Memorie van toelichting : Memorie van toelichting
36 978 Wijziging van de Arbeidsomstandighedenwet in verband met het scheppen van een wettelijke grondslag voor de subsidiëring van samenwerkingsverbanden voor kennisactiviteiten ter voorkoming of beperking van beroepsziekten, voor structurele tegemoetkomingsregelingen voor personen die lijden aan een beroepsziekte en de subsidiëring van het Steunpunt RI&E
Nr. 3
MEMORIE VAN TOELICHTING
I. ALGEMEEN
1. Inleiding
1.1. Korte inhoud wetsvoorstel
Dit wetsvoorstel regelt drie grondslagen in de Arbeidsomstandighedenwet. Ten eerste
bevat het een grondslag voor een doorlopend kennisprogramma beroepsziekten. Deze grondslag
biedt de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (verder: Minister) een duurzame
basis om periodiek subsidie te verstrekken aan een samenwerkingsverband van instellingen
voor het verrichten van kennisactiviteiten ter voorkoming of beperking van beroepsziekten.
In het verlengde daarvan regelt dit voorstel dat de totstandkoming van het kennisprogramma
verder kan worden uitgewerkt in een subsidieregeling en een hoofdlijnennotitie(s)
in de bijlage daarbij. De Arbeidsomstandighedenwet, de subsidieregeling en een hoofdlijnennotitie
samen vormen het kader waarbinnen voor een bepaalde periode subsidie kan worden aangevraagd
voor de uitvoering van het kennisprogramma.
Om wat voor kennisactiviteiten het moet gaan, beschrijft de Minister in de hoofdlijnennotitie.
Met de hoofdlijnennotitie geeft de Minister dus aan waar hij wil dat onderzoek naar
wordt gedaan. Daarnaast stelt hij hierin nadere eisen aan het samenwerkingsverband.
Denk hierbij aan eisen over de reeds opgebouwde kennis en ervaring van de instellingen
in het samenwerkingsverband en de samenwerking met partijen buiten het samenwerkingsverband.
Maar ook aan de periode waarbinnen de kennisactiviteiten moeten worden afgerond.
Voor het thema stoffengerelateerde beroepsziekten zal het standaard om een periode
van vijf jaar gaan. Na afloop van de projectperiode kan de Minister een nieuwe hoofdlijnennotitie
publiceren. Er volgt dan een nieuwe financieringsronde en een nieuwe subsidieperiode.
De gevraagde kennisactiviteiten kunnen daarbij voortbouwen op het eerdere thema. Ook
kan de Minister na zo’n periode accenten van de inhoud verschuiven, uitbreiden en/of
andere thema’s en doelen aanwijzen. Ook kan het samenwerkingsverband dat subsidie
heeft ontvangen voor de nieuwe aanvraagperiode de samenstelling wijzigen.
De subsidietoekenning verloopt via het proces van een subsidietender, waarbij één
samenwerkingsverband de subsidie krijgt toegekend. Meer uitleg over de wettelijke
structuur en het proces van subsidietoekenning volgt in paragraaf 7.
Ten tweede bevat dit wetsvoorstel een grondslag voor tegemoetkomingsregelingen voor
beroepsziekten. De bestaande tegemoetkomingsregelingen voor beroepsziekten zullen
na inwerkingtreding van dit wetsvoorstel op deze grondslag zijn gebaseerd. Het gaat
hierbij om de volgende twee tegemoetkomingsregelingen:
1. De Regeling tegemoetkoming stoffengerelateerde beroepsziekten (Regeling-TSB).1 Deze regeling biedt (voormalig) werkenden met een stoffengerelateerde beroepsziekte
de mogelijkheid een financiële tegemoetkoming aan te vragen bij de overheid. De tegemoetkoming
is geen schadevergoeding. De tegemoetkoming is bedoeld als een maatschappelijke erkenning
van het opgelopen leed.
De huidige regeling staat open voor de volgende ernstige beroepsziekten: longkanker
door blootstelling aan asbest en/of respirabel kristallijn silica, allergisch beroepsastma
door allergenen en chronic-solvent-induced encephalopathy (cse) door vluchtige oplosmiddelen
zoals bedoeld in artikel 4.62a van het Arbeidsomstandighedenbesluit
2, neus-(bijholte) kanker door houtstof en silicose door kristallijn silica. De regeling
wordt in de toekomst uitgebreid met meer stoffengerelateerde beroepsziekten. Zie voor
de meest recente informatie over de regeling de Kamerbrief en de rapportage in de
bijlage daarbij.3
2. De Regeling tegemoetkoming asbestslachtoffers 2014 (Regeling-TAS).4 Dit is een tegemoetkomingsregeling voor (voormalig) werkenden met de beroepsziekten
mesothelioom of asbestose.
Ten derde biedt dit voorstel een wettelijke grondslag voor het reeds bestaande Steunpunt
RI&E (risico-inventarisatie en evaluatie) en ook de mogelijkheid tot het verlenen
van subsidie aan dit Steunpunt. De regering maakt hiermee de structurele financiering
van de activiteiten van dit Steunpunt mogelijk.
1.2. Waarom is deze wetswijziging nodig?
De regering vindt deze wetswijziging noodzakelijk om de volgende redenen:
Ten eerste is de kennis over beroepsziekten in Nederland nog onvoldoende. De opbouw
van kennis over stoffengerelateerde beroepsziekten is daarbij prioritair. Voor de
opbouw daarvan ontbreekt in Nederland vanuit ons systeem een stimulans. Dit hangt
samen met het sociale systeem dat Nederland hanteert: het zogenaamde «risque social».
Binnen dit systeem is het voor een uitkering door arbeidsongeschiktheid niet nodig
dat een werkende kan aantonen dat hij ziek is geworden door zijn werk met een gevaarlijke
stof. Mede door dit systeem is de kennis over stoffengerelateerde beroepsziekten in
Nederland minder groot dan in landen waar een ander systeem geldt. Dat systeem heet:
«risque professionel». Daarbinnen is het wel nodig voor een uitkering dat een (voormalig)
werkende kan aantonen dat hij ziek is geworden door zijn werk met een gevaarlijke
stof. Er is nog veel tijd en een stabiele structuur nodig om de kennis over (stoffengerelateerde)
beroepsziekten in Nederland te vergroten. Door het ontbreken van een stimulans vanuit
ons sociale systeem hiervoor, vindt de regering het noodzakelijk om deze ontwikkeling
te bevorderen.
Ten tweede passen betrokkenen de kennis over stoffengerelateerde beroepsziekten die
er is onvoldoende toe in de praktijk. Dit bemoeilijkt een goede preventie op de werkvloer,
vroegsignalering, vroegdiagnostiek, medische diagnostiek en behandelmethoden. Huisartsen,
medische specialisten en bedrijfsartsen in Nederland herkennen veel gezondheidsklachten
nog niet als stoffengerelateerde beroepsziekten. Ze vragen hier nog te weinig over
door. Opleiders van huisartsen, medisch specialisten en bedrijfsartsen besteden nog
te weinig aandacht aan de mogelijkheid dat een cliënt ziek is geworden door zijn arbeidsomstandigheden.
Ten slotte zijn (voormalig) werkenden in Nederland zelf er onvoldoende alert op dat
hun probleem zijn oorsprong kan vinden op de werkplek.
Ten derde: bij meerjarige kennisprogramma’s moet er een bepaalde zekerheid worden
geboden voor het voortbestaan en de uitbreiding daarvan. De doelen van een dergelijk
kennisprogramma zijn niet in korte tijd te behalen. Ook is het belangrijk dat de juiste
medewerkers worden aangetrokken en voor langere tijd kunnen worden behouden. De betrokken
medewerkers moeten daarvoor bijvoorbeeld ruim op tijd duidelijkheid hebben over de
duur van hun arbeidscontract. Dit kan worden geboden door in elke hoofdlijnennotitie
duidelijk aan te geven wat de duur van de subsidieperiode is. Ook is het van belang
de subsidieregeling ruim voor het aflopen van een subsidieperiode te wijzigen in verband
met een nieuwe subsidieperiode. Zodat er ruim op tijd duidelijk is of contracten kunnen
worden verlengd en/of welke onderzoekers moeten worden geworven.
Dit alles vraagt om stabiliteit èn flexibiliteit voor het programma. De regering wil
dit bieden met een grondslag in de Arbeidsomstandighedenwet voor de subsidiëring van
samenwerkingsverbanden voor kennisactiviteiten ter voorkoming of beperking van beroepsziekten.
Het kennisprogramma zal zich de eerste decennia in ieder geval richten op de opbouw
van kennis rondom stoffengerelateerde beroepsziekten. Stoffengerelateerde beroepsziekten
zijn ernstige ziekten die mensen hebben opgelopen door hun werk met gevaarlijke stoffen,
gassen of dampen. Denk hierbij bijvoorbeeld aan asbest, allergenen en oplosmiddelen.
De grondslag in de Arbeidsomstandighedenwet voor het kennisprogramma beperkt zich
echter niet tot enkel stoffengerelateerde beroepsziekten, maar omvat beroepsziekten
in het algemeen. Dit maakt het mogelijk om in de toekomst, of als daar tussentijds
een acute noodzaak voor is, binnen dit kennisprogramma ook onderzoek uit te laten
voeren naar andere dan stoffengerelateerde beroepsziekten.
De reden om de financiering van een samenwerkingsverband verder in te kaderen met
een subsidieregeling, met in de bijlage een periodieke hoofdlijnennotitie is tweeledig:
1. Het kennisprogramma kan zo – na afloop van een subsidieperiode – worden aangepast
aan nieuwe omstandigheden. Waarbij het voortbestaan van het kennisprogramma zelf door
de grondslag in de Arbeidsomstandighedenwet is geborgd en het dus steeds betekenisvoller
kan worden door de aanpassing of uitbreiding ervan.
In geval van dringende actualiteiten is het daarnaast mogelijk om – lopende een subsidieperiode
– een nieuwe hoofdlijnennotitie toe te voegen aan de regeling om in te spelen op deze
actualiteit.
2. Het samenwerkingsverband dat het kennisprogramma uitvoert, kan periodiek van samenstelling
wijzigen. En zo worden aangepast aan nieuwe omstandigheden.
Verder kennen de Regeling-TSB en de Regeling-TAS op dit moment allebei een tijdelijke
grondslag in de Kaderwet SZW-subsidies. De regering vindt de erkenning van getroffenen
erg belangrijk en wil dit daarom beter geregeld hebben. Met dit wetsvoorstel stelt
zij daarom voor om beroepsziekteregelingen van een blijvende grondslag te voorzien.
Doel hiervan is de tegemoetkomingen voor getroffenen beter te borgen.
Daarnaast zal de Regeling-TSB in de loop van de tijd, zoals eerder aangegeven, steeds
meer stoffengerelateerde beroepsziekten bevatten. De door de regering ingestelde onafhankelijke
«Adviescommissie lijst beroepsziekten» adviseert over de stapsgewijze uitbreiding
van de bestaande regeling met andere beroepsziekten.5 Ook in dat verband moet de kennis over stoffengerelateerde beroepsziekten in Nederland
worden vergroot, verspreid en toegepast.
Een wetswijziging is ook nodig voor het Steunpunt RI&E. Het Steunpunt RI&E werkt momenteel
op basis van een driejarige subsidie. Deze subsidie loopt ten einde op 31 april 2027.
Daarna is nieuwe financiering vereist. Het is de wens van de regering en sociale partners
verenigd in de Stichting van de Arbeid om deze financiering structureel te maken om
de continuïteit van het Steunpunt RI&E te waarborgen. De regering is van mening dat
een bepaalde zekerheid geboden dient te worden bij de (door)ontwikkeling van een ondersteuningsorganisatie.
Met een financiële waarborg kan meer aandacht uitgaan naar de ontwikkeling van de
dienstverlening van het Steunpunt naar bedrijven en burgers. Voor de duidelijkheid:
het gaat hierbij dus niet om de oprichting van een nieuwe organisatie, het Steunpunt
bestaat al sinds 2004, maar om de financieringsstructuur.
2. Aanleiding voor dit wetsvoorstel
Werkgevers moeten hun werknemers een gezonde en veilige werkomgeving bieden. Ze zijn
hierbij verplicht een risico-inventarisatie en evaluatie te doen. Als er sprake is
van gevaarlijke stoffen op de werkvloer gelden hier nog extra vereisten. Denk hierbij
aan het bijhouden van een stoffenregistratie en het inschatten van de risico’s van
blootstelling aan deze stoffen. In het geval van kankerverwekkende, mutagene of reprotoxische
stoffen moet er op grond van de Europese CMR-richtlijn per medewerker een blootstellingsregistratie
worden bijgehouden.6 Met mutagene stoffen worden hierbij stoffen bedoeld die een verandering in het genetische
materiaal van een cel veroorzaken en met reprotoxische stoffen, stoffen die schadelijk
zijn voor de voortplanting.
Daarnaast zijn er grenswaarden voor maximale blootstelling voor de meest schadelijke
stoffen gesteld. Het opstellen hiervan gebeurt op Europees niveau en op nationaal
niveau. Als er niet op nationaal niveau grenswaarden zijn gesteld, dan moet een werkgever
zelf veilige grenswaarden afleiden.
De blootstelling moet binnen de grenswaarden voor veilige blootstelling blijven en
de werkgever moet daarvoor de nodige maatregelen treffen.
De werkgever heeft dus een zorgplicht. Aan de andere kant heeft ook de werknemer de
verplichting om zorg te dragen voor zijn eigen veiligheid en die van collega’s. Dit
is geregeld in de Arbeidsomstandighedenwet.
Het komt voor dat (voormalig) werkenden een stoffengerelateerde beroepsziekte krijgen.
Zij kunnen hun werk- of opdrachtgever hiervoor aansprakelijk stellen en een beroepsziekteclaim
indienen bij de civiele rechter. Beroepsziekteclaims behoren tot de meest ingewikkelde
claims binnen de letselschade. Werknemers ervaren verschillende belemmeringen:
– Het is moeilijk voor de werknemer om de werkgever aansprakelijk te stellen. Zeker
als de relatie goed is.
