Schriftelijke vragen : Ernstige hinder en slaapverstoring in de woonomgeving door windturbines en de totstandkoming van landelijke windturbinenormen
Vragen van het lid Vermeer (BBB) aan de Staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat en de Minister van Klimaat en Groene Groei over ernstige hinder en slaapverstoring in de woonomgeving door windturbines en de totstandkoming van landelijke windturbinenormen (ingezonden 8 oktober 2026).
Vraag 1
Bent u bekend met de RIVM/CBS-rapporten van de Onderzoeken Beleving Woonomgeving (OBW)
naar hinder en slaapverstoring?1
Vraag 2
Kunt u voor de jaren 2019 tot en met 2024 aangeven welk percentage van de Nederlandse
bevolking van 16 jaar en ouder volgens het Onderzoek Beleving Woonomgeving ernstige
geluidhinder respectievelijk ernstige slaapverstoring door windturbines rapporteerde?
Vraag 3
Kunt u deze percentages per jaar vertalen naar geschatte aantallen Nederlanders en
daarbij de betrouwbaarheidsintervallen, steekproefomvang en eventuele gevolgen van
afronding vermelden?
Vraag 4
Hoe verklaart u dat de gerapporteerde ernstige slaapverstoring door windturbinegeluid
gemiddeld 0,1 procent bedroeg in 2019 tot en met 2022, 0,4 procent in 2023 en 0,3
procent in 2024? Zijn deze verschillen statistisch significant en hoe beoordeelt u
deze ontwikkeling?
Vraag 5
Welke oorzaken van deze verschillen zijn onderzocht en welke conclusies kunnen daaruit
worden getrokken?
Vraag 6
Is onderzocht of de ontwikkeling van ernstige hinder en slaapverstoring samenhangt
met veranderingen in het aantal windturbines, de tiphoogte, het vermogen, de rotordiameter
of de afstand tot woningen? Zo ja, wat zijn de uitkomsten? Zo nee, waarom niet?
Vraag 7
Klopt het dat tijdens een informatiebijeenkomst voor de gemeenteraad van Amersfoort
op 15 april 2025 een percentage van 0,0 procent ernstige slaapverstoring door windturbines
is gepresenteerd, terwijl het meest recente Onderzoek Beleving Woonomgeving over 2023
uitkwam op 0,4 procent, en hoe verklaart u dit verschil en wat zegt dit volgens u
over de wijze waarop actuele RIVM-gegevens over windturbinehinder hun weg vinden naar
decentrale overheden?2
Vraag 8
Acht u het wenselijk dat gemeenten en provincies besluiten over windturbineprojecten
kunnen baseren op cijfers die afwijken van de meest recente RIVM-onderzoeken en, zo
nee, welke verantwoordelijkheid ziet u voor het RIVM en het kabinet om dergelijke
situaties te voorkomen?
Vraag 9
Welke concrete waarborgen gelden voor de actualiteit en volledigheid van informatie
die door of namens het RIVM, GGD’en en door de overheid ondersteunde expertisepunten
over windturbines wordt verstrekt?
Vraag 10
Welke kennis ontbreekt momenteel nog over de gevolgen van langdurige blootstelling
aan windturbinegeluid, laagfrequent geluid en infrageluid voor hinder, slaap en gezondheid
en, voor zover dergelijke kennis ontbreekt, acht u de huidige wetenschappelijke basis
voldoende om te bepalen welke afstand en welk geluidsniveau nodig zijn om omwonenden
voldoende te beschermen?
Vraag 11
Welke resultaten moet het lopende RIVM-onderzoek naar de blootstelling-responsrelatie
tussen windturbinegeluid, hinder en slaapverstoring opleveren, wanneer worden deze
resultaten verwacht en kunnen deze nog worden verwerkt in de nieuwe landelijke windturbinenormen?
Vraag 12
Waarom behoren kinderen jonger dan 16 jaar niet tot de doelpopulatie van het OBW en
via welk onderzoek worden hinder en slaapverstoring door windturbinegeluid bij deze
groep wel vastgesteld?
Vraag 13
Op welke wetenschappelijke gegevens baseert het kabinet zich bij de bescherming van
kinderen tegen nachtelijk windturbinegeluid, zolang rechtstreeks onderzoek onder deze
leeftijdsgroep ontbreekt?
Vraag 14
Welke concrete rol spelen ernstige hinder en slaapverstoring bij de vaststelling van
de landelijke normen voor geluid en afstand, welk beschermingsniveau wil het kabinet
daarmee voor omwonenden bereiken en hoe wordt daarbij omgegaan met bestaande onzekerheden
over mogelijke gezondheidseffecten?
Vraag 15
Welke regels gelden voor windprojecten waarover gemeenten en provincies besluiten,
voordat de nieuwe landelijke windturbinenormen in werking treden?
Vraag 16
Hoe voorkomt u dat in deze tussenperiode projecten worden vergund op basis van lokaal
vastgestelde normen die omwonenden minder bescherming bieden dan de toekomstige landelijke
normen en welke gevolgen heeft het voor reeds verleende vergunningen, indien de landelijke
normen uiteindelijk strenger blijken te zijn?
Indieners
-
Gericht aan
A.W.H. Bertram, staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat -
Gericht aan
S. van Veldhoven-van der Meer, minister van Klimaat en Groene Groei -
Indiener
Henk Vermeer, Kamerlid