Initiatiefnota : Inbreng verslag van een schriftelijk over de initiatiefnota van het lid Kisteman over naar de beste overheid van Europa: een overheid die weer doet wat nodig is (Kamerstuk 36870)
2026D41040 INBRENG VERSLAG VAN EEN SCHRIFTELIJK OVERLEG
Binnen de vaste commissie voor Binnenlandse Zaken hebben onderstaande fracties de
behoefte vragen en opmerkingen voor te leggen aan de initiatiefnemer over initiatiefnota
van het lid Kisteman over naar de beste overheid van Europa: een overheid die weer
doet wat nodig is (Kamerstuk 36 870, nr. 2).
De voorzitter van de commissie,
Kisteman
De griffier van de commissie,
Honsbeek
I
Vragen en opmerkingen vanuit de fracties
Vragen en opmerkingen van de leden van de D66-fractie
Vragen en opmerkingen van de leden van de VVD-fractie
Vragen en opmerkingen van de leden van de PRO-fractie
Vragen en opmerkingen van de leden van de CDA-fractie
Vragen en opmerkingen van de leden van de BBB-fractie
II
Antwoord/reactie van de initiatiefnemer
I Vragen en opmerkingen vanuit de fracties
Vragen en opmerkingen van de leden van de D66-fractie
De leden van de D66-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van de initiatiefnota.
Deze leden onderschrijven de probleemstelling dat de overheid vastloopt. Zij stellen
dat het uitblijven van grote resultaten de afgelopen decennia voor eenieder aanleiding
zou moeten zijn om met vernieuwingsgezinde blik naar de organisatie van de rijksoverheid
te kijken. Zij danken het lid Kisteman en zijn voorganger, het lid Erkens, voor de
voorliggende nota en de voorstellen die zij daarin doen. Zij wensen enkele vragen
te stellen aan de initiatiefnemer.
Beleid dat werkt (p. 11)
De leden van de D66-fractie lezen dat de initiatiefnemer constateert dat het Beleidskompas
in de praktijk nog onvoldoende wordt gebruikt en dat vaak slechts één beleidsoptie
wordt onderzocht. Deze leden delen de zorg dat het Beleidskompas te vaak wordt genoemd
als oplossing, terwijl het instrument zelf nog onvoldoende is ingebed in de dagelijkse
beleidspraktijk. Zij lezen dat wordt voorgesteld het gebruik te verplichten en vragen
om een nadere toelichting waarom de initiatiefnemer, in tegenstelling tot het aangehaalde
Wetenschappelijk Onderzoek- en Datacentrum (WODC)-rapport, van mening is dat verplichting
effectiever is dan het aanjagen van de intrinsieke motivatie van ambtenaren. Ook vragen
zij hoe de initiatiefnemer de handhaving van een verplicht beoogt.
Een efficiënte overheid (p. 14–15)
De leden van de D66-fractie vragen de initiatiefnemer nader in te gaan op de verhouding
tussen het verminderen van het aantal ambtenaren en het terugdringen van externe inhuur.
Hoe wordt voorkomen dat krimp van het apparaat ertoe leidt dat departementen op een
later moment alsnog afhankelijk worden van externe inhuur, zo vragen deze leden.
De lede van de D66-fractie onderschrijven zonder meer dat een slimmere overheid kritisch
moet kijken waar binnen het ambtenarenapparaat productiviteitsruimte valt te behalen.
De groei van het apparaat in afgelopen jaren geeft daar alle aanleiding toe. Tegelijkertijd
benadrukken deze leden dat het uiteindelijke doel moet zijn dat de overheid effectiever
resultaten boekt voor haar inwoners. Hoe borgt de initiatiefnemer dat krimp niet ten
koste gaat van fundamentele bouwstenen voor dat doel, zoals uitvoeringscapaciteit,
digitalisering, rechtsbescherming of de menselijke maat, zo vragen zij.
