Stenogram : Maatschappelijk domein (inclusief huiselijk geweld, kindermishandeling en geweld in afhankelijkheidsrelaties)
12 Maatschappelijk domein (inclusief huiselijk geweld, kindermishandeling en geweld in afhankelijkheidsrelaties)
Vergaderjaar 2025-2026
Vergaderingnummer 86
Te raadplegen sinds
2026-09-21Inhoudsopgave
Gerelateerde informatie
Toon alle stukken over dossier28345Toon alle items in vergaderingHandelingen TK 2025-2026, 86
Maatschappelijk domein (inclusief huiselijk geweld, kindermishandeling en geweld in afhankelijkheidsrelaties)
Aan de orde is het tweeminutendebat Maatschappelijk domein (inclusief huiselijk geweld, kindermishandeling en geweld in afhankelijkheidsrelaties) (CD d.d. 28/05).
De voorzitter:
Ik heropen de vergadering en we gaan verder met het tweeminutendebat Maatschappelijk domein (inclusief huiselijk geweld, kindermishandeling en geweld in afhankelijkheidsrelaties) naar aanleiding van een commissiedebat van 28 mei. Ik geef het woord aan mevrouw Coenradie van JA21 als eerste spreker.
Mevrouw Coenradie (JA21):
Voorzitter. Ik heb vier moties.
Motie
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat Filomena een belangrijke rol speelt bij ernstige en herhaaldelijke vormen van huiselijk geweld, stalking en dreigende femicide;
overwegende dat laagdrempelige hulpverlening voor slachtoffers van huiselijk geweld en kindermishandeling essentieel is voor het bieden van snelle veiligheid en ondersteuning;
overwegende dat initiatieven zoals Filomena in de praktijk bewezen meerwaarde hebben en een zeer groot draagvlak hebben binnen het werkveld maar nog niet landelijk beschikbaar zijn;
verzoekt de regering het landelijk uitrollen van een aanpak zoals Filomena mogelijk te maken en met Filomena en de VNG te inventariseren welke belemmeringen hiertoe momenteel bestaan, en de Kamer daarover uiterlijk in het najaar te informeren,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Coenradie en Becker.
Zij krijgt nr. 295 (28345).
Motie
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat inspectierapporten jarenlang aangeven dat het niet goed gaat in de jeugdzorg en dat passende jeugdzorg voor veel kinderen ontbreekt;
constaterende dat er volgens de IGJ geen enkele gecertificeerde instelling aan de normen voldoet om de veiligheid van kinderen en kwalitatieve zorg te garanderen;
overwegende dat er geen landelijke regie is om stelselmatig de verandering teweeg te brengen om jeugdigen daadwerkelijk passende zorg te bieden;
verzoekt de regering zo snel mogelijk met een herstelplan te komen met gerichte acties om de GI's weer aan de normen te laten voldoen om kinderen te beschermen en passende hulp te bieden,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Coenradie.
Zij krijgt nr. 296 (28345).
Motie
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat jeugdbeschermers primair gericht zijn op samenwerking met (pleeg)ouders en vaak aangekondigd op bezoek komen;
overwegende dat het om de veiligheid van kinderen beter te waarborgen juist van belang kan zijn om onaangekondigd op huisbezoek te gaan bij gezinnen met een jeugdbeschermingsmaatregel;
verzoekt de regering nadrukkelijk in gesprek te gaan met jeugdbeschermingsinstanties over het onaangekondigd bezoeken van kinderen die nog thuis, in een pleeggezin of gezinshuis wonen en hiervoor tevens te bekijken wat nodig is om daadwerkelijk binnen te komen, mochten ouders/voogden weigeren,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Coenradie.
Zij krijgt nr. 297 (28345).
Motie
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat er voorheen door GI's werd gewerkt met veiligheidsbarometers om de veiligheidsbeleving van kinderen structureel in kaart te brengen en hierdoor door organisaties ook werd overgegaan tot verbeteracties;
overwegende dat er uit vele inspectierapporten blijkt dat er onvoldoende zicht is op de veiligheid van kinderen en kinderen onvoldoende zelf gesproken worden;
verzoekt de regering te organiseren dat jeugdzorgbeschermers halfjaarlijks bij hun gehele caseload een veiligheidsbarometer afnemen in een een-op-eengesprek met een jeugdige,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Coenradie.
Zij krijgt nr. 298 (28345).
Dank u wel. Dan is nu het woord aan de volgende spreker, mevrouw Westerveld van PRO.
Mevrouw Westerveld (PRO):
Dank, voorzitter. Het debat ging over heel veel onderwerpen, onder meer over dakloze mensen. Pas in het najaar hebben we daarover een commissiedebat, terwijl 2030 al snel komt. Ik heb daar twee moties over.
