Inbreng verslag schriftelijk overleg : Inbreng verslag van een schriftelijk overleg over de geannoteerde Agenda Formele Raad WSB van 29 juni 2026 en Informele Raad WSB van 6 juli 2026 (Kamerstuk 21501-31-828)
2026D31266 INBRENG VERSLAG VAN EEN SCHRIFTELIJK OVERLEG
In de vaste commissie voor Sociale Zaken en Werkgelegenheid bestond bij enkele fracties
de behoefte een aantal vragen en opmerkingen voor te leggen aan de Minister van Sociale
Zaken en Werkgelegenheid over de op 15 juni 2026 Geannoteerde Agenda Formele Raad
WSB van 29 juni 2026 en Informele Raad WSB van 6 juli 2026 (Kamerstuk 21 501-31, nr. 828).
De voorzitter van de commissie,
Van der Lee
Adjunct-griffier van de commissie,
Morrin
Inhoudsopgave
I
Vragen en opmerkingen vanuit de fracties
Vragen en opmerkingen van de leden van de D66-fractie
Vragen en opmerkingen van de leden van de VVD-fractie
Vragen en opmerkingen van de leden van de PRO-fractie
Vragen en opmerkingen van de leden van de PVV-fractie
Vragen en opmerkingen van de leden van de CDA-fractie
Vragen en opmerkingen van de leden van de FVD-fractie
Vragen en opmerkingen van de leden van de SGP-fractie
II
Antwoord/Reactie van de Minister
I Vragen en opmerkingen vanuit de fracties
Vragen en opmerkingen van de leden van de D66-fractie
De leden van de D66-fractie hebben met interesse kennisgenomen van de agenda’s van
de Raad Werkgelegenheid en Sociaal Beleid (WSB) op 29 juni en de Informele Raad van
6 juli. Deze leden hebben nog enkele vragen.
De leden van de D66-fractie lezen dat de Commissie opnieuw aanbeveelt om het gebruik
van flexibele en tijdelijke contracten minder aantrekkelijk te maken. Deze leden lezen
dat in de reactie op deze aanbeveling wordt gewezen op het wetsvoorstel Meer zekerheid
flexwerkers en het wetsvoorstel Verduidelijking beoordeling arbeidsrelaties en rechtsvermoeden.
Voldoen deze voorstellen genoeg om de aanbeveling van de Commissie tegemoet te komen,
zo vragen deze leden.
De leden van de D66-fractie lezen ook dat de Commissie aanbeveelt om mobiliteit naar
hoogproductieve sectoren en maatschappelijke relevante sectoren te stimuleren. Deze
leden lezen dat wordt verwezen naar de Talentstrategie die rond de zomer naar de Kamer
komt. Deze leden kijken uit naar publicatie van deze Talentstrategie.
De leden van de D66-fractie begrijpen dat gerichte arbeidsmigratie als middel wordt
gezien om krapte op de arbeidsmarkt te verlichten maar ook dat arbeidsmigratie geen
structurele oplossing vormt voor personeelstekorten. Welke rol ziet de Minister voor
arbeidsmigratie in sectoren waar de tekorten naar verwachting lang zullen aanhouden?
Hoe wil de Minister bevorderen dat naast gerichte arbeidsmigratie kraptesectoren ook
werken aan goed werkgeverschap? En wat is de stand van zaken met de pilot, zo vragen
deze leden.
De leden van de D66-fractie lezen dat de Minister tijdens de Raad van maart samen
met meerdere lidstaten heeft gepleit voor een uitwerking van het Fair Labour Mobility
Package en voor verduidelijking van de regels rond detachering van derdelanders. Welke
concrete voorstellen wil de Minister terugzien om uitbuiting tegen te gaan en een
gelijk speelveld op de Europese arbeidsmarkt te bevorderen, zo vragen deze leden.
Wat is de stand van zaken van de inzet van de Minister?
De leden van de D66-fractie lezen dat het kabinet stelt dat een hoogproductieve economie
vraagt om een vermindering van de afhankelijkheid van laagbetaalde arbeid. Tegelijkertijd
wordt dit najaar de Europese Jobs Quality Act verwacht. Welke kansen ziet de Minister
om de kwaliteit van werk te verbeteren en daarmee de transitie naar een meer productieve
economie te ondersteunen? Hoe wordt deze aanbeveling voor een hoogproductive economie
betrokken bij de hierboven genoemde Talentstrategie?