De leden van de D66-fractie vragen de initiatiefnemer te reflecteren op de rol van
bewindspersonen bij efficiëntie. Deze leden constateren dat departementale verkokering
ook voortkomt uit het staatsrecht, afgebakende portefeuilles, afzonderlijke begrotingen
en bewindspersonen die primair worden afgerekend op hun eigen beleidsterrein. Welke
verantwoordelijkheid ziet de initiatiefnemer voor bewindspersonen om gezamenlijk te
sturen op rijksbrede opgaven, zo vragen zij. Is de initiatiefnemer voorstander van
organisatievormen waarin meer opgavegericht gewerkt wordt, zoals de Strategy Group
in de overheid van Singapore?
Zorg voor een modern digitaal fundament (p. 15–16)
De leden van de D66-fractie onderschrijven dat verantwoord gebruik van AI kansen biedt
om dienstverlening te verbeteren. Tegelijkertijd vragen deze leden aandacht voor de
risico’s van onbedoelde discriminatie. Zij wijzen erop dat onder meer Amnesty International
heeft gewaarschuwd dat het Nederlandse algoritmebeleid mensen nog onvoldoende beschermt
tegen discriminerende risicomodellen en dat ook toezichthouders herhaaldelijk aandacht
vragen voor risico’s van algoritmes en AI binnen de overheid. Wanneer de inzet hiervan
in de praktijk leidt tot discriminatie wordt niet alleen de ambitie ondergraven om
voor Nederlandse burgers de beste overheid van Europa te zijn, maar ligt ook een kostbare
hersteloperatie in de rede. Zij vragen de initiatiefnemer welke kaders volgens hem
moeten gelden bij de toepassing van AI in de uitvoering. Zijn de bestaande kaders
voldoende volgens de initiatiefnemer, zo vragen zij.
De leden van de D66-fractie vragen de initiatiefnemer ook te verduidelijken in hoeverre
de inzet van AI in contact met burgers, bijvoorbeeld via een chatbox van een uitvoeringsorganisatie,
wenselijk zou zijn. Welke afweging dient hier gemaakt te worden tussen efficiëntie
en het belang van menselijk contact voor het vertrouwen in (de dienstverlening van)
de overheid, zo vragen deze leden.
Vragen en opmerkingen van de leden van de VVD-fractie
De leden van de VVD-fractie hebben met waardering kennisgenomen van de initiatiefnota
van het lid Kisteman. Deze leden onderschrijven de gedachte dat de overheid zich moet
richten op haar kerntaken en dat beleid niet alleen op papier moet kloppen, maar ook
in de praktijk moet werken. Een overheid die effectief, voorspelbaar en dienstbaar
is, is van groot belang voor het vertrouwen van burgers en ondernemers.
De leden van de VVD-fractie vinden het daarbij positief dat in de initiatiefnota nadrukkelijk
aandacht wordt gevraagd voor de uitvoering. Goed beleid begint immers bij een realistisch
beeld van de praktijk. Beleidsmakers moeten weten wat de gevolgen van beleid zijn
voor burgers, ondernemers en uitvoerende professionals. Deze leden hebben hierover
de volgende vragen.
Beleid en uitvoering
De leden van de VVD-fractie vragen of de indiener van mening is dat de rijksoverheid
momenteel voldoende oog heeft voor de uitvoering bij het maken van beleid. Op verschillende
beleidsterreinen is de uitvoering in de afgelopen jaren steeds verder verspreid geraakt
over verschillende overheidslagen en uitvoeringsorganisaties. Een voorbeeld hiervan
is het beleid voor landbouw en het platteland. Met het opheffen van de Dienst Landelijk
Gebied (DLG) in 2015 is een belangrijke uitvoeringsorganisatie verdwenen en zijn taken
meer bij provincies en andere decentrale overheden komen te liggen.
Regionale uitvoeringsorganisaties zoals het DLG hebben juist als voordeel dat zij
dicht bij de praktijk staan en weten wat er lokaal en regionaal speelt. Die kennis
uit de praktijk is essentieel om beleid te maken dat niet alleen op papier werkt,
maar ook daadwerkelijk uitvoerbaar is. Hoe belangrijk vindt de indiener deze verbinding
tussen landelijke beleidsvorming en de regionale praktijk?