Motie
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat het Nationaal Actieplan Dakloosheid de ambitie heeft dat in 2030 niemand meer dakloos is;
constaterende dat het aantal dakloze mensen stijgt en steeds meer vrouwen door geweld achter de voordeur, scheiding, gebrek aan economische zelfredzaamheid en zorg voor kinderen dakloos worden;
constaterende dat dakloosheid onder kinderen en jongvolwassenen stijgt door de 18-min/18-plusproblematiek in combinatie met wachtlijsten voor de ggz en begeleid wonen alsook een gebrek aan passende woonvoorzieningen;
constaterende dat het Nationaal Actieplan Dakloosheid stelt dat voor groepen mensen in een kwetsbare situatie moet worden "bezien welke extra acties hierop mogelijk aanvullend nodig zijn";
overwegende dat met spoed extra acties nodig zijn omdat anders de doelstelling in 2030 niet wordt gehaald;
verzoekt de regering om voor het commissiedebat in november aanvullende maatregelen, een beschrijving van concrete tussendoelen, waar mogelijk kwantitatief, en een tijdpad tot 2030 naar de Kamer te sturen;
verzoekt de regering ook om actief regio's te ondersteunen, zodat "wonen eerst" en preventie van dakloosheid onderdeel wordt van regionale huisvestingsplannen,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Westerveld.
Zij krijgt nr. 299 (28345).
Motie
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat er te weinig geschikte opvangplekken zijn voor vrouwen die bijvoorbeeld vluchten voor (partner)geweld;
overwegende dat zij vaak verblijven op locaties die onveilig zijn, met een gebrek aan privacy, en dat veel locaties volstrekt ongeschikt zijn voor kinderen;
verzoekt de regering om met de VNG afspraken te maken over de minimumvereisten voor vrouw- en kindgeschikte opvang en te zorgen dat iedere gemeente voldoende opvangplekken heeft,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Westerveld.
Zij krijgt nr. 300 (28345).
Motie
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat het Verdrag van Istanbul voorschrijft dat slachtoffers van seksueel en gendergerelateerd geweld zonder onnodige drempels toegang moeten hebben tot passende ondersteuning;
overwegende dat slachtoffers in Nederland nog te maken hebben met regionale verschillen en beperkte beschikbaarheid van gespecialiseerde hulp;
verzoekt de regering om een stappenplan uit te werken dat toeziet op het garanderen van zorg voor alle slachtoffers van seksueel geweld, door de toegankelijkheid van de zorg te versterken met investeringen in tolkenvoorzieningen, cultuursensitieve zorg en duidelijke informatie over rechten en beschikbare hulp,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Westerveld.
Zij krijgt nr. 301 (28345).
Dank u wel. Dan is nu het woord aan mevrouw Becker van de VVD.
Mevrouw Becker (VVD):
Dank u, voorzitter.
Motie
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat bij huiselijk geweld en kindermishandeling in de preventieve fase vaak onvoldoende mogelijkheden bestaan om slachtoffers en kinderen tijdig en effectief te beschermen;
overwegende dat vroegtijdig en risicogestuurd ingrijpen escalatie van geweld kan helpen voorkomen en het veilig houden van de slachtoffers, vaak vrouwen en kinderen, voorop zou moeten staan;
verzoekt de regering een samenhangend juridisch kader vanuit VWS en JenV uit te werken om tijdiger in te grijpen bij signalen van escalatie, dwingende controle en geweld in afhankelijkheidsrelaties naar voorbeeld van de domestic violence protection orders in het Verenigd Koninkrijk, en de Kamer hierover binnen een halfjaar te informeren,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Becker, Van der Werf, Mutluer, Armut, Coenradie en Moinat.
Zij krijgt nr. 302 (28345).
Motie
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat in sommige gemeenten het elektronisch slachtofferdevice eraan bijdraagt dat plegers van huiselijk geweld, intieme terreur en stalking op afstand gehouden kunnen worden van het slachtoffer;
overwegende dat het de moeite waard zou zijn te onderzoeken hoe dit device ook vaker ingezet kan worden, niet alleen gekoppeld aan een reclasseringstraject, maar juist ook als onderdeel van een preventief dwangbevel;
verzoekt de regering in het voorjaar van 2027 het slachtofferdevice landelijk uit te rollen en te onderzoeken hoe mogelijk gemaakt kan worden dat dit ook meer preventief kan worden ingezet,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Becker, Van der Werf, Mutluer, Armut en Coenradie.
Zij krijgt nr. 303 (28345).
Motie
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat voor de zomer een nationaal coördinator wordt aangesteld, die moet zorgen voor een daadkrachtige uitvoering van het plan van aanpak "stop geweld tegen vrouwen" en meer regie daarin;
overwegende dat gemeenten aangeven hun decentrale rol op het terrein van huiselijk geweld binnen meer duidelijke landelijke kaders te willen vervullen;
verzoekt de regering om de nationaal coördinator te laten inventariseren wat nodig is voor meer landelijke regie in de aanpak van huiselijk geweld en op basis hiervan de verantwoordelijke bewindspersonen voor te leggen welke wettelijke aanpassing nodig is en deze uit te werken,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Becker.
Zij krijgt nr. 304 (28345).