De leden van de D66-fractie lezen dat in het kader van de IORP II een denkrichting
in het Europees Parlement is om pensioenfondsen verplicht te laten investeren in durfkapitaal.
Deze leden onderkennen het belang van voldoende investeringen in durfkapitaal, maar
hebben nog wel aarzelingen of dit de meest geëigende route daartoe is. Hoe kijkt de
Minister naar een verplichte investeringsnorm voor durfkapitaal, zo vragen deze leden.
Hoe kijkt de Minister bijvoorbeeld naar een dergelijk Europees voorschrift in het
licht van de verantwoordelijkheidsverdeling tussen de EU en lidstaten? Is er met het
opnemen van dit voorstel nog sprake van minimumharmonisatie? En hoe verhoudt het voorstel
zich tot het prudent person beginsel om te beleggen in het belang van de deelnemers?
Vragen en opmerkingen van de leden van de VVD-fractie
De leden van de VVD-fractie lezen dat het Cypriotische voorzitterschap hoopt de onderhandelingen
IORP in de Raad nog deze maand af te ronden en dat de Minister voornemens is in te
stemmen met een concept-Raadspositie indien deze aansluit bij de Nederlandse inzet
en geen substantiële nieuwe elementen bevat die daarvan afwijken. Deze leden vragen
de Minister of inmiddels een concept-Raadspositie voorligt en, zo ja, of daarin de
eerder door deze leden benoemde aandachtspunten afdoende zijn geborgd, in het bijzonder
het behoud van nationale beleidsruimte bij het Uniform Pensioenoverzicht, de proportionaliteit
van de aanvullende informatievereisten en de bezwaren tegen een brede, algemene zorgplicht.
Deze leden verzoeken de Minister de Kamer over de hoofdlijnen van een concept-Raadspositie
te informeren voordat Nederland daarmee instemt.
De leden van de VVD-fractie lezen voorts dat de rapporteur een nieuw concept van qualifying
productive investments introduceert, bedoeld om de langetermijnfinanciering van de
reële economie te ondersteunen. Deze leden ontvangen graag een nadere toelichting
op de reikwijdte van dit begrip en op de verplichtingen die daaruit voor pensioenfondsen
zouden kunnen voortvloeien. Genoemde leden vragen de Minister in hoeverre dit concept
in de praktijk leidt tot sturing van het beleggingsbeleid, hoe het zich verhoudt tot
de vrijheid van fondsen om naar eigen inzicht en risicohouding te beleggen, maar ook
wat de positieve effecten op de economie en toegang tot financiering voor start- en
scale-ups zullen zijn.
Vragen en opmerkingen van de leden van de PRO-fractie
De leden van de PRO-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van de stukken
geagendeerd voor dit schriftelijk overleg. Deze leden hebben ook kennisgenomen van
de vorderingen rondom de Europese coördinatieverordening sociale zekerheid.
De leden van de PRO-fractie lezen dat met het voorstel premieshoppen wordt tegengegaan.
Deze leden vragen welke gevolgen de voorgestelde wijzigingen hebben voor het gebruik
van de A1-verklaring. Deze leden vragen dat de regering uiteenzet op welke wijze misbruik
van A1-verklaringen onder de nieuwe voorstellen wordt voorkomen, welke frauderisico’s
volgens de regering blijven bestaan en welke aanvullende waarborgen worden voorzien.
De leden van de PRO-fractie lezen dat het onderscheid tussen grensarbeiders en niet-grensarbeiders
vervalt. Deze leden vragen welke praktische, juridische en financiële gevolgen dit
heeft voor werknemers, werkgevers, uitkeringsinstanties en lidstaten.
De leden van de PRO-fractie lezen dat een wachttijd van één maand verzekering wordt
geïntroduceerd voordat arbeidsverleden uit andere lidstaten meetelt voor het openen
van een WW-recht. Deze leden vragen welke gevolgen deze wijziging heeft.
De leden van de PRO-fractie vragen hoe andere lidstaten hebben gereageerd op het door
Nederland ingediende non-paper. Deze leden vragen een beschouwing van het speelveld.
De leden van de PRO-fractie vragen welke wijzigingen in het huidige voorstel noodzakelijk
zijn voordat het kabinet alsnog kan instemmen met een akkoord. Deze leden vragen welke
onderdelen de regering daarbij als essentieel beschouwt en op welke punten zij ruimte
ziet voor een compromis.
