Inbreng verslag schriftelijk overleg : Inbreng verslag van een schriftelijk overleg over de geannoteerde agenda Landbouw- en Visserijraad 28 en 29 september 2026 (Kamerstuk 21501-32-1834)
2026D44922 INBRENG VERSLAG VAN EEN SCHRIFTELIJK OVERLEG
Binnen de vaste commissie voor Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur hebben
de onderstaande fracties de behoefte vragen en opmerkingen voor te leggen aan de Minister
van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur over zijn brief van 14 september
2026 «Geannoteerde agenda Landbouw- en Visserijraad 28 en 29 september 2026» (Kamerstuk
21 501-32, nr. 1834).
De voorzitter van de commissie,
Steen
De griffier van de commissie,
Jansma
Inhoudsopgave
I
Vragen en opmerkingen vanuit de fracties
Vragen en opmerkingen van de leden van de D66-fractie
Vragen en opmerkingen van de leden van de VVD-fractie
Vragen en opmerkingen van de leden van de PRO-fractie
Vragen en opmerkingen van de leden van de PVV-fractie
Vragen en opmerkingen van de leden van de CDA-fractie
Vragen en opmerkingen van de leden van de JA21-fractie
Vragen en opmerkingen van de leden van de PvdD-fractie
Vragen en opmerkingen van de leden van de BBB-fractie
II
Antwoord/Reactie van de Minister en Staatssecretaris van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid
en Natuur
III
Volledige agenda
I Vragen en opmerkingen vanuit de fracties
Vragen en opmerkingen van de leden van de D66-fractie
De leden van de D66-fractie hebben met interesse kennisgenomen van de geannoteerde
agenda voor de Landbouw- en Visserijraad van 28 en 29 september 2026 en van het BNC-fiche
over het Actieplan voor het EU-eiwitsysteem. Deze leden zien dat Europa keuzes maakt
die bepalend zijn voor de gezondheid van mensen, de kwaliteit van bodem, water en
natuur en het toekomstperspectief van boeren en vissers. Zij zijn ervan overtuigd
dat vereenvoudiging en een hoog beschermingsniveau hand in hand kunnen gaan, en dat
Nederland daarin het voortouw kan nemen. Zij hebben nog enkele vragen.
De leden van de D66-fractie constateren dat het Omnibusvoorstel niet op de agenda
van deze Raad staat, maar dat op 14 september 2026 in de Anticigroep is gesproken
over compromisvoorstellen van het Iers voorzitterschap en dat een raadsakkoord in
het Comité van Permanente Vertegenwoordigers (COREPER) op korte termijn mogelijk is.
Deze leden zien dat de Raadspositie op onderdelen een verbetering is ten opzichte
van het Commissievoorstel, zoals het behoud van een beperkte goedkeuringstermijn voor
reguliere stoffen en een expliciete taak voor de European Food Safety Authority (EFSA)
om wetenschappelijke literatuur en monitoringgegevens periodiek te beoordelen. Tegelijkertijd
zien zij onderdelen die het beschermingsniveau onder druk zetten, zoals het vrijblijvend
maken van uitfaseringsplannen onder artikel 4(7), het schrappen van de eisen uit het
Biodiversiteitsverdrag bij het vaststellen van maximumresiduniveaus (MRL’s) en het
vergemakkelijken van markttoegang voor nog niet goedgekeurde stoffen die geen biocontrolstof
zijn. Kan de Staatssecretaris per onderdeel aangeven wat de Nederlandse inzet was,
wat daarvan in de tekst is terechtgekomen en wat niet? Waarom verwacht het kabinet
dat dit het best haalbare resultaat is? Welke alternatieven, zoals het samen met gelijkgezinde
lidstaten vormen van een blokkerende minderheid of het bepleiten van uitstel, zijn
overwogen en hoe ziet het krachtenveld eruit?
De leden van de D66-fractie vragen de Staatssecretaris bij deze vragen nadrukkelijk
af te stemmen met de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS). Welke gezondheidsrisico’s
ziet de Minister van VWS in het voorliggende compromis? Hebben het Rijksinstituut
voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM) of de Gezondheidsraad hierover geadviseerd?
Zo nee, is het kabinet bereid dat advies alsnog te vragen? Hoe wordt geborgd dat nieuwe
inzichten over bijvoorbeeld neurodegeneratieve aandoeningen, hormoonverstorende eigenschappen
en de cumulatieve effecten van mengsels tijdig leiden tot herbeoordeling, ook bij
langere goedkeuringstermijnen? Is het kabinet bereid zich ervoor in te zetten dat
de EFSA-monitoring wordt verbonden aan een signaleringssysteem met een verplichting
tot opvolging? Wat betekent het compromis voor de bescherming van omwonenden, telers
en kinderen?
De leden van de D66-fractie zien grote kansen in innovatie. Een groene route voor
biologische gewasbescherming helpt boeren aan veilige alternatieven en versterkt de
strategische autonomie van Europa. Hoe zet het kabinet zich in voor een snelle toelating
van biocontrolstoffen, zonder dat stilzwijgende wederzijdse erkenning de mogelijkheid
van Nederland ondermijnt om strengere eisen te stellen? Is het kabinet voornemens
gebruik te maken van de mogelijkheid tot afmelding?
De leden van de D66-fractie hechten grote waarde aan onafhankelijke wetenschappelijke
adviezen als fundament van het visserijbeleid. Gezonde visbestanden zijn de voorwaarde
voor een toekomstbestendige visserij en voor vissers die ook over twintig jaar nog
kunnen vissen. Deze leden constateren dat de betrouwbaarheid van de adviezen van de
International Council for the Exploration of the Sea (ICES) in het debat geregeld
ter discussie wordt gesteld. Deelt de Staatssecretaris de opvatting dat de ICES-adviezen
de best beschikbare en meest onafhankelijke wetenschappelijke basis vormen voor het
vaststellen van vangstmogelijkheden? Kan hij toelichten hoe deze adviezen tot stand
komen en welke kwaliteitsborging en internationale peer review daarop van toepassing
zijn?
De leden van de D66-fractie lezen dat het kabinet de sociaaleconomische impact zorgvuldig
wil meewegen en dat een voorzorgsbenadering niet automatisch tot reducties moet leiden.
Hoe borgt de Staatssecretaris dat deze weging niet structureel leidt tot vangstmogelijkheden
boven het wetenschappelijk advies? Hoe zorgt het kabinet ervoor dat de dataverzameling
en monitoring waarop deze adviezen rusten robuust gefinancierd blijven, mede in het
licht van het nieuwe artikel 2b over het reserveren van middelen voor controle, handhaving
en dataverzameling?
Ten aanzien van de sectorale verordening voor het Gemeenschappelijk Visserijbeleid
(GVB) steunen de leden van de D66-fractie investeringen in energietransitie, veiligheid
en innovatieve vangsttechnieken. Hoe wordt geborgd dat steun voor de aanschaf van
nieuwe vaartuigen en de uitzondering op het capaciteitsplafond niet leiden tot een
toename van visserijdruk? Hoe wordt het «do no significant harm»-principe voor visserijprojecten
concreet ingevuld en hoe zorgt het kabinet ervoor dat de verordening volledig aansluit
bij het akkoord van de World Trade Organization (WTO) over schadelijke visserijsubsidies?
De leden van de D66-fractie verwelkomen het actieplan voor het EU-eiwitsysteem. Minder
afhankelijkheid van geïmporteerde soja, meer eiwitgewassen van eigen bodem en ruimte
voor nieuwe eiwitten zijn goed voor boeren, klimaat en de strategische autonomie van
Europa. Hoe zet het kabinet zich in Europees verband in voor snellere en transparantere
toelatingsprocedures voor novel foods, zoals precisiefermentatie en kweekvlees? Hoe
wordt de Nederlandse ambitie van een 50/50-verhouding tussen plantaardige en dierlijke
eiwitten in 2030 verbonden aan het actieplan? En ziet het kabinet in de herziene aanbestedingsrichtlijn,
die publieke inkopers ruimte geeft voor duurzaamheid en een eerlijke vergoeding voor
boeren, een kans om de vraag naar duurzame Europese eiwitten te versterken?
Vragen en opmerkingen van de leden van de VVD-fractie
De leden van de VVD-fractie hebben kennisgenomen van de geannoteerde agenda voor de
Landbouw- en Visserijraad van 28 en 29 september 2026. Zij hebben hierover de volgende
vragen.
Gemeenschappelijk Landbouwbeleid na 2027
De onderhandelingen over het Gemeenschappelijk Landbouwbeleid (GLB) na 2027 zijn inmiddels
in een belangrijke fase beland. De leden van de VVD-fractie vinden het belangrijk
dat het nieuwe GLB ruimte blijft bieden aan ondernemerschap, innovatie en verduurzaming.
Daarbij moet niet worden voorgeschreven hoe een boer een doel moet bereiken, maar
moet het resultaat centraal staan. Hoe zet de Minister zich ervoor in dat groene doelen
in het toekomstige GLB resultaatgericht en technologieneutraal worden vormgegeven
en hoe voorkomt hij dat verdere vergroening leidt tot onnodige regeldruk voor boeren?
De leden van VVD-fractie vragen daarnaast aandacht voor het verdienvermogen en de
productiecapaciteit van de Europese landbouw. Bij de verdere vergroening van het GLB
moet voldoende rekening worden gehouden met de marktvraag en de positie van Europese
boeren op de wereldmarkt. Voedselzekerheid en het behoud van Europese productiecapaciteit
moeten daarbij een duidelijke plek krijgen. Welke inzet pleegt de Minister hierop
in de verdere onderhandelingen? Kan hij aangeven welke Nederlandse prioriteiten hij
op dit moment het zwaarst laat meewegen? Nederland heeft in deze fase nog invloed
op de uitkomst van de onderhandelingen. De VVD-fractie wil daarom weten op welke punten
Nederland nog wijzigingen probeert aan te brengen voordat de lidstaten tot een gezamenlijk
akkoord komen.
Marktsituatie en Actieplan Meststoffen
Boeren worden geconfronteerd met hogere kosten voor energie en meststoffen en met
onzekerheden als gevolg van geopolitieke ontwikkelingen en extreem weer. De Europese
Unie stelt 540 miljoen euro beschikbaar voor boeren die hierdoor worden geraakt. Voor
Nederland gaat het om 14,9 miljoen euro. De leden van VVD-fractie kunnen zich vinden
in de voorgestelde inzet van deze middelen via een toeslag op de GLB-basisinkomenssteun,
gekoppeld aan het aantal hectares. Dit is een relatief eenvoudige manier om boeren
tegemoet te komen zonder nieuwe administratieve lasten te creëren. Ook voor de langere
termijn is voldoende beschikbaarheid van betaalbare meststoffen van belang. De Europese
Unie is op dit moment voor een deel afhankelijk van import uit derde landen. De leden
van VVD-fractie vinden het daarom belangrijk dat de Europese productie van meststoffen
wordt versterkt om afhankelijkheid verder te beperken. Welke inzet pleegt de Minister
binnen het Actieplan Meststoffen om de beschikbaarheid en betaalbaarheid van meststoffen
te verbeteren en hoe kijkt hij aan tegen het versterken van de Europese productiecapaciteit?
De leden van VVD-fractie zien daarnaast kansen voor circulaire alternatieven zoals
RENURE. Door nutriënten uit dierlijke mest beter te benutten kan de afhankelijkheid
van kunstmest worden verminderd. Welke mogelijkheden ziet de Minister om de toepassing
van RENURE verder op te schalen? Welke Europese belemmeringen staan dit op dit moment
nog in de weg en welke inzet pleegt Nederland om deze weg te nemen?