Motie
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd verantwoordelijk is voor toezicht op Veilig Thuis;
constaterende dat het laatste rapport over het functioneren van Veilig Thuis gebaseerd is op drie fysieke bezoeken en voor de rest op rapportage van Veilig Thuislocaties zelf;
verzoekt de regering op basis van het nieuwe inspectiekader voor Veilig Thuis het gesprek met IGJ aan te gaan met als inzet het aantal fysieke en onaangekondigde bezoeken aan Veilig Thuis op te schroeven en met concrete aanbevelingen te komen voor verbeteringen op locaties en in het stelsel als geheel,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Becker en Coenradie.
Zij krijgt nr. 305 (28345).
Dank u wel. Dan is nu het woord aan de heer Van Dijk van de SGP.
De heer Diederik van Dijk (SGP):
Dank u wel, voorzitter. Naast vrouwenmishandeling is ook mannenmishandeling een groot probleem. Ik verwijs kortheidshalve naar de bijdragen van Vereniging Valente van vandaag op social media. In dat licht heb ik de volgende motie.
Motie
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat jaarlijks ongeveer 80.000 mannen in huiselijke kring ernstig worden mishandeld;
constaterende dat bij huiselijk geweld in 40% van de gevallen (ook) sprake is van mannenmishandeling;
overwegende dat mannenmishandeling door maatschappelijke beelden en normen, schaamte en geringe aangiftebereidheid weinig zichtbaar is;
verzoekt de regering om in het actieplan van de Nationaal Coördinator Geweld tegen Vrouwen en Huiselijk Geweld maatregelen op te nemen om mannenmishandeling tegen te gaan,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Diederik van Dijk en Westerveld.
Zij krijgt nr. 306 (28345).
De heer Diederik van Dijk (SGP):
En de tweede motie.
Motie
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat tientallen dak- en thuisloze moeders met hun kinderen op straat leven;
constaterende dat deze kinderen via een Veilig Thuismelding te maken kunnen krijgen met ondertoezichtstelling en scheiding van hun moeder;
overwegende dat een duurzame oplossing voor deze gezinnen lang op zich laat wachten;
verzoekt de regering om in samenspraak met gemeenten met spoed maatregelen te treffen, zodat deze moeders en kinderen onderdak krijgen, en te voorkomen dat deze kinderen onder toezicht gesteld worden,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Diederik van Dijk.
Zij krijgt nr. 307 (28345).
De heer Diederik van Dijk (SGP):
Dank u, voorzitter.
De voorzitter:
U ook bedankt. Dan geef ik nu het woord aan mevrouw Van Meetelen van de PVV.
Mevrouw Van Meetelen (PVV):
Dank u, voorzitter. Ik heb geen moties. In het commissiedebat hebben we uitgebreid gesproken over huiselijk geweld, kindermishandeling en geweld tegen vrouwen. Daarbij heb ik gezegd dat het probleem vaak niet is dat er geen signalen zijn. Het probleem is juist dat de signalen verspreid liggen bij politie, Veilig Thuis, zorg, gemeente en jeugdbescherming, waardoor niemand een volledig beeld heeft. Daarom wil ik de minister vandaag drie concrete vragen stellen.
Kan de minister toezeggen dat zij gaat uitwerken hoe bij ernstige veiligheidsrisico's één partij of één regievoerder verantwoordelijk wordt voor het totale risicobeeld, veiligheidsmaatregelen en de opvolging daarvan?
Kan de minister toezeggen dat er landelijke minimumnormen komen voor de beoordeling van signalen, zoals stalking, bedreiging, dwingende controle en eerdere geweldsmeldingen, zodat bescherming niet afhankelijk is van de regio waarin iemand woont?
Kan de minister toezeggen te onderzoeken hoe bescherming meer persoonsgericht kan worden ingericht, zodat niet het adres van de dader maar het risico voor het slachtoffer leidend wordt bij beschermingsmaatregelen?
Te vaak horen we achteraf dat signalen bekend waren, dat er meldingen waren en dat er meerdere instanties betrokken waren. De vraag is niet of de signalen er zijn, maar de vraag is of de overheid ze op tijd bij elkaar gaat brengen. Dat is eigenlijk wat ik hier vanavond vraag.
Dank u.
De voorzitter:
Bedankt voor uw bijdrage. Dan is nu het woord aan mevrouw Van Brenk van 50PLUS.
Mevrouw Van Brenk (50PLUS):
Dank, voorzitter. Ik heb twee moties.
Motie
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
overwegende dat het aantal mantelzorgers in Nederland groeit en groeit;
overwegende dat gemeenten deze mantelzorgers moeten ondersteunen;
overwegende dat wij grote verschillen zien tussen gemeenten;
verzoekt de regering een ondergrens voor mantelzorgondersteuning door gemeenten vast te stellen en daartoe een handleiding mantelzorgondersteuning te ontwikkelen,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Van Brenk.
Zij krijgt nr. 308 (28345).
Mevrouw Van Brenk (50PLUS):
De tweede motie.