De leden van de VVD-fractie erkennen het belang van een sterke positie van decentrale
overheden. Tegelijkertijd kan een verdeling van verantwoordelijkheden over verschillende
overheidslagen ook tot versnippering leiden. Hoe kijkt de indiener aan tegen deze
balans? Ziet hij terreinen waarop de rijksoverheid volgens hem meer verantwoordelijkheid
voor de uitvoering zou moeten nemen?
Een slagvaardige overheid
De leden van de VVD-fractie zijn van mening dat een slagvaardige overheid ook voor
burgers en ondernemers overzichtelijk moet zijn. De glastuinbouw is hiervan een voorbeeld:
ondernemers kunnen bij hun bedrijfsvoering te maken hebben met meerdere overheidslagen,
waaronder het Rijk, de provincie, de gemeente, het waterschap en de omgevingsdienst.
Hoe zou de indiener deze samenwerking tussen verschillende overheidslagen willen verbeteren?
En waar ziet hij mogelijkheden om het voor ondernemers eenvoudiger te maken?
Lange termijn en beleid
De leden van den VVD-fractie constateren dat de indiener verwijst naar voorbeelden
als Singapore, waar nadrukkelijk wordt gestuurd op de lange termijn en minder op de
waan van de dag. Deze leden onderschrijven het belang hiervan. Welke lessen kunnen
volgens de indiener uit dit voorbeeld worden getrokken voor Nederland? En hoe kan
de Tweede Kamer volgens hem bijdragen aan meer continuïteit in beleid?
De leden van de VVD-fractie waarderen de concrete voorstellen in de initiatiefnota.
Tegelijkertijd constateert de nota zelf dat eerdere hervormingsagenda’s en moderniseringsprogramma’s
vaak ambitieuze doelstellingen hadden, maar dat de daadwerkelijke uitvoering en opvolging
achterbleven. Welke voorstellen uit de initiatiefnota zouden volgens de indiener als
eerste in de praktijk moeten worden gebracht? En welke rol ziet hij daarbij voor de
Tweede Kamer?
Vragen en opmerkingen van de leden van de PRO-fractie
De leden van de PRO-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van de initiatiefnota
van het lid Kisteman en voorheen het lid Erkens. Deze leden vinden het goed dat collega-Kamerleden
hun parlementaire middelen gebruiken om onderwerpen te agenderen en voorstellen te
doen. In dat licht danken zij de initiatiefnemer en zijn ondersteuning voor het werken
aan de voorliggende initiatiefnota. Inhoudelijk hebben deze leden voor dit moment
een aantal vragen die zij graag aan de initiatiefnemer voor willen leggen.
De leden van de PRO-fractie kunnen het algemene uitgangspunt van de initiatiefnota
dat de overheid doet wat nodig is, onderschrijven. Deze leden hebben alleen wel fundamentele
vragen bij de analyse en de oplossingen die in de initiatiefnota zijn opgeschreven.
Probleemstelling
De leden van de PRO-fractie constateren dat de initiatiefnemer een link legt tussen
het dalende vertrouwen in de overheid en het functioneren van de overheid. Deze leden
missen in deze analyse echter de rol van de politiek zelf. Het feit dat bijvoorbeeld
de toeslagenaffaire of de aardgaswinning in Groningen ertoe geleid hebben dat het
vertrouwen in de overheid begrijpelijkerwijs een deuk heeft opgelopen komt vooral
ook door politieke keuzes en door gebrekkige wetgeving. Omdat dit element mist in
de probleemstelling ontvangen deze leden hier graag een toelichting en reflectie op
van de initiatiefnemer.
De leden van de PRO-fractie constateren voorts dat de initiatiefnemer stelt dat er
sprake is van een afname van expertise en een grote toename van externe inhuur. Dit
is deze leden ook een doorn in het oog. Zij constateren echter dat dit een veel breder
probleem is dan alleen de omvang van de overheid en zij vragen de initiatiefnemer
hier uitgebreider op te reflecteren. Betekent het afslanken van de overheid, zoals
de initiatiefnemer voorstelt, dat de expertise toe zal nemen? Is de initiatiefnemer
niet bezorgd dat het fors snijden in het aantal ambtenaren juist zal leiden tot meer
externe inhuur omdat cruciale functies niet meer bij de overheid zelf belegd zijn?