– Beroepsziekten kunnen meerdere oorzaken hebben. Zo wordt bijvoorbeeld 80% van de gevallen
van longkanker veroorzaakt door roken. Het is daarom vaak moeilijk om aan te tonen
dat longkanker is veroorzaakt door blootstelling aan een gevaarlijke stof, damp of
gas op het werk.
– De ziektebeelden en de klachten zijn soms moeilijk aantoonbaar en/of niet duidelijk
genoeg.
– De procedures duren lang (gemiddeld ruim vier jaar, maar tien jaar is geen uitzondering)
en kunnen kostbaar zijn voor de (voormalig) werkende (15.000 – 70.000 euro).
– Sommige ziekten, zoals longkanker door asbest, kunnen in een ver verleden zijn opgelopen.
Hierdoor is sommige «bewijslast» verdwenen. Misschien bestaat het bedrijf niet meer
en/of zijn de medische dossiers niet zo lang bewaard.
In 2000 is de Regeling tegemoetkoming asbestslachtoffers ingevoerd. Dit is de voorloper
van de huidige Regeling-TAS uit 2014. De overheid wilde het leed erkennen van werknemers
die mesothelioom hebben gekregen door het werken met asbest. Mesothelioom is een dodelijke
ziekte. De ziekte is monocausaal. Dat wil zeggen dat deze alleen door asbest kan zijn
veroorzaakt. De tegemoetkoming betreft geen schadevergoeding. Dit betekent dat de
tegemoetkoming geen verband houdt met de feitelijke schade die een werkende door zijn
ziekte lijdt.
Eerder, in 1998, hadden sociale partners, verzekeraars en de rijksoverheid het Instituut
Asbestslachtoffers (IAS) opgericht. Het IAS had aanvankelijk primair de taak namens
het asbestslachtoffer met de (ex)werkgever of diens verzekeraar te bemiddelen over
een schadevergoeding. Dit om hiermee het asbestslachtoffer zoveel mogelijk te ontlasten.
Na de invoering van de Regeling-TAS kreeg het IAS ook een rol in de uitvoering van
deze regeling; het IAS adviseert de Sociale verzekeringsbank (SVB) over de toekenning
van de tegemoetkoming.
In 2003 is de Regeling-Tas zodanig gewijzigd dat de tegemoetkoming voortaan als voorschot
wordt verstrekt. Het slachtoffer ontvangt zo spoedig mogelijk na aanvraag de financiële
tegemoetkoming van de SVB. Slaagt de bemiddeling over een schadevergoeding vervolgens,
dan wordt de tegemoetkoming teruggevorderd. In dat geval kan de tegemoetkoming worden
beschouwd als voorschot. Slaagt de bemiddeling niet, dan wordt de tegemoetkoming definitief.
Vanaf 2007 kwamen ook niet-werknemers met mesothelioom in aanmerking voor een financiële
tegemoetkoming. Hiertoe is de Regeling tegemoetkoming niet-loondienstgerelateerde
slachtoffers van mesothelioom (Regeling TNS) ingevoerd. De uitvoering van deze regeling
is eveneens belegd bij het IAS en de SVB.7
Werknemers en niet-werknemers die door het werken met asbest de ziekte asbestose hebben
gekregen, kunnen sinds 2014 eveneens een beroep doen op de Regeling-TAS en de Regeling-TNS.
Ook asbestose is een monocausale ziekte. In dat jaar is de Regeling TNS aangepast
en is de huidige Regeling-TAS vastgesteld. In 2019 meldde zich het 10.000e asbestslachtoffer bij het IAS. Nog altijd melden zich jaarlijks ruim 600 asbestgetroffenen.
De derde regeling die is ontwikkeld voor beroepsziekten door gevaarlijke stoffen is
de regeling voor chronic-solvent-induced encephalopathy (CSE). Het gaat om een ernstige
aandoening van het centrale zenuwstelsel als gevolg van de langdurige blootstelling
aan oplosmiddelen in diverse beroepen zoals drukker, schilder, autospuiter en parketteur.
CSE is een monocausale ziekte. Echter, de symptomen kunnen ook door andere oorzaken
verschijnen. De vaststelling van CSE is daardoor lastiger dan bij de eerder genoemde
mono-causale beroepsziekten die veroorzaakt zijn door asbest (meshothelioom en asbestose).
De vaststelling van CSE is een ingewikkeld proces van uitsluiting van andere aandoeningen,
waarbij diverse deskundigen ingezet moeten worden. Voor meer informatie over de ziekte
kan de website van de patiëntenorganisatie Organisch Psychosyndroom (OPS) worden geraadpleegd:
www.stichtingops.nl. De CSE-regeling is in 2017 in werking getreden en in 2023 opgenomen in de Regeling-TSB.
De Sociaal Economische Raad benoemde in zijn advies uit december 2012 een aantal mogelijkheden
om het proces van de ingewikkelde claims te verbeteren.8Het betrof onder meer het aanstellen van gespecialiseerde rechters en een (verplichte)
aansprakelijkheidsverzekering voor werkgevers tegen de financiële risico’s van schade
als gevolg van beroepsziekten. Geen van de opties bleek te kunnen rekenen op draagvlak.
Er volgden verschillende incidenten met blootstelling aan chroom-6 bij Defensie en
de gemeente Tilburg. De gemeente Tilburg werkte hierbij samen met de Nederlandse Spoorwegen.
De onafhankelijke commissie Tilburg chroom-6 stelde in haar rapport van 31 januari
2019 dat het stelsel van individuele schadeafhandeling van beroepsziekten via het
aansprakelijkheidsrecht nog steeds problematisch was.9 Dit was voor de toenmalig Staatssecretaris van SZW aanleiding om op 1 juli 2019 de
commissie Vergemakkelijking Schadeafhandeling bij Beroepsziekten, VSAB onder leiding
van Ton Heerts (hierna: commissie Heerts) in te stellen.10 De commissie kreeg tot taak advies uit te brengen over een betere organisatie van
schadeafhandeling bij beroepsziekten door stoffen en daartoe verbetervoorstellen te
doen. Op 14 mei 2020 heeft de commissie haar advies uitgebracht.11
De commissie Heerts heeft het Kabinet geadviseerd over een betere organisatie van
het proces van schadeafhandeling bij beroepsziekten door blootstelling aan gevaarlijke
stoffen. Heerts adviseerde onder andere om een laagdrempelige en toegankelijke procedure
in te richten voor een tegemoetkoming (geen schadevergoeding). Met de tegemoetkomingsregeling
zou de samenleving, aldus de commissie, uitdrukking geven aan haar betrokkenheid bij
het leed dat door het werken met gevaarlijke stoffen in het arbeidsproces is veroorzaakt.
Deze tegemoetkoming zou de route naar het aansprakelijkheidsrecht niet afsnijden;
het zou mogelijk blijven voor getroffenen om een claim in te dienen bij de civiele
rechter. In tegenstelling tot de Regeling-TAS uit 2014 zijn aanvragers van de Regeling-TSB
niet verplicht gesteld om mee te werken aan een civiele claim richting de (voormalige)
werkgever.
De commissie Heerts adviseerde ook om een voorziening voor bundeling, ontwikkeling,
verspreiding en toepassing van kennis over stoffengerelateerde beroepsziekten in te
richten. En hierbij rekening te houden met al bestaande, samenwerkende instellingen
in Nederland die zich hier al voorzichtig mee bezig hielden.
De regering heeft aangegeven beide adviezen om zetten in beleid.12 Dit is inmiddels voor het grootste gedeelte gedaan. Dit wetsvoorstel is het sluitstuk
daarvan. Een toelichting op de acties die zijn ingezet naar aanleiding van de adviezen
van de commissie Heerts volgt in de paragrafen 3 en 4.
Ten slotte bevat dit wetsvoorstel een grondslag voor de financiering van het Steunpunt
Risico-Inventarisatie en -Evaluatie (RI&E). Zoals eerder is vermeld is de RI&E een
wettelijke verplichting voor iedere werkgever met ten minste één werknemer in dienst.
De RI&E is de basis van een gezonde en veilige werkomgeving en bestaat al sinds 1994.
De RI&E is een Europese verplichting die voortkomt uit de Europese Kaderrichtlijn
89/391. In de RI&E dient de werkgever te inventariseren welke arbeidsrisico’s zich
voordoen in de organisatie. Vervolgens dient de werkgever in het plan van aanpak maatregelen
te treffen om de geïnventariseerde risico’s te minimaliseren of te beheersen. Het
Steunpunt RI&E helpt bedrijven en branches met informatie en hulpmiddelen zodat zij
kunnen voldoen aan de wettelijke RI&E-verplichting. Ook andere belanghebbenden zoals
werknemers en zzp’ers kunnen terecht bij het Steunpunt RI&E. Het opstellen van een
RI&E wordt, door met name het midden- en kleinbedrijf (tot 25 werknemers), ervaren
als een complexe taak13
14
15. Het opstellen kost tijd en geld van de werkgever, bijvoorbeeld om deskundige bijstand
te vragen voor het opstellen en toetsen van de RI&E. Taken die het Steunpunt RI&E
op zich neemt zijn bijvoorbeeld het beantwoorden van vragen van werkgevers: ben ik
als werkgever verplicht een RI&E op te stellen? Is er voor mijn branche een branche
RI&E beschikbaar? Waar moet ik starten als ik een RI&E wil opstellen? Ook onderhoudt
het Steunpunt online hulpmiddelen, zoals de Route naar RIE.
Het Steunpunt RI&E bezit niet de arbokennis waarover arbokerndeskundigen beschikken.
Het Steunpunt stelt dan ook geen RI&E’s op en kan daar ook niet inhoudelijk bij meedenken.
Het Steunpunt RI&E bestaat sinds 2004. De Minister is opdrachtgever. Het is in overleg
met sociale partners opgericht. Het Steunpunt maakte van 2004 tot 2007 onderdeel uit
van het Arboplatform van de Sociaal-Economische Raad (SER). Na 2007 is besloten het
Steunpunt onder te brengen bij onderzoeksinstituut TNO. In 2011 werd gestart met een
nieuw zelfreguleringsinstrument om het voor werkgevers eenvoudiger te maken om aan
de RI&E-verplichting te voldoen: de introductie van de erkende branche RI&E. Bedrijven
met minder dan 25 werknemers die gebruik maken van een erkende branche RI&E hoeven
hun RI&E niet te laten toetsen. Met de introductie van de erkende branche RI&E ontstond
een nieuwe structuur van het Steunpunt. Branche RI&E’s moesten erkend worden en er
werd besloten dat de erkenningsprocedure uitgevoerd moest worden door de sociale partners
(werkgever- en werknemersvertegenwoordigingen) in de Stichting van de Arbeid. De Stichting
werd op dat moment formeel eigenaar van het Steunpunt RI&E. In de Stichting werd een
werkgroep opgericht voor het Steunpunt met daarin een vertegenwoordiging van werknemers
en werkgevers: FNV, CNV, VCP, MKB-Nederland, Uneto-VNI en VOB.
Echter bleven het secretariaat van het Steunpunt en de bijbehorende website bij TNO.
In 2023 rees de vraag of TNO nog de meest voor de hand liggende organisatie is voor
het beheer van het secretariaat van het Steunpunt. De Minister van Sociale Zaken en
Werkgelegenheid, opdrachtgever en financierder van het Steunpunt RI&E, heeft de werkgroep
in de Stichting van de Arbeid vervolgens advies hierover gevraagd.
De werkgroep sprak unaniem de voorkeur uit om het Steunpunt RI&E onder te brengen
bij de SER in plaats van bij TNO. De voornaamste reden was het contact met sociale
partners en het Arboplatform, een initiatief van de SER waar allerlei informatie rondom
arbeidsomstandigheden voor werkgevers wordt ontsloten. Het Steunpunt sloot volgens
de werkgroep goed aan bij de reeds bestaande SER-initiatieven. Vanaf 1 mei 2024 is
het secretariaat van het Steunpunt ondergebracht bij de SER. De driejarige subsidie
die het Steunpunt RI&E ontvangt voor haar werkzaamheden loopt tot 1 mei 2027. Het
is de wens van de regering en sociale partners om deze financiering structureel te
maken om de continuïteit van het Steunpunt te waarborgen. Dit wetsvoorstel biedt daarom
een wettelijke grondslag voor structurele subsidiering zodat het Steunpunt haar taken
duurzaam kan uitvoeren.
Het bieden van een wettelijke grondslag voor subsidiering van het Steunpunt RI&E is
niet een nieuwe financiële verplichting, maar een verduidelijking van een unanieme
structurele intentie.
3. Uitwerking Kabinetsreactie adviescommissie Heerts
Per 1 januari 2023 heeft de regering een belangrijke eerste stap gezet op het gebied
van de uitwerking van het advies van de commissie Heerts: erkenning van getroffenen
van stoffengerelateerde beroepsziekten. Op dat moment is de Regeling-TSB in werking
getreden.
De tweede stap volgde op 1 juli 2023. Op die datum heeft de regering een aantal –
al bestaande en samenwerkende – instellingen in Nederland met kennis van stoffengerelateerde
beroepsziekten een subsidie verstrekt voor een eerste werkprogramma over beroepsziekten
door gevaarlijke stoffen.
De subsidie is verstrekt aan het samenwerkingsverband Landelijk expertisecentrum stoffengerelateerde
beroepsziekten (Lexces).16 Dit samenwerkingsverband was door de heer mr. drs. Bruins aangeraden.17 Bruins was gevraagd hier, als verkenner, onderzoek naar te doen naar aanleiding van
het advies van de commissie Heerts. En de regering hierover te adviseren. Bruins constateerde
dat veel hoogwaardige kennis over deze ziekten geconcentreerd was in een zeer beperkt
aantal, kleine, zeer deskundige instituten.18
Daarnaast heeft SZW ingezet op het verder ondersteunen van werkgevers en werknemers.
Bijvoorbeeld door het ontwikkelen van handreikingen over wettelijke verplichtingen.