Motie
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
overwegende dat zorgfraude bestreden moet worden;
overwegende dat er een mooie proef geweest is in de regio's Twente en Hart van Brabant waar lessen uit te trekken zijn;
overwegende dat een goede screening van zorgaanbieders helpt, middels de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur;
verzoekt de regering de resultaten van de proef onder de aandacht te brengen van de gemeenten en hen daarbij behulpzaam te zijn indien dit gewenst is,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Van Brenk.
Zij krijgt nr. 309 (28345).
Dank u wel. Dan is nu de beurt aan mevrouw Synhaeve van D66.
Mevrouw Synhaeve (D66):
Voorzitter. Kinderen zijn vaak slachtoffer van huiselijk geweld en misdrijven. De berichten hierover in de media blijven komen. En we weten allemaal dat deze berichten slechts het topje van de ijsberg zijn. We moeten kinderen sneller en beter beschermen. Als een kind aangeeft dat het thuis mishandeld wordt, moet het direct worden gehoord, zonder dat daar eerst toestemming voor nodig is van de ouder die het kind mogelijk mishandelt. Daarom komen we met kind-eerstwetgeving. Ik ben erg blij met alle positieve reacties die we hierop hebben gekregen vanuit het veld, van ervaringsdeskundigen en van collega's uit deze Kamer. Laten we samenwerken om dit voor elkaar te krijgen.
Voorzitter. Ik wil ook stilstaan bij de kinderen die in de vrouwenopvang verblijven. Zij hebben recht op psychische hulp, maar krijgen die in de praktijk vaak niet. Dat is onacceptabel. Daarom de volgende motie.
Motie
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat kinderen in de vrouwenopvang en maatschappelijke opvang vaak getuige geweest zijn van geweld, dreiging en angst, en regelmatig zelf mishandeld zijn;
constaterende dat deze kinderen snel passende psychische hulp nodig hebben;
overwegende dat de Jeugdwet stelt dat de gemeente van herkomst deze psychische hulp moet regelen;
overwegende dat dit er vaak toe leidt dat er geen psychische hulp komt voor deze kinderen;
overwegende dat het belang van het kind leidend moet zijn;
verzoekt de regering te bewerkstelligen dat kinderen in de vrouwenopvang die dat nodig hebben tijdig passende psychische zorg kunnen ontvangen, en de Kamer voor het einde van het jaar te informeren over een oplossing voor de knelpunten die zich nu voordoen,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Synhaeve en Van der Werf.
Zij krijgt nr. 310 (28345).
Dank u wel. Dan geef ik nu het woord aan de laatste spreker in dit debat, mevrouw Armut van het CDA.
Mevrouw Armut (CDA):
Dank, voorzitter. Allereerst zou ik mede namens mevrouw Van Brenk nog kort willen terugkomen op ouderenmishandeling. In het debat wezen we erop dat mishandeling, verwaarlozing en financiële uitbuiting van ouderen vaak verborgen blijven, juist door de afhankelijkheid van zorg, mantelzorg of financiële ondersteuning. De minister wil eerst het Maastrichtonderzoek afwachten. Kan zij wel toezeggen dat haar reactie daarop meer wordt dan een beleidsreactie en dat zij de Kamer in de tweede helft van dit jaar een concrete verbeteragenda ouderenmishandeling stuurt met acties op preventie, signalering financiële uitbuiting en opvolging door Veilig Thuis? Als de minister dat zou willen toezeggen, kunnen wij afzien van het indienen van een motie.
Voorzitter. Het is verschrikkelijk en ronduit schandalig dat duizenden meisjes ook deze zomervakantie het risico lopen om te worden meegenomen om genitaal te worden verminkt. Een harde aanpak is daarom nodig. Het kabinet moet het uitreisverbod eindelijk uitwerken en naar de Kamer sturen. In afwachting daarvan en in aanvulling daarop dien ik vanavond een motie in om te zorgen dat signalen niet blijven liggen door handelingsverlegenheid bij professionals en dat er werk gemaakt wordt van de adviesplicht. Dit is namelijk strafbaar. Wie meisjes en vrouwen zoiets verschrikkelijks aandoet, mag daar niet mee wegkomen.
Motie
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat alle vormen van vrouwelijke genitale verminking (VGV) sinds 2014 strafbaar zijn als vorm van (zware) mishandeling, maar dat dit na ruim tien jaar nog nooit heeft geleid tot een veroordeling;
constaterende dat in Nederland naar schatting tienduizenden vrouwen en meisjes met de gevolgen van genitale verminking leven en duizenden meisjes risico lopen;
constaterende dat het handelingsprotocol VGV bij minderjarigen Veilig Thuis, politie en OM nadrukkelijk een rol geeft bij signalen van dreigende of uitgevoerde VGV;
overwegende dat het aantal meldingen van VGV bij Veilig Thuis nagenoeg nul is, terwijl vrouwen en meisjes met VGV wel in beeld komen bij onder meer gynaecologen en verloskundigen;
verzoekt de regering om samen met Veilig Thuis en betrokken onderwijs- en zorgprofessionals te onderzoeken waarom signalen van VGV nauwelijks tot meldingen en strafrechtelijke opvolging leiden, en met concrete voorstellen te komen om handelingsverlegenheid bij professionals weg te nemen, deskundigheid en handelingsperspectief te versterken en signalen te bundelen ten behoeve van bescherming, opsporing en vervolging;
verzoekt de regering hierbij ook het voornemen van een wettelijke adviesplicht voor onderwijs- en zorgprofessionals bij signalen van huiselijk geweld zo snel mogelijk naar de Kamer te sturen,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Armut, Becker, Coenradie, Mutluer, Van Brenk, Dobbe, Van der Werf, Diederik van Dijk en Wiersma.