Vangstmogelijkheden 2027
Voor de Nederlandse visserij zijn de onderhandelingen over de vangstmogelijkheden
voor 2027 van groot belang. De leden van VVD-fractie steunen de inzet van de Staatssecretaris
voor eerlijke verdelingsakkoorden met andere kuststaten, waarbij het bestaande aandeel
van de Europese Unie wordt beschermd. Hoe zet de Staatssecretaris zich hiervoor in
bij de onderhandelingen met het Verenigd Koninkrijk en Noorwegen? Welke uitgangspositie
heeft Nederland hierbij?
De leden van VVD-fractie willen daarnaast voorkomen dat de positie van Nederlandse
vissers binnen de Europese verdeling verder onder druk komt te staan. In dat verband
vragen deze leden specifiek aandacht voor de Haagse Preferenties. Welke inzet pleegt
Nederland samen met andere lidstaten om te voorkomen dat Ierland via de Haagse Preferenties
extra quota krijgt en dit ten koste gaat van Nederlandse vangstmogelijkheden? Welke
lidstaten trekken hierin met Nederland op?
Franse 12-mijlszone
De Franse regering heeft een consultatie gestart met het oog op een beperking van
de visserij door schepen van 25 meter en langer binnen de Franse 12-mijlszone. Voor
Nederlandse vissers zijn hierbij de historische toegangsrechten in het Kanaal van
belang. De leden van VVD-fractie vinden het belangrijk dat dergelijke rechten niet
zomaar ter discussie worden gesteld en dat maatregelen worden gebaseerd op de daadwerkelijke
gevolgen voor visbestanden en visserij, en niet uitsluitend op de omvang van een schip.
Hoe beoordeelt de Staatssecretaris de Franse plannen en welke inzet pleegt hij om
de Nederlandse belangen en bestaande toegangsrechten te beschermen? Is hij bereid
zich er in Europees verband voor in te zetten dat de voorgestelde beperking niet wordt
overgenomen?
Europese financiering visserij en aquacultuur
De Europese financiering voor de periode 2028–2034 moeten volgens de leden van VVD-fractie
ruimte bieden aan een toekomstbestendige visserijsector. Investeringen in verduurzaming,
modernisering en de energietransitie zijn daarvoor noodzakelijk. Deze leden vinden
het belangrijk dat het capaciteitsplafond dergelijke investeringen niet onnodig belemmert.
Kan de Staatssecretaris aangeven hoe hij zich hiervoor inzet in de onderhandelingen
over de toekomstige financiering?
Ook de voorwaarden voor investeringssteun verdienen aandacht. Ondernemers moeten voldoende
ruimte houden om te investeren in de toekomst van hun bedrijf en de vloot. Welke inzet
pleegt Nederland om ervoor te zorgen dat de voorwaarden voor investeringssteun voldoende
ruimte bieden voor dergelijke investeringen?
EMFAF
Tot slot vragen de leden van de VVD-fractie aandacht voor de resterende middelen binnen
het Europees Fonds voor Maritieme Zaken, Visserij en Aquacultuur (EMFAF). Vanuit dit
fonds is eerder een steunregeling voor de hoge brandstofkosten van de visserij gefinancierd.
Hoeveel middelen zijn op dit moment nog beschikbaar binnen het EMFAF? Welke mogelijkheden
zijn er om deze middelen in te zetten voor de Nederlandse visserijsector? Kan de Staatssecretaris
daarbij specifiek ingaan op de mogelijkheid om de bestaande regeling voor de hoge
brandstofkosten te verlengen? Zo ja, welke voorwaarden gelden hiervoor?
Vragen en opmerkingen van de leden van de PRO-fractie
De leden van de PRO-fractie hebben kennisgenomen van de geannoteerde agenda en de
relevante stukken voor de Landbouw- en Visserijraad. Zij zullen hun opmerkingen per
onderwerp uiteenzetten.
Omnibus Food & Feed
De leden van de PRO-fractie uiten wederom hun zorgen over de Omnibus Food & Feed.
De bescherming van onze gezondheid, ons water en het milieu staat op het spel als
de regels voor gevaarlijke stoffen en pesticidegebruik worden afgebroken. De leden
van de PRO-fractie willen inzage in het meest recente compromisvoorstel voor de Omnibus
Food & Feed en vragen om een duidelijk kabinetsstandpunt. Hoe zijn de aangenomen Kamermoties
en de inzichten van de wetenschapstoets afgewogen bij dit standpunt? Kan de regering
garanderen dat zij niet in zal stemmen met een voorstel zolang er geen gedegen impact
assessment is gedaan en blijkt dat publieke belangen niet in het geding komen? Deze
leden zijn niet overtuigd dat deze onderbouwing er ligt.
De leden van de PRO-fractie herinneren de Minister aan de uitgesproken wens van de
Kamer om zich uit te kunnen spreken over het kabinetsstandpunt over de Omnibus Food
& Feed. Op welke termijn verwacht de regering een stemming (op ambtelijk niveau) over
het voorstel? Hoe zet hij het parlement in positie om hier een oordeel over te vellen?
Als er een stemming wordt gepland, nog voordat de Kamer zich heeft uitgesproken, is
de Minister dan bereid een voorbehoud te maken totdat een debat heeft plaats kunnen
vinden over het compromisvoorstel? De leden van de PRO-fractie benadrukken dat dit
de wens van de Kamer is en terughoudendheid past bij een kabinet dat rust op steun
van een minderheidscoalitie.
GLB
De leden van de PRO-fractie hebben kennisgenomen van de voortgang op de onderhandelingen
over het GLB. Voor het is het uitgangspunt altijd dat publiek geld ten goede komt
van publieke doelen. De financiering van landbouwactiviteiten moet de sector verduurzamen,
bijdragen aan natuurherstel en een eerlijk verdienvermogen voor biologische boerenbedrijven
stimuleren. Op deze voorwaarden zullen deze leden de uitkomst van de onderhandelingen
beoordelen. Kan de Minister uitleggen hoe de aanpassingen van het GLB op deze drie
punten een verschil maken? Kan de Minister hard maken dat dit in positieve zin bijdraagt?
De leden van de PRO-fractie spreken waardering uit voor de inzet op het oormerken
van GLB-middelen voor artikel 10-maatregelen. Hiermee verzekert de Minister dat publieke
middelen worden ingezet voor bewezen effectieve eco-regelingen. Zij vragen de Minister
om nader toe te lichten hoe de Raad hier in de afgelopen periode is verschoven naar
het Nederlandse standpunt. In hoeverre wijkt het meerderheidsstandpunt af van de originele
Nederlandse inzet? Is er nog ruimte om verder te onderhandelen?
Visserij
De leden van de PRO-fractie hebben gelezen dat de Staatssecretaris een onderzoek naar
de standen van de bruinvis en de grijze zeehond heeft tegengesproken. Dit vinden deze
leden opmerkelijk. Zij vragen de Staatssecretaris om volledig en wetenschappelijk
onderbouwd toe te lichten op welke gronden hij het oneens is met de wetenschappers
van Wageningen University & Research (WUR) over de status van de bruinvis en de grijze
zeehond. Deelt de Staatssecretaris de mening dat afwijken van wetenschappelijke inzichten,
zonder waterdichte weerlegging van de feiten, afbreuk doet aan de onafhankelijke positie
van de wetenschappers? Wat zijn de gevolgen van dit verschil in inzicht? Heeft de
Staatssecretaris de ruimte om het oordeel dat hij heeft overgebracht aan de Europese
Commissie (EC) over de status van deze diersoorten nog te herzien of aan te vullen
als hij het door haar gecommuniceerde oordeel niet voldoende kan onderbouwen? Welke
gevolgen heeft het voor de bescherming van de bruinvis en de grijze zeehond dat de
Staatssecretaris, tegen het WUR-advies in, een positiever beeld schetst over hun status
dan de wetenschappers kunnen hardmaken? De leden van de PRO-fractie wijzen er op dat
de Staatssecretaris zelf het WUR-advies heeft aangevraagd. Waarom wijkt hij dan af
van de uitkomsten daarvan?
Vragen en opmerkingen van de leden van de PVV-fractie
Algemeen
De leden van de fractie van de PVV spreken hun grote zorgen uit over de aanhoudende
stroom aan Europese regelgeving, bureaucratie en klimaatdogma’s die over de Nederlandse
boeren, tuinders en vissers wordt uitgestort. In plaats van de voedselzekerheid en
het verdienvermogen van onze agrarische sector centraal te stellen, lijken de voorstellen
vanuit de EU nog steeds doordrenkt van duurzaamheidsdoelstellingen en betuttelende
voorschriften. De leden van de PVV-fractie benadrukken dat Nederlandse boeren en vissers
tot de meest efficiënte en innovatieve ter wereld horen en dat zij beschermd moeten
worden tegen doorgeslagen Europese bemoeizucht. De leden van de PVV-fractie vragen
of de Minister van LVVN kan toelichten hoe de Nederlandse inzet in Brussel borgt dat
het verdienvermogen van Nederlandse boeren en vissers niet verder onder druk komt
te staan door Europese eisen. De leden van de PVV-fractie vragen of de Minister bereid
is om in de Raad van de Europese Unie krachtig positie te nemen tegen elke vorm van
extra regeldruk en administratieve lasten die voortvloeit uit Europese initiatieven.
Geannoteerde agenda Landbouw- en Visserijraad 28 en 29 september 2026
De leden van de PVV-fractie constateren dat het Iers voorzitterschap koerst op een
gedeeltelijke algemene oriëntatie over de verordening voor het toekomstige GLB in
oktober 2026. De leden van de PVV-fractie vragen hoe de Minister garandeert dat de
flexibiliteit en subsidiariteit binnen het GLB daadwerkelijk leiden tot minder bureaucratie
op het boerenerf en niet tot een verkapte herintroductie van strenge Europese milieuvoorwaarden.
De leden van de PVV-fractie vragen of de Minister bereid is om strikt vast te houden
aan het principe dat GLB-gelden in de eerste plaats bedoeld zijn als inkomenssteun
en marktondersteuning voor boeren, en niet voor het financieren van ideologische klimaat-
en natuurprojecten.
Marktsituatie, in het bijzonder na de invasie van Oekraïne
De leden van de PVV-fractie nemen kennis van de marktsituatie en het Europese steunpakket
van 540 miljoen euro uit de landbouwreserve naar aanleiding van het Actieplan Meststoffen,
waarvan 14,895 miljoen euro is toegewezen aan Nederland. Het kabinet stelt voor om
deze steun als een top-up op de basisinkomenssteun uit te keren aan grondgebonden
landbouwers (Brief van de Minister en Staatssecretaris van LVVN van 14 september 2026,
Kamerstuk 21 501-32, nr. 1834). De leden van de PVV-fractie vragen of de Minister kan onderbouwen waarom gekozen
is voor een top-up op de basisinkomenssteun van grondgebonden landbouwers en in hoeverre
niet-grondgebonden sectoren die eveneens hard getroffen zijn door hoge energie- en
grondstofprijzen hiermee buiten spel worden gezet. De leden van de PVV-fractie vragen
op welke wijze de Minister borgt dat de uitkering van deze middelen uiterlijk op 28 februari
2027 plaatsvindt zonder dat Nederlandse agrariërs worden geconfronteerd met ingewikkelde
aanvraagprocedures of vertragingen door uitvoeringsorganisaties. De leden van de PVV-fractie
vragen welke concrete stappen het kabinet zet in Europees verband om de verstoringen
op de Europese markt door importen uit Oekraïne tegen te gaan en de Nederlandse producenten
te beschermen.
