plaatsvindt wanneer datgene dat
door de aanvrager wordt aangeleverd daar aanleiding toe geeft? Als dit klopt, hoe
verhoudt dat zich tot het verzoek in de motie om deze toets verplicht te maken, zodat
het meewegen van het belang van minderjarige kinderen niet afhankelijk is van hetgeen
dat in de aanvraag naar voren wordt gebracht?
Vraag 3
Hoe verhoudt deze werkwijze zich tot artikel 3 Internationaal Verdrag inzake de Rechten
van het Kind (IVRK) waaruit volgt dat de belangen van een kind altijd gewogen moeten
worden, en artikel 24 van het EU-Handvest, waaruit een zelfstandige verplichting voor
de overheid voortvloeit om het belang van het kind als eerste overweging mee te nemen?
Vraag 4
Bent u bekend met de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van
State (de Afdeling) van 1 juli 2026 (ECLI:NL:RVS:2026:3812, 3813 en 3816), waaruit
volgt dat zorgvuldig moet worden onderzocht welke belangen van het kind spelen en
daaraan zichtbaar aanzienlijk gewicht moet worden toegekend? Hoe zijn deze uitspraken
verwerkt in de werkwijze en werkinstructies van de Immigratie- en Naturalisatiedienst
(IND)?
Vraag 5
Hoe verhoudt uw stelling dat langdurig onrechtmatig verblijf in het nadeel van de
vreemdeling wordt gewogen zich tot deze uitspraken, waarin de Afdeling afstand neemt
van de gedachte dat banden van kinderen met Nederland niet doorslaggevend kunnen zijn
enkel omdat deze tijdens onrechtmatig verblijf zijn opgebouwd?
Vraag 6
Hebt u kennisgenomen van de recente uitspraak van de Afdeling (ECLI:NL:RVS:2026:5867) over het overgangsrecht? Hoeveel lopende zaken, en daarbinnen
hoeveel zaken van gezinnen met minderjarige kinderen, kunnen door deze rechtsvraag
worden geraakt? Bent u voornemens deze zaken in afwachting van het Hof van Justitie
aan te houden en, zo ja, welke gevolgen heeft dit voor de doorlooptijden?
Vraag 7
Bent u het eens met de stelling dat vertraging die niet aan een minderjarig kind kan
worden toegeschreven kan leiden tot een worteling in Nederland? Kunt u bevestigen
dat vertraging in een procedure een kind niet kan worden tegengeworpen en dat de banden
die een kind in die periode verder met Nederland opbouwt, bijvoorbeeld op school en
in zijn sociale omgeving, volwaardig worden meegewogen?
Vraag 8
Kunt u bevestigen dat deze vertraging niet zonder meer ten nadele van het kind wordt
gewogen en dat gedurende deze periode opgebouwde banden, zoals schoolgang, taalontwikkeling
en sociale relaties, daadwerkelijk en zichtbaar worden meegewogen?
Vraag 9
Herinnert u zich uw antwoord dat een mogelijke toekomstige positieve bijdrage aan
de Nederlandse samenleving te speculatief is om als zelfstandige toekenningsgrond
te dienen? Erkent u dat dit geen antwoord op de vraag is en de motie daar ook niet
om verzoekt, maar als overweging bij verblijfsverlening kan worden betrokken?
Vraag 10
Klopt het dat er geen gedragswetenschappelijke expertise bij de IND beschikbaar is?
Hoe rijmt u dat met uw stelling dat er bij de IND voldoende kennis in huis is om het
belang van het kind te beoordelen? Hoe is geborgd dat de IND gedragswetenschappelijke
expertise kan inroepen? En beschikt de IND over deskundigen die bijvoorbeeld een BIC-assessment
kunnen uitvoeren of beoordelen? Kunt u daarbij onderscheid maken tussen de juridische
toetsing en de gedragswetenschappelijke vaststelling van het belang van het kind?
Vraag 11
Wat is de stand van zaken van de toezegging die is gedaan in het debat met Minister
Vijlbrief op 1 juni 2026 over de pilot vakkrachten en de sectoren waarin behoefte
bestaat aan deze vakkrachten (TZ202606-077)? Zijn de gesprekken met VNO-NCW in het
licht van de aangenomen motie Ceder gevoerd, namelijk dat het moeilijk uit te leggen
is dat we arbeidskrachten van buiten Nederland werven, terwijl hier al gekwalificeerde
mensen zonder Nederlands paspoort verblijven die aan de slag kunnen?
Vraag 12
Bent u bereid deze vragen voor de begrotingsbehandeling Asiel & Migratie op 18 november
2026 te beantwoorden?
Indieners
-
Gericht aan
G. van den Brink, minister van Asiel en Migratie -
Indiener
Don Ceder, Kamerlid