Zij krijgt nr. 311 (28345).
Mevrouw Armut (CDA):
Dank u wel.
De voorzitter:
Dank u wel. Hiermee is een einde gekomen aan de termijn van de Kamer. Wij gaan om 22.25 uur verder met de reactie van de minister. Ik schors de vergadering.
De vergadering wordt van 22.13 uur tot 22.24 uur geschorst.
De voorzitter:
We heropenen de vergadering en gaan bijna verder met de reactie van de minister. Gaat uw gang.
Minister Sterk:
Voorzitter. Opnieuw eerst de moties en dan nog een viertal vragen. Ik begin bij de motie op stuk nr. 295 van de leden Coenradie en Becker. Die geef ik oordeel Kamer. Ik wil gaan uitzoeken hoe de werkzame elementen van Filomena landelijk toegepast kunnen worden, passend bij de regionale context. Daarover ga ik met de VNG in gesprek. Ik zal uw Kamer voor het einde van het jaar over de voortgang informeren.
De voorzitter:
De motie op stuk nr. 295: oordeel Kamer.
Minister Sterk:
De motie op stuk nr. 296, ook van het lid Coenradie, over een herstelplan voor de GI's, moet ik ontraden. Er lopen al heel veel verbetertrajecten, waar de staatssecretaris van JenV en ik vol op inzetten. Denk aan de Hervormingsagenda Jeugd, het toekomstscenario en de caseloadreductie. Ik ken het lid Coenradie ook eigenlijk niet als iemand die wéér een nieuw plan wil, maar als iemand die vooral actie wil. Volgens mij zijn we daar ook heel erg mee bezig op dit moment. Daarom wil ik de motie ontraden.
De voorzitter:
Daar heeft mevrouw Coenradie toch nog een vraag over.
Mevrouw Coenradie (JA21):
Zeker, voorzitter. Ik ben inderdaad niet van "we gaan weer een plan indienen". Maar vorige week hoorde ik van de inspectie dat op dit moment geen enkele GI voldoet aan de kwaliteitsnorm, wat nogal een heel bijzondere en heftige uitspraak is, die haaks staat op de appreciatie. Ik lees het als "overbodig, want we doen het al", maar pak nou eens de regie, zou ik willen zeggen tegen de minister. Wat kan de minister nou toch doen met het statement van de IGJ dat geen enkele GI op dit moment voldoet aan de kwaliteitsnormen? Blijkbaar werkt op dit moment geen van de plannen die we hebben voldoende.
Minister Sterk:
Wij zijn natuurlijk bezig met de toekomstscenario's. Daar maken de GI's ook onderdeel van uit. Uw hele specifieke vraag over de GI's zal ik doorspelen naar mijn collega, de staatssecretaris van JenV, want die gaat over de GI's. Ik zal vragen of zij hierop een schriftelijke reactie wil geven.
De voorzitter:
De motie op stuk nr. 296: ontraden.
Minister Sterk:
De motie op stuk nr. 297, ook van het lid Coenradie, over het onaangekondigd bezoek van de jeugdbescherming, geef ik oordeel Kamer. Ik geef daarbij ook aan dat de staatssecretaris van JenV bereid is om hierover in gesprek te gaan met de GI's. Ik zal vragen of ze daarin ook hetgene kan meenemen waar u net over sprak.
De voorzitter:
De motie op stuk nr. 297: oordeel Kamer.
Minister Sterk:
De motie op stuk nr. 298 van het lid Coenradie wil ik ook ontraden. Het doel om zicht op veiligheid te hebben, onderschrijf ik. Ik kan en wil niet voorschrijven welke instrumenten of methoden hiervoor gebruikt moeten worden; dat is echt aan de sector zelf. De staatssecretaris gaat graag met de sector in gesprek over hoe zij zicht op veiligheid organiseren, maar niet over welk instrument daarvoor wordt gehanteerd.
Mevrouw Coenradie (JA21):
Wij hebben hier toch echt wel een probleem. Waar ligt nou precies de verantwoordelijkheid van deze minister? Ik mis de regie. We kunnen wel zaken overlaten aan de sector, maar van de sector weten we op dit moment dat het daar niet loopt. Nogmaals, ze voldoen niet aan de kwaliteitsnormen. Dan kunnen we hier wel steeds doorverwijzen naar een ander ministerie … Dat is het eeuwige gekonkel tussen JenV en VWS en VWS en JenV. Stop hier nou eens mee, en pak nou gewoon eens de regie! Dát is wat ik vraag van het kabinet.