Denk bijvoorbeeld aan een werkwijzer over gevaarlijke stoffen of over het werken met
nano- of ultrafijnstof. Ook is er een toolbox gezond werken met stoffen ontwikkeld
en beschikbaar gemaakt via het Arboportaal: www.arboportaal.nl.
Hierin zitten hulpmiddelen die werkgevers en werkenden helpen bij het veilig werken
met gevaarlijke stoffen. Hierin wordt specifiek aandacht besteed aan werken met chroom
6.
Het sluitstuk van de uitwerking van het advies van de commissie Heerts vormt dit wetsvoorstel
om het kennisprogramma en beroepsziekteregelingen van een grondslag te voorzien. Zodat
dit permanente voorzieningen worden. Het voornemen is om een samenwerkingsverband
van private en publieke instellingen te financieren voor de ontwikkeling en uitvoering
van een kennisprogramma stoffengerelateerde beroepsziekten. Dit programma bouwt voort
op het onderzoeksprogramma dat van juli 2023 tot en met juni 2028 op basis van een
tijdelijke projectsubsidie wordt uitgevoerd door het Lexces.
Zoals in paragraaf 1.2 al is aangegeven, kiest de regering er in dit wetsvoorstel
voor om het kennisprogramma betrekking te laten hebben op beroepsziekten in het algemeen.
De regering maakt deze keuze met het oog op eventuele toekomstige ontwikkelingen die
nader onderzoek naar andere dan stoffengerelateerde beroepsziekten wenselijk of noodzakelijk
maken. Mocht er in de toekomst behoefte bestaan aan onderzoek naar een bepaalde niet-stoffengerelateerde
beroepsziekte, dan kan de Minister op basis van het voorgestelde stelsel in dit wetsvoorstel
een hoofdlijnennotitie uitbrengen die zich richt op deze beroepsziekte. Op dat moment
kan er subsidie worden verstrekt aan een samenwerkingsverband voor het doen van nader
onderzoek naar deze beroepsziekte, in lijn met de hoofdlijnennotitie.
4. De doelen van het kennisprogramma
Op grond van het voorgestelde artikel 9a van de Arbeidsomstandighedenwet kan de Minister
van SZW subsidie verstrekken aan een samenwerkingsverband voor de uitvoering van kennisactiviteiten
ter voorkoming of beperking van beroepsziekten. Deze kennisactiviteiten dienen in
ieder geval de volgende doelen:
1. Het bundelen van kennis over beroepsziekten in binnen- en buitenland.
2. Het – zo nodig – ontwikkelen van nieuwe kennis.
3. Het verspreiden van kennis over de doelgroepen binnen Nederland: huisartsen, medisch
specialisten, bedrijfsartsen, arbeidshygiënisten, preventiemedewerkers, veiligheidsdeskundigen
en ergonomen. Maar ook: werkgevers, werkenden en relevante beroep- en zorgopleiders.
Het is de bedoeling dat door het kennisprogramma de kennis over beroepsziekten zich
steeds verder uitbreidt en verspreidt. Bruins, die het Kabinet heeft geadviseerd over
de uitwerking van het advies van de commissie Heerts over de kennisopbouw van stoffengerelateerde
beroepsziekten, sprak in dit verband over «een kenniscirkel». Zie voor de werking
van de kenniscirkel het onderstaande overzicht.
Overzicht werking kenniscirkel
– Het samenwerkingsverband van instellingen vormt een «eerste ring» binnen de kenniscirkel.
– De betrokken onderzoekers van de instellingen van het samenwerkingsverband in de eerste
ring bundelen de bestaande kennis uit binnen- en buitenland.
– Dit betreft ook kennis die zij ontwikkelen in samenwerking met doelgroepen en/of bedrijven
in de praktijk. Deze vorm van onderzoek wordt ook wel «werkplaatsonderzoek» of «praktijkgericht
onderzoek» genoemd. Het betreft wel kennis die veralgemeniseerd kan worden. Het betreft
dus geen praktijkonderzoek dat alleen van toepassing is op één specifieke situatie.
– Zo nodig vult het samenwerkingsverband de kennis aan met nieuw onderzoek.
– Het samenwerkingsverband betrekt instellingen buiten de eerste ring voor aanvullende
kennis en/of expertise, via onderaanbesteding. Deze instellingen vormen de «tweede
ring» in de kenniscirkel.
– De betrokken onderzoekers verspreiden de kennis over de doelgroepen, zodat zij de
kennis kunnen toepassen.
De regering wil met dit kennisprogramma ervoor zorgen dat de kennis verbetert van
alle betrokken doelgroepen over beroepsziekten door gevaarlijke stoffen, gassen en/of
dampen. Het kennisprogramma bouwt voort op de uitkomsten van het tijdelijke onderzoeksprogramma
naar stoffengerelateerde beroepsziekten dat is uitgevoerd door een samenwerkingsverband
van kennisinstellingen onder de naam Landelijk Expertisecentrum Stoffengerelateerde
Beroepsziekten (Lexces).
Het kennisprogramma sluit nadrukkelijk aan bij de kennis die internationaal is opgebouwd.
Het betreft hier niet alleen fundamenteel wetenschappelijke onderzoekskennis, maar
ook kennis over de verspreiding en toepassing van deze kennis en wetenschappelijke
inzichten op het gebied van de gedragsverandering die hiervoor nodig is. Er kan bijvoorbeeld
gedacht worden aan de kennis die beschikbaar is via het Europees Agentschap for Safety
and Health at work (EU OSHA) of buitenlandse overheidsinstanties. Het is ook belangrijk
dat er kennisgenomen wordt van de Europese bepalingen op het terrein van gevaarlijke
stoffen, zoals die bijvoorbeeld zijn opgenomen in de Kaderrichtlijn veiligheid en
gezondheid op het werk uit 1989.19
Het kennisprogramma richt zich niet op het uitvoeren van interventies op het gebied
van inzicht in verantwoordelijkheden en gedragsverandering.
Het legt wel een kennisbasis neer voor andere partijen om dit op te pakken. Via deze
interventies kunnen de doelgroepen zich bewuster worden van hun verantwoordelijkheden
en gedrag. En meer inzicht krijgen in hoe hun verantwoordelijkheid te nemen en gedrag
te veranderen. Denk hierbij aan dat zij daadwerkelijk meer maatregelen nemen ter preventie.
En voor vroegsignalering, vroegdiagnostiek, medische diagnostiek en behandelmethoden.
Op die manier kan het doorlopend kennisprogramma er uiteindelijk aan bijdragen dat
minder mensen ernstig ziek worden door hun werk en dat mensen die ziek zijn geworden,
sneller worden gediagnosticeerd en beter worden geholpen. Een mogelijk neveneffect
is dat mensen met een beroepsziekte, waaronder stoffengerelateerde beroepsziekten,
beter hun weg naar de regelingen voor financiële tegemoetkomingen weten te vinden,
dan nu het geval is. De regering verwacht dat het kennisprogramma ook hier in de toekomst
een bijdrage aan gaat leveren.
5. De doelen van de grondslag voor beroepsziekteregelingen
Zoals gezegd kennen de Regeling-TSB en de Regeling-TAS op dit moment allebei een tijdelijke
grondslag in de Kaderwet SZW-subsidies. Deze grondslag is niet bedoeld als een duurzame
basis voor de verstrekking van financiële middelen, waaronder tegemoetkomingen. In
dit wetsvoorstel is daarom, in artikel 9b, een duurzame grondslag opgenomen voor de
verstrekking van tegemoetkomingen aan personen die lijden aan een beroepsziekte. Met
een definitieve grondslag in de Arbeidsomstandighedenwet voor genoemde regelingen
en mogelijk nieuwe regelingen voor tegemoetkomingen bij beroepsziekten, borgt de regering
de tegemoetkomingen voor getroffenen van beroepsziekten.
Om te kunnen beoordelen of iemand in aanmerking komt voor een tegemoetkoming, omdat
hij of zij lijdt aan een beroepsziekte, is het onvermijdelijk dat er gegevens worden
verwerkt die iets zeggen over de gezondheid van deze persoon. Dit zijn bijzondere
persoonsgegevens. Op grond van de Algemene verordening gegevensbescherming (AVG) is
daarom een expliciete grondslag vereist om deze gegevens te mogen verwerken. Om buiten
twijfel te stellen dat gegevens over gezondheid mogen worden verwerkt voor het verstrekken
van tegemoetkomingen, bevat het voorgestelde artikel 9b een expliciete grondslag voor
de verwerking van gegevens over gezondheid.
6. De doelen van de grondslag voor het steunpunt RI&E
Het Steunpunt RI&E kent op dit moment een tijdelijke grondslag in de Kaderwet SZW-subsidies.
Deze grondslag is niet bedoeld als een duurzame basis voor de verstrekking van financiële
middelen. In dit wetsvoorstel is daarom een wettelijke grondslag opgenomen voor structurele
financiering van het Steunpunt RI&E. Met een specifieke grondslag in de Arbeidsomstandighedenwet
borgt de regering ondersteuning voor werkgevers, brancheorganisaties, zzp’ers en werknemers
middels het Steunpunt, nu en in de toekomst. De grondslag is conform de unanieme wens
van de sociale partners verenigd in de Stichting van de Arbeid.
7. Wettelijke structuur van het kennisprogramma
De Arbeidsomstandighedenwet, de subsidieregeling en de hoofdlijnennotitie samen vormen
het kader waarbinnen subsidie kan worden aangevraagd voor het kennisprogramma. De
subsidietoekenning verloopt via het proces van een subsidietender, waarbij één samenwerkingsverband
de subsidie krijgt toegekend.
7.1. Wettelijke grondslag en wettelijke eisen
De Arbeidsomstandighedenwet bevat, na de wijziging middels dit wetsvoorstel, een wettelijke
grondslag voor de subsidiëring van één samenwerkingsverband voor de uitvoering van
kennisactiviteiten in het kader van het kennisprogramma. En ook de eisen waaraan de
instellingen binnen het samenwerkingsverband moeten voldoen om in aanmerking te komen
voor financiering. Denk hierbij bijvoorbeeld aan de eis dat de individuele instellingen
binnen het samenwerkingsverband rechtspersoonlijkheid bezitten of onderdeel uitmaken
van een rechtspersoon.
7.2. Subsidieregeling
Een samenwerkingsverband kan in groepsverband, als consortium, op grond van de eisen
in de Arbeidsomstandighedenwet, de onderliggende subsidieregeling en de hoofdlijnennotitie
subsidie aanvragen voor de uitvoering van kennisactiviteiten. Alleen instellingen
die geen onderdeel uitmaken van de Staat, zoals universiteiten en stichtingen, maar
ook gemeenten en/of zelfstandige bestuursorganen met een eigen rechtspersoonlijkheid
(zbo’s) kunnen subsidie ontvangen.
In de subsidieregeling staan onder andere de procedure voor de subsidieaanvraag en
administratievoorschriften waar de ontvanger van een subsidie aan moet voldoen. Denk
hierbij bijvoorbeeld aan:
1. Hoe het samenwerkingsverband de aanvraag moet indienen.
2. Hoe de aanvraag vervolgens wordt behandeld en beoordeeld.
3. Wat de weigeringsgronden zijn.
4. Wat de administratievoorschriften – na toekenning – zijn.
5. Hoe er over de voortgang gerapporteerd moet worden.
6. Hoe de subsidievaststelling werkt.
7. Wanneer de subsidie kan worden ingetrokken of teruggevorderd.
Geïnteresseerde samenwerkingsverbanden kunnen tijdens het aanvraagtijdvak een aanvraag
voor subsidie indienen. Het aanvraagtijdvak en subsidieplafond worden in de regeling
bekendgemaakt. Na sluiting van het tijdvak worden de ingekomen aanvragen beoordeeld.
Het samenwerkingsverband dat voldoet aan de gestelde eisen in de Arbeidsomstandighedenwet
en de subsidieregeling, en op grond van de hoofdlijnennotitie het hoogste aantal punten
heeft, zonder dat een uitsluitingsgrond van toepassing is, krijgt de subsidie. De
subsidie wordt verstrekt op basis van één voorstel voor een samenhangend kennisprogramma
van één samenwerkingsverband.
Als in het samenwerkingsverband een of meer instellingen zitten die behoren tot de
Staat, dan zal de Minister alleen subsidie verstrekken aan de instellingen van het
samenwerkingsverband die niet tot de Staat behoren. Na inwilliging van een dergelijke
subsidieaanvraag zullen de tot de Staat behorende instellingen van het samenwerkingsverband
via een opdracht worden gefinancierd. Voor de tot de Staat behorende instellingen
die financiering ontvangen, zullen in beginsel dezelfde verplichtingen gelden als
de instellingen waaraan op grond van deze regeling een subsidie is verleend.
Er is gedurende de gehele subsidieperiode de mogelijkheid voor instellingen binnen
het samenwerkingsverband («de eerste ring») om samen te werken met instellingen buiten
het samenwerkingsverband («de tweede ring»).
Aangezien de subsidie een langere periode betreft (en we niet in de toekomst kunnen
kijken), moet het samenwerkingsverband ruimte beschikbaar houden om specifiekere kennis
en expertise die in de eerste ring niet beschikbaar is, te betrekken en te financieren.
Denk hierbij bijvoorbeeld aan specialistisch laboratoriumonderzoek en/of expertise
op thema’s die ten tijde van de publicatie van de hoofdlijnennotitie nog niet kenbaar
waren.
De subsidieregeling, met in de bijlage de hoofdlijnennotitie, wordt in de Staatscourant
gepubliceerd en is daarmee voor iedereen toegankelijk.
7.3. Hoofdlijnennotitie
In de hoofdlijnennotitie (bijlage bij de regeling) licht de Minister zijn visie op
het kennisprogramma toe. De hoofdlijnennotitie bevat de nadere eisen die hij stelt
aan het samenwerkingsverband en de thema’s en de doelen van het kennisprogramma. Een
samenwerkingsverband dat in aanmerking wil komen voor financiering, moet ook aan deze
eisen voldoen en een nadere invulling geven aan de thema’s en doelen in de hoofdlijnennotitie.
In de hoofdlijnennotitie zal worden gewerkt met een puntenstelsel en, eventueel, uitsluitingsgronden.