Visserij: Onderhandelingen vangstmogelijkheden 2027 en het Europees Fonds voor Maritieme
Zaken, Visserij en Aquacultuur (EMFAF)
De leden van de PVV-fractie maken zich grote zorgen over de moeizame visserijonderhandelingen
met derde landen zoals het Verenigd Koninkrijk en Noorwegen. Verder zijn de leden
van de PVV-fractie ontstemd over de dreigende inzet van de zogeheten Haagse preferenties
door Ierland, wat zou leiden tot een oneerlijke herverdeling van visquota ten nadele
van Nederlandse vissers. De leden van de PVV-fractie vragen of de Staatssecretaris
van LVVN kan garanderen dat Nederland zich onvoorwaardelijk blijft verzetten tegen
het inroepen van de Haagse preferenties door Ierland, en welke bondgenoten Nederland
heeft verzameld om dit tegen te houden. De leden van de PVV-fractie vragen hoe de
Staatssecretaris duidt dat het wetenschappelijk advies van ICES voor Noordzeetong
een stijging van 98 procent laat zien, terwijl voor het oostelijke deel van het Kanaal
een daling van 87 procent wordt geadviseerd, en wat de sociaaleconomische gevolgen
hiervan zijn voor de Nederlandse kottervisserij. De leden van de PVV-fractie vragen
waarom het kabinet een wijziging van de verordening inzake het Europees Fonds voor
Maritieme Zaken, Visserij en Aquacultuur (EMFAF) niet noodzakelijk acht, terwijl Nederlandse
vissers dringend behoefte hebben aan ruimere ondersteuning voor vlootmodernisering
en verduurzaming zonder belemmerende Europese voorwaarden.
Gedeeltelijke algemene oriëntatie sectorale verordening Meerjarig Financieel Kader
De leden van de PVV-fractie nemen kennis van het voorstel voor de sectorale verordening
onder het Meerjarig Financieel Kader (MFK) 2028–2034 inzake visserij en het Nationaal-Regionaal
Partnerschapsplan (NRPP). De leden van de PVV-fractie vragen of de Staatssecretaris
kan toelichten waarom steun voor de aanschaf van nieuwe vissersvaartuigen groter dan
30 meter uitsluitend via financiële instrumenten zoals leningen mag lopen, en of dit
de concurrentiepositie van grotere Nederlandse schepen niet onevenredig benadeelt.
De leden van de PVV-fractie vragen op welke wijze de Staatssecretaris zal voorkomen
dat het vervallen van maximale steunpercentages leidt tot een ongelijk speelveld binnen
de EU waarbij andere lidstaten hun eigen visserijsector massaal gaan subsidiëren.
De leden van de PVV-fractie vragen hoe de Staatssecretaris borgt dat de voorgestelde
uitzondering op het capaciteitsplafond voor energietransitie en veiligheid aan boord
in de praktijk werkbaar is en niet door Europese regelgeving wordt gecastreerd.
Ministeriële lunch over het Actieplan Meststoffen
De leden van de PVV-fractie steunen het streven naar strategische autonomie voor kunstmest
en nutriënten in Europa, maar benadrukken dat het Nederlandse kunstmestvervangingspotentieel
eindelijk volledig benut moet kunnen worden zonder belemmerende EU-regels. De leden
van de PVV-fractie vragen of de Minister tijdens de lunchbijeenkomst ondubbelzinnig
de snelle en volledige toelating van RENURE-producten als kunstmestvervangers zal
eisen bij de EC.
Fiche: Mededeling Routekaart voor de uitfasering van dierproeven voor chemische veiligheidsbeoordelingen
De leden van de PVV-fractie ondersteunen de verfijning en vermindering van dierproeven
waar betrouwbare alternatieven voorhanden zijn. Echter waarschuwen de leden van de
PVV-fractie voor doorgeslagen Europese regelzucht, het oprichten van nieuwe EU-overlegorganen
zoals een Roadmap Steering Team, en de risico’s voor de concurrentiepositie van de
Nederlandse chemie-, gewasbeschermings- en farmaceutische sector. De leden van de
PVV-fractie vragen of de Minister kan garanderen dat het uitfaseren van dierproeven
onder geen beding zal leiden tot het verbieden van essentiële stoffen of gewasbeschermingsmiddelen
zolang er geen volwaardige proefdiervrije testmethoden juridisch en wetenschappelijk
zijn geaccepteerd. De leden van de PVV-fractie vragen hoe het kabinet voorkomt dat
de introductie van nieuwe Europese governance-structuren en rapportage-indicatoren
leidt tot extra administratieve lasten en regeldruk voor het Nederlandse bedrijfsleven.
Fiche: Actieplan voor het EU-eiwitsysteem (Kamerstuk 2026Z18711)
De leden van de PVV-fractie zijn uitermate kritisch op het Actieplan voor het EU-eiwitsysteem
van de Europese Commissie (COM(2026) 355). De leden van de PVV-fractie verzetten zich
fel tegen de door de EU en het kabinet gepropageerde eiwittransitie die streeft naar
een 50/50-verhouding tussen plantaardige en dierlijke eiwitconsumptie. Dit is betutteling
van de burger en een directe aanval op onze gewaardeerde Nederlandse veehouderij en
zuivelsector. De leden van de PVV-fractie vragen waarom het kabinet positief staat
tegenover een Europese strategie die streeft naar het sturen van consumentengedrag
en het terugdringen van dierlijke eiwitconsumptie. De leden van de PVV-fractie vragen
of de Minister kan toelichten waarom er EU-subsidies en Horizon Europa-gelden moeten
worden doorgesluisd naar kweekvlees, precisiefermentatie en «novel foods», terwijl
onze eigen traditionele veehouders worden verstikt door regelgeving. De leden van
de PVV-fractie vragen op welke wijze de Minister in Brussel zal opkomen voor het behoud
van een sterke, hoogwaardige Nederlandse veehouderijsector die niet mag worden opgeofferd
aan Europese eiwitideologieën.
Voortgang Europese onderhandelingen over het toekomstige GLB
De leden van de PVV-fractie constateren dat de onderhandelingen over het GLB na 2027
in een beslissende fase komen (Brief van de Minister van LVVN van 18 september 2026,
Kamerstuk 2026Z19271). De leden van de PVV-fractie wijzen er op dat Nederlandse boeren snakken naar vereenvoudiging,
regeldrukverlichting en het schrappen van onhaalbare Europese vergroeningseisen. De
leden van de PVV-fractie vragen waarom de Minister niet resoluut afstand neemt van
verplichte Europese groen- en klimaatdoelen binnen het GLB en kiest voor volledige
nationale beleidsvrijheid. De leden van de PVV-fractie vragen of de Minister kan toelichten
waarom Nederland overweegt in te stemmen met de verplichting om een Europese data-autoriteit
op te richten, en hoe dit zich verhoudt tot het voornemen om administratieve lasten
te beperken. De leden van de PVV-fractie vragen welke concrete resultaten de Minister
heeft geboekt om te borgen dat agrarische collectieven en individuele agrariërs in
Nederland zonder bureaucratische hindernissen aanspraak kunnen maken op GLB-gelden.
Verslag informele Landbouwraad 6–8 september 2026 te Dublin, Ierland
De leden van de PVV-fractie hebben kennisgenomen van het verslag van de informele
Landbouwraad in Dublin, waar is gesproken over innovatie in de veehouderij en klimaatadaptatie.
De leden van de PVV-fractie betreuren het dat Europese bijeenkomsten gedomineerd blijven
worden door klimaatretoriek en duurzaamheidsidealen, terwijl praktische knelpunten
van agrariërs naar de achtergrond verdwijnen. De leden van de PVV-fractie vragen op
welke wijze de Minister tijdens de informele Raad de dringende noodzaak heeft benadrukt
om Nederlandse agrariërs te verlossen van de verstikkende stikstofregels en vergunningenonzekerheid.
De leden van de PVV-fractie vragen of de Minister kan toelichten hoe de voorgestelde
instrumenten voor klimaatadaptatie en innovatie daadwerkelijk op het boerenerf terechtkomen
zonder dat boeren verdwalen in bureaucratische aanvraag- en controleprocedures.
SCoPAFF-vergadering gewasbeschermingsmiddelen september 2026
De leden van de PVV-fractie maken zich ernstige zorgen over de vergadering van het
Standing Committee on Plants, Animals, Food and Feed (SCoPAFF) van 24 en 25 september
2026. Het steeds verder inperken van het pakket aan gewasbeschermingsmiddelen zonder
dat er doeltreffende en betaalbare alternatieven zijn, brengt de Nederlandse agrarische
teelten en de voedselzekerheid in gevaar. De leden van de PVV-fractie vragen of de
Staatssecretaris kan toelichten wat de concrete impact is voor de Nederlandse bloemisterijsector
van het voorgenomen besluit om de goedkeuring van de werkzame stof buprofezine niet
te verlengen en toelatingen binnen 6 maanden in te trekken. De leden van de PVV-fractie
vragen waarom het kabinet voornemens is in te stemmen met de tijdelijke verlenging
van de goedkeuringsperiode van 26 werkzame stoffen vanwege vertraagde besluitvorming
bij de Europese Commissie, en of de Staatssecretaris kan garanderen dat deze stoffen
niet alsnog op termijn op oneigenlijke gronden worden verboden. De leden van de PVV-fractie
vragen waarom de Kamer op een extreem korte termijn geconfronteerd wordt met besluitvorming
over het nieuwe compromisvoorstel voor de Omnibus veiligheid van voedsel en diervoeder
in het COREPER op 23 september 2026, en hoe de Staatssecretaris borgt dat de parlementaire
controle hierbij niet buitenspel wordt gezet.
Overige
De leden van de PVV-fractie benadrukken tot slot dat de Nederlandse landbouw, veehouderij
en visserij steun en ruimte verdienen, en geen Europese belemmeringen. De leden van
de PVV-fractie verwachten dat het kabinet in Brussel pal staat voor de belangen van
onze Nederlandse voedselproducenten. De leden van de PVV-fractie vragen of de Minister
bereid is om de Tweede Kamer per omgaande en gedetailleerd te informeren over de exacte
uitkomsten en stemresultaten van de Landbouw- en Visserijraad van 28 en 29 september
2026.
Vragen en opmerkingen van de leden van de CDA-fractie
De leden van de CDA-fractie hebben kennisgenomen van de geannoteerde agenda van de
Landbouw- en Visserijraad van september en hebben hierbij nog enkele opmerkingen en
vragen.
De leden van de CDA-fractie hebben kennisgenomen van het voornemen van het kabinet
om onder andere de eco-regeling te versterken. Naar aanleiding van het uitkeren van
de eco-regelingen van 2025 zijn er veel bezwaren binnengekomen. Kan de Minister aangeven
hoe hij het versterken van de eco-regeling vormgeeft? Kan de Minister aangeven of
een evaluatie van Areaal Monitoring Systeem (AMS), dat is ingezet in plaats van het
menselijk oog, daar ook onderdeel van is? Wat is de status van de behandeling van
bezwaren op de resultaten van de eco-regelingen uit 2025?