Minister Sterk:
Volgens mij pakken wij de regie, want we zijn heel hard bezig met de toekomstscenario's. Die zijn juist bedoeld om die hele keten op orde te krijgen en te zorgen dat er zo snel mogelijk actie wordt ondernomen als er mensen in gevaar zijn of kinderen in gevaar zijn. Ik heb u ook toegezegd u daar voor de zomer over te informeren. Ik zal in ieder geval uw zorgen onder de aandacht brengen bij de staatssecretaris. Wij komen daar later op terug, in die brief voor de zomer.
De voorzitter:
De motie op stuk nr. 298: ontraden.
Minister Sterk:
Voorzitter. De motie op stuk nr. 299 van het lid Westerveld over de regionale huisvestingsplannen geef ik oordeel Kamer. Ik onderschrijf de strekking van de motie en het belang van het Nationaal Actieplan Dakloosheid. Ik werk op dit moment ook uit hoe ik invulling kan geven aan de aanbevelingen uit de evaluatie. Ik kan u in het najaar, voor het commissiedebat van 11 november, informeren over mogelijk aanvullende maatregelen die het kabinet wil nemen.
De voorzitter:
De motie op stuk nr. 299: oordeel Kamer.
Minister Sterk:
De motie op stuk nr. 300 van het lid Westerveld over minimumvereisten voor opvang is overbodig. Dat is eigenlijk op dit moment al zo.
De voorzitter:
De motie op stuk nr. 300 is overbodig, maar dit lokt toch nog een vraag uit.
Mevrouw Westerveld (PRO):
Ja, want ik zie enorme verschillen tussen opvangplekken. Sommige zijn echt totaal ongeschikt voor vrouwen, maar ook voor kinderen. Ik hoor zelfs verhalen van vrouwen die maar weer teruggaan naar de onveilige situatie omdat ze in de opvanglocatie sociaal onveilig zijn of gewoon geen fijne plek hebben. Er zijn ook plekken die helemaal ongeschikt zijn om kinderen op te vangen. Vandaar zou mijn verzoek zijn om met elkaar minimumvereisten vast te stellen, of misschien wat hogere minimumeisen — ik wil dat woord ook best toevoegen — omdat er nu echt enorm grote verschillen zijn.
Minister Sterk:
Ik ben inderdaad met gemeenten in gesprek om hier meer uniformiteit in te krijgen, ook in het kader van het houdbaarheidsonderzoek van de Wmo. We zijn ook aan het kijken of we daar meer zaken voor moeten gaan vastleggen. Wat betreft het aantal opvangplekken zijn er per 2026, maar dat weet u volgens mij ook wel, extra financiële middelen beschikbaar gesteld om meer opvangplekken te kunnen realiseren. De branchevereniging heeft zelf natuurlijk ook een normenkader opgesteld en daarin ook een keurmerk vrouwenopvang vastgesteld. Volgens mij is het dus overbodig, maar het natuurlijk aan uzelf om te beoordelen of u uw motie overeind wilt houden.
De voorzitter:
De motie op stuk nr. 300: overbodig. U kunt geen extra vraag stellen, mevrouw Westerveld. Heeft u iets anders?
Mevrouw Westerveld (PRO):
Ja, ik houd de motie aan.
De voorzitter:
U houdt de motie aan. Waarvan akte.
Op verzoek van mevrouw Westerveld stel ik voor haar motie (28345, nr. 300) aan te houden.
Daartoe wordt besloten.
De voorzitter:
Gaat u verder, minister.
Minister Sterk:
Dan de motie op stuk nr. 301, over de toegankelijkheid van de zorg voor slachtoffers. Die wil ik ontraden. Wat zij vraagt, is allemaal niet nodig, omdat dat al gebeurt. Op die tolkenvoorzieningen wordt nu ingezet en op cultuursensitiviteit zetten we ook in. En waar het gaat om verdere investeringen, vraagt dat om meer middelen en die zijn op dit moment niet beschikbaar. Dus ik ontraad de motie.
De voorzitter:
De motie op stuk nr. 301: ontraden.
Minister Sterk:
Dan de motie op stuk nr. 302 van onder anderen, maar in ieder geval zeker het lid Becker met het verzoek een samenhangend juridisch kader te maken rondom de domestic violence protection orders en de Kamer binnen een halfjaar hierover te informeren. Die krijgt oordeel Kamer. De minister van Justitie en Veiligheid zal de Kamer in het eerste kwartaal van 2027 informeren over de uitkomsten en de voorgestelde vervolgstappen.
De voorzitter:
De motie op stuk nr. 302: oordeel Kamer.