De leden van de PRO-fractie vragen wanneer de uitvoeringstoetsen van UWV en SVB worden
verwacht en op welke manier het kabinet deze zal bezien.
Ook hebben de leden van de PRO-fractie een vraag over de platformrichtlijn. Deze leden
vragen wanneer de regering de implementatiewet naar de Kamer zal sturen en hoe de
deadline van eind dit jaar gehaald wordt.
De leden van de PRO-fractie hebben ook kennisgenomen van het feit dat Schiphol Airport
maatregelen neemt om de uitstoot van ultrafijnstof te verminderen, door onder andere
elektrificatie van materieel en andere procedures, om ervoor te zorgen dat werknemers
een gezondere werkomgeving krijgen. Deze leden hebben een vraag als het gaat over
een eventuele Europese standaarden. Deze leden vragen of het mogelijk zou zijn om
in te zetten op een Europese standaard als het gaat om de emissie van ultrafijnstof
op vliegvelden om op deze manier een gelijk speelveld te creëren binnen Europa zodat
vliegvelden die op deze manier willen investeren in de gezondheid van hun werknemers,
niet te maken krijgen met een nadelige concurrentiepositie.
De leden van de PRO-fractie hebben ook een vraag over de plannen voor het Europese
«28e regime» waarmee de EU-Inc. kan worden gecreëerd. Deze leden vragen hoe het Nederlandse
kabinet wil waarborgen dat deze niet aan lagere standaarden hoeven te voldoen als
het gaat rechten voor werknemers en vragen de Minister zich in te zetten voor het
beschermen van werknemersrechten. Deze leden maken zich zorgen over de consequenties
van het «28e regime». Deze leden vragen welke juridische en financiële gevolgen het 28e regime heeft voor werknemers, werkgevers, uitkeringsgerechten en uitkeringsinstanties.
De leden vragen de Minister dit met name in kaart te brengen langs de lijn van de
rechten die werknemers nu kunnen ontlenen aan arbeidswetgeving, (ge-avv-de) cao’s
en pensioenregelingen, uitkeringsrechten en de rechtszekerheid.
De leden van de PRO-fractie vragen zich meer specifiek af in hoeverre de individuele
en de collectieve rechten en belangen van werknemers gewaarborgd zijn en blijven bij
deze nieuwe EU-Inc. bedrijfsvorm, met de voorgestelde rechtsgrondslag (artikel 114
VWEU, tweede lid) en de Rome 1 verordening (die niet op collectieve werknemersrechten
en -belangen ziet) in ogenschouw nemend. Deze leden vragen zich af in hoeverre het
wettelijk minimumloon en collectieve onderhandelingen door sociale partners over de
loonvorming ondergraven kan worden door de EU-INC verordening, die dus voorrang heeft
op nationale wet- en regelgeving, ook met het oog op het toestaan van beloning via
EU-ESO aandelenopties waar geen waarborgen voor gelden.
De leden van de PRO-fractie vragen zich af wat de potentiële kosten zijn voor bonafide
bedrijven, werknemers en de samenleving van oprichting van EU-INC bedrijfsvorm wanneer
die gebruikt worden voor brievenbusconstructies en flitsfaillissementen, aangezien
het kabinet zelf al waarschuwt voor witwassen en fraude.
De leden van de PRO-fractie vragen zich ook af wat de consequenties zijn van het 28e regime voor (laagbetaalde) arbeidsmigranten en hun rechten op collectieve regelingen
zoals de (ge-avv-de) cao, pensioenen en sociaal zekerheidsrechten en rechten die zijn
aan het arbeidsrecht kunnen ontlenen.
Vragen en opmerkingen van de leden van de PVV-fractie
De leden van de PVV-fractie constateren dat de herziening Verordening 883/2004 inzake
de Coördinatie van Sociale Zekerheidsstelsels de export van WW-uitkeringen fors verruimt:
werklozen mogen niet langer drie, maar zes maanden met behoud van uitkering in een
andere lidstaat naar werk zoeken, terwijl bepaalde grensarbeiders en migrerende werknemers
hun Nederlandse WW gedurende de volledige uitkeringsduur vanuit hun woonland kunnen
ontvangen. Tegelijkertijd ontbreken volgens het kabinet voldoende waarborgen voor
activering, controle en rechtmatigheid. Nederland is daarom voornemens tegen te stemmen,
maar het kabinet verwacht dat desondanks een gekwalificeerde meerderheid vóór het
akkoord bestaat.