De leden van de CDA-fractie horen graag de ontwikkelingen rondom de inzet van Nederland
in de onderhandelingen voor het nieuwe GLB. Er wordt gesproken over de wens om de
Natuurherstelverordening als wettelijk kader aan de GLB-interventie te koppelen wat
steun mogelijk maakt voor nadelen die voortvloeien uit de Kaderrichtlijn Water (KRW)
en de Vogel- en Habitatrichtlijn (VHR). Deze leden vragen wat dat concreet kan betekenen
en welke eventueel nadelige consequenties deze koppeling kan hebben.
De leden van de CDA-fractie vinden het goed dat bedrijven met maximaal 30 hectare
landbouwareaal zijn vrijgesteld van controles en sancties ten aanzien van de Goede
landbouw- en milieuconditie (GLMC) nummer 7. Dit verlicht de druk op kleinere en middelgrote
bedrijven. Deze leden hebben wel vragen over de late communicatie hierover en de wijze
waarop is gecommuniceerd. Waarom is de vrijstelling niet eerder actief gecommuniceerd
aan Kamer en sector, terwijl boeren hun bouwplan voor 2026 al in het najaar van 2025
maken? Is er zicht op hoeveel bedrijven bij het opstellen van hun bouwplan dit jaar
rekening hebben gehouden met rotatie-eisen, terwijl ze eind van de zomer vrijgesteld
bleken? Hoe gaat de Minister ervoor zorgen dat in de toekomst op tijd wordt gecommuniceerd
zodat er geen onduidelijkheid en onnodig werk voor ondernemers ontstaat?
De leden van de CDA-fractie hebben kennisgenomen van de berichtgeving dat de Staatssecretaris
nieuwe experimenten met pulsvisserij mogelijk maakt en hiervoor middelen uittrekt.
Wat wordt er gedaan voor de vissers die na het verbod hun schepen hebben omgebouwd
of hun pulsvisserijvergunning hebben verloren indien de techniek van pulsvisserij
terugkomt? Hoe wordt voorkomen dat zij worden benadeeld als de techniek terugkeert?
Zijn er andere lidstaten met een soortgelijk belang bij pulsvisserij met wie Nederland
kan optrekken? Is er de bereidheid tot een gezamenlijk initiatief?
Vragen en opmerkingen van de leden van de JA21-fractie
De leden van de JA21-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van de geannoteerde
agenda van de Landbouw- en Visserijraad van 22 september 2026 en de onderliggende
stukken. Deze leden hebben hierover nog enkele vragen.
De leden van de JA21-fractie zien de gevolgen van onder andere de afsluiting van de
Straat van Hormuz voor de beschikbaarheid en de prijzen van energie en meststoffen.
Deze leden benadrukken het belang van het verminderen van de afhankelijkheid van buitenlandse
energie en meststoffen. Een manier om deze afhankelijkheid te verminderen, is het
inzetten van RENURE als kunstmestvervanger. Deze leden constateren dat voor toepassing
van de RENURE een van de drie voorgeschreven productiemethoden moet worden gebruikt.
De leden van de JA21-fractie vragen of de Minister onderschrijft dat de eisen voor
RENURE vooral gericht moeten zijn op de kwaliteit en samenstelling van het product,
in plaats van op de productiemethode. Welke mogelijkheden ziet de Minister om toe
te werken naar technologieneutraliteit?
De leden van de JA21-fractie vragen aandacht voor de kosten van het afvoeren en verplaatsen
van mest. Deze leden vragen de Minister welk deel van de mestafzetkosten samenhangt
met transport en in hoeverre deze kosten kunnen worden verlaagd door mest op het eigen
bedrijf of in de regio beter te benutten.
De leden van de JA21-fractie vragen hoe het vervoer van mest over langere afstanden
zich verhoudt tot duurzame landbouw. Welke mogelijkheden ziet de Minister om transportbewegingen
te verminderen en welke rol kan de toepassing van RENURE hierbij spelen?
De leden van de JA21-fractie hebben met levendige interesse kennisgenomen de van de
brief over de voortgang van de Europese onderhandelingen over het toekomstige GLB,
van het verslag van de informele Landbouwraad van 6–8 september 2026 te Dublin en
van de overige geagendeerde stukken. Deze leden hebben daarover nog enkele vragen
en opmerkingen, in het bijzonder over de visserij en over de wijze waarop natuur-
en biodiversiteitsdoelen in het Europese landbouw- en visserijbeleid worden verankerd.
De leden van de JA21-fractie lezen dat de Minister zich blijft inzetten voor het toevoegen
van de Natuurherstelverordening als wettelijk kader aan de GLB-interventie die steun
mogelijk maakt voor nadelen uit wettelijke verplichtingen. De leden vrezen sowieso
dat de Natuurherstelverordening gaat leiden tot juridische fuiken die een gezonde
belangenafweging verhinderen en vragen het kabinet om dit risico te agenderen en in
Europa aan te sturen op een heroverweging, ook gezien de vreemde en ondemocratische
manier waarop die verordening is aangenomen. Zij vragen het kabinet verder om toe
te lichten wat dit volgens het kabinet zou betekenen. Worden hiermee GLB-middelen,
die bedoeld zijn voor inkomenssteun en verdienvermogen, ingezet om verplichtingen
uit de Natuurherstelverordening voor boeren te financieren en gaat dit ten koste van
de reguliere inkomenssteun? Zij vragen of het kabinet kan toezeggen dat het toevoegen
van dit kader uitsluitend dient ter compensatie van boeren voor opgelegde beperkingen
en niet als hefboom om aanvullende natuurverplichtingen via het GLB af te dwingen.
Marktsituatie en steunpakket uit de landbouwreserve
De leden van de JA21-fractie lezen dat uit het Europese steunpakket van 540 miljoen
euro een bedrag van 14,9 miljoen euro voor Nederland beschikbaar is en dat het kabinet
dit wil toevoegen aan de basisinkomenssteun aan grondgebonden landbouwers wil uitkeren.
Deze leden begrijpen de keuze voor een eenvoudige uitvoering, maar vragen of daarmee
de sectoren die het hardst worden geraakt door hogere energie- en meststofprijzen
niet relatief buiten de boot vallen. Zij vragen daarnaast om welk bedrag per hectare
het naar verwachting gaat. Zij wijzen erop dat ook de visserij volgens het verslag
van de informele Visserijraad in Cork zwaar wordt getroffen door stijgende brandstofkosten,
terwijl de steun aan vissers voor gestegen brandstofkosten uit de bestaande nationale
EMFAF-enveloppe moet komen. Zij vragen het kabinet hoeveel van de Nederlandse EMFAF-middelen
hiermee is ingezet. Zij vragen voorts hoeveel aanvragen in de eerste ronde van de
regeling «Steun voor gestegen bedrijfskosten visserij» zijn ingediend, of het budget
van 13,5 miljoen euro toereikend is voor beide rondes en of het kabinet bereid is
de regeling te verlengen als de brandstofprijzen na september hoog blijven, mede gezien
de aflopende geldigheid van het crisismechanisme eind 2026.
Visserij: onderhandelingen vangstmogelijkheden 2027
De leden van de JA21-fractie delen de zorg van de Staatssecretaris over de buitengewoon
stroeve en onplezierige onderhandelingen met het Verenigd Koninkrijk, Noorwegen en
de andere kuststaten de afgelopen jaren, zeker gezien de jarenlange overbevissing
van makreel. Zij vinden het niet wenselijk dat vier kuststaten in 2025 buiten de EU
om een akkoord over makreel sloten. Zij vragen welke concrete strategie de Commissie
en Nederland hebben om te voorkomen dat dit zich in 2026 herhaalt, welke drukmiddelen
de EU daarbij bereid is in te zetten.
De leden van de JA21-fractie steunen de inzet van het kabinet tegen het inroepen van
de Haagse preferenties door Ierland en constateren dat de Ierse sector tijdens de
informele Visserijraad in Cork opnieuw aandacht heeft gevraagd voor het niet toekennen
daarvan in december 2025. Zij vragen of het kabinet, nu Ierland het voorzitterschap
bekleedt en tegelijk belanghebbende is, signalen heeft dat opnieuw pogingen worden
ondernomen om de Haagse preferenties in te roepen en welke lidstaten de Nederlandse
lijn steunen. Is het kabinet nog altijd bereid tegen een verordening vangstmogelijkheden
te stemmen waarin de Haagse preferenties ten koste van Nederlandse vissers worden
toegepast?
De leden van de JA21-fractie hebben tevens met grote belangstelling kennisgenomen
van de ICES-adviezen, in het bijzonder de stijging van het advies voor Noordzeetong
met 98 procent en de daling van het advies voor wijting met 47 procent en voor schelvis
met 19,3 procent. Zij vragen het kabinet of het de stijging voor Noordzeetong volledig
wil vertalen in de vangstmogelijkheden voor 2027, of dat het kabinet, zoals in eerdere
jaren bij grote schommelingen is gebeurd, een gedempte verhoging voorziet. Welke verklaring
ziet de Staatssecretaris voor het contrast tussen de stijging voor Noordzeetong en
de daling voor tong in het oostelijk Kanaal en is ICES hierover om nadere duiding
gevraagd?
De leden van de JA21-fractie constateren dat de adviezen voor Noordzeetong en voor
tong in het oostelijk Kanaal precies de schommelingen aantonen waarvoor eerder aandacht
is gevraagd en waarop de toenmalige Staatssecretaris antwoordde grote voordelen te
zien in meerjarige quota, het punt op de Raadsagenda te hebben gezet en er in 2025
op terug te komen. Sindsdien lezen deze leden dat voor een aantal uitsluitend door
de EU beheerde bestanden wordt ingezet op meerjarige vaststelling, en dat Nederland
dit in de GVB-evaluatie meermaals heeft genoemd. Zij vragen de Staatssecretaris welke
bestanden dit nu betreft, welke lidstaten Nederland hierin steunen en of Nederland
bij de Commissie een schriftelijk voorstel heeft ingediend. Zij vragen of het kabinet
in de trilaterale consultaties met het VK en Noorwegen actief inzet op meerjarige
beheerafspraken voor gedeelde bestanden, in navolging van het beheerplan voor Noordzeeharing
en of en in hoeverre dat voor welke bestanden het komende jaar haalbaar wordt geacht.
De leden van de JA21-fractie lezen dat de Staatssecretaris streeft naar bevissing
op het niveau van de maximale duurzame opbrengst en de voorzorgsbenadering onderschrijft
voor soorten met weinig data, maar dat dit niet tot automatische reducties hoeft te
leiden. Deze leden steunen die lijn. Zij vragen voor welke voor Nederland relevante
bestanden nu een data-arm advies geldt.
De leden van de JA21-fractie vragen naar de stand van zaken rond de zeeduivel. Zij
vragen welk beheerregime het kabinet voor ogen heeft, of dit kan leiden tot een beperking
van de Nederlandse vangstmogelijkheden terwijl het bestand er naar eigen zeggen goed
voor staat en hoe het kabinet voorkomt dat een nieuwe beheerafspraak voor zeeduivel
voor de Nederlandse vloot een extra choke-risico oplevert. Voor welke soorten vreest
het kabinet nu dat risico van een «choke»? Geldt dat ook voor de daling van wijting?
De leden van de JA21-fractie constateren dat de adviezen voor de pelagische bestanden
op 30 september 2026 en voor kabeljauw op 9 oktober 2026 worden verwacht, dus na deze
Raad. Zij vragen het kabinet toe te zeggen de Kamer direct na publicatie van deze
adviezen te informeren over de Nederlandse inzet.