Minister Sterk:
De motie op stuk nr. 303, ook van onder anderen het lid Becker, verzoekt om het slachtofferdevice landelijk uit te rollen in het voorjaar van 2027. Ik wil die oordeel Kamer geven, maar ik wil er wel één opmerking bij maken, namelijk dat je een slachtofferdevice niet preventief kan inzetten. Dat is nou eenmaal niet mogelijk, gezien de aard van het instrument. Je kan het natuurlijk wel heel goed inzetten in combinatie met die enkelband bij de pleger. Deze kan ook alleen worden opgelegd door een rechter in het kader van een schorsing van de voorlopige hechtenis of straf. Er is dus altijd wel een gerechtelijke uitspraak nodig. Een alternatief dat wel preventief ingezet kan worden als er nog geen enkelband bij de pleger is, is de AWARE-noodknop. Maar goed, onderaan de streep gaan we kijken of we dit kunnen doen, maar wel even onder dat voorbehoud.
De voorzitter:
Mevrouw Becker, bent u het eens met deze interpretatie?
Mevrouw Becker (VVD):
Ja, ook omdat de minister een andere motie, met het verzoek om te onderzoeken hoe meer preventieve orders opgelegd zouden kunnen worden, oordeel Kamer heeft gegeven.
Minister Sterk:
Ja, precies.
Mevrouw Becker (VVD):
Als dat zover is, zou ik onderzocht willen hebben of dat elektronische device dan ook op die manier ingezet kan worden. Dus ik ben het ermee eens. Ik kan me erbij aansluiten.
De voorzitter:
Oké, dan heeft de motie op stuk nr. 303 oordeel Kamer.
Minister Sterk:
Dan de motie op stuk nr. 304, ook van het lid Becker. Dat is oordeel Kamer. Dat gaan we gewoon doen, de wettelijke kaders voor de landelijke regie.
De voorzitter:
De motie op stuk nr. 304: oordeel Kamer.
Minister Sterk:
Dan de motie op stuk nr. 305 met het verzoek om in gesprek te gaan met de IGJ. Ook oordeel Kamer wat mij betreft.
De voorzitter:
De motie op stuk nr. 305: oordeel Kamer.
Minister Sterk:
Dan de toch wel een beetje verwachte motie van de heer Van Dijk over mannenmishandeling, naar aanleiding van het debat dat we daarover hadden. Wat mij betreft ook oordeel Kamer. De Nationaal Coördinator gaat een actieplan maken tegen geweld tegen vrouwen, maar mannenmishandeling moet daar wat mij betreft ook een plaats in krijgen.
De voorzitter:
De motie op stuk nr. 306: oordeel Kamer.
Minister Sterk:
De motie op stuk nr. 307, over maatregelen voor dakloze gezinnen, wil ik ontraden. Dat ligt er niet in dat de problematiek van dakloze gezinnen mij niet aan het hart zou gaan, want die gaat mij natuurlijk ook aan het hart. Maar het is uiteindelijk wel een lokale aangelegenheid. Het lastige van de problematiek van die gezinnen is natuurlijk ook dat die heel sterk uiteenloopt en dat je daar niet zomaar één soort mal op kunt leggen. Het dus ook aan gemeentes om die gezinnen goed in kaart te brengen en op basis van maatwerk in te schatten hoe zo'n gezin geholpen kan worden. Het goede nieuws is wel dat gisteren de Wet versterking regie volkshuisvesting is aangenomen. Onderdeel van die wet is dat dakloze gezinnen met kinderen in aanmerking moeten komen voor urgentie. Dat zie ik als een hele belangrijke oplossing voor deze gezinnen, omdat zij vaak vooral een woonplek nodig hebben. Ik heb eerder ook in een bestuurlijk overleg met de VNG gesproken en gezegd dat de situatie van dakloosheid op zichzelf nooit een reden mag zijn om een Veilig Thuismelding te doen en kinderen van ouders te scheiden. De VNG heeft hierbij toegezegd dat hier inderdaad ook geen sprake van mag zijn.
De voorzitter:
De motie op stuk nr. 307: ontraden.
Minister Sterk:
De motie op stuk nr. 308 van het lid Van Brenk wil ik ontraden, omdat het niet past bij het decentrale karakter van de Wmo. Maar we zijn er wel mee bezig om een meer gelijkgericht aanbod van mantelzorgondersteuning te krijgen, waarbij je inderdaad toch een soort van kaders geeft richting gemeentes waar de mantelzorgondersteuning aan zou moeten voldoen. Dat is ook een afspraak die volgt uit het HLO. Daar hebben we ook middelen voor beschikbaar gesteld.
De voorzitter:
De motie op stuk nr. 308: ontraden.
Minister Sterk:
De motie op stuk nr. 309 van het lid Van Brenk krijgt wat mij betreft oordeel Kamer. Ik ben inderdaad heel erg blij met de resultaten van de beide projecten die u noemde. Ik heb ze in ontvangst genomen. Ik denk dat het ontzettend belangrijk is dat we het onder de aandacht brengen. Het is ook onderdeel van de brief die ik onlangs heb gestuurd over aanpak van zorgfraude.
De voorzitter:
De motie op stuk nr. 309: oordeel Kamer.