Graag ontvangen zij ook een reflectie van de initiatiefnemer op het feit dat expertise
bij de rijksoverheid verdwijnt doordat ambtenaren vertrekken en via consultancy bureaus
daarna weer door de rijksoverheid (of door decentrale overheden) worden ingehuurd
tegen een veel hoger tarief. Hoe kijkt de initiatiefnemer hiernaar?
Doelstellingen
De leden van de PRO-fractie lezen dat de initiatiefnemer pleit voor 1) beleid dat
werkt; 2) Zet in op eigen kracht; 3) Vertrouw de professional; 4) Efficiëntieverbetering
en 5) Een modern digitaal fundament. Deze leden vermoeden dat in beginsel weinigen
tegen deze verbeterdoelen zullen zijn. Zij vragen de initiatiefnemer te reflecteren
hoe politieke keuzes de afgelopen vijf tot tien jaar ervoor gezorgd hebben dat bijvoorbeeld
realistisch, haalbaar en uitvoerbaar beleid bemoeilijkt is doordat bijvoorbeeld adviezen
van uitvoeringsorganisaties of de Afdeling advisering van de Raad van State bij wetgeving
werden genegeerd. Dit geldt ook voor het uitgangspunt dat professionals vertrouwen
moeten hebben. Hoe reflecteert de initiatiefnemer erop dat door politieke besluitvorming
professionals juist minder vertrouwen kregen? Graag ontvangen deze leden hierop een
uitgebreide reflectie.
Buitenlandse inspiratie
De leden van de PRO-fractie constateren dat de initiatiefnemer inspiratie haalt uit
het buitenland. Deze leden vinden het niet vreemd om te kijken naar goede voorbeelden
uit andere landen. Zij hebben echter wel met enige zorg gekeken naar het feit dat
Singapore als grote voorbeeld wordt gepresenteerd. Singapore, dat overigens niet bekend
staat als volwaardige democratie, kent een heel ander politiek-bestuurlijk stelsel
en is als stadstaat lastig te vergelijken met het Nederlandse stelsel met naast de
rijksoverheid meerdere decentrale bestuurslagen. Dit cruciale verschil missen deze
leden in de nogal positieve appreciatie van het Singaporese model door de initiatiefnemer.
Graag ontvangen zij hier een nadere reflectie op van de initiatiefnemer.
De leden van de PRO-fractie lezen verder dat de initiatiefnemer een voorbeeld neemt
het Noorse systeem van informatieverzoeken. Dit vinden deze leden verstandig. Zij
constateren evenwel dat juist de afgelopen kabinetten weinig gedaan hebben om, na
aanname van de Wet open overheid, de actieve openbaarmaking te bevorderen en om de
informatiehuishouding op orde te brengen. Graag een reflectie hierop van de initiatiefnemer.
Beslispunten
De leden van de PRO-fractie zien dat de initiatiefnemer een aantal concrete voorstellen
doet die de verhouding tussen de werkgever en werknemer bij de rijksoverheid raken.
Heeft de initiatiefnemer, zo vragen deze leden, hierbij in de voorbereiding van deze
nota ook gesprekken gevoerd met de vertegenwoordigers van ambtelijke werknemers? Zo
ja, kan hij aangeven hoe zij aankijken tegen de voorstellen die in de nota worden
gedaan?
De leden van de PRO-fractie constateren tot slot dat de initiatiefnemer meermaals
spreekt over de kerntaken van de overheid. Kan hij hierbij nader concretiseren wat
volgens hem de kerntaken precies zijn en hoe dit bepaald wordt? Kan hij hierbij reflecteren
op het feit dat veel regels en procedures er juist ook zijn om (kern)taken van de
overheid te versterken?