De leden van de PVV-fractie vragen wat het kabinet concreet gaat doen wanneer andere
lidstaten het akkoord ondanks de Nederlandse tegenstem aannemen. Deze leden vragen
de Minister zich tot het laatste moment standvastig te verzetten en actief steun te
zoeken voor een blokkerende minderheid. Deze leden vragen de Minister nadrukkelijk
zich niet bij voorbaat neer te leggen bij de verwachte meerderheid. Deze leden vragen
de Minister welke juridische en politieke mogelijkheden de Minister zal benutten om
te voorkomen dat Nederland wordt gedwongen WW-uitkeringen langer en ruimer te exporteren
zonder dat Nederland nog voldoende grip heeft op sollicitatieverplichtingen, fraudebestrijding
en rechtmatigheidscontrole.
De leden van de PVV-fractie constateren dat armoedebestrijding in de eerste plaats
een nationale verantwoordelijkheid is, maar dat de Europese Commissie met de Europese
Anti-Armoede Strategie inzet op steeds verdergaande Europese aansturing, monitoring,
financiering en coördinatie van nationaal sociaal beleid. De Commissie kondigt onder
meer nieuwe indicatoren, aanbevelingen, kaders, een Europese coalitie, een gezamenlijk
actieplan en de aanstelling van een nationale anti-armoedecoördinator op het hoogste politieke niveau aan. Deze leden vragen waarom de
Minister deze ontwikkeling verwelkomt, terwijl de Minister zelf erkent dat armoedebeleid
een nationale competentie is. Ook vragen deze leden waar voor de Minister de harde
grens ligt tussen vrijblijvende Europese kennisuitwisseling en feitelijke Europese
bemoeienis met de inrichting van het Nederlandse inkomens-, arbeidsmarkt-, pensioen-
en socialezekerheidsbeleid.
De leden van de PVV-fractie vragen de Minister ondubbelzinnig toe te zeggen dat Nederland
niet zal instemmen met toekomstige voorstellen die nationale beleidsruimte beperken,
Europese normen opleggen of nationale uitgaven, inkomensvoorzieningen en sociale dienstverlening
indirect afhankelijk maken van Europese doelstellingen, indicatoren of financieringsvoorwaarden.
Deze leden vragen de Minister ieder aangekondigd vervolgvoorstel afzonderlijk vooraf
aan de Kamer voor te leggen, inclusief een concrete toets op bevoegdheid, subsidiariteit,
proportionaliteit en gevolgen voor de Nederlandse begrotings- en beleidsautonomie.
Tevens vragen deze leden de Minister te garanderen dat geen nationale anti-armoedecoördinator,
EU-monitoringskader of Europees governance-instrument wordt ingevoerd zonder voorafgaande
uitdrukkelijke instemming van de Staten-Generaal.
De leden van de PVV-fractie constateren voorts dat de Europese Commissie de Kindergarantie
wil uitbouwen tot een samenhangend Europees beleidskader dat zich uitstrekt tot kinderopvang,
voorschoolse educatie, onderwijs, zorg, voeding, huisvesting, inkomensondersteuning,
mentale gezondheid en de overgang naar volwassenheid. Daarbij worden Europese curriculum-
en pedagogische richtsnoeren, digitale ondersteuningssystemen, een Europese kindergarantiekaart
en versterkte Europese monitoring en governance aangekondigd. Deze leden vragen waarom
de Minister Europese bemoeienis met onderwerpen die zo diep in de nationale verzorgingsstaat,
het onderwijs en de jeugdhulp ingrijpen noodzakelijk acht. Deze leden vragen de Minister
te erkennen dat de optelsom van niet-bindende richtsnoeren, financieringsvoorwaarden,
monitoring en aanbevelingen in de praktijk alsnog kan leiden tot harmonisatie en beperking
van de nationale democratische beleidsvrijheid.