Voor elk onderdeel in de hoofdlijnennotitie kan een bepaald aantal punten worden behaald.
Hierbij kan het zo zijn dat een vast aantal punten wordt toegekend als aan het onderdeel
wordt voldaan en er geen punten worden toegekend als dit niet het geval is, maar er
zullen ook onderdelen zijn waarbij het aantal punten afhangt van de mate waarin de
subsidieaanvrager aan het betreffende onderdeel voldoet. Als bijvoorbeeld een eis
in de hoofdlijnennotitie is dat een samenwerkingsverband ervaring heeft met het verrichten
van bepaalde vormen van onderzoek, dan zal een subsidieaanvrager met slechts weinig
ervaring op dit vlak minder punten krijgen dan een subsidieaanvrager met uitgebreide
ervaring.
Uitsluitingsgronden in de hoofdlijnennotitie zijn onderdelen waar een subsidieaanvrager
zonder meer aan moet voldoen. Als aan een of meer van deze onderdelen niet wordt voldaan,
dan komt de subsidieaanvrager niet in aanmerking voor subsidie. Dit belemmert een
subsidieaanvrager overigens niet om bij de eerstvolgende hoofdlijnenpublicatie een
nieuwe subsidieaanvraag in te dienen.
De verstrekking van subsidie is altijd gekoppeld aan een hoofdlijnennotitie. Dit houdt
in dat er pas subsidie kan worden aangevraagd en verstrekt op grond van artikel 9a
van de Arbeidsomstandighedenwet en de subsidieregeling als er een hoofdlijnennotitie
is gepubliceerd. Bij elke hoofdlijnennotitie hoort ook een aanvraagtijdvak en subsidieplafond.
Deze worden opgenomen in de subsidieregeling in de Staatscourant.
7.4. Wetenschappelijk ondersteunend bureau
Ter ondersteuning van het samenwerkingsverband stelt de regering een wetenschappelijk
ondersteunend bureau ter beschikking dat is ondergebracht bij het Rijksinstituut voor
Volksgezondheid en Milieu (RIVM). Bij dit bureau werken gespecialiseerde medewerkers,
die het samenwerkingsverband kunnen ondersteunen door de algemene coördinatie van
het inhoudelijke onderzoeksprogramma (waaronder het opstellen daarvan en het voorbereiden
en opstellen van de voortgangsrapportages en eindrapportage) en de verspreiding van
informatie naar derden, op zich te nemen. Indien gewenst door het samenwerkingsverband
kunnen zij ook de financiële verantwoordingsrapportage van de subsidie op zich nemen.
Maar uitsluitend in de rol van penvoerder. Het RIVM kan als onderdeel van de Staat
zelf geen subsidie ontvangen. Daarnaast draagt het bureau zorg voor de afstemming
met de Regeling-TSB.
De ondersteuning door het bureau wordt gefinancierd middels een opdrachtverlening
door de Minister van SZW aan het RIVM volgens de raamcontracten Rijksopdrachtgevers-RIVM
die daarvoor zijn opgesteld. Dit vindt plaats buiten de subsidie aan het samenwerkingsverband
voor de uitvoering van het kennisprogramma om.
8. Wettelijke structuur van het Steunpunt RI&E
Het Steunpunt RI&E bestaat sinds 2004 maar was tot dusver niet in de wet opgenomen.
In artikel 5 van de Arbeidsomstandighedenwet wordt de wettelijke taak van het Steunpunt
RI&E nu opgenomen. Daarnaast wordt een delegatiegrondslag opgenomen voor het aanwijzen
van een organisatie die als Steunpunt RI&E fungeert. Tot slot wordt opgenomen dat
de Minister het Steunpunt RI&E subsidie kan verlenen.
9. Verhouding tot hoger recht
9.1. Grondwet
Op grond van artikel 10, eerste lid, van de Grondwet heeft een ieder recht op eerbiediging
van zijn persoonlijke levenssfeer. Dit recht kan bij of krachtens de wet worden beperkt.
In artikel 9a zijn de grondslag en enige voorwaarden opgenomen voor het verstrekken
van subsidie voor kennisactiviteiten binnen het kennisprogramma. Bij de verstrekking
van deze subsidies zullen er persoonsgegevens worden verwerkt. Het gaat dan in ieder
geval om gegevens van de penvoerder, indien deze een natuurlijke persoon is, of, indien
de penvoerder geen natuurlijke persoon is, de gegevens van de contactpersoon van de
penvoerder. Als deze persoonsgegevens worden verwerkt, dan levert dit een beperking
op van het recht op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer.
In het geval van het voorgestelde artikel 9b, dat de grondslag biedt voor het verstrekken
van tegemoetkomingen bij beroepsziekten, zal de verwerking van persoonsgegevens onvermijdelijk
zijn. Om te kunnen vaststellen of een persoon recht heeft op een tegemoetkoming, zullen
er namelijk persoonsgegevens over deze persoon moeten worden verwerkt. Deze verwerkingen
van persoonsgegevens leveren een beperking van het recht op eerbiediging van de persoonlijke
levenssfeer op.
Met de voorgestelde artikelen 9a en 9b wordt voorzien in een grondslag op het niveau
van de wet die artikel 10 van de Grondwet vereist voor beperkingen van het recht op
eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer. De regering is daarbij van mening dat
de beperkingen van het recht op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer die voortkomen
uit de subsidieverstrekking op grond van artikel 9a en de verstrekking van tegemoetkomingen
op grond van artikel 9b, noodzakelijk zijn om de subsidie respectievelijk de tegemoetkoming
te kunnen verstrekken en te waarborgen dat dit op terechte gronden gebeurt. In het
geval van de hiervoor bedoelde subsidieverstrekking zal de verwerking van persoonsgegevens
tevens noodzakelijk zijn om te kunnen nagaan of gedurende de looptijd van de subsidie
wordt voldaan aan de verplichtingen die aan de subsidie zijn verbonden.
Om de beperking van het hiervoor genoemde recht zo klein mogelijk te houden, zal bij
de uitwerking van de subsidieverstrekking in de ministeriële regeling, bedoeld in
artikel 9a, zevende lid, ernaar worden gestreefd om de verwerking van persoonsgegevens
tot een minimum te beperken.
Bij de Regeling-TSB en de Regeling-TAS is de verwerking van persoonsgegevens reeds
getoetst. Bij eventuele toekomstige tegemoetkomingsregelingen zal per regeling worden
beoordeeld welke persoonsgegevens nodig zijn voor het verstrekken van een tegemoetkoming.
Hierbij zal het uitgangspunt zijn dat alleen die gegevens worden verwerkt die voor
dit doel en eventueel voor het uitvoeren van wetenschappelijk onderzoek noodzakelijk
zijn. Dit laatste kan alleen als op grond van artikel 5, lid 1, onderdelen b en e
en artikel 9, lid 2, onderdeel j, van de AVG, in samenhang met artikel 89 AVG en artikel
24 UAVG (Uitvoeringswet Algemene verordening gegevensbescherming) het gebruik van
de persoonsgegevens noodzakelijk is voor het onderzoek en aantoonbaar verenigbaar
is met het doel van de regeling. Het is daarvoor wel noodzakelijk dat de gegevens
worden gepseudonimiseerd.
In het geval van het voorgestelde lid 7 en 8 van artikel 5 van de Arbowet, dat de
grondslag biedt voor het Steunpunt RI&E, is er geen sprake van verwerking van persoonsgegevens.
Het Steunpunt verwerkt bij haar werkzaamheden op grond van deze leden geen persoonsgegevens.
9.2. Internationale verdragen
Op grond van artikel 8, eerste lid, van het Verdrag tot bescherming van de rechten
van de mens en de fundamentele vrijheden (verder: EVRM) heeft een ieder recht op respect
voor zijn privéleven, zijn familie- en gezinsleven, zijn woning en zijn correspondentie.
Artikel 8, tweede lid, van het EVRM bepaalt de voorwaarden waaronder een inmenging
in het recht op respect voor het privéleven is toegestaan. Een inmenging moet zijn
voorzien bij wet en in een democratische samenleving noodzakelijk zijn voor een van
de in het lid genoemde doelen.
Daarnaast bepaalt artikel 17, eerste lid, van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten
en politieke rechten (verder: IVBPR) dat niemand mag worden onderworpen aan een willekeurige
of onwettige inmenging in zijn privéleven.
De verwerkingen van persoonsgegevens die voortkomen uit de verstrekking van subsidie
op grond van artikel 9a en de verstrekking van tegemoetkomingen op grond van artikel
9b, leveren een inmenging op in de hierboven genoemde rechten. Naar het oordeel van
de regering zijn deze inmengingen echter te rechtvaardigen. Zij vinden namelijk hun
grondslag in de wet, te weten de voorgestelde artikelen 9a en 9b van dit wetsvoorstel,
met een uitwerking in lagere regelgeving. Door deze uitwerking zal er van willekeur
als bedoeld in artikel 17, eerste lid, van het IVBPR ook geen sprake zijn.
De inmenging in het recht op respect voor het privéleven, zoals verwoord in artikel
8, eerste lid, van het EVRM, is naar het oordeel van de regering zowel bij de subsidieverstrekking
op grond van artikel 9a als de verstrekking van tegemoetkomingen op grond van artikel
9b, noodzakelijk in het belang van het economisch welzijn van het land, zoals genoemd
in artikel 8, tweede lid, van het EVRM.
De verwerkingen van persoonsgegevens zijn namelijk nodig om te voorkomen dat ten onrechte
een subsidie of tegemoetkoming wordt verstrekt en, in het geval van de subsidieverstrekking,
zodat kan worden nagegaan of een subsidieontvanger zich houdt aan de verplichtingen
die zijn verbonden aan de verleende subsidie.
Het is de bedoeling van de regering om de inmenging in het recht op respect voor het
privéleven zo beperkt mogelijk te houden. Om die reden zal, zoals al is opgemerkt
in de vorige paragraaf, in de ministeriële regeling tot uitwerking van de subsidieverstrekking
en de op artikel 9b gebaseerde tegemoetkomingsregelingen ernaar worden gestreefd om
de verwerking van persoonsgegevens tot een minimum te beperken. Bij het opstellen
van de bestaande Regeling-TSB en de Regeling-TAS is dit uitgangspunt reeds gehanteerd.
9.3. Handvest van de grondrechten van de Europese Unie
In artikel 7 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (verder: Handvest)
is het recht van een ieder op eerbiediging van onder andere zijn privéleven opgenomen.
In artikel 8, eerste lid, van het Handvest is het recht van een ieder op bescherming
van zijn persoonsgegevens vastgelegd. Het tweede lid van artikel 8 schrijft voor dat
als gegevens worden verwerkt, dit op een eerlijke manier moet plaatsvinden, voor bepaalde
doeleinden en met toestemming van de betrokkene of op basis van een andere gerechtvaardigde
grondslag waarin de wet voorziet. Daarnaast heeft een ieder recht op inzage in zijn
gegevens en rectificatie hiervan. Artikel 52, eerste lid, van het Handvest bevat de
voorwaarden waaronder de rechten in het Handvest kunnen worden beperkt.
Omdat de eisen die het Handvest stelt aan de verwerking van persoonsgegevens en de
beperking van de in het Handvest opgenomen rechten samenvallen met de eisen die in
de Algemene verordening gegevensbescherming (verder: AVG) zijn opgenomen, wordt verwezen
naar paragraaf 9.4.
9.4. Algemene verordening gegevensbescherming
De AVG is een Europese verordening die regels bevat over de verwerking van persoonsgegevens.
De AVG is niet op alle verwerkingen van persoonsgegevens van toepassing, maar alleen
op de geheel of gedeeltelijk geautomatiseerde verwerking van persoonsgegevens en op
de verwerking van persoonsgegevens die in een bestand zijn opgenomen of die bestemd
zijn om daarin te worden opgenomen (artikel 2, eerste lid, AVG).
Uit artikel 5 van de AVG volgt een aantal eisen waaraan dient te worden voldaan bij
het verwerken van persoonsgegevens. Zo dient de verwerking plaats te vinden op een
zodanige wijze dat het voor betrokkenen rechtmatig, behoorlijk en transparant is.
De verwerking dient daarnaast gebonden te zijn aan specifieke doelen en de gegevens
moeten toereikend, ter zake dienend en beperkt tot het noodzakelijke zijn. Voorts
geldt de eis dat de verwerkte gegevens juist zijn, dat gegevens niet langer mogen
worden bewaard dan nodig en dat maatregelen worden getroffen ter bescherming van de
integriteit en vertrouwelijkheid van de gegevens.
Naar het oordeel van de regering is er bij zowel de subsidieverstrekking op grond
van het voorgestelde artikel 9a als de verstrekking van tegemoetkomingen op grond
van het voorgestelde artikel 9b, sprake van de verwerking van persoonsgegevens waarop
de AVG van toepassing zal zijn.
De regering is voorts van mening dat de verwerking van persoonsgegevens beantwoordt
aan de in de AVG opgenomen eisen van rechtmatigheid, behoorlijkheid, transparantie,
doelbinding en minimale gegevensverwerking. De verwerking van persoonsgegevens zal
namelijk haar basis vinden in de voorgestelde artikelen 9a en 9b en de daarop gebaseerde
subsidieregeling respectievelijk tegemoetkomingsregelingen. Deze regelingen zullen
zo worden opgezet dat alleen persoonsgegevens worden verwerkt als dit nodig is voor
de subsidieverstrekking en het verstrekken van een tegemoetkoming. Daarbij geldt dat
alleen die persoonsgegevens worden verwerkt die voor dit doel nodig zijn. In het geval
van de bestaande Regeling-TSB en de Regeling-TAS zijn deze uitgangspunten meegenomen
bij de totstandkoming van deze regelingen.
Bij de daadwerkelijke verwerking van persoonsgegevens zal er tevens op worden toegezien
dat dit in overeenstemming met de AVG plaatsvindt. Dit houdt onder meer in dat er
technische en organisatorische maatregelen zullen worden genomen om onrechtmatige
verwerkingen van persoonsgegevens te voorkomen en dat de gegevens die worden verwerkt,
juist zijn. Bij de uitvoering van de bestaande Regeling-TSB en de Regeling-TAS is
hier al in voorzien.