Vragen en opmerkingen van de leden van de CDA-fractie
De leden van de CDA-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van de initiatiefnota
van de heer Kisteman en maken graag van de gelegenheid om hun dank en waardering uit
te spreken richting de initiatiefnemer en zijn ondersteuning voor het werk dat zij
in deze initiatiefnota gestoken hebben. Deze leden onderschrijven het belang van deze
initiatiefnota en de noodzaak voor een efficiëntere en slagvaardigere overheid. Zij
hebben naar aanleiding van de initiatiefnota nog een aantal vragen.
Initiatiefnota
De leden van de CDA-fractie merken op dat een groot aantal van de voorstellen uit
deze initiatiefnota ook terugkomen in het coalitieakkoord «Aan de slag». Deze leden
vragen de initiatiefnemer om te reflecteren op de stand van zaken van de uitvoering
hiervan, of het vlot genoeg verloopt en vragen ook of de initiatiefnemer aan zou willen
geven welke maatregelen wat hem betreft met prioriteit doorgevoerd moeten worden.
Probleemstelling
De leden van de CDA-fractie vragen in hoeverre de initiatiefnemer de mening deelt
dat de politiek – de Tweede Kamer – door een stortvloed aan moties, schriftelijke
vragen en debatverzoeken mede schuld is aan de alsmaar uitdijende rijksoverheid. Deze
leden vragen hierbij ook of de initiatiefnemer aan kan geven welke oplossingen hij
hiervoor in gedachten heeft.
Wat is er de afgelopen 20 jaar gebeurd in Nederland?
De leden van de CDA-fractie danken de initiatiefnemer voor het in kaart brengen van
eerdere pogingen om de rijksoverheid te verbeteren dan wel efficiënter te maken. Deze
leden vragen wat er naar inzicht van de initiatiefnemer nodig is om met deze initiatiefnota
en de afspraken uit het coalitieakkoord om deze keer wel een fundamentele doorbraak
te realiseren.
1. Beleid dat werkt: Verbeter de aansluiting tussen beleid, uitvoering en techniek.
1. Competatieve beloning voor topfuncties
De leden van de CDA-fractie vragen of de initiatiefnemer aan kan geven welke kosten
gepaard gaan met het voorstel van de initiatiefnemer om de schalen 16–19 van de Algemene
Bestuursdienst (ABD) te herijken richting marktconforme niveaus.
2. Praktijkervaring als vast onderdeel van het ambtelijk werk.
De leden van de CDA-fractie kunnen zich goed vinden in het idee van de initiatiefnemer
om beleidsambtenaren ervaring op te laten doen bij de uitvoeringsdiensten. Deze leden
vragen in hoeverre dit op dit moment al plaatsvindt.
2. Zet in op een krachtige overheid vol expertise
2. Specialisten traject
De leden van de CDA-fractie lezen dat de initiatiefnemer voorstellen doet om de beloning
van specialisten te herzien. Deze leden vragen of de initiatiefnemer van mening is
dat ambtenaren met specialistische kennis meer zouden moeten kunnen verdienen dan
hun leidinggevenden.
4. Kennisuitwisseling tussen private en publieke sector.
De leden van de CDA-fractie onderschrijven net zoals de initiatiefnemer het belang
van uitwisseling met de private sector. Deze leden menen dat hierin veel te winnen
valt. Zij merken op dat in Singapore, een door de initiatiefnemer genoemd voorbeeld,
veel ambtenaren uit de private sector komen. Zij vragen hierbij of de initiatiefnemer
kan duiden waarom in de initiatiefnota wordt wel gesproken van uitwisseling met de
private sector, maar niet van het aantrekken van medewerkers uit de private sector.
3. Ruimte voor de professional om maatwerk te leveren
De leden van de CDA-fractie vragen of naar oordeel van de indiener op dit moment onvoldoende
mogelijkheid is voor professionals binnen de rijksoverheid om maatwerk te leveren.