De leden van de PVV-fractie vragen waar voor de Minister de grens ligt tussen Europese
ondersteuning en overdracht van zeggenschap over kinderen, gezinnen, onderwijs en
sociaal beleid. Deze leden vragen de Minister uit te sluiten dat de Europese kindergarantiekaart
wordt gebruikt voor Europese registratie, gegevensuitwisseling, het vastleggen van
aanspraken of het afdwingen van uniforme toegang tot nationale voorzieningen. Deze
leden vragen de Minister zich te verzetten tegen iedere toekomstige aanbeveling, richtlijn
of financieringsvoorwaarde die de inrichting van kindregelingen, kinderopvang, voorschoolse
educatie, jeugdhulp of inkomensondersteuning mede vanuit Brussel voorschrijft. Deze
leden vragen de Minister bovendien toe te zeggen dat de Kamer vooraf expliciet om
een mandaat wordt gevraagd, voordat in Europees verband wordt ingestemd met nieuwe
afspraken die gevolgen hebben voor de Nederlandse beleidsautonomie, begrotingsbevoegdheid
of de democratische zeggenschap over het gezins- en jeugdbeleid.
Vragen en opmerkingen van de leden van de CDA-fractie
De leden van de CDA-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van de geannoteerde
agenda voor de Formele Raad Werkgelegenheid en Sociaal Beleid van 29 juni 2026 en
de Informele Raad Werkgelegenheid en Sociaal Beleid van 6 juli 2026, alsmede van de
bijbehorende brieven en fiches. Deze leden hebben hierover enkele vragen.
De leden van de CDA-fractie nemen kennis van de stand van zaken rond de herziening
van de IORP II-richtlijn. Deze leden onderschrijven dat aanvullende pensioenstelsels
in Europa kunnen bijdragen aan een adequaat pensioeninkomen en langetermijninvesteringen,
maar benadrukken dat Europese regels geen afbreuk mogen doen aan goed functionerende
nationale pensioenstelsels zoals het Nederlandse stelsel. In Nederland hangt het aanvullende
pensioenstelsel nauw samen met collectieve afspraken en de rol van sociale partners.
Deze leden vragen hoe de regering in de verdere onderhandelingen borgt dat de rol
van sociale partners en de nationale kenmerken van het Nederlandse pensioenstelsel
voldoende beschermd blijven.
Daarnaast lezen de leden van de CDA-fractie dat in het Europees Parlement een voorstel
is gedaan waarbij pensioenfondsen met meer dan € 1 miljard vermogen minstens 2% daarvan
zouden moeten beleggen in durfkapitaal. Deze leden vragen hoe de regering dit voorstel
beoordeelt.
Het versterken van de bescherming van deelnemers op Europees niveau is een belangrijke
ambitie, de leden van de CDA-fractie lezen dat de Minister hierover in zijn antwoorden
van maart schrijft: «Voor wat betreft de zorgplicht geldt dat er al veel in de wet
geregeld is» en dat de inzet van het kabinet tijdens deze onderhandelingen is «om
de aanvullende regeldruk in de sector te beperken, terwijl ook het belang van de bescherming
van deelnemers goed in het vizier wordt gehouden». Kan de Minister concretiseren waar
deze inzet van het kabinet precies op ziet als het gaat om het beperken van aanvullende
regeldruk? Deelt de Minister de zorg van de Pensioenfederatie dat een algemene zorgplicht
kan leiden tot juridische onduidelijkheid voor pensioenuitvoerders, toezichthouders
en de rechtspraak?
De leden van de CDA-fractie nemen kennis van het voorlopig akkoord over de herziening
van Verordening 883/2004 en constateren dat het kabinet dit akkoord niet heeft gesteund,
onder meer vanwege de verruiming van de export van werkloosheidsuitkeringen. Deze
leden vragen hoe de regering de risico’s beoordeelt voor controle, handhaving en activering
naar werk wanneer WW-uitkeringen langer kunnen worden geëxporteerd, en welke concrete
waarborgen noodzakelijk worden geacht om te voorkomen dat begeleiding naar werk tekortschiet
of de rechtmatigheidscontrole verslechtert. Daarnaast vragen deze leden wanneer de
Kamer duidelijkheid ontvangt over de uitvoeringsgevolgen en de kosten, die door UWV
en SVB in kaart worden gebracht.