Europees Fonds voor Maritieme Zaken, Visserij en Aquacultuur
De leden van de JA21-fractie lezen dat een wijziging van de EMFAF-verordening is geagendeerd,
dat het achtergronddocument nog niet beschikbaar is en dat de wijziging voor Nederland
niet noodzakelijk is. Zij vragen het kabinet toe te lichten welke wijziging andere
lidstaten of de Commissie beogen en met welk doel. Deze leden constateren uit het
jaarverslag 2025 dat de benutting van het Nederlandse EMFAF-programma van 139,9 miljoen
euro tot dusver beperkt is en dat de uitbetaling bij de innovatieregelingen nog moest
beginnen, terwijl nu ook de brandstofregeling van 13,5 miljoen euro voor 70% uit het
EMFAF wordt gefinancierd. Zij vragen het kabinet een geconsolideerd overzicht te geven
van het al toegezegde, het al uitbetaalde en het nog vrije deel van het (Nederlandse)
budget. Deze leden wijzen erop dat de baseline-evaluatie van Technopolis uit 2025
al constateerde dat de budgetbesteding van de overheidsopdrachten sterk achterliep,
dat de innovatieregeling visserij door gebrek aan aanvragen minder dan de helft van
het budget toekende, dat de uitvoeringskosten in verhouding tot de output erg hoog
zijn, en dat de middelen binnen de fondsperiode moeten worden uitgegeven om een ophoping
van declaraties aan het einde te voorkomen. Zij vragen dan ook wat met deze vier aanbevelingen
is gedaan.
Sectorale verordening steun aan het GVB, het Oceaanpact en het maritiem en aquacultuurbeleid
(MFK 2028–2034).
De leden van de JA21-fractie delen de zorg dat door de nieuwe controleverordening
het aantal als ernstig aangemerkte inbreuken is toegenomen, waardoor onredelijk veel
vissers van subsidie kunnen worden uitgesloten of met terugvordering te maken kunnen
krijgen. Is het kabinet van mening dat proportionaliteit niet uitsluitend wordt overgelaten
aan een gedelegeerde handeling van de Commissie, maar dat het beter is om dat in de
verordening zelf vast te leggen? Zij vragen welke inzet Nederland heeft voor de inhoud
van die gedelegeerde handeling.
De leden van de JA21-fractie lezen dat de sectorale verordening ook randvoorwaarden
stelt aan de besteding van middelen voor «de natuuropgave» en andere prioriteiten
van het Oceaanpact. Zij vragen het kabinet te verduidelijken welk deel van de middelen
onder deze verordening naar verwachting ten goede komt aan de visserij- en aquacultuursector
zelf, en welk deel aan natuurherstel, mariene beschermde gebieden en de uitvoering
van milieuwetgeving. Zij vragen tevens of er ook in de nieuwe periode ruimte blijft
voor compensatie van vissers die visgrond verliezen door de aanwijzing van beschermde
gebieden of windparken en hoe het kabinet dat wil borgen.
De leden van de JA21-fractie hebben kennisgenomen van de brief van 19 mei 2026 over
de overdraagbaarheid en vererfbaarheid van visserijdocumenten voor de sleepnetvisserij,
die is toegezegd naar aanleiding van vragen van deze leden in januari 2026. Zij blijven
van mening dat het noodzakelijk is om deze overdraagbaarheid voor deze beperkte groep
mogelijk te maken.
De leden van de JA21-fractie constateren dat zowel het verslag van de informele Landbouwraad
in Dublin als het fiche over het Actieplan voor het EU-eiwitsysteem in het teken staan
van het verminderen van de afhankelijkheid van geïmporteerde eiwitten. Zij vragen
of het kabinet bereid is in de Raad te bepleiten dat vis, schaal- en schelpdieren
en aquacultuur expliciet en nadrukkelijk onderdeel worden van het Europese eiwitbeleid.
Overige geagendeerde stukken
De leden van de JA21-fractie vragen tot slot wanneer de Commissie de Visie 2040 voor
visserij en aquacultuur naar verwachting publiceert, of de Staatssecretaris signalen
heeft dat de Nederlandse inbreng van 11 juni daarin wordt overgenomen, met name op
het punt van de aanlandplicht, en of het kabinet toezegt de Kamer direct na publicatie
een appreciatie te sturen.
Vragen en opmerkingen van de leden van de PvdD-fractie
De leden van de PvdD-fractie hebben kennisgenomen van de agenda voor de Landbouw-
en Visserijraad van september. Deze leden hebben hierover verschillende vragen en
opmerkingen.
Gemeenschappelijk Landbouwbeleid
De leden van de PvdD-fractie hebben kennisgenomen van de voortgang van de onderhandelingen
over het toekomstige GLB. Deze leden constateren dat artikel 13 van het voorstel de
steun regelt voor investeringen die bijdragen aan de veerkracht van de landbouw, de
voedselsystemen, bosbouw en de plattelandsgebieden en in het bijzonder aan de klimaat-
en waterweerbaarheid. Zij merken op dat dierenwelzijn in dit artikel niet langer wordt
genoemd als doel van investeringssteun. Kan de Staatssecretaris aangeven waarom dat
het geval is? Deelt de Staatssecretaris dat dit, in het kader van een integrale aanpak,
onwenselijk is? Willen de Minister en Staatssecretaris zich ervoor inzetten dat dierenwelzijn
opnieuw expliciet wordt opgenomen als doel van investeringssteun onder artikel 13,
eerste lid, van het GLB?
De leden van de PvdD-fractie missen een update over de uitvoering van de motie-Kostić
(Kamerstuk 21 501-32, nr. 1800) in de Kamerbrief Voortgang Europese onderhandelingen over het toekomstige GLB. Deze
leden horen graag welke stappen het kabinet heeft ondernomen en wat de Europese stand
van zaken is.
Fiche: Actieplan voor het EU-eiwitsysteem
De leden van de PvdD-fractie hebben kennisgenomen van het BNC-fiche over het Actieplan
voor het EU-eiwitsysteem. Deze leden delen de analyse dat de afhankelijkheid van geïmporteerde
eiwitrijke grondstoffen, met name soja voor veevoer, het Europese voedselsysteem kwetsbaar
maakt.
De leden van de PvdD-fractie constateren dat de enige bindende doelstelling in het
Actieplan het verhogen van de zelfvoorzieningsgraad voor diervoeder naar 35 procent
in 2035 betreft. Alle overige maatregelen zijn vrijblijvend. Deze leden vragen of
het kabinet deelt dat het Actieplan hiermee eenzijdig gewicht legt bij het in stand
houden van het huidige intensieve veehouderijsysteem en te weinig bij de transitie
naar een gevarieerder voedselpatroon. Is het kabinet bereid zich in EU-verband in
te zetten voor bindende afspraken of streefdoelen aan de vraagzijde van de eiwittransitie?
Zo nee, waarom niet?
De leden van de PvdD-fractie constateren dat in de onderbouwing van het Actieplan
wordt gesteld dat het verminderen van de Europese dierlijke productie zou worden vervangen
door meer import. Deze leden wijzen erop dat juist door in te zetten op de productie
van en vraag naar plantaardige eiwitten dit kan voorkomen. Deelt het kabinet die analyse
en is zij bereid zich ervoor in te zetten dat het EU-eiwitbeleid dit expliciet aan
elkaar verbindt? Zo nee, waarom niet?
De leden van de PvdD-fractie verwelkomen dat de Commissie en het kabinet inzetten
op het stimuleren van de vraag naar plantaardige eiwitten. Deze leden wijzen ook op
het draagvlak in de samenleving en de Kamer, wat tot uiting komt in het actieplan
«Meer Plantaardige Voeding» en de recent aangenomen motie-Teunissen (Kamerstuk 37 020, nr. 26). Kan de Minister aangeven of het kabinet op koers ligt om het doel van 2030 te halen?
Wanneer komt het kabinet met aanvullende maatregelen om hier meer vorm aan te geven?
De leden van de PvdD-fractie wijzen erop dat het structureel stunten met de prijs
van vlees haaks staat op deze doestelling. Daarom herinneren zij de Staatssecretaris
eraan dat de Kamer op 19 maart 2026 de motie-Ouwehand/Grinwis (Kamerstuk 36 800 XIV, nr. 61) heeft aangenomen, waarmee de regering wordt verzocht te komen tot een wettelijke
grondslag om prijsstunten met agrarische basisproducten, waaronder in elk geval vlees,
tegen te gaan. Dit naar aanleiding van een eerder verzoek van de Kamer om via een
wettelijke grondslag prijsstunten met agrarische basisproducten tegen te gaan (motie-Grinwis
c.s., 36 200 XIV, nr. 59). De leden van de PvdD-fractie wijzen erop dat de Minister heeft toegezegd de Kamer
na de zomer te informeren over de gesprekken die, in het kader van deze motie, zouden
worden gevoerd (Kamerstuk 30 252, nr. 225). Kan het kabinet toelichten wat de uitkomst is van zijn gesprekken op dit punt?
Is het kabinet bereid om spoedig uitvoering te geven aan de motie? Zo nee, waarom
niet?
Visserij
De leden van de PvdD-fractie hebben kennisgenomen van de inzet van de Staatssecretaris
bij de komende visserijonderhandelingen. Deze leden vragen wat de Staatssecretaris
concreet bedoelt met het «zorgvuldig meewegen» van de sociaaleconomische impact. Deelt
de Staatssecretaris de mening dat wetenschappelijk advies en het voorzorgsbeginsel
leidend moet blijven?
Octopus
De leden van de PvdD-fractie hebben kennisgenomen van de aanhoudende plannen voor
de eerste commerciële octopuskwekerijen in Europa. Deze leden constateren dat het
bedrijf Nueva Pescanova heeft afgezien van een octopuskwekerij op Gran Canaria, maar
dat inmiddels naar een alternatieve locatie wordt gekeken. Zij wijzen erop dat de
octopus een intelligent, solitair en nieuwsgierig dier is, en dat breed wordt onderkend
dat het houden en doden ervan in intensieve kwekerijen onverenigbaar is met dierenwelzijn.
De leden van de PvdD-fractie merken op dat een ruime Kamermeerderheid in 2023 een
motie heeft aangenomen waarmee de regering wordt verzocht zich in Europa actief uit
te spreken tegen octopuskwekerijen (Kamerstuk 32 627, nr. 50). Zij constateren dat de ambtsvoorganger van de Staatssecretaris heeft toegezegd
dit onderwerp te agenderen in de EU-besprekingen over de herziening van de dierenwelzijnsregelgeving,
maar dat die herziening op zich laat wachten, terwijl kwekers in de tussentijd blijven
zoeken naar locaties binnen Europa. Daarbij wijzen deze leden erop dat ook internationaal
de druk op octopuskwekerijen toeneemt, met een verbod in verschillende Amerikaanse
staten, en dat ook landen als Colombia, Mexico en Chili wetgeving voorbereiden.
De leden van de PvdD-fractie vragen of de Staatssecretaris de zorgen deelt dat er
op korte termijn octopuskwekerijen worden opgezet binnen de Europese Unie. Wanneer
gaat de Staatssecretaris, ter uitvoering van de motie, in EU-verband pleiten voor
een verbod op octopuskwekerijen? Is hij bereid dit niet langer afhankelijk te maken
van de vertraagde herziening van de dierenwelzijnsregelgeving? Zo nee, waarom niet?