4. Een efficiënte overheid en het verminderen van bureaucratie
1. Strategische krimp en gerichte vernieuwing ambtenarenapparaat.
De leden van de CDA-fractie vragen of de initiatiefnemer van mening is dat er op dit
moment voldoende overtuigende plannen gepresenteerd zijn om de voorgenomen taakstelling
van het kabinet op het ambtelijk apparaat te realiseren. Voorts vragen deze leden
welke mogelijkheden de initiatiefnemer ziet om binnen de taakstelling ervoor te zorgen
dat de kwalitatief goede ambtenaren, bijvoorbeeld met specialistische expertise, behouden
blijven.
Vragen en opmerkingen van de leden van de BBB-fractie
De leden van de BBB-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van de initiatiefnota
van het lid Kisteman over het streven naar de beste overheid van Europa. Deze leden
danken het lid Kisteman, maar zeker ook het oud-Kamerlid Erkens, voor het vele werk
dat in deze uitgebreide nota is gestoken. Zij delen de constatering dat de rijksoverheid
de afgelopen jaren fors is gegroeid, terwijl burgers, ondernemers en uitvoerders daar
lang niet altijd een betere overheid voor hebben teruggekregen. Een kleinere, dienstbare
en beter functionerende overheid kan daarom op steun van deze leden rekenen. Over
de voorgestelde uitwerking hebben zij nog wel verschillende kritische vragen.
Beleid dat aansluit op de echte praktijk
De leden van de BBB-fractie constateren dat de initiatiefnemer voorstelt dat iedere
beleidsmedewerker voorafgaand aan een plaatsing en vervolgens jaarlijks een praktijkperiode
doorloopt bij een uitvoeringsorganisatie. Deze leden onderschrijven het belang van
praktijkervaring, maar vragen waarom deze ervaring beperkt blijft tot uitvoeringsorganisaties.
Daarmee wordt een ambtenaar immers opnieuw in een ambtelijke of semipublieke omgeving
geplaatst. Juist de afstand tussen Den Haag en de dagelijkse werkelijkheid van burgers,
ondernemers en professionals is volgens deze leden een belangrijk probleem.
De leden van de BBB-fractie vragen waarom de initiatiefnemer ambtenaren niet laat
meelopen in de praktijk waarop hun beleid daadwerkelijk betrekking heeft. Is hij het
ermee eens dat een beleidsmedewerker van het Ministerie van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid
en Natuur meer kan leren door enkele weken mee te werken op een boerderij, bij een
visser of in een voedselverwerkend bedrijf? Zou een beleidsmedewerker van het Ministerie
van Volksgezondheid, Welzijn en Sport niet juist moeten meelopen in een ziekenhuis,
verpleeghuis of huisartsenpraktijk? En zou een ambtenaar die beleid maakt voor het
midden- en kleinbedrijf niet eens moeten ervaren wat alle regels en formulieren achter
de toonbank daadwerkelijk betekenen?
De leden van de BBB-fractie vragen of de initiatiefnemer bereid is zijn voorstel zo
aan te passen dat praktijkervaring nadrukkelijk ook buiten de overheid wordt opgedaan.
Hoe wordt voorkomen dat zo een praktijkperiode verwordt tot een jaarlijks verplicht
bezoek, waarbij een ambtenaar een rondleiding krijgt, een kop koffie drinkt en daarna
weer terugkeert naar Den Haag zonder dat er iets verandert?
De leden van de BBB-fractie benadrukken daarnaast dat Nederland groter is dan de Haagse
beleidscirkel. Hoe wil de initiatiefnemer waarborgen dat ambtenaren ervaring opdoen
in verschillende regio’s, waaronder plattelandsgebieden en grensregio’s? Is hij het
ermee eens dat beleid dat op papier in Den Haag logisch lijkt, in Drenthe, Zeeland,
Limburg of de Achterhoek heel anders kan uitpakken?
Stoppen met de modellenwerkelijkheid
De leden van de BBB-fractie vinden dat de initiatiefnemer terecht stelt dat beleid
moet aansluiten op de praktijk. Deze leden wijzen erop dat de overheid zich steeds
vaker baseert op modellen, aannames, normen en theoretische berekeningen die onvoldoende
overeenkomen met wat mensen buiten daadwerkelijk zien en ervaren. De papieren werkelijkheid
wordt vervolgens leidend, zelfs wanneer metingen of ervaringen uit de praktijk een
ander beeld geven.