De leden van de CDA-fractie verzoeken de Minister om de geraamde extra WW-uitgaven
van circa € 14 miljoen per jaar uit te splitsen naar grensarbeiders, andere mobiel
werkenden en overige uitkeringsgerechtigden. Tevens vragen deze leden om een inkomenseffectanalyse
van de voorgestelde wijzigingen voor grensarbeiders, uitgaande van een werknemer woonachtig
in Nederland en werkzaam in België respectievelijk Duitsland, een werknemer woonachtig
in België respectievelijk Duitsland en werkzaam in Nederland, een bruto maandloon
van € 3.500, volledige werkloosheid na 20 en 24 weken arbeid als grensarbeider en
een verzekeringsverleden van 10 jaar in het woonland. Daarbij vragen deze leden tevens
inzicht in de hoogte, duur en financieringsbron van de werkloosheidsuitkering onder
zowel het huidige als het voorgestelde stelsel.
De leden van de CDA-fractie vragen voorts welke staat op grond van de belastingverdragen
tussen Nederland en België respectievelijk Duitsland bevoegd is tot belastingheffing
over WW-uitkeringen die door het voormalige werkland worden betaald aan grensarbeiders
die in een andere lidstaat wonen, en of is onderzocht of de nieuwe coördinatie kan
leiden tot situaties waarin premieheffing, uitkeringsfinanciering en belastingheffing
in verschillende lidstaten plaatsvinden. Indien dat het geval is, vragen deze leden
wat dit betekent voor de netto-uitkeringspositie van betrokken grensarbeiders en of
dergelijke situaties wenselijk worden geacht, en indien dat niet het geval is, welke
mogelijkheden het kabinet ziet om deze fiscale en sociale discoördinatie te voorkomen.
De leden van de CDA-fractie lezen dat verwijzingen naar tweede-pijlerpensioenen uit
Bijlage XI van Verordening 883/2004 worden verwijderd, waardoor een flexibel gekozen
pensioendatum met een tweede-pijlerpensioen of vergelijkbare uitkering voorafgaand
aan de AOW-leeftijd niet langer kan leiden tot verdragsrecht op zorg ten laste van
Nederland. Deze leden vragen welke categorieën personen hierdoor worden geraakt, hoeveel
personen naar verwachting worden getroffen en of het klopt dat personen met uitsluitend
een niet-wettelijk Nederlands prepensioen of vergelijkbare uitkering in het buitenland
niet langer als verdragsgerechtigde kunnen worden aangemerkt. Daarnaast vragen deze
leden naar de gevolgen hiervan voor de toegang tot medische zorg in het woonland,
de toegang tot medische zorg tijdens tijdelijk verblijf in Nederland, het verblijfsrecht
op grond van Richtlijn 2004/38/EG en de verplichting tot het afsluiten van een particuliere
zorgverzekering in het woonland, en of hierbij overgangsproblemen worden voorzien
en op welke wijze deze worden ondervangen.
Tot slot vragen de leden van de CDA-fractie naar de algemene gevolgen van het bereikte
akkoord en verzoeken zij het kabinet om per categorie aan te geven welke concrete
nadelige gevolgen worden verwacht voor grensarbeiders, andere mobiel werkenden, werkloosheidsuitkeringsgerechtigden,
gepensioneerden en de uitvoering door UWV en SVB, alsmede welke van deze gevolgen
doorslaggevend zijn geweest in het besluit om het voorlopig akkoord niet te steunen.
De leden van de CDA-fractie hebben kennisgenomen van de Europese Anti-Armoedestrategie.
Deze leden onderschrijven het belang van preventie, werk, financiële educatie, vroegsignalering
en laagdrempelige hulp bij geldzorgen en beginnende schulden. Deze leden vragen hoe
het kabinet ervoor zorgt dat deze elementen voldoende worden meegenomen in de verdere
Europese uitwerking. In het bijzonder vragen deze leden hoe de Nederlandse praktijk
van laagdrempelige ondersteuning, sociaaljuridische hulp, schuldhulpverlening en de
inzet van vrijwilligersorganisaties onder de aandacht wordt gebracht in Europees verband.
Tot slot nemen de leden van de CDA-fractie kennis van de voorgenomen Raadsconclusies
over het voorkomen en bestrijden van cybergeweld tegen meisjes. Deze leden achten
het van groot belang dat meisjes online beter worden beschermd tegen seksuele intimidatie,
deepfakes en de verspreiding van schadelijke beelden. Deze leden vragen hoe wordt
geborgd dat platforms sneller en effectiever optreden tegen deze vormen van online
geweld, en welke inzet Nederland daarbij in Europees verband kiest.