In het geval van het voorgestelde lid 7 en 8 van artikel 5 van de Arbowet, dat de
grondslag biedt voor het Steunpunt RI&E, is er geen sprake van verwerking van persoonsgegevens.
De AVG is hierop niet van toepassing.
Verwerking van bijzondere persoonsgegevens
In het kader van de verstrekking van tegemoetkomingen op grond van het voorgestelde
artikel 9b, zullen, zoals eerder aangegeven, onvermijdelijk gegevens over gezondheid
worden verwerkt. Dit om vast te kunnen stellen of iemand recht heeft op een tegemoetkoming,
omdat hij of zij lijdt aan een beroepsziekte. Gegevens over gezondheid zijn bijzondere
persoonsgegevens in de zin van de AVG. Op grond van artikel 9, eerste lid, van de
AVG is de verwerking van bijzondere persoonsgegevens in beginsel verboden, tenzij
een van de uitzonderingen in artikel 9, tweede lid, van de AVG van toepassing zijn.
Bij de bestaande tegemoetkomingsregelingen (Regeling-TSB en Regeling-TAS), die in
de toekomst het voorgestelde artikel 9b als basis zullen hebben, worden ook gegevens
over gezondheid verwerkt. Deze verwerkingen zijn tot nog toe gebaseerd op de uitzondering
op het verbod om gegevens over gezondheid te verwerken in artikel 30, eerste lid,
onderdeel a, van de UAVG.
Met dit wetsvoorstel stelt de regering voor om de verwerkingen van gegevens over gezondheid
niet langer te baseren op het hiervoor genoemde artikel uit de UAVG, maar hier een
zelfstandige uitzondering voor te creëren. Dit in de vorm van het voorgestelde vierde
lid van artikel 9b. Deze voorgestelde uitzondering zal niet alleen van toepassing
zijn op de al bestaande Regeling-TSB en Regeling-TAS, maar ook op eventuele nieuwe
tegemoetkomingsregelingen die op het voorgestelde artikel 9b zullen zijn gebaseerd.
De nieuwe uitzondering zal het mogelijk maken om ook partijen die niet tot de genoemde
partijen in artikel 30, eerste lid, van de UAVG, behoren, gegevens over gezondheid
te laten verwerken. Dit biedt ruimte om bijvoorbeeld stichtingen die de belangen behartigen
van personen die lijden aan een bepaalde beroepsziekte, een ondersteunende en zelfstandige
rol te geven bij de uitvoering van een tegemoetkomingsregeling, bijvoorbeeld in een
adviserende rol. Vanwege de bijzondere aard van gegevens over gezondheid zal hier
terughoudend mee worden omgegaan. Hiermee wordt bedoeld dat het betrekken van partijen,
die geen bestuursorgaan zijn, altijd het gevolg zal zijn van een kritische afweging
of dit noodzakelijk is. Uiteraard geldt voor elk van de partijen die betrokken zijn
bij de uitvoering van een tegemoetkomingsregeling en daarbij gegevens over gezondheid
verwerken, dat zij zich dienen te houden aan de beginselen en eisen in de AVG.
Een andere reden voor de opname van een nieuwe uitzondering op het verbod om gegevens
over gezondheid te verwerken, is dat de uitzondering in artikel 30, eerste lid, onderdeel
a, van de UAVG primair ziet op de verwerking van gegevens over gezondheid in de context
van de sociale zekerheid. De regering acht het gelet daarop zuiverder om een zelfstandige
uitzondering te scheppen voor de verwerking van gegevens over gezondheid bij de uitvoering
van tegemoetkomingsregelingen die zijn gebaseerd op artikel 9b van de Arbeidsomstandighedenwet.
Hiermee wordt ook buiten twijfel gesteld dat het verwerken van deze gegevens toelaatbaar
is, mits de verwerking noodzakelijk is voor een goede uitvoering van die regeling
en artikel 30, vierde lid, van de UAVG in acht wordt genomen.
De uitzondering op het verbod om gegevens over gezondheid te verwerken past naar het
oordeel van de regering in de uitzonderingsgrond die is opgenomen in artikel 9, tweede
lid, onderdeel b, van de Algemene verordening gegevensbescherming. De noodzaak voor
de verwerking van gegevens over gezondheid is in dit geval om te kunnen beoordelen
of iemand recht heeft op een tegemoetkoming, omdat hij of zij lijdt aan de beroepsziekte(n)
waarop de tegemoetkomingsregeling betrekking heeft. Deze verwerkingen kunnen daarbij
worden aangemerkt als verwerkingen die noodzakelijk zijn voor de uitoefening van specifieke
rechten van de betrokkene en ter uitvoering van verplichtingen op het gebied van het
arbeidsrecht (de Engelse tekst van de AVG spreekt in dit verband over «the field of
employment»). Het hiervoor bedoelde recht is het uit artikel 9b, eerste lid, en de
tegemoetkomingsregelingen voortvloeiende recht van een betrokkene op een tegemoetkoming,
indien hij lijdt aan een beroepsziekte en voldoet aan de voorwaarden voor een tegemoetkoming,
en het recht om een zodanige tegemoetkoming aan te vragen. De hiervoor bedoelde verplichting
is de verplichting van de relevante partijen die uitvoering geven aan een tegemoetkomingsregeling
om, als een aanvraag om een tegemoetkoming is ingediend, vast te stellen of een persoon
lijdt aan een bepaalde beroepsziekte en voldoet aan de voorwaarden voor een tegemoetkoming.
De lidstaatrechtelijke grondslag, bedoeld in artikel 9, tweede lid, onderdeel b, van
de AVG, is in dit geval het voorgestelde artikel 9b, vierde lid.
De passende waarborgen, bedoeld in artikel 9, tweede lid, onderdeel b, van de AVG,
bestaan in dit geval allereerst uit de afbakening van partijen die gegevens over gezondheid
mogen verwerken (alleen bestuursorganen en instellingen die op grond van een tegemoetkomingsregeling
(mede) zijn belast met de uitvoering hiervan) en de eis dat de verwerking van deze
gegevens noodzakelijk moet zijn voor een goede uitvoering van een tegemoetkomingsregeling.
Daarnaast is artikel 30, vierde lid, van de UAVG van overeenkomstige toepassing verklaard.
Dit houdt in dat de bestuursorganen en instellingen die zijn belast met de uitvoering
van een tegemoetkomingsregeling de gegevens over gezondheid alleen mogen laten verwerken
door personen die op grond van hun ambt, beroep of wettelijk voorschrift dan wel op
grond van een overeenkomst tot geheimhouding zijn verplicht.
9.5. Staatssteunanalyse kennisprogramma
Er is een staatssteunanalyse van het onderdeel kennisprogramma beroepsziekten uitgevoerd.
Samengevat is de uitkomst als volgt:
De subsidie aan het samenwerkingsverband leidt niet tot staatssteun, omdat de te subsidiëren
activiteiten geen economische activiteiten zijn. Het samenwerkingsverband bundelt,
ontwikkelt (indien nodig) en verspreidt wetenschappelijk gefundeerde kennis over stoffengerelateerde
beroepsziekten in Nederland. Hierbij kan het gaan om heel fundamenteel onderzoek naar
de relatie tussen een stof/stoffen en een beroepsziekte, maar ook naar meer toegepast
onderzoek zoals in een werkplaats, bijvoorbeeld samen met beleidsmedewerkers van een
stichting of gemeente of ervaringsdeskundigen met de ziekte. De partijen in het samenwerkingsverband
zijn bijvoorbeeld universiteiten, stichtingen en agentschappen. In ieder geval organisaties
zonder winstoogmerk. Het samenwerkingsverband krijgt binnen een beperkt aantal hoofdlijnen
in de Arbeidsomstandighedenwet, de subsidieregeling en een hoofdlijnennotitie heel
veel ruimte om het kennisprogramma zelf vorm te geven. De echte kennis en expertise
zit immers aan de kant van het samenwerkingsverband en niet aan de kant van het Ministerie
van SZW.
Er is op dit moment geen sprake van een markt. Wel van een beperkt aantal instellingen
met de benodigde kennis en expertise. Deze instellingen ontvangen als het «samenwerkingsverband
Lexces» een tijdelijke subsidie voor de uitvoering van de kennisactiviteiten zoals
die ook in het kennisprogramma worden gevraagd. De kennis die zij bundelen, ontwikkelen
en verspreiden is voor anderen toegankelijk. Er zijn geen andere aanbieders.
Ook de Europese Commissie (EC) beschouwt de beoogde kennisactiviteiten (bundeling,
onderzoek en verspreiding) als activiteiten die buiten het toepassingsbereik van de
staatssteunregels vallen. Dit valt terug te lezen in paragraaf 2.5 van de Mededeling
van de EC hierover.20 Specifiek worden in deze paragraaf de volgende activiteiten genoemd:
a) opleiding met het oog op meer en beter gekwalificeerd menselijk kapitaal;
b) het verrichten van onafhankelijk onderzoek en ontwikkeling met het oog op meer kennis
en een beter inzicht, daaronder begrepen samenwerking bij onderzoek en ontwikkeling;
c) de verspreiding van onderzoeksresultaten.
9.6. Staatssteunanalyse Steunpunt RI&E
Er is een staatssteunanalyse van het onderdeel subsidiëring van het Steunpunt RI&E
uitgevoerd. Daaruit volgt dat de financiering aan het Steunpunt RI&E geen staatssteun
betreft. De begunstigde is geen onderneming. De SER is een adviesorgaan waarin ondernemers,
werknemers en onafhankelijke deskundigen (kroonleden) samenwerken, om tot overeenstemming
te komen over belangrijke sociaaleconomische onderwerpen. De SER faciliteert in dit
verband een aantal zaken die te maken hebben met gezond en veilig werken. Ook de werkzaamheden
voor het Steunpunt RI&E vallen hieronder. De SER bezit rechtspersoonlijkheid en is
dus een instelling die een activiteit van de Minister kan overnemen.
De SER is een onafhankelijk adviesorgaan zonder winstoogmerk en ontvangt met deze
subsidie de financiële middelen om het secretariaat de activiteiten van het Steunpunt
en de bijbehorende RI&E-hulpmiddelen te laten uitvoeren en beheren. Zonder subsidiering
kan de SER deze dienst niet verlenen. Om het Steunpunt te bemensen neemt de SER personeel
in dienst. De SER ontvangt de subsidiemiddelen en ondersteunt daar kosteloos werkgevers
en werknemers mee. De activiteiten passen bij andere activiteiten die de SER, onder
andere via het communicatieplatform «Arboplatform», onderneemt.
Er wordt een dienst verleend gericht aan Nederlandse bedrijven en branches, volgend
uit en gebaseerd op Nederlandse arbeidsomstandighedenwetgeving. Er is geen sprake
van beïnvloeding van marktwerking tussen de lidstaten. De dienstverlening van het
Steunpunt is gericht op met name het midden- en kleinbedrijf en heeft vooral een informatief
en stimulerend karakter. Het is in die zin een centraal informatie- en ondersteuningspunt
over de wettelijke RI&E-plicht. Het Steunpunt geeft antwoorden op vragen als: Wat
is een RI&E? Hoe lang is een RI&E geldig? Wat kost het maken van een RI&E? Wat levert
een RI&E mij op? Welke hulpmiddelen zijn beschikbaar? Onder welke sector valt mijn
bedrijf? Wanneer ben ik vrijgesteld van toetsing? Wie moet ik betrekken bij het opstellen
van een RI&E? Enzovoorts. De markt, zakelijke dienstverleners, die ondernemingen ondersteunen
met het opstellen van een RI&E, zullen hierdoor niet financieel-economisch bevoordeeld
of benadeeld worden omdat de ondersteuning van het Steunpunt RI&E aanvullend is aan
de bestaande dienstverlening vanuit bijvoorbeeld arbodiensten. Het Steunpunt beschikt
niet over inhoudelijke kennis en expertise om te adviseren over specifieke risico’s
binnen organisaties of sectoren. Arbodienstverleners en arbokerndeskundigen beschikken
wel over die kennis en helpen bedrijven in de praktijk met het opstellen van en adviseren
(het zogeheten toetsen) over de RI&E. De activiteiten van het Steunpunt liggen daarmee
niet in het vaarwater van de activiteiten van arbodienstverleners en arbokerndeskundigen.
Het Steunpunt ondersteunt de werkgever maar de werkgever blijft primair verantwoordelijk
voor het opstellen van de RI&E. De SER is een adviesraad met bestuurlijke taken en
bevoegdheden. Er is dan ook geen sprake van economische activiteiten. Het bekostigen
van activiteiten van de SER wordt dan ook niet opgevat als staatsteun.
10. Verhouding tot nationaal recht
Kaderwet SZW-subsidies
De Kaderwet SZW-subsidies bevat een algemene grondslag voor de Minister om subsidies
te verstrekken voor activiteiten die passen binnen een aantal beleidsterreinen, waaronder
het arbeidsomstandighedenbeleid. Op basis van deze wet zou ook subsidie kunnen worden
verstrekt voor de kennisactiviteiten voor het kennisprogramma beroepsziekten en de
activiteiten van het Steunpunt RI&E waarop dit wetsvoorstel betrekking heeft. De regering
is echter van mening dat voor de subsidiëring van de kennisactiviteiten voor het kennisprogramma
beroepsziekten en het Steunpunt RI&E, bedoeld in dit wetsvoorstel, een zelfstandige
grondslag op zijn plaats is.
De Kaderwet SZW-subsidies noemt geen concrete activiteiten die voor subsidie in aanmerking
komen, maar spreekt slechts over activiteiten die passen binnen bepaalde beleidsterreinen.
De precieze activiteiten waarvoor subsidie kan worden verstrekt, zullen overeenkomstig
de artikelen 3 en 4 van de Kaderwet SZW-subsidies moeten worden uitgewerkt in een
algemene maatregel van bestuur of ministeriële regeling.