De leden van de BBB-fractie vragen of de initiatiefnemer de mening deelt dat de overheid
moet afstappen van een modellenwerkelijkheid waarin theoretische uitkomsten zwaarder
wegen dan metingen, feiten en ervaringen uit de praktijk. Hoe wil hij dit concreet
bereiken? Moet bij beleid dat zwaar leunt op modellen volgens hem verplicht inzichtelijk
worden gemaakt welke aannames, onzekerheidsmarges en beperkingen in die modellen zitten?
Is hij voorstander van een verplichte toets waarbij modeluitkomsten worden vergeleken
met waarnemingen en metingen in de praktijk?
De Algemene Bestuursdienst
De leden van de BBB-fractie zijn niet overtuigd van het voorstel om de salarisschalen
16 tot en met 19 van de Algemene Bestuursdienst (ABD) te verhogen richting marktconforme
niveaus. Waarop baseert de initiatiefnemer de veronderstelling dat hogere salarissen
nodig zijn om voldoende geschikte mensen aan te trekken? Kan hij dit met onderzoek
onderbouwen?
De leden van de BBB-fractie vinden dat de overheid juist veel nadrukkelijker op zoek
moet naar ander talent. Niet alleen naar mensen die al jarenlang binnen de rijksoverheid
werken of afkomstig zijn uit de gebruikelijke opleidingen, zoals bestuurskunde en
rechten, maar ook naar mensen met praktijkervaring, technische kennis, ondernemerschap
en gezond verstand.
De leden van de BBB-fractie vragen of de initiatiefnemer het ermee eens is dat de
overheid meer andersdenkenden nodig heeft. Waarom bevat de nota nauwelijks voorstellen
om mensen buiten de bestaande Haagse en ambtelijke netwerken een eerlijke kans te
geven? Hoe wil hij voorkomen dat de ABD een gesloten circuit blijft waarin steeds
dezelfde soort mensen elkaar benoemen en opvolgen? Is hij bereid bij werving aantoonbare
praktijkervaring en inhoudelijke vakkennis zwaarder te laten wegen dan ervaring binnen
de ambtelijke top?
De leden van de BBB-fractie lezen dat de initiatiefnemer voorstelt dat niemand op
ABD-niveau wordt benoemd zonder aantoonbare ervaring in de uitvoering. Wat verstaat
hij precies onder ervaring in de uitvoering? Telt praktische ervaring in het bedrijfsleven,
de landbouw, de zorg, het onderwijs, de techniek of bij een gemeente daarbij volwaardig
mee?
Functioneren, politieke besluiten en de vierde macht
De leden van de BBB-fractie zijn het met de initiatiefnemer eens dat onvoldoende functioneren
eerder gevolgen moet hebben, waaronder herplaatsing of beëindiging van de arbeidsovereenkomst.
Deze leden vragen welke criteria de initiatiefnemer daarbij wil hanteren en wie het
functioneren beoordeelt.
De leden van de BBB-fractie vragen of de initiatiefnemer het ermee eens is dat onder
onvoldoende functioneren ook kan vallen dat een ambtenaar de uitvoering van democratisch
genomen politieke besluiten bewust vertraagt, tegenwerkt of probeert te verhinderen.
Hoe maakt hij daarbij onderscheid tussen het geven van professioneel en kritisch ambtelijk
advies, wat vanzelfsprekend mogelijk moet blijven, en ambtelijk activisme nadat een
politieke beslissing is genomen?
De leden van de BBB-fractie vragen hoe de initiatiefnemer in bredere zin aankijkt
tegen het risico van de zogenoemde vierde macht. Erkent hij dat een sterke en deskundige
ambtelijke organisatie noodzakelijk is, maar dat uiteindelijk de democratisch gelegitimeerde
politiek de koers bepaalt? Hoe verhouden de voorstellen tot versterking, specialisering
en hogere beloning van de ABD zich tot het politieke primaat? Bestaat niet het risico
dat de positie van de ambtelijke top hierdoor juist verder wordt versterkt? Welke
concrete voorstellen doet de initiatiefnemer om de controle van de Kamer en bewindspersonen
op de ambtelijke top te verbeteren?