Wat is voorts zijn inschatting van het Europese krachtenveld op dit onderwerp?
Paling
De leden van de PvdD-fractie maken zich al langere tijd grote zorgen over de staat
van de ernstig bedreigde paling. Deze leden wijzen erop dat ICES al jaren adviseert
dat alle door de mens veroorzaakte sterfte van paling, inclusief de vangst, tot nul
of zo dicht mogelijk bij nul moet worden teruggebracht. Tegelijkertijd constateren
deze leden dat de vangst van zowel glasaal als volwassen dieren binnen de EU nog altijd
is toegestaan en dat Nederland daarbij tot de lidstaten behoort die de meeste paling
vangen. Hoe verhoudt deze vangst zich tot het herhaalde ICES-advies voor nulvangst
en tot de internationale verplichtingen om het paling bestand te herstellen?
De leden van de PvdD-fractie herinneren de Staatssecretaris aan het verzoek van de
Kamer aan de regering om zich in te zetten voor internationale en Europese beschermingsmaatregelen,
en daarbij de meest recente wetenschappelijke rapporten leidend te laten zijn (Kamerstuk
36 200 XIV, nr. 74). Kan de Staatssecretaris uiteenzetten welke concrete stappen sinds 2022 zijn gezet
ter uitvoering van deze motie, en tot welke resultaten dat heeft geleid? Is de Staatssecretaris
bereid om aanvullende stappen te zetten om paling beter te beschermen en beter te
voldoen aan het advies van ICES?
Blauwvintonijn
De leden van de PvdD-fractie maken zich zorgen over de sterke groei van de blauwvintonijn-kwekerijen
in de Europese Unie. Deze leden constateren dat wilde blauwvintonijn, een vissoort
die van nature duizenden kilometers aflegt, levend wordt gevangen en vervolgens in
kooien op zee wordt vetgemest met wild gevangen vis. Zij wijzen erop dat deze praktijk
gepaard gaat met ernstig dierenleed, doordat deze snelle zwemmers hun leven lang rondjes
moeten zwemmen zonder enige ruimte voor natuurlijk gedrag.
De leden van de PvdD-fractie vragen of het klopt dat zo’n 90 procent van de blauwvintonijn
uit Europese kwekerijen wordt geëxporteerd naar landen buiten de EU. Hoeveel subsidies
krijgen kwekers van blauwvintonijn in de EU? Wat is het standpunt van de Staatssecretaris
over deze gesubsidieerde blauwvistonijn-kwekerijen?
De leden van de PvdD-fractie wijzen erop dat de blauwvintonijn inmiddels ook weer
in de Noordzee voorkomt. Deze leden hebben kennisgenomen van de oproep om geen tonijnvisserij
in de Noordzee toe te staan (https://www.ad.nl/opinie/opinie-jonge-blauwvintonijn-heeft-geen-leven-a…). Is de Staatssecretaris bereid zich ertegen te verzetten dat de Noordzee een nieuw
wingebied wordt voor tonijnen voor de kwekerij en om de vangst van blauwvintonijn
niet uit te breiden? Zo nee, waarom niet?
Fiche: Routekaart voor de uitfasering van dierproeven voor chemische veiligheidsbeoordelingen
De leden van de PvdD-fractie hebben kennisgenomen van het fiche over de Routekaart
voor de uitfasering van dierproeven voor chemische veiligheidsbeoordelingen. Deze
leden verwelkomen de routekaart en de ambitie van de EC en het kabinet om te komen
tot een volledige vervanging van dierproeven. De leden hebben hierover nog enkele
vragen.
De leden van de PvdD-fractie constateren dat de routekaart in hoge mate vrijblijvend
is. Deze leden vrezen dat de uitfasering hiermee opnieuw te traag verloopt. Deelt
het kabinet deze zorg? Deze leden wijzen erop dat de routekaart niet aangeeft hoe
de bestaande wetgeving zal worden aangepast, geen heldere tijdlijnen stelt voor acties
na 2029 en geen concrete doelen stelt voor het beëindigen van specifieke dierproeven.
Deze leden achten daarom een helder implementatieplan noodzakelijk, met concrete doelen,
afspraken over financiering en verantwoordingsmechanismen. Is het kabinet bereid zich
hiervoor in te zetten? Is het kabinet tevens bereid zich in EU-verband in te zetten
voor afbouwdeadlines? Zo nee, waarom niet? Deze leden vragen hoe het kabinet de motie-Thijssen c.s.
(Kamerstuk 32 336, nr. 148) betrekt bij de Europese inzet rondom deze routekaart.
De leden van de PvdD-fractie constateren dat het kabinet verwelkomt dat binnen de
plannen specifiek wordt onderzocht welke dierproeven nu al overbodig zijn en op korte
termijn kunnen worden uitgefaseerd. Deze leden onderschrijven deze inzet. Is het kabinet
bereid om erop aan te dringen dat dierproeven waarvoor reeds alternatieven beschikbaar
zijn, op zeer korte termijn worden beëindigd? Is het kabinet bereid de Kamer hierover
op de hoogte te houden?
De leden van de PvdD-fractie constateren dat de routekaart zich beperkt tot dierproeven
voor veiligheidsbeoordelingen, terwijl verreweg de meeste dierproeven in de EU plaatsvinden
bij wetenschappelijk onderzoek. Is het kabinet bereid zich in EU-verband in te zetten
voor een parallelle routekaart voor het uitfaseren van dierproeven in het onderzoek,
gekoppeld aan gerichte investeringen in innovatieve, proefdiervrije methoden? Zo nee,
waarom niet?
De leden van de PvdD-fractie constateren dat het kabinet aangeeft dat nationale afbouw
van dierproeven juridisch beperkt is door de dierproevenrichtlijn. Deze leden vragen
of het kabinet het hierdoor wenselijk acht dat de dierproevenrichtlijn wordt herzien,
zodat lidstaten die aanvullende stappen willen zetten, deze ruimte ook krijgen. Zo
nee, waarom niet? Voorts constateren deze leden dat het kabinet onderzoekt of bepaalde
dierproeven binnen de huidige Europese kaders wél nationaal kunnen worden afgebouwd.
Om welke dierproeven gaat het en wanneer verwacht het kabinet hierover duidelijkheid
te krijgen?
Landbouwgif
De leden van de PvdD-fractie lezen in de brief «SCoPAFF-vergadering gewasbeschermingsmiddelen
september 2026» dat het Ierse voorzitterschap met haast een nieuw compromisvoorstel
voor de Omnibus Food & Feed in het Coreper-overleg 23 september wil vaststellen. Dit
doen ze terwijl vorige week nog 573 wetenschappers gezamenlijk een brief stuurden
met hun zorgen over de gevolgen van dit voorstel en een verzoek om een pauze in te
lassen (https://www.universiteitleiden.nl/binaries/content/assets/science/cml/l…). Gaat het kabinet tegen dit voorstel stemmen, nu 573 wetenschappers aangeven dat
de regels risicovol worden versoepeld en dit dus een verslechtering zal opleveren
voor de bescherming van mens, dier en milieu (Kamerstuk 22 112, nr. 4328)? Zo nee, kan het kabinet wetenschappelijk aantonen dat dit voorstel geen verslechtering
oplevert voor de bescherming van mens, dier en milieu? Informeert het kabinet vooraf
bij andere lidstaten of er een mogelijkheid is om een blocking minority te vormen?
Zo nee, waarom niet? Kan het kabinet aangeven welke concrete verbeteringen en verslechteringen
hij ziet voor de bescherming van mens, dier en milieu ten opzichte van het vorige
compromisvoorstel dat voorlag en is weggestemd? Is het kabinet bereid om tegen het
voorstel te stemmen als de Kamer onvoldoende tijd heeft gekregen om niet alleen van
het compromisvoorstel kennis te nemen, maar ook om er een oordeel over te vellen,
zoals verzocht in de motie-Bromet c.s. (Kamerstuk 22 112, nr. 4335)?
De leden van de PvdD-fractie begrijpen dat met dit nieuwe compromisvoorstel onder
andere wordt geregeld dat de periodieke herbeoordeling voor laag-risicomiddelen wordt
geschrapt en de toelatingsperiode voor de meeste bestrijdingsmiddelen wordt verlengd
tot 25 jaar. Daarnaast wordt de respijtperiode voor bewezen schadelijke en verboden
pesticiden tot drie jaar verlengd. Kan het kabinet beschrijven wat de verwachte consequenties
en mogelijke risico’s hiervan zijn voor werknemers die werken met pesticiden? Wat
doet dit met het risico wat zij lopen op zeer ernstige gezondheidseffecten, zoals
verminderde vruchtbaarheid, vormen van kanker en de ziekte van Parkinson? Kan het
kabinet beschrijven wat de verwachte consequenties en mogelijke risico’s hiervan zijn
voor directe omwonenden, in het bijzonder hun kinderen? Wat zijn de gevolgen van deze
versoepelingen voor onze waterkwaliteit? Op welke manier helpen ze ons om dichterbij
de verplichte wettelijke natuurdoelen te komen? Wat betekenen deze voorgenomen versoepelingen
voor het Nederlandse Natuurplan, als invulling van de Natuurherstelverordening? Zal
deze nu aangescherpt moeten worden, aangezien de verwachting is dat burgers hierdoor
met meer vervuiling en ongezonde gevolgen te maken zullen krijgen?
De leden van de PvdD-fractie lezen tevens dat de EC lidstaten voorstelt de toelatingen
van buprofezine binnen 6 maanden na inwerkingtreding in te trekken en dat ze daarbij
een maximale respijttermijn van 12 maanden kunnen voorschrijven. Is het kabinet bereid
om, aangezien buprofezine bewezen hormoonontregelende eigenschappen heeft voor mensen,
de toelating van het middel met deze werkzame stof per direct in te trekken? Zo nee,
waarom niet?
De leden van de PvdD-fractie wijzen het kabinet tevens op de meest recente alarmerende
berichten van onder andere de Inspectie Leefomgeving en Transport (ILT) en de wetenschap
over de grote problemen en risico’s veroorzaakt door PFAS-houdend landbouwgif. In
het huidige voorstel over verbod op PFAS in de EU is landbouwgif uitgezonderd en de
bestaande andere wegen om PFAS in landbouwgif aan te pakken zijn ontoereikend. Gezien
de schadelijkheid van deze stoffen en risico’s voor niet alleen water, maar ook volksgezondheid
en ongeboren kind, is de regering bereid om actief in EU te pleiten voor een verbod
op PFAS in landbouwgif, zoals nu conform de aangenomen motie-Kostić door de Staatssecretaris
van Infrastructuur en Waterstaat wordt gedaan daar waar het gaat biociden of gif buiten
landbouw? Is het kabinet bereid is dit jaar of volgend jaar maatregelen te treffen
om PFAS in landbouwgif op nationaal niveau te beperken? Kan het kabinet tevens in
dat licht het volgende nieuws (https://www.nu.nl/binnenland/6409707/al-voor-een-pfas-verbod-is-duideli…) meenemen, waaruit blijkt dat de industrie effectief is in afzwakkingen van maatregelen
tegen PFAS, en het gevaar dat dat met zich meebrengt voor volksgezondheid en water?