Indien de subsidiëring van kennisactiviteiten voor het kennisprogramma beroepsziekten
en het Steunpunt RI&E, bedoeld in dit wetsvoorstel, zou worden gebaseerd op de Kaderwet
SZW-subsidies, dan zou de subsidieverstrekking feitelijk gebaseerd zijn op een algemene
maatregel van bestuur of ministeriële regeling. Vanwege de structurele, doorlopende
activiteiten van het kennisprogramma en het Steunpunt RI&E en de doelen die worden
nagestreefd acht de regering dit onwenselijk. Om deze reden kiest de regering met
dit wetsvoorstel voor een zelfstandige grondslag in de Arbeidsomstandighedenwet voor
de subsidiëring van de in dit wetsvoorstel bedoelde kennisactiviteiten voor het kennisprogramma
beroepsziekten en de activiteiten van het Steunpunt RI&E.
Kaderregeling subsidies OCW, SZW en VWS
De Kaderregeling subsidies OCW, SZW en VWS bevat onder meer regels van procedurele
aard op het gebied van de verstrekking van subsidies en is van toepassing op subsidies
die overeenkomstig de Kaderwet SZW-subsidies worden verstrekt. De voorschriften in
de Kaderregeling zijn ook bruikbaar voor subsidies die op grond van het voorgestelde
artikel 9a van de Arbeidsomstandighedenwet zullen worden verstrekt. Om deze reden
zal in de subsidieregeling die op grond van het voorgestelde artikel 9a, zevende lid,
moet worden opgesteld, de Kaderregeling van toepassing worden verklaard.
Comptabiliteitswet 2016
De Comptabiliteitswet 2016 bevat regels die onder meer zien op de rijksbegroting,
het beheer van rijksmiddelen en de Algemene Rekenkamer. Op grond van artikel 4.10
van deze wet moeten subsidieregelingen een vervaldatum bevatten. In de op artikel
9a, zevende lid, van de Arbeidsomstandighedenwet te baseren subsidieregeling kennisprogramma
beroepsziekten, zal deze bepaling in acht worden genomen.
Andere kennisinitiatieven
In verhouding tot het nationaal recht noemt de regering hier verder nog de andere
kennisinitiatieven op het gebied van beroepsziekten die zij heeft geïnitieerd. Zo
voert ZonMw in opdracht van de Minister het subsidieprogramma «Innovatieve arbozorg
voor betere arbeidsgerelateerde zorg» uit. De scope van dit programma is breder dan
alleen stoffengerelateerde beroepsziekten. Het programma biedt drie programmalijnen
met experimenteerruimte om nieuwe werkwijzen uit te proberen om te voorkomen dat mensen
ziek worden of zelfs overlijden door arbeidsomstandigheden. Binnen het programma wordt
ruimte geboden voor verkenningen, het opzetten van samenwerkingsverbanden en kennisinfrastructuren
en vernieuwing van de opleiding bedrijfsgeneeskunde.
Kennisneming, kennisdeling en samenwerking met initiatieven zoals bijvoorbeeld het
bovengenoemde initiatief zijn gewenst.
11. Gevolgen kennisprogramma beroepsziekten
11.1. Effecten op de kennis
Het beoogde effect is dat de doelgroepen meer kennis hebben over beroepsziekten door
gevaarlijke stoffen, dampen of gassen. En dat zij deze kennis toepassen in de praktijk.
Door de kennisvergroting worden de doelgroepen zich immers bewuster van het mogelijke
verband tussen de ziekteverschijnselen en bepaald werk. En ook van hun gedrag rondom
de beroepsziekten. Zo worden zij gemotiveerd om dit gedrag te veranderen.
Denk hierbij bijvoorbeeld aan het voeren van gesprekken in de behandelkamers over
de relatie tussen de ziekteverschijnselen en het werk, het verwerken van de kennis
in trainingen en opleidingen, maar ook het zoeken van oplossingen op de werkvloer
door werk- en opdrachtgevers en werkenden. Denk hierbij bijvoorbeeld aan:
1. Het vervangen van een gevaarlijke stof door een niet gevaarlijke stof (bijvoorbeeld
het gebruiken van verf op waterbasis).
2. Het zoeken van een technische oplossing (bijvoorbeeld: de toepassing van een goed
ventilatie- en/of afzuigsysteem)
3. Het zoeken van een organisatorische oplossing (bijvoorbeeld regelen dat onbeschermde
werkenden niet in de ruimte mogen komen waar met een gevaarlijke stof wordt gewerkt).
4. Het goed gebruiken van persoonlijke beschermingsmiddelen (denk bijvoorbeeld aan het
juiste gebruik van een mondkapje).
Het effect in het algemeen is dat door een betere preventie, minder mensen ziek worden
door het werken met een gevaarlijke stof. En ook dat meer mensen eerder gediagnosticeerd
worden als ze wel ziek zijn geworden. Hierdoor lopen ze mogelijk minder kans om heel
ernstig ziek te worden. En ten slotte is een verwacht effect dat de behandeling van
mensen die ziek zijn geworden, verbetert. Hierdoor verloopt de ziekte mogelijk minder
ernstig.
Een mogelijk neveneffect is dat het kennisprogramma eraan bijdraagt dat (voormalig)
werkenden met een stoffengerelateerde beroepsziekte de Regeling-TSB goed weten te
vinden. En dat mensen die een aanvraag doen voor de Regeling-TSB worden gewezen op
het kennisprogramma.
11.2. Overige gevolgen
De inrichting van een blijvend kennisprogramma vraagt van instellingen in Nederland
die dit kennisprogramma in samenwerking willen uitvoeren tijd en aandacht voor:
1. Het inrichten van een samenwerkingsverband met een voorstel ter invulling van een
onderzoeksprogramma.
2. Het doen van een subsidieaanvraag (private instellingen) of uitwerking van een opdracht
(publiekrechtelijke instellingen).
3. Het uitvoeren van de projecten na de beslissing voor financiering.
4. Het verantwoorden van de resultaten.
Van de in paragraaf 4 genoemde doelgroepen vraagt het kennisprogramma vooral tijd
om aan te sluiten bij onderzoek (bijvoorbeeld praktijkgericht onderzoek via werkplaatsen
of praktijkgericht onderzoek bij een bedrijf) en het nemen van praktische maatregelen,
zoals bijvoorbeeld het anders inrichten van processen. Hierbij kan gedacht worden
aan het standaard opnemen van de vraag welk beroep iemand uitoefent bij het gesprek
tussen een arts en de patiënt over de ziektegeschiedenis. En ook het onder de loep
nemen van het gebruik van beschermingsmiddelen. Tot slot moeten opleidingen mogelijk
worden aangepast. Overigens zijn al deze activiteiten op vrijwillige basis. Uit deze
wet zelf vloeien geen wettelijke inhoudelijke of informatieverplichtingen voort. Zoals
eerder betoogd, verwacht de regering wel een gedragsverandering bij de doelgroepen,
omdat zij via kennisvergroting en de bewustwording van gedrag, gemotiveerd raken om
het gedrag te veranderen.
11.3. Regeldruk
Door de gevolgen die hierboven zijn genoemd, kunnen de verschillende doelgroepen regeldruk
ervaren. Regeldruk bestaat uit de eenmalige en structurele administratieve lasten,
waaronder kennisnemingskosten en inhoudelijke nalevingskosten voor de verschillende
doelgroepen. De regeldruk wordt verder beschreven in paragraaf 14.1.
Het oorspronkelijke voorstel betrof een tweetrapsraket van aanwijzing en subsidiëring.
Dit was naar aanleiding van een advies van de Landsadvocaat. Ook was het voorstel
om de hoofdlijnennotitie als zelfstandig document te publiceren in de Staatscourant.
Om regeldruk te voorkomen is besloten de tweetrapsraket te vervangen door een enkelvoudige
subsidietender en de hoofdlijnennotitie als bijlage bij de subsidieregeling op te
nemen.
12. Gevolgen grondslag beroepsziekteregelingen
Het beoogde effect van een structurele grondslag in de Arbeidsomstandighedenwet voor
tegemoetkomingsregelingen is dat is zeker gesteld dat alle getroffenen van beroepsziekten
in de toekomst in principe een tegemoetkoming kunnen krijgen via tegemoetkomingsregelingen.
En dat hun privacyrechten voor de verwerking van bijzondere persoonsgegevens daarbij
goed zijn geborgd.
Op dit moment functioneren de Regeling-TAS en de Regeling-TSB nog op tijdelijke grondslagen,
via de Kaderwet SZW-subsidies. Zij zullen na inwerkingtreding van het voorgestelde
artikel 9b een structurele grondslag hebben.
13. Gevolgen grondslag Steunpunt RI&E
13.1. Effecten op naleving RI&E-verplichting
De naleving van de wettelijke RI&E verplichting is laag. Uit de monitor van de Nederlandse
Arbeidsinspectie, Arbo in Bedrijf 2024–2025, blijkt dat 68 procent van alle werkgevers
een RI&E bezit, waarvan een derde van de bedrijven slecht scoort op de kwaliteit (volledigheid
en actualiteit) van de RI&E. Kleine bedrijven beschikken minder vaak over een RI&E
dan grote bedrijven: van de bedrijven met minder dan 5 werknemers heeft 59 procent
een RI&E, voor bedrijven met 5–9 werknemers is dat 68 procent, voor bedrijven met
10–49 werknemers is dat 84 procent, voor bedrijven met 50–99 werknemers is dat 90
procent, en voor bedrijven met 100 of meer werknemers heeft 96 procent een RI&E (Arbo
in Bedrijf 2024–2025). Het verschil in naleving van de RI&E-verplichting tussen grote
en kleine bedrijven bestaat al geruime tijd. Om met name werkgevers bij te staan en
te ondersteunen in het opstellen van de RI&E, is het Steunpunt RI&E geïnitieerd. Het
beoogde effect van een structurele grondslag in de Arbeidsomstandighedenwet is dat
werkgevers duurzaam worden ondersteund bij het opstellen van een RI&E. Met de ondersteuning
draagt het Steunpunt bij aan de naleving van de wettelijke verplichtingen uit artikel
5 van de Arbeidsomstandighedenwet. Werkgevers kunnen zo makkelijker een RI&E opstellen
en daarmee een veiligere en gezondere werkomgeving bieden, meer investeren in preventie
en het aantal werkgerelateerde doden en zieken terugdringen.
13.2. Tegengaan misbruik en oneigenlijk gebruik/handhaafbaarheid
Er zijn voorwaarden aan de subsidie verbonden. Het Steunpunt legt verantwoording af
middels een activiteitenverslag, een financieel verslag en in de controleverklaring
en een rapport van een accountant.
Het niet voldoen aan de verplichtingen die aan de subsidie verbonden zijn of het niet
(geheel) verrichten van de activiteiten kan tot gevolg hebben dat de subsidie geheel
of gedeeltelijk wordt teruggevorderd. Een registratie van (ernstige) onregelmatigheden
bij subsidies wordt bijgehouden met het oog op het tegengaan van misbruik van subsidie.
14. Regeldruk
14.1. Regeldruk Kennisprogramma beroepsziekten
Regeldrukkosten zijn de kosten die betrokkenen moeten maken om aan de wettelijke verplichtingen
te kunnen voldoen. Het is goed als de doelgroepen kennis nemen van deze regeling,
maar dit is op basis van deze regeling geen verplichting. De regeldrukgevolgen voor
instellingen en doelgroepen worden verder uitgewerkt in de subsidieregeling. Het beschikbaar
stellen van het wetenschappelijk ondersteunend bureau dat is ondergebracht bij het
RIVM heeft het doel de lasten voor het samenwerkingsverband te verlichten.
De kosten voor het RIVM en de apparaatskosten voor de overheid zijn geen regeldrukeffecten,
maar gevolgen voor de overheid. Ook deze worden verder uitgewerkt in de subsidieregeling.
14.2. Regeldruk Steunpunt RI&E
De wetswijziging van artikel 5 van de Arbeidsomstandighedenwet heeft geen regeldrukeffecten.
Het doel van dit voorstel is enkel om het sinds 2004 bestaande Steunpunt een wettelijke
grondslag te geven en om de financieringsstroom richting het Steunpunt, die op dit
moment een tijdelijk karakter heeft, structureel te maken.
Het voorstel kent daarom geen extra regeldrukkosten bovenop de huidige situatie. Er
is ook geen effect op de ervaren regeldruk. Voor bedrijven en burgers die op dit moment
gebruik maken van de diensten van het Steunpunt verandert er niets.
14.3 Regeldruk grondslag tegemoetkomingsregelingen beroepsziekten
De regeldrukgevolgen voor aanvragers van de al bestaande Regelingen- TAS en -TSB zijn
in de (wijzigingen van die) regelingen zelf uitgewerkt. In het geval er nieuwe beroepsziekten
aan de TSB-regeling worden toegevoegd of geheel nieuwe regelingen worden opgesteld,
dan zal de regeldruk bij de (wijziging van die) regelingen zelf worden toegelicht.
15. Financiële gevolgen
15.1. Financiële gevolgen grondslag kennisprogramma
De aanpassing van de Arbeidsomstandighedenwet voor een grondslag voor een doorlopend
kennisprogramma leidt niet tot nieuwe financiële gevolgen voor de overheid. Er is
structureel budget gereserveerd voor een kennisprogramma stoffengerelateerde beroepsziekten.
Dit betreft voorlopig ongeveer 5,5 miljoen euro per jaar.
Dit geld is bedoeld voor subsidie voor en/of opdrachten aan instellingen binnen het
samenwerkingsverband voor het uitvoeren van kennisactiviteiten over stoffengerelateerde
beroepsziekten. En voor de kosten voor de ondersteuning van de uitvoering van het
kennisprogramma door een wetenschappelijk ondersteunend bureau dat is ondergebracht
bij het RIVM.
15.2. Financiële gevolgen van grondslag tegemoetkomingsregelingen beroepsziekten
Voor wat betreft de Regeling-TSB en de Regeling-TAS zijn de financiële gevolgen voor
getroffenen en de Staat besproken in de respectievelijke regelingen zelf en in de
begroting van SZW. Voor nieuwe beroepsziekteregelingen zal dit ook worden gedaan.