Een daadwerkelijk kleinere overheid
De leden van de BBB-fractie lezen dat de initiatiefnemer constateert dat het aantal
rijksambtenaren tussen 2012 en 2023 met 36,5 procent is gegroeid. Toch ontbreekt in
de nota een concreet doel voor het terugdringen van deze groei. Waarom noemt de initiatiefnemer
wel de al bestaande norm om externe inhuur terug te brengen tot maximaal 10 procent
van de personeelsuitgaven, maar geen percentage waarmee het totale ambtenarenapparaat
moet krimpen?
Wat verstaat de initiatiefnemer precies onder strategische krimp? Kan hij aangeven
welke onderdelen van de Rijksoverheid volgens hem kunnen krimpen en welke uitvoerende
onderdelen juist moeten worden ontzien? Is hij bereid een concreet en meetbaar doel
voor vermindering van het aantal beleids-, management- en communicatiefuncties te
formuleren?
De leden van de BBB-fractie vragen hoe de initiatiefnemer kijkt naar de grote hoeveelheid
communicatieadviseurs, woordvoerders en andere communicatiemedewerkers op ministeries.
Hoeveel van deze functies zijn er volgens hem nodig voor goede overheidscommunicatie
en hoeveel houden zich vooral bezig met beeldvorming, reputatiemanagement en het verkopen
van beleid? Is hij het ermee eens dat belastinggeld in de eerste plaats moet worden
besteed aan goede uitvoering en dienstverlening, en niet aan steeds grotere communicatieschillen
rond ministeries?
Kan de initiatiefnemer daarnaast aangeven hoeveel nieuwe overlegstructuren, taskforces,
coördinerende functies en centrale diensten uit zijn eigen voorstellen voortvloeien?
Hoe wordt voorkomen dat een plan tegen bureaucratie zelf weer nieuwe bureaucratie
veroorzaakt?
Menselijke maat en bereikbaarheid
De leden van de BBB-fractie lezen dat de initiatiefnemer sterk inzet op digitalisering
en kunstmatige intelligentie. Deze leden zien hiervan de mogelijkheden, maar benadrukken
dat digitalisering nooit mag betekenen dat persoonlijk contact verdwijnt. Niet iedereen
is digitaal vaardig en niet ieder probleem past in een digitaal formulier.
Is de initiatiefnemer het ermee eens dat het uitgangspunt moet zijn: digitaal waar
het kan, persoonlijk waar het moet? Hoe denkt hij te kunnen waarborgen dat burgers
altijd toegang houden tot een medewerker, een telefoonnummer en waar nodig een fysiek
loket? Hoe voorkomt hij dat ouderen, laaggeletterden en mensen die moeite hebben met
digitale dienstverlening verder op afstand komen te staan?
Financiële onderbouwing
De leden van de BBB-fractie constateren dat de initiatiefnemer schrijft dat de voorstellen
beperkte, tijdelijke middelen vragen en zichzelf op termijn ruimschoots terugverdienen.
Een concrete financiële onderbouwing ontbreekt echter.
In het coalitieakkoord zijn geen extra middelen opgenomen voor digitalisering. Hoe
beoordeelt de initiatiefnemer dit in het licht van zijn voorstellen? Hoeveel geld
denkt hij nodig te hebben voor de digitalisering, nieuwe standaarden, opleidingen,
praktijkperiodes, uitwisselingsprogramma’s, specialistische loopbanen, de centrale
digitale dienst en de voorgestelde hogere beloningen?
II Antwoord/reactie van de initiatiefnemer
Indieners
Arend Kisteman, Kamerlid
Gerelateerde documenten
Hier vindt u documenten die gerelateerd zijn aan bovenstaand Kamerstuk.