Staat van instandhouding bruinvis en zeehond
De leden van de PvdD-fractie lazen tenslotte het bericht dat de Staatssecretaris opnieuw
wetenschappelijk onderzoek naast zich neer heeft gelegd, ditmaal over de staat van
instandhouding van de bruinvis en zeehond (https://www.nu.nl/dieren/6409317/ministerie-schuift-oordeel-onderzoeker…). Dit baart deze leden grote zorgen. Waarom volgt de Staatssecretaris de adviezen
van wetenschappers niet op? Welke wetenschappelijke onderzoeken onderbouwen het afwijkende
standpunt van de Staatssecretaris over de staat van instandhouding van de bruinvis
en zeehond? Beschouwt de Staatssecretaris resultaten van wetenschappelijk onderzoek
als suggesties of als feiten (tot het tegendeel bewezen is)? Ziet de Staatssecretaris
hoe hij hierdoor meewerkt aan een breder antirechtsstatelijk patroon en politiek van
onderbuik, waarin wetenschappelijke adviezen worden genegeerd en weggezet als meningen?
Is er een interne risicoanalyse gemaakt van het afwijken van wetenschappelijke adviezen,
en heeft de Staatssecretaris interne adviezen gekregen die tegen deze afwijking adviseerden?
Zo ja, kan de Staatssecretaris deze stukken delen? Wat zou de Staatssecretaris ervan
vinden als andere EU-landen zouden afwijken van wetenschappelijke adviezen over de
staat van instandhouding van diersoorten? Is de Staatssecretaris bereid om met de
WUR in gesprek te gaan over haar omgangswijze met wetenschappelijke adviezen en daarover
verslag te doen aan de Kamer?
De leden van de PvdD-fractie verzoeken de Staatssecretaris om alle vragen zorgvuldig
en zoveel mogelijk met verwijzing naar (wetenschappelijke) bronnen onderbouwd te beantwoorden.
Vragen en opmerkingen van de leden van de BBB-fractie
Marktsituatie en Actieplan Meststoffen
De leden van de BBB-fractie hebben kennisgenomen van het voornemen om de 14,895 miljoen
euro die Nederland uit de Europese landbouwreserve ontvangt via een top-up op de basisinkomenssteun
uit het GLB beschikbaar te stellen aan grondgebonden landbouwers. Deze leden kunnen
zich vinden in de keuze voor een pragmatische verdeling die zo min mogelijk extra
administratieve lasten voor landbouwers en uitvoeringsorganisaties met zich meebrengt.
De leden van de BBB-fractie wijzen er daarnaast op dat Nederlandse landbouwbedrijven
in Europees verband relatief weinig afhankelijk zijn van overheidssteun en gemiddeld
slechts circa 10 à 11 procent van hun inkomen uit overheidsbetalingen ontvangen, waarvan
het grootste deel voor geleverde ecosysteemdiensten. Nederland is bovendien nettobetaler
aan de Europese Unie. Tegen die achtergrond vragen deze leden hoe het Nederlandse
aandeel van 14,895 miljoen euro uit het totale steunpakket van 540 miljoen euro zich
verhoudt tot de Nederlandse bijdrage aan dit pakket. Is Nederland bij deze steunmaatregel
per saldo opnieuw nettobetaler? Kan de Minister inzichtelijk maken hoeveel Nederland
via de Europese begroting aan deze landbouwreserve bijdraagt en hoeveel daarvan nu
naar Nederlandse landbouwers terugvloeit? Hoe verhoudt het Nederlandse steunbedrag
per landbouwer en per hectare zich tot dat van andere lidstaten?
De leden van de BBB-fractie wijzen erop dat Nederlandse landbouwbedrijven in vergelijking
met veel andere Europese lidstaten relatief sterk hun inkomen uit de markt halen en
relatief beperkt afhankelijk zijn van directe inkomenssteun. Kan worden aangeven welk
aandeel directe betalingen en welk aandeel totale publieke landbouwsteun momenteel
uitmaken van het Nederlandse landbouwinkomen en hoe Nederland daarmee binnen de EU
staat?
De leden van de BBB-fractie vinden het bovendien opmerkelijk dat Europa enerzijds
wel geld beschikbaar stelt om boeren te compenseren voor hoge kunstmestkosten, terwijl
Europese regelgeving anderzijds het gebruik van stikstof uit dierlijke mest begrenst
op 170 kilogram stikstof per hectare en landbouwers daardoor in voorkomende gevallen
juist zijn aangewezen op kunstmest om binnen de totale stikstofgebruiksnorm in de
behoefte van het gewas te voorzien. De EC erkent inmiddels zelf dat het vervangen
van minerale meststoffen door teruggewonnen stikstof uit dierlijke mest de afhankelijkheid
van geïmporteerde kunstmest kan verminderen. Is de Minister het ermee eens dat een
ruimere mogelijkheid om stikstof uit dierlijke mest binnen de totale stikstofgebruiksnorm
te benutten eveneens kan bijdragen aan een lager kunstmestgebruik?
Kan de Minister tijdens de Raad daarom opnieuw nadrukkelijk bepleiten dat niet de
herkomst van de stikstof en daarmee de beperking van dierlijke mest leidend moet zijn,
maar de totale bemestingsbehoefte van het gewas en het risico op verliezen naar water
en milieu? Welke mogelijkheden ziet de Minister om op Europees niveau meer ruimte
te creëren voor het verantwoord gebruiken van dierlijke mest in plaats van kunstmest?
Ministeriële lunch Actieplan Meststoffen
De leden van de BBB-fractie lezen dat de Minister tijdens de ministeriële lunch het
belang zal onderschrijven van de beschikbaarheid, betaalbaarheid en strategische autonomie
van in de EU geproduceerde meststoffen. Deze leden onderschrijven het belang van strategische
autonomie, maar missen daarbij nadrukkelijk de rol van dierlijke mest.
Is de Minister bereid tijdens deze lunch te benadrukken dat strategische autonomie
niet alleen moet betekenen dat Europa meer kunstmest zelf gaat produceren, maar ook
dat Europa beter gebruikmaakt van nutriënten die al beschikbaar zijn in dierlijke
mest? Is de Minister het ermee eens dat vervanging van kunstmest door stikstof uit
dierlijke mest voordelen kan hebben voor circulariteit, het verminderen van de afhankelijkheid
van geïmporteerde kunstmest en fossiele energie, de CO2-voetafdruk van de landbouw en de waterkwaliteit?
Kan de Minister daarbij opnieuw expliciet aandacht vragen voor de huidige arbitraire
grens van 170 kilogram stikstof uit dierlijke mest en inzetten op meer ruimte voor
dierlijke mest binnen de totale stikstofgebruiksnorm? Hoe verhoudt een blijvende Europese
afhankelijkheid van kunstmest zich volgens de Minister tot de wens om minder afhankelijk
te worden van buitenlandse grondstoffen en energie?
Routekaart uitfasering dierproeven
De leden van de BBB-fractie hebben met instemming kennisgenomen van de Routekaart
voor de geleidelijke uitfasering van dierproeven voor chemische veiligheidsbeoordelingen.
Zij vinden het positief dat daarbij niet wordt gekozen voor een kunstmatige einddatum
die voorbijgaat aan de wetenschappelijke mogelijkheden, maar voor een stapsgewijze
aanpak waarbij vervanging plaatsvindt zodra betrouwbare alternatieven beschikbaar
zijn. Het uitgangspunt dat het beschermingsniveau voor mens, dier en milieu onverkort
behouden moet blijven en dat proefdiervrije methoden een gelijkwaardig beschermingsniveau
moeten bieden is voor deze leden essentieel. Deze leden steunen daarom de Nederlandse
inzet om ontwikkeling, validatie en internationale acceptatie van proefdiervrije methoden
te versnellen, zonder daarbij concessies te doen aan de veiligheid. Zij vinden het
eveneens verstandig dat onderscheid wordt gemaakt tussen korte, middellange en lange
termijn, omdat de mogelijkheden voor vervanging per onderzoeks- en veiligheidsvraagstuk
verschillen.
Actieplan voor het EU-eiwitsysteem
De leden van de BBB-fractie onderschrijven het belang van een weerbaar Europees voedselsysteem
en het verminderen van kwetsbare strategische afhankelijkheden. Zij constateren dat
het actieplan sterk is gericht op het verminderen van de afhankelijkheid van geïmporteerde
eiwitrijke grondstoffen, met name soja, en op het vergroten van de Europese productie
van eiwitgewassen.
Deze leden missen daarbij echter een andere belangrijke strategische afhankelijkheid,
namelijk die van kunstmest. Voor de productie van plantaardige eiwitten is stikstof
noodzakelijk. Tegelijkertijd beperkt Europese regelgeving de hoeveelheid stikstof
uit dierlijke mest die kan worden gebruikt, terwijl stikstofkunstmest vervolgens wel
binnen de stikstofgebruiksnorm kan worden ingezet. Waarom wordt in een strategie die
expliciet is gericht op strategische autonomie van het Europese eiwitsysteem niet
nadrukkelijker gekeken naar het optimaal benutten van Europese dierlijke mest als
bron van nutriënten? De EC wijst zelf op de stikstofbindende eigenschappen van peulvruchten
en op vermindering van de behoefte aan meststoffen. Deelt de Minister de mening dat
dezelfde redenering moet worden toegepast op het beter benutten van reeds beschikbare
nutriënten uit dierlijke mest? Welke inzet pleegt Nederland in Brussel om de afhankelijkheid
van geïmporteerde eiwitgrondstoffen en de afhankelijkheid van geïmporteerde kunstmest
en grondstoffen daarvoor gezamenlijk te verminderen?
De leden van de BBB-fractie plaatsen daarnaast kanttekeningen bij de gedachte dat
de afhankelijkheid van soja eenvoudig kan worden verminderd door meer eiwitgewassen
in Europa te produceren. Sojabonen worden verwerkt tot verschillende producten, waaronder
sojaolie, sojaschroot en sojahullen, die verschillende toepassingen hebben. Hoe wordt
in het Actieplan rekening gehouden met deze verwevenheid tussen humane consumptie,
verwerking en diervoeders? Wordt onderscheid gemaakt tussen de import van hele sojabonen,
sojaolie en sojaschroot en tussen de verschillende toepassingen daarvan? Welke gevolgen
heeft een vermindering van het gebruik van sojaschroot als veevoer wanneer andere
producten uit dezelfde sojaboon binnen Europa nog steeds worden gevraagd? Voorkomt
de strategie daadwerkelijk import van soja, of bestaat het risico dat slechts de bestemming
van verschillende delen van die grondstof verandert? Deze leden wijzen er bovendien
op dat in Nederland al jarenlang wordt gewerkt aan de teelt van eiwitrijke gewassen.
De praktijk laat zien dat het verdienmodel daarbij een belangrijk knelpunt blijft.
Zo constateert WUR dat de opbrengsten van verschillende peulvruchten achterblijven
en dat bijvoorbeeld de eerder in Nederland geïntroduceerde sojateelt niet rendabel
bleek. Welke lessen uit eerdere Nederlandse pilots, de Nationale Eiwitstrategie en
de Bean Deal zijn meegenomen in de Nederlandse appreciatie van het Europese actieplan?
Welke concrete belemmeringen zijn daarbij vastgesteld ten aanzien van opbrengst, teeltrisico,
verwerking, afzet en verdienvermogen? Hoe wordt voorkomen dat met Europees geld opnieuw
teelten worden gestimuleerd waarvan reeds bekend is dat zij onder Nederlandse omstandigheden
zonder structurele ondersteuning onvoldoende concurrerend zijn?