15.3. Financiële gevolgen van grondslag Steunpunt RI&E
Het creëren van een grondslag in de Arbeidsomstandighedenwet voor een doorlopende
financiering van het Steunpunt RI&E leidt niet tot nieuwe financiële gevolgen voor
de regering. De regering financiert het Steunpunt RI&E al sinds 2007. Op dit moment
loopt er al een driejarige tijdelijke subsidieregeling voor het Steunpunt RI&E die
in totaal 1,5 miljoen euro omvat. De wettelijke grondslag biedt de mogelijkheid om
deze subsidieregeling om te zetten in een duurzame vorm van financiering. De financiële
toezegging die de overheid al heeft gedaan aan de SER (voorheen TNO), die het Steunpunt
RI&E op zich neemt, wordt met deze grondslag structureel gemaakt. De bedragen zullen
jaarlijks geïndexeerd worden. Dit geld is bedoeld voor de activiteiten die het Steunpunt
RI&E voor de regering uitvoert.
16. Uitvoering
16.1. Uitvoering van het kennisprogramma beroepsziekten
Het proces van aanvraag en toekenning van subsidie vindt plaats volgens het proces
van een subsidietender. Dit betreft een inhoudelijke beoordeling en onderlinge rangschikking
door de Minister van de aanvragen. De subsidietender moet voldoen aan criteria van
objectiviteit, transparantie en non-discriminatie. Het te volgen proces is naar het
oordeel van de regering transparant, omdat uit de wet, subsidieregeling en de hoofdlijnennotitie
duidelijk zal volgen wanneer een aanvraag kan worden ingediend, wat hiervoor nodig
is en hoe deze wordt beoordeeld. Daarnaast zal de Minister een openbare oproep voor
het indienen van subsidieaanvragen plaatsen op de daartoe geëigende websites. De criteria
waaraan subsidieaanvragen zullen worden getoetst, zijn daarnaast zo objectief mogelijk
vormgegeven. De transparantie en non-discriminatie zijn verder gewaarborgd, doordat
de Minister in de motiveringen bij de afwijzingen en toekenningen niet alleen inzicht
zal geven in de redenen voor afwijzing, maar ook in de redenen voor toekenning van
de subsidie aan een andere subsidieaanvrager.
Geïnteresseerde samenwerkingspartijen van instellingen kunnen in een vast tijdvak
een aanvraag voor subsidie indienen. Na sluiting van het aanvraagtijdvak, dat bekend
zal worden gemaakt in de hoofdlijnennotie (bijlage bij de subsidieregeling), beoordeelt
de Minister, eventueel na het inwinnen van advies van een of meer onafhankelijke experts,
welke aanvragen volledig zijn en voldoen aan de voorwaarden in artikel 9a van de Arbeidsomstandighedenwet
en de subsidieregeling. Ook controleert de Minister of een of meer uitsluitingsgronden
in de hoofdlijnennotitie van toepassing zijn. Is de aanvraag onvolledig, voldoet deze
niet aan een of meer voorwaarden in de Arbeidsomstandighedenwet of de subsidieregeling,
of zijn een of meer uitsluitingsgronden van toepassing, dan zal de Minister deze aanvraag
afwijzen.
Na de hierboven beschreven controle van de aanvragen gaat de Minister na welk samenwerkingsverband
het meest geschikt is om de kennisactiviteiten in de hoofdlijnennotitie uit te voeren.
Het meest geschikte samenwerkingsverband is het samenwerkingsverband dat op grond
van de hoofdlijnennotitie het hoogste aantal punten heeft behaald.
Aan dit samenwerkingsverband zal uiteindelijk subsidie worden verleend. De overige
aanvragen zullen daarbij worden afgewezen, nu per hoofdlijnennotitie slechts aan één
subsidieaanvrager subsidie zal worden verstrekt.
Het samenwerkingsverband rapporteert gedurende de looptijd van de financiering jaarlijks
over de voortgang van de kennisactiviteiten aan de Minister. Elke instelling binnen
het samenwerkingsverband stelt jaarlijks voor de Minister een financiële verantwoording
op over de besteding van de ter beschikking gestelde financiële middelen. Deze verantwoording
wordt opgenomen in het jaarlijkse voortgangsverslag. Hierbij kan ondersteuning worden
geboden aan het samenwerkingsverband door het wetenschappelijk ondersteunend bureau,
dat is ondergebracht bij het RIVM.
De Minister van SZW controleert of aan de subsidievoorwaarden en/of opdrachtverplichtingen
is voldaan. Bij het niet voldoen aan de subsidievoorwaarden of opdrachtverplichtingen
kan worden besloten tot intrekking van de subsidie of opdracht en kan geld worden
teruggevorderd.
16.2. Uitvoering van tegemoetkomingsregelingen
De inregeling van een structurele grondslag vraagt op zich geen bijzondere tijd en
aandacht van de uitvoerende instanties van de Regeling-TAS en de TSB-regeling.
Voor wat betreft de Regeling-TSB en de Regeling-TAS wordt de uitvoering toegelicht
in de toelichting bij de respectievelijke regelingen zelf. Bij nieuwe beroepsziekteregelingen
zal dit ook worden gedaan.
De verantwoordelijkheid voor gezonde en veilige arbeidsomstandigheden ligt altijd
bij de werkgever dan wel opdrachtgever; een tegemoetkomingsregeling doet daar niets
aan af. Het is belangrijk dat werkgevers en opdrachtgevers zich blijven inspannen
voor goede arbeidsomstandigheden. Daarmee kan worden voorkomen dat werkenden nog steeds
beroepsziekten als gevolg van blootstelling aan gevaarlijke stoffen, gassen of dampen
oplopen. Werkgevers en opdrachtgevers die hun zorgplicht niet nakomen (bijvoorbeeld
door geen preventieve maatregelen te nemen) blijven in principe aansprakelijk voor
de schade (artikelen 7:611, 7:658, 6:162 en 6:175 BW). Op de naleving van de Arbeidsomstandighedenwet
wordt bovendien gehandhaafd door de Nederlandse Arbeidsinspectie. Deze toezichthouder
heeft een uitgebreid instrumentarium aan bestuursrechtelijke handhavingsmiddelen tot
haar beschikking, waaronder de mogelijkheid om een bestuurlijke boete op te leggen.
In het geval van zeer ernstige (gevolgen van) overtredingen (bijvoorbeeld overlijden)
van de Arbeidsomstandighedenwet kan het strafrecht worden ingezet.
Als al een schadeclaim is toegewezen, is er geen of slechts een gedeeltelijk recht
op een tegemoetkoming. Het in dat geval te volgen proces zal in de afzonderlijke regelingen
worden toegelicht.
16.3. Uitvoering van het Steunpunt RI&E
De inregeling van een structurele grondslag vraagt geen bijzondere tijd en aandacht
van de SER. Momenteel voert het secretariaat van het Steunpunt, reeds ondergebracht
bij de SER, al de activiteiten uit op basis van een driejarige subsidie. Zij zullen
dezelfde taken toebedeeld krijgen wanneer de Minister overgaat op een structurele
financiering.
17. Evaluatie
Deze wetswijziging wordt vijf jaar na inwerkingtreding geëvalueerd.
18. Consultatie en advies
Voorafgaand aan de internetconsultatie hebben juridische medewerkers het wetsvoorstel,
de subsidieregeling en voor zover van toepassing de hoofdlijnennotitie getoetst op
uitvoerbaarheid, bezwaar- en beroepsprocedures en handhaving.
De structurele financiering voor het Steunpunt RI&E is besproken met TNO, de SER en
sociale partners verenigd in de Stichting van de Arbeid. De concrete wetteksten zijn
voorgelegd aan beleidsmedewerkers van de SER en de Stichting van de Arbeid.
Schriftelijke ronde Stichting van de Arbeid
Het wetsvoorstel is voorafgaand aan de internetconsultatie via een schriftelijke ronde
aangeboden aan de Stichting van de Arbeid. De FNV had één fundamentele reactie op
het wetsvoorstel. De FNV stelde voor om de volgende definitie van een beroepsziekte
te hanteren: een ziekte of aandoening als gevolg van een belasting waarvan het voorshands
aannemelijk is dat deze in arbeid of arbeidsomstandigheden heeft plaatsgevonden.
De regering kan dit voorstel niet overnemen. De reden daarvoor is, is dat het voor
de classificatie van een beroepsziekte noodzakelijk is dat de oorzakelijkheid tussen
een gevaarlijke stof en een ziekte op populatieniveau kan worden vastgesteld. Hiervoor
is het hanteren van het begrip «in overwegende mate» in de definitie van beroepsziekte
noodzakelijk. Op individueel niveau is het een ander verhaal: dan is het inderdaad
in veel gevallen heel moeilijk om aan te tonen dat een ziekte in overwegende mate
door de arbeidsomstandigheden is veroorzaakt. Het is daarom dat er in de TSB-regeling
(dus voor de verbetering van de aantoonbaarheid op individueel niveau) aanvullend
het begrip «voorshands aannemelijk» is geïntroduceerd. Zoals hierboven uitgelegd,
is dit echter volgens de regering niet het begrip dat thuishoort in de feitelijke
definitie van wat wel als een beroepsziekte kan worden geclassificeerd en wat niet.
Internetconsultatie
In de periode van dinsdag 22 april tot en met dinsdag 20 mei 2025 zijn de voorstellen
voor de eerste twee grondslagen (kennisprogramma beroepsziekten en beroepsziekteregelingen)
en de subsidieregeling kennisprogramma beroepsziekten, met in de bijlage de hoofdlijnennotitie,
voor een openbare consultatie aangeboden via www.internetconsultatie.nl. De grondslag voor het Steunpunt RI&E is daarna toegevoegd.
Er zijn acht reacties binnengekomen, waarvan één niet-openbaar. Eén openbare reactie
is afkomstig van de FNV. De inhoud van deze reactie werd ondersteund door FNV Arbonetwerk,
De Astmavereniging Nederland en Davos en de Asbestslachtoffers Vereniging Nederland
en ook door een anonieme reageerder. Deze vier reacties hadden daarnaast geen verdere
opmerkingen. Hieronder volgt een samenvatting van de reacties op de internetconsultatie,
waarbij is aangegeven in hoeverre dit heeft geleid tot wijzigingen in het conceptwetsvoorstel.
Alle reacties zijn overwegend positief over het voorstel met enkele specifieke bezwaren
op onderdelen van het voorstel. De FNV en De vereniging van Advocaten voor Slachtoffers
van Personenschade (ASP) maken vooral bezwaar tegen het verplaatsen van de definitie
van beroepsziekte van de Arbeidsomstandighedenregeling naar de Arbeidsomstandighedenwet.
Beide organisaties zijn bang dat hiermee de aandacht voor preventieve activiteiten
(onbedoeld) belemmerd wordt. Ook vrezen zij een verslechtering van de aansprakelijkheidspositie
van mensen met een beroepsziekte. Tenslotte ziet de FNV als effect ook nog een verenging
van de zorgplicht.
Het is niet de bedoeling om aan het begrip beroepsziekte een bredere werking te geven
dan voor de melding en registratie van beroepsziekten, het samenwerkingsverband voor
kennis over beroepsziekten en beroepsziektetegemoetkomingsregelingen. Naar het inzicht
van de regering leidt het verplaatsen van de begripsbepaling daar ook niet toe. De
term beroepsziekte komt in de Arbowet ook alleen voor in artikel 9 en in het voorgestelde
9a en 9b. Het nemen van preventieve maatregelen voor een gezonde en veilige werkvloer
is niet beperkt tot het al dan niet bestaan van het gevaar van een beroepsziekte,
die verplichting is breder dan dat. Dat is op dit moment al zo en verandert niet door
het verplaatsen van een begripsbepaling. Desalniettemin is ervoor gekozen om in de
definitie nu expliciet op te nemen dat deze alleen betrekking heeft op de artikelen
waarin de genoemde onderwerpen zijn geregeld, zodat hier geen twijfel over kan bestaan.
De Nederlandse Vereniging voor Arbeids- en Bedrijfsgeneeskunde (NVAB) benadrukt het
belang van de structurele financiering van kennisontwikkeling. Hiervoor verwijst de
regering naar paragraaf 15.1. Hierin is aangegeven dat er structureel geld is gereserveerd
voor kennisontwikkeling over stoffengerelateerde beroepsziekten. Daarnaast benadrukt
de NVAB het belang dat álle beroepsziekten in aanmerking komen voor een aanvullende
vergoeding, om willekeur en ongelijkheid tussen beroepsgroepen en ziektebeelden te
voorkomen. De regering streeft ernaar dat de TSB-regeling wordt uitgebreid met de
beroepsziekten door gevaarlijke stoffen die door de onafhankelijke Adviescommissie
lijst Beroepsziekten daarvoor aan de regering worden voorgedragen.
Uit de niet-openbare reactie blijkt dat er onduidelijkheden zijn over de taken en
verantwoordelijkheden van de penvoerder en de ondersteuning door het wetenschappelijk
ondersteunend bureau dat is ondergebracht bij het RIVM. Naar aanleiding hiervan zijn
in de memorie van toelichting op het wetsvoorstel de taken van het bureau verduidelijkt
en in toelichting op de subsidieregeling de taken van de penvoerder.
Ook is gebleken dat de bepaling waarin was opgenomen dat het intellectueel eigendomsrecht
moest worden overgedragen, niet in lijn is met de afspraken die gemaakt zijn in de
academische wereld. Ook lijkt dit onderwerp meer passend in de ministeriële regeling
dan op wetsniveau. Het zevende lid van artikel 9a is daarom na de internetconsultatie
geschrapt. In de subsidieregeling zullen regels worden gesteld over openbaarmaking
van data en intellectueel eigendomsrecht.
Adviescollege toetsing regeldruk
Ook is het Adviescollege toetsing regeldruk (ATR) gevraagd advies uit te brengen over
de regeldrukeffecten. Dit zijn de kosten die betrokkenen moeten maken om aan de wettelijke
verplichtingen te kunnen voldoen. Het ATR heeft ook gekeken naar ervaren regeldruk.
