Schriftelijke vragen : Buitenlandplaatsingen in de jeugdhulp naar aanleiding van X-post van de minister
Vragen van het lid Moinat (Groep Markuszower) aan de Minister van Langdurige Zorg, Jeugd en Sport over buitenlandplaatsingen in de jeugdhulp naar aanleiding van X-post van de Minister (ingezonden 23 oktober 2026).
Vraag 1
Deelt u de mening dat u als Minister stelselverantwoordelijk bent voor een goed functionerend
jeugdstelsel en daarmee verantwoordelijkheid draagt voor de kwaliteit, veiligheid
en rechtsbescherming van jeugdhulp aan Nederlandse jeugdigen, ook wanneer gemeenten
deze hulp inkopen en jeugdigen in het buitenland worden geplaatst? Zo nee, kunt u
nauwkeurig uiteenzetten waar uw verantwoordelijkheid eindigt en die van gemeenten
begint?1
Vraag 2
Deelt u de mening dat gemeenten die jeugdhulp in het buitenland inkopen verantwoordelijk
zijn voor het vooraf controleren en gedurende de plaatsing bewaken van de kwaliteit,
veiligheid en rechtsbescherming, waaronder de vergunningen, het gekwalificeerd personeel,
het toezicht, de klachtenprocedures, de vrijheidsbeperkende maatregelen en de feitelijke
veiligheid van de locatie? Zo nee, waarom niet?
Vraag 3
Welke concrete controles moeten gemeenten uitvoeren voordat zij een jeugdige bij een
buitenlandse jeugdhulpaanbieder plaatsen en gedurende de plaatsing blijven uitvoeren?
Vraag 4
Hoe zijn volgens u in het gedwongen kader de verantwoordelijkheden voor de plaatsing,
de kwaliteit, de veiligheid, de rechtsbescherming en het toezicht precies verdeeld
tussen de gemeente, de gecertificeerde instelling (GI), de jeugdhulpaanbieder en een
eventuele plaatsingscoördinator? Acht u deze verantwoordelijkheidsverdeling op dit
moment voldoende duidelijk en is voor iedere plaatsing ondubbelzinnig vastgelegd wie
waarvoor verantwoordelijk en aanspreekbaar is? Zo nee, welke maatregelen gaat u nemen
om deze verantwoordelijkheden te verduidelijken?
Vraag 5
Welke instantie controleert of gemeenten deze verantwoordelijkheid daadwerkelijk nakomen
en welke instantie kan ingrijpen wanneer dit onvoldoende gebeurt? Welke verantwoordelijkheid
heeft u als stelselverantwoordelijk Minister wanneer blijkt dat deze controle tekortschiet?
Vraag 6
Acht u het aanvaardbaar dat Nederlandse jeugdigen in het buitenland worden geplaatst
wanneer niet kan worden gegarandeerd dat daar voldoende toezicht bestaat op de kwaliteit
van zorg, veiligheid en rechtsbescherming? Zo ja, waarom?
Vraag 7
Kunt u garanderen dat voor iedere Nederlandse jeugdige die momenteel in het buitenland
verblijft in het kader van jeugdhulp aantoonbaar is vastgesteld dat de betreffende
instelling aan de geldende kwaliteits- en veiligheidseisen voldoet en dat duidelijk
is welke instantie daadwerkelijk toezicht houdt? Zo nee, hoeveel jeugdigen verblijven
momenteel op locaties waarvoor dit niet aantoonbaar kan worden gegarandeerd?
Vraag 8
Hoe kan een gemeente naar uw oordeel verantwoord besluiten een jeugdige in het buitenland
te plaatsen wanneer Nederlandse toezichthouders daar niet dezelfde toezichtsmogelijkheden
hebben als bij jeugdhulp in Nederland? Deelt u de opvatting dat onvoldoende zicht
op de kwaliteit, veiligheid en rechtsbescherming een onaanvaardbaar risico vormt?
Zo nee, waarom niet?
Vraag 9
Kunt u aangeven hoeveel Nederlandse jeugdigen momenteel voor jeugdhulp in het buitenland
verblijven, uitgesplitst naar land, gemeente, jeugdhulpaanbieder en type jeugdhulp?
Kunt u daarbij per plaatsing aangeven op welke wijze vooraf is gecontroleerd of de
aanbieder over de vereiste vergunningen beschikt, aan de geldende kwaliteits- en veiligheidseisen
voldoet en onder welk toezicht deze plaatsing valt?
Vraag 10
Welke maatregelen neemt u ten aanzien van Nederlandse jeugdigen die momenteel in het
buitenland verblijven wanneer niet aantoonbaar kan worden vastgesteld dat hun veiligheid,
rechtsbescherming en de kwaliteit van de geboden jeugdhulp voldoende zijn geborgd?
Vraag 11
Bent u bereid te stoppen met nieuwe plaatsingen van Nederlandse jeugdigen voor jeugdhulp
in het buitenland en ervoor te zorgen dat passende jeugdhulp voor deze jeugdigen in
Nederland beschikbaar is? Zo nee, waarom niet?
Vraag 12
Welke concrete juridische belemmeringen bestaan er volgens u om nieuwe buitenlandplaatsingen
volledig te beëindigen? Kunt u per belemmering aangeven uit welke nationale of internationale
wettelijke of verdragsrechtelijke bepaling deze voortvloeit?
Vraag 13
Welke bepalingen uit het Internationaal Verdrag inzake de Rechten van het Kind (IVRK)
zouden er volgens u aan in de weg kunnen staan dat Nederland als uitgangspunt hanteert
dat Nederlandse jeugdigen jeugdhulp in Nederland ontvangen? Kunt u dit per bepaling
juridisch onderbouwen?
Vraag 14
Indien u van mening bent dat het IVRK of andere internationale verplichtingen vereisen
dat in uitzonderlijke gevallen plaatsing in het buitenland mogelijk moet blijven,
kunt u dan aangeven in welke concrete situaties daarvan sprake kan zijn en waarom
de benodigde passende hulp in die situaties niet in Nederland georganiseerd kan worden?
Vraag 15
Deelt u de mening dat het feit dat bepaalde specialistische jeugdhulp momenteel mogelijk
onvoldoende beschikbaar is in Nederland geen reden mag zijn om Nederlandse jeugdigen
naar het buitenland te plaatsen, maar aanleiding moet zijn om de noodzakelijke capaciteit
in Nederland te organiseren? Zo nee, waarom niet?
Vraag 16
Welke maatregelen gaat u nemen om te voorkomen dat opnieuw Nederlandse jeugdigen worden
geplaatst bij buitenlandse instellingen waarvan vergunningen, toezicht, kwaliteit
of veiligheid onvoldoende zijn geborgd?
Vraag 17
Bent u bereid vanuit uw stelselverantwoordelijkheid de regie te nemen om te waarborgen
dat Nederlandse jeugdigen de noodzakelijke jeugdhulp in Nederland kunnen ontvangen
en dat gemeenten niet langer genoodzaakt zijn hiervoor uit te wijken naar buitenlandse
aanbieders? Zo nee, waarom niet?
Indieners
-
Gericht aan
W.R.C. Sterk, minister van Langdurige Zorg, Jeugd en Sport -
Indiener
Nicole Moinat, Kamerlid