De leden van de BBB-fractie hebben nadrukkelijke vragen over de verhouding tussen
productie en consumptie. Het Nederlandse beleid streeft naar een verhouding van 40%
dierlijke en 60% plantaardige eiwitconsumptie. Uit de Eiwitmonitor 2025 blijkt echter
dat de Nederlandse consumptie nog altijd voor ongeveer 61% uit dierlijke en voor 39%
uit plantaardige eiwitten bestaat en dat hierin ten opzichte van 2024 geen statistisch
significante verschuiving is opgetreden. Hoe verstandig is het volgens de Minister
om beleid dat invloed heeft op de Europese productiecapaciteit van dierlijke eiwitten
vooruit te laten lopen op een verandering in de daadwerkelijke consumentenvraag? Heeft
de Minister onderzocht wat er gebeurt wanneer de Europese productie van dierlijke
eiwitten sneller afneemt dan de Europese consumptie daarvan? Kan de Minister daarbij
specifiek ingaan op het risico dat Europa zijn afhankelijkheid van geïmporteerde soja
vermindert, maar daar een nieuwe afhankelijkheid van de import van vlees, zuivel,
eieren of andere dierlijke producten voor terugkrijgt? In hoeverre is daarmee sprake
van een daadwerkelijke vergroting van de strategische autonomie wanneer de productie
van het eindproduct vervolgens naar derde landen verschuift? Welke waarborgen bevat
het Europese actieplan om dit zogenoemde weglekeffect te voorkomen?
De leden van de BBB-fractie vinden dat strategische autonomie over de hele voedselketen
moet worden beoordeeld. Kan de Minister toezeggen zich er in Brussel voor in te zetten
dat bij maatregelen gericht op het verminderen van de import van veevoereiwitten steeds
wordt doorgerekend wat deze maatregelen betekenen voor de Europese productie van dierlijke
eiwitten, de consumentenprijzen, de import van dierlijke eindproducten en de totale
strategische afhankelijkheid van derde landen?
Visserij
De leden van de BBB-fractie constateren dat Spanje meer vissers toestaat om blauwvintonijn
als bijvangst te behouden en hiervoor ruim 233 ton beschikbaar stelt. Ook in de Noordzee
wordt de blauwvintonijn steeds vaker waargenomen. Kan worden onderzocht of het Nederlandse
quotum voor blauwvintonijn kan worden uitgebreid, zodat ook Nederlandse handlijnvissers
hiervan kunnen profiteren?
De leden van de BBB-fractie vragen zich af hoe de ontwikkeling en de ecologische invloed
van de Europese meerval momenteel worden gemonitord, met name rond stuwen, sluizen
en vispassages.
De leden van de BBB-fractie vragen tevens of de Staatssecretaris bereid is lokaal
maatwerk mogelijk te maken wanneer uit onderzoek blijkt dat uitzonderlijk hoge dichtheden
Europese meervallen aantoonbare ecologische problemen veroorzaken, bijvoorbeeld door
dieren te verplaatsen of andere beheermaatregelen toe te staan.
De leden van de BBB-fractie constateren dat Nederland een gezamenlijke Europese aanpak
voor de aalscholver kan steunen, maar dat daarvoor eerst de gevolgen voor lokale visbestanden
in kaart moeten worden gebracht. Is de Staatssecretaris bereid onderzoek te laten
uitvoeren naar de impact van aalscholvers op de Nederlandse visbestanden, zodat kan
worden bepaald waar maatregelen nodig en mogelijk zijn binnen de kaders van de Vogelrichtlijn?
De leden van de BBB-fractie constateren dat het aantal zeehonden, waaronder grijze
zeehonden, in de Nederlandse kustwateren is toegenomen. Zij vragen welke gevolgen
dit heeft voor de visstand, andere diersoorten en de doelstellingen van onder meer
de KRW, de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn. Kan onderzoek worden gedaan naar
het dieet van de grijze zeehond en de bredere invloed van deze soort op het mariene
ecosysteem? Kan daarbij ook worden onderzocht hoe vaak grijze zeehonden bruinvissen
en gewone zeehonden aanvallen en of dit gevolgen heeft voor hun populaties? Hierbij
kan bijvoorbeeld via DNA-onderzoek naar de doodsoorzaken van gestrande dieren worden
gekeken en kan het gedrag worden gemonitord op zandbanken waar beide zeehondensoorten
voorkomen.
De leden van de BBB-fractie ontvangen signalen dat vissers bij de Maxima-centrale
mogelijk fuikenstekken verliezen. Kan worden onderzocht waar deze fuiken precies staan
en hoeveel vislocaties hierdoor verloren gaan? Kan tevens worden nagegaan of de betrokken
vissers hiervoor in aanmerking komen voor compensatie?
De leden van de BBB-fractie ontvangen signalen dat vissers met een gemengde visserij
voor de brandstofcompensatie verplicht moeten kiezen tussen tongvisserij en garnalenvisserij.
Klopt het dat zij hierdoor, ondanks dat zij beide visserijen beoefenen, een deel van
de compensatie mislopen en waarom is voor deze keuzeconstructie gekozen? Is de Staatssecretaris
bereid deze vissers alsnog voor het volledige compensatiebedrag in aanmerking te laten
komen en daarbij rekening te houden met het gemengde karakter van hun bedrijfsvoering?
De leden van de BBB-fractie ontvangen vanuit de garnalenvisserij regelmatig het verzoek
om het weekendverbod met zes uur te verschuiven. Hierdoor kunnen vissers op vrijdag
langer doorvissen en hoeven zij niet al op zondagavond om twaalf uur ‘s nachts uit
te varen, maar kunnen zij op maandagochtend om 6 uur vertrekken, terwijl het totale
aantal uren gelijk blijft. Zo zou ook personeel en jonge vissers beter behouden kunnen
worden voor de sector. Is de Staatssecretaris bereid binnen de sector te inventariseren
of hiervoor voldoende draagvlak bestaat en welke praktische gevolgen deze verschuiving
heeft?
De leden van de BBB-fractie ontvangen signalen dat buitenlandse schepen die op zandspiering
vissen regelmatig binnen de driemijlszone komen en daar mogelijk illegaal vissen.
Kan de Staatssecretaris aangeven of deze signalen bekend zijn en hoe vaak hierop wordt
gecontroleerd? Is de Staatssecretaris bereid de controles en handhaving binnen de
driemijlszone te intensiveren en overtredende schepen daadwerkelijk aan te pakken?
De leden van de BBB-fractie willen graag weten wat de actuele stand van zaken is rond
de karperproblematiek in de Oostvaardersplassen. Zij ontvangen signalen dat beroepsvissers
en sportvissers al meerdere jaren karpers moeten redden, terwijl het uitzetten van
deze vissen op andere locaties tot omwoeling van de waterbodem kan leiden en daarmee
het behalen van de doelen van de KRW kan bemoeilijken. Klopt dit en welke verantwoordelijkheid
heeft de betreffende terreinbeherende organisatie (TBO) hierin? Kan de Staatssecretaris
deze TBO hierop aanspreken omdat die niets doet om de situatie te verbeteren?
De leden van de BBB-fractie hebben kennisgenomen van het vooronderzoek van de EC naar
mogelijke schendingen van Europese regelgeving bij de aanleg van Spaanse windparken
op zee, waarbij de gevolgen voor de visserij en het mariene milieu mogelijk onvoldoende
zijn meegewogen. Is de Staatssecretaris bekend met dit onderzoek en is hij bereid
de Kamer te informeren over de inhoud daarvan, evenals over de mogelijke betekenis
hiervan voor de Nederlandse windparken op zee?
In Duitsland is een sanering aan de gang. Kan de Staatssecretaris aangeven of Duitse
zogenaamde vlagkotters hier ook betrokken bij zijn? Kan de Staatssecretaris aangeven
hoeveel Duitse vlagkotters van Nederlandse bedrijven ook gesaneerd worden?
De leden van de BBB-fractie vragen of Nederlandse vissers die in Britse wateren vissen
te allen tijde verplicht zijn een reddingsvest te dragen. Klopt het dat Nederlandse
vissers bij het niet naleven van deze Britse verplichting kunnen worden beboet, ook
wanneer zij niet op de hoogte zijn van deze afwijkende regelgeving?
De leden van de BBB-fractie vragen of het klopt dat er in zogenoemde derde landen
nog altijd problemen bestaan met de invoering en het gebruik van het Europese vangstcertificeringssysteem
CATCH. Kan de Staatssecretaris een actuele stand van zaken geven en aangeven welke
gevolgen deze problemen hebben voor de Nederlandse visserij en vishandel?
De leden van de BBB-fractie vragen de Staatssecretaris nader in te gaan op de gevolgen
van de ongekend hoge brandstofprijzen voor de Nederlandse visserij, mede als gevolg
van de aanhoudende geopolitieke spanningen en conflicten. Welke gevolgen hebben deze
prijsstijgingen voor de bedrijfsvoering en financiële positie van Nederlandse vissers,
en welke mogelijkheden ziet de Staatssecretaris om de sector te ondersteunen of te
compenseren?
De leden van de BBB-fractie vragen of het klopt dat in Nederland slechts twee bedrijven
het grootste deel van de langoustines van Nederlandse vissers afnemen en daarmee de
handel vrijwel volledig beheersen. Zo ja, welk effect heeft deze marktconcentratie
op de prijsvorming en onderhandelingspositie van langoustinevissers?
De leden van de BBB-fractie constateren dat in Duitsland, naast saneringsmaatregelen,
ook grote gebieden voor de visserij worden gesloten. Is de Staatssecretaris bereid
hierover met zijn Duitse ambtsgenoot in gesprek te gaan, aangezien deze sluitingen
mogelijk ook gevolgen hebben voor gebieden zoals de Oostereems, waar momenteel veel
Nederlandse garnalenvissers actief zijn? Kan hij de Kamer informeren over de gevolgen
voor deze vissers en de inzet van Nederland om hun visgronden te behouden?
II Antwoord/Reactie van de Minister en Staatssecretaris van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid
en Natuur
III Volledige agenda
Geannoteerde agenda Landbouw- en Visserijraad 28 en 29 september 2026
Kamerstuk 21 501-32-1834 – Brief Minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur, J. van Essen
– d.d. 14 september 2026
Fiche: Mededeling Routekaart voor de uitfasering van dierproeven voor chemische veiligheidsbeoordelingen
Kamerstuk 22 112-4405 – Brief Minister van Buitenlandse Zaken, T.B.W. Berendsen – d.d. 10 juli 2026
Fiche: Actieplan voor het EU-eiwitsysteem
Kamerstuk 2026Z18711 – Brief Minister van Buitenlandse Zaken, T.B.W. Berendsen – d.d. 11 september 2026
Voortgang Europese onderhandelingen over het toekomstige GLB
Kamerstuk 2026Z19271 – Brief Minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur, J. van Essen
– d.d. 18 september 2026
Verslag informele Landbouwraad 6–8 september 2026 te Dublin, Ierland
Kamerstuk 2026Z19274 – Brief Minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur, J. van Essen
– d.d. 18 september 2026
SCoPAFF-vergadering gewasbeschermingsmiddelen september 2026
Kamerstuk 2026Z19268 – Brief Staatssecretaris van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur, S.P.A.
Erkens – d.d. 18 september 2026
Ondertekenaars
-
Eerste ondertekenaar
H.S. Steen, voorzitter van de vaste commissie voor Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur -
Mede ondertekenaar
R.P. Jansma, griffier