Regeldruk ontstaat als de verplichtingen niet goed aansluiten op hoe betrokkenen hun
werk hebben georganiseerd. Het ATR heeft geadviseerd de regeldruk in kaart te brengen,
conform de Rijksbrede methodiek.
Het eindoordeel van het ATR is:
Het wetsvoorstel indienen en de regeling vaststellen nadat met het adviespunt rekening
is gehouden. Het conceptvoorstel is hierop aangepast. Dit heeft tot gevolg gehad dat
de regeldrukbeschrijvingen zijn verplaatst naar de toelichting op de subsidieregeling
en dat deze beschrijvingen in lijn zijn gebracht met de Rijksbrede methodiek.
Na het advies van het ATR is de wettelijke grondslag voor het Steunpunt RI&E toegevoegd
aan het voorstel. Dit is besproken met het ATR, maar heeft geen aanleiding gegeven
tot een aanvullende reactie van het college van het ATR.
Advies Autoriteit Persoonsgegevens
Daarnaast is de Autoriteit Persoonsgegevens (AP) geraadpleegd over het concept. De
AP heeft geen aanmerkingen op het concept.
Samenwerkingsverband Lexces, bureau Lexces en TNO
Na de internetconsultatie is gesproken met het samenwerkingsverband Lexces, het RIVM
(bureau Lexces) en TNO over hun reflecties op het wetsvoorstel en de subsidieregeling.
Relevante reflecties zijn verwerkt, zoals over de taken van de penvoerder, de positie
van het wetenschappelijk ondersteunend bureau dat bij het RIVM is ondergebracht en
de mogelijkheid voor een kennisinstituut als TNO (een ZBO) om deel uit te maken van
een samenwerkingsverband dat subsidie wil aanvragen.
SVB
De SVB heeft een uitvoeringstoets uitgevoerd over artikel 9b. Hierop is een overbodig
stukje tekst in artikel 9b, derde lid geschrapt.
19. Bekendmaking en inwerkingtreding
De wetswijziging wordt bekend gemaakt in het Staatsblad. De bijbehorende subsidieregeling,
met in de bijlage de hoofdlijnennotitie, wordt gelijktijdig bekend gemaakt in de Staatscourant.
Op de websites van SZW, de rijksoverheid en het UVB zal een aankondiging komen te
staan voor belangstellende samenwerkingsverbanden om een subsidieverzoek in te dienen.
Zodra de wet en de regeling bekend zijn gemaakt, zullen daar linkjes naar het Staatsblad
en de Staatscourant bij worden geplaatst.
II. ARTIKELSGEWIJS
Artikel I
Artikel I, onderdeel A (artikel 1)
In de Arbeidsomstandighedenregeling staat op dit moment een definitie van het begrip
beroepsziekte. Het begrip beroepsziekte komt echter ook voor in de Arbeidsomstandighedenwet
en het Arbeidsomstandighedenbesluit, en heeft daar dezelfde betekenis als de betekenis
die in de Arbeidsomstandighedenregeling aan dit begrip wordt gegeven. Aangezien het
begrip beroepsziekte ook terugkomt in de nieuwe artikelen van de Arbeidsomstandighedenwet
die in dit wetsvoorstel zijn opgenomen, wordt nu voorgesteld om de definitie van beroepsziekte
die in de Arbeidsomstandighedenregeling is opgenomen, te verplaatsen naar de Arbeidsomstandighedenwet.
De definitie van beroepsziekte heeft alleen betrekking op het bestaande artikel 9,
en op de voorgestelde artikelen 9a en 9b.
Om dit te benadrukken wordt het verband tussen deze artikelen in de definitie benoemd.
Omdat de definitie hierdoor niet binnen de structuur van artikel 1, eerste lid, past,
wordt een nieuw derde lid voorgesteld.
Artikel I, onderdeel B (artikel 5, zevende en achtste lid)
Zevende lid
In dit lid wordt de taakomschrijving van het Steunpunt RI&E opgenomen. Zie voor een
verdere omschrijving van deze taken hoofdstuk 2 van het algemeen deel van de toelichting.
Hoewel de verplichtingen van artikel 5 zich richten tot de werkgever, kunnen ook werknemers
en ZZP’ers gebruik maken van de diensten van het Steunpunt RI&E. Brancheorganisaties
kunnen een instrument als bedoeld in artikel 14, twaalfde lid, onderdeel b, onderdeel
2, opstellen, de zogenaamde branche RI&E. Om die reden kunnen ook zij ondersteuning
van het Steunpunt RI&E vragen. In het zevende lid is ook een delegatiegrondslag voor
de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid opgenomen om een instelling aan te
wijzen die de taken van het Steunpunt RI&E uitvoert.
Achtste lid
Momenteel wordt het Steunpunt RI&E gefinancierd met een tijdelijke subsidie op grond
van de Kaderwet SZW-subsidies. Met het opnemen van een financieringsgrondslag in de
Arbeidsomstandighedenwet is de continuïteit van het Steunpunt RI&E gewaarborgd.
Artikel I, onderdeel C (artikelen 9a en 9b)
Met dit onderdeel wordt voorgesteld om twee nieuwe artikelen toe te voegen aan de
Arbeidsomstandighedenwet.
Artikel 9a
In het eerste lid van het voorgestelde artikel 9a is een bevoegdheid opgenomen voor
de Minister om subsidie te verstrekken voor kennisactiviteiten ter voorkoming of beperking
van beroepsziekten. Het gaat hierbij om kennisactiviteiten die passen binnen een hoofdlijnennotitie
die als bijlage bij de door de Minister vastgestelde subsidieregeling wordt gepubliceerd.
De subsidie wordt op aanvraag verstrekt. Alleen samenwerkingsverbanden die voldoen
aan de eisen in het voorgestelde artikel 9a van de Arbeidsomstandighedenwet, de daarop
gebaseerde subsidieregeling en de hoofdlijnennotitie, kunnen in aanmerking komen voor
subsidie. Zoals volgt uit het voorgestelde zesde lid, is de subsidie gekoppeld aan
de hoofdlijnennotitie en kan er per gepubliceerde hoofdlijnennotitie aan slechts één
samenwerkingsverband subsidie worden verstrekt.
Het tweede lid bepaalt waar een samenwerkingsverband aan moet voldoen om voor subsidie
in aanmerking te komen. Dit wordt verder uitgewerkt in de subsidieregeling.
Een samenwerkingsverband kan ook uit publiekrechtelijke rechtspersonen of onderdelen
daarvan bestaan. Aan deze partijen kan ook subsidie worden verstrekt, met uitzondering
van instellingen die een onderdeel zijn van de publiekrechtelijke rechtspersoon de
Staat. Dit omdat geldstromen binnen één publiekrechtelijke rechtspersoon geen subsidie
zijn.21
Gelet hierop, is in het derde lid expliciet bepaald dat als een samenwerkingsverband
bestaat uit een of meer instellingen die onderdeel uitmaken van de Staat, alleen subsidie
zal worden verstrekt aan de andere instellingen van het samenwerkingsverband. Dit
wil overigens niet zeggen dat deze instellingen geen financiering kunnen krijgen voor
de kennisactiviteiten die zij als onderdeel van het samenwerkingsverband verrichten.
Als een subsidie wordt verleend aan de instellingen van het samenwerkingsverband die
geen onderdeel uitmaken van de Staat, dan zal tevens een financiële bijdrage worden
verstrekt aan het orgaan of de organen van het samenwerkingsverband die onderdeel
uitmaken van de Staat. De verstrekking van deze financiële bijdrage zal plaatsvinden
overeenkomstig de (begrotings)regels die hierop van toepassing zijn.
In het vierde lid is opgenomen dat bij ministeriële regeling regels worden gesteld
over de subsidie voor het kennisprogramma. Het gaat hierbij om onder meer voorschriften
over het indienen van een subsidieaanvraag, de bekendmaking van het tijdvak waarin
dit kan worden gedaan en de verplichtingen die rusten op de subsidieontvangers. Ook
zullen regels moeten worden gesteld over het bedrag van de subsidie, de uitbetaling
hiervan, de intrekking en wijziging van een verstrekte subsidie en de terugvordering
van onverschuldigd betaalde subsidiegelden.
In het vierde lid is tevens opgenomen dat bij ministeriële regeling regels worden
gesteld over de kennisactiviteiten waar het onderzoeksprogramma op ziet. De omschrijving
van de kennisactiviteiten heeft de vorm van een hoofdlijnennotitie die als bijlage
bij de ministeriële regeling wordt gevoegd. Dit is geregeld in het vijfde lid. Het
vijfde lid bepaalt tevens welke andere onderwerpen ten minste in een hoofdlijnennotitie
moeten worden opgenomen. De hoofdlijnennotitie bevat daarnaast een deel van de criteria
aan de hand waarvan wordt bepaald aan welk samenwerkingsverband een subsidie wordt
verstrekt. De overige criteria zijn de criteria in het voorgestelde artikel 9a van
de Arbeidsomstandighedenwet en de subsidieregeling die op dit artikel zal zijn gebaseerd.
Het zesde lid koppelt de subsidieverstrekking aan een hoofdlijnennotitie: de Minister
kan per uitgebrachte hoofdlijnennotitie aan slechts één samenwerkingsverband subsidie
verstrekken.
Artikel 9b
Op grond van het eerste lid van het voorgestelde artikel 9b kan de Minister een tegemoetkoming
toekennen aan personen die lijden aan een beroepsziekte. Wat onder een beroepsziekte
moet worden verstaan, volgt uit de begripsbepaling van dit begrip die met dit wetsvoorstel
tevens aan de Arbeidsomstandighedenwet zal worden toegevoegd.
De bestaande tegemoetkomingsregelingen voor beroepsziekten waarvoor de Minister verantwoordelijk
is, namelijk de Regeling tegemoetkoming stoffengerelateerde beroepsziekten en de Regeling
tegemoetkoming Asbestslachtoffers, zijn gebaseerd op artikel 9 van de Kaderwet SZW-subsidies.
Dit artikel geeft slechts een grondslag om op tijdelijke basis tegemoetkomingen te
verstrekken. Indien dit wetsvoorstel tot wet wordt verheven, zullen deze bestaande
tegemoetkomingsregelingen in het vervolg berusten op het voorgestelde artikel 9b van
de Arbeidsomstandighedenwet, waardoor zij een permanente wettelijke grondslag zullen
hebben.
Als de Minister besluit om voor een of meer beroepsziekten een tegemoetkoming te verstrekken,
dan zullen, op grond van het tweede lid, bij ministeriële regeling de kaders hiervoor
moeten worden geregeld.
Het gaat dan onder meer om een afbakening van de beroepsziekte of -ziekten waarvoor
op aanvraag een tegemoetkoming kan worden verstrekt, de begunstigden, het aanvraag-
en beoordelingsproces en verplichtingen die op de ontvanger van een tegemoetkoming
rusten.
Het derde lid geeft de bevoegdheid om bij ministeriële regeling regels te stellen
over de vergoeding van kosten die verband houden met de aanvraag van de tegemoetkoming
en andere criteria voor de toekenning van de tegemoetkoming. Deze regels vormen een
aanvulling op de regels die op grond van het tweede lid moeten worden opgenomen in
een ministeriële regeling. In tegenstelling tot het tweede lid gaat het in dit geval
om een bevoegdheid tot het stellen van regels. Het stellen van deze regels is niet
verplicht. Bij de vergoeding van kosten gaat het met name om kosten die aanvragers
van een tegemoetkoming noodzakelijkerwijs moeten maken om aan te tonen dat zij recht
op de tegemoetkoming hebben.
Bij de uitvoering van de tegemoetkomingsregelingen die op dit artikel zijn en zullen
worden gebaseerd, worden onvermijdelijk gegevens over de gezondheid van personen verwerkt.
Er kan immers alleen een tegemoetkoming worden verstrekt aan personen die lijden aan
een beroepsziekte, wat de verwerking van gegevens om dit vast te kunnen stellen noodzakelijk
maakt. Omdat deze gegevens iets zeggen over de gezondheidstoestand van personen, zijn
dit bijzondere persoonsgegevens als bedoeld in de AVG en dan meer in het bijzonder
gegevens over gezondheid. De verwerking van deze gegevens is op grond van artikel
9, eerste lid, van de AVG verboden, tenzij een van de situaties in het tweede lid
van dat artikel van toepassing is. Met het vierde lid van het voorgestelde artikel
9b, wordt een beroep gedaan op en een invulling gegeven aan de uitzondering in artikel
9, tweede lid, onderdeel b, van de AVG. Hiermee wordt gewaarborgd dat bij de uitvoering
van de op artikel 9b gebaseerde tegemoetkomingsregelingen de gezondheidsgegevens kunnen
worden verwerkt die nodig zijn voor een goede uitvoering van de tegemoetkomingsregeling.
Voor een verdere toelichting op dit artikellid wordt verwezen naar paragraaf 9.4 van
het algemeen deel van de toelichting bij dit wetsvoorstel.
Met «bestuursorganen en instellingen die zijn of mede zijn belast met de uitvoering
van een regeling» in het vierde lid worden alle bestuursorganen en instellingen bedoeld
waaraan op grond van een tegemoetkomingsregeling taken of bevoegdheden zijn toegekend
die betrekking hebben op de uitvoering van die regeling.
Artikel I, onderdeel D (artikel 45a)
Dit artikel bevat de verplichting voor de Minister om deze wetswijziging binnen vijf
jaar na inwerkingtreding van deze wet te evalueren.
Artikel II
Indien dit wetsvoorstel tot wet wordt verheven, zal dit in werking treden op een bij
koninklijk besluit te bepalen tijdstip. De beoogde datum van inwerkingtreding is 1 juli
2027. De beoogde startdatum van het kennisprogramma is 1 juli 2028. Zo is er voldoende
tijd voor de tenderprocedure (aanvragen, beoordelen en beschikken) en voor het werven
van personeel en het opzetten van de projecten door het winnende consortium.
De Minister van Werk en Participatie, A.A. Aartsen
Ondertekenaars
A.A. Aartsen, minister van Werk en Participatie
Bijlagen
Gerelateerde documenten
Hier vindt u documenten die gerelateerd zijn aan bovenstaand Kamerstuk.