Minister Sterk:
De motie op stuk nr. 310, van het lid Synhaeve, wil ik heel graag overnemen. Ik denk dat het inderdaad ontzettend belangrijk is om dit op te lossen. Ik ben hierover ook in gesprek met de VNG, mede naar aanleiding van een eerdere motie-Van den Hil. Ik zal me er ten volle voor inzetten om voor het einde van het jaar met een oplossing te komen.
De voorzitter:
De motie op stuk nr. 310 wordt overgenomen.
Minister Sterk:
De motie op stuk nr. 311, van het lid Armut, en trouwens ook een heleboel andere leden, ging over het lage aantal meldingen van genitale verminking. Die wil ik graag oordeel Kamer geven.
De voorzitter:
De motie op stuk nr. 311: oordeel Kamer. Ik had bij de motie op stuk nr. 310 nog even moeten checken bij de aanwezige leden of iemand zich ertegen verzet dat die motie overgenomen wordt. Het lid zelf?
Mevrouw Synhaeve (D66):
Ik vind het fijn om 'm wel in stemming te brengen. Ik zie namelijk dat het echt een groot probleem is. We hebben het op papier goed geregeld, maar in de praktijk echt niet. Ik ben ontzettend blij met het enthousiasme van de minister, maar ik vind het belangrijk om 'm alsnog in stemming te brengen.
De voorzitter:
U wilt 'm als een aanmoediging in stemming brengen. Dan zijn er nog een aantal vragen te beantwoorden.
Minister Sterk:
Ja. Heel goed, voorzitter. Eerst zijn er drie vragen gesteld door mevrouw Van Meetelen. De eerste is of ik kan toezeggen om uit te werken dat er nog maar sprake is van één regievoerder. Ik meen dat u dat ook heeft ingebracht in het debat dat we hierover hadden, mevrouw Van Meetelen. Ik denk dat het inderdaad heel erg belangrijk is dat het, als het gaat over huiselijk geweld, duidelijk is waar de regie ligt. Maar dat verschilt wel per casus en context. Het is daarom vooral heel erg belangrijk dat er in alle regio's samenwerkingsafspraken zijn, denk ik. Daar zijn ook al best wel goeie voorbeelden van. Dus ja, ik ben het ermee eens dat het duidelijk moet zijn waar de regie ligt, maar dat hoeft niet altijd dezelfde regievoerder te zijn. Dat is, denk ik, echt per casus en context anders.
U had ook een vraag over de landelijke minimumnormen. Daar ben ik mee aan de slag. Ik ben het met u eens. We doen dat bij het houdbaarheidsonderzoek. Het zou inderdaad niet moeten uitmaken waar je woont.
Dat is eigenlijk ook meteen een antwoord op uw derde vraag: hoe kunnen we het slachtoffer bescherming geven die niet afhankelijk is van de postcode van de pleger. Bij bescherming wordt altijd de beschermingsbehoefte van het slachtoffer in beeld gebracht. Het moet niet uitmaken waar je woont.
De voorzitter:
Mevrouw Van Meetelen wil daar nog één vraag over stellen.
Mevrouw Van Meetelen (PVV):
Ja, voorzitter, één vraag. Het klopt natuurlijk dat de minister zegt dat het per casus verschilt. Maar dat is nou juist het probleem. Er moet juist één lijn komen in hoe je op dat soort momenten actie gaat ondernemen. Dat is eigenlijk wat ik vraag. Dat is er nou juist niet. Daardoor wordt er dus verschillend gewerkt en krijg je dus ook verschillen per regio in hoe ermee omgegaan wordt. Daardoor hebben we hier dus helaas ook hele verschrikkelijke casussen te bespreken. Ik vraag om landelijke regie met een eindverantwoordelijke. Ik wil dat er duidelijk wordt gezegd: dáár ligt het uiteindelijk.
Minister Sterk:
Ik heb volgens mij net gereageerd op uw verzoek. Volgens mij hebben we hier ook al een debat over gehad. Ik denk dat we er gewoon van mening over verschillen hoe je dit goed moet organiseren.
De voorzitter:
Ook dit wordt vervolgd in een volgend debat, denk ik. Gaat u verder.
Minister Sterk:
Voorzitter. Dan heb ik ten slotte nog één vraag van het lid Armut, die ook in het debat aan de orde kwam: laten we nou niet alleen een onderzoek doen, maar ook actie ondernemen om juist ook ouderenmishandeling tegen te gaan. Daar ben ik het zeer mee eens. Ik zou eigenlijk alleen wel willen kijken of we dat in het actieplan van de Nationaal Coördinator zouden kunnen doen, want ook dat moet een actieplan worden en dat gaat ook over geweld. Wat mij betreft moet dat ook een integrale benadering zijn en gaat dat óók over geweld tegen ouderen.
De voorzitter:
Dan is alles voor dit debat afgewikkeld.
De beraadslaging wordt gesloten.
De voorzitter:
Ik schors de vergadering voor een kort moment.
De vergadering wordt enkele ogenblikken geschorst.