Vragen en opmerkingen van de leden van de FVD-fractie
De leden van de FVD-fractie constateren dat steeds meer beleidsterreinen die tot de
bevoegdheden van lidstaten behoren via Europese aanbevelingen en strategieën alsnog
onderwerp worden van beleid en sturing vanuit de EU. Zo ook het sociale beleid en
de arbeidsmarkt in Nederland. Hoewel de Europese Commissie formeel beperkte bevoegdheden
heeft op deze terreinen, lijkt de praktijk steeds vaker neer te komen op een geleidelijke
overheveling van nationale keuzes naar Europese invloed.
De leden van de FVD-fractie lezen dat de Europese Commissie Nederland opnieuw aanbeveelt
om het gebruik van flexibele en tijdelijke contracten verder terug te dringen. Kan
de Minister uiteenzetten waarom de Europese Commissie zich hier überhaupt over uitspreekt?
In hoeverre acht het kabinet arbeidsmarktbeleid een nationale aangelegenheid? Welke
ruimte ziet de Minister voor Nederland om af te wijken van dergelijke aanbevelingen
wanneer deze simpelweg niet aansluiten bij de Nederlandse wensen en omstandigheden?
Daarnaast valt de leden van de FVD-fractie op dat de Commissie inzet op het aanpakken
van arbeidsmarkttekorten via arbeidsmigratie. Tegelijkertijd constateert het kabinet
zelf dat arbeidsmigratie druk legt op de bevolkingsgroei en geen structurele oplossing
vormt voor krapte op de arbeidsmarkt. Hoe beoordeelt de Minister deze spanning? Is
de Minister het ermee eens dat verbeteringen op het gebied van arbeidsproductiviteit,
innovatie en automatisering op de langere termijn een betere oplossing vormen dan
alsmaar uitdijende arbeidsmigratie?
De leden van de FVD-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van het bereikte
principeakkoord over Verordening 883 inzake de coördinatie van sociale zekerheid.
Uit de kabinetsappreciatie blijkt dat de exportduur van WW-uitkeringen wordt verlengd
van drie naar zes maanden. Het kabinet heeft zich hiertegen verzet, maar zonder succes.
Kan de Minister uiteenzetten welke gevolgen deze wijziging naar verwachting zal hebben
voor de Nederlandse uitvoering in de praktijk, zowel waar het gaat om uitkeringen
als om uitgaven in de sociale zekerheid?
De leden van de FVD-fractie lezen daarnaast dat de Minister schrijft dat het voor
Nederland moeilijker wordt om mensen die vanuit een andere lidstaat een Nederlandse
WW-uitkering ontvangen richting werk te begeleiden en te controleren of de uitkering
rechtmatig wordt verstrekt. Welke mogelijkheden heeft Nederland straks nog om effectief
toezicht te houden op uitkeringen die buiten Nederland worden ontvangen? Hoe kan een
dergelijke situatie überhaupt optreden? Heeft de Minister voorbeelden hiervan?
Tot slot hebben de leden van de FVD-fractie kennisgenomen van de Europese anti-armoedestrategie.
Hoewel armoedebestrijding op zichzelf een nobel doel is, zijn en blijven sociaal beleid
en armoedebeleid bevoegdheden van de lidstaten zelf. Kan de Minister aangeven welke
concrete meerwaarde hij ziet in een Europese anti-armoedestrategie boven nationaal
beleid? Acht hij het wenselijk dat de Europese Commissie zich steeds nadrukkelijker
gaat bezighouden met onderwerpen als huisvesting, sociale voorzieningen en inkomensbeleid?
Waar ligt volgens de Minister de grens van de Europese bevoegdheden op dit terrein?
Is het niet hoog tijd om eens paal en perk te gaan stellen aan Europese bemoeienis?
Vragen en opmerkingen van de leden van de SGP-fractie
De leden van de SGP-fractie hebben kennisgenomen van de geannoteerde agenda van de
aanstaande WSB-raad. Deze leden hebben daarover nog enkele vragen.
Export WW-uitkering
Met verbazing hebben de leden van de SGP-fractie gelezen dat de mogelijkheden voor
export van WW-uitkeringen niet worden beperkt, maar dat in het akkoord een forse uitbreiding
daarvan wordt voorgesteld. Deze leden vinden dat een onwenselijke ontwikkeling, zeker
nu blijkt dat daar ook jaarlijks 14 miljoen euro mee gemoeid is. Welke mogelijkheden
ziet het kabinet nog om in de EU-verband in te zetten op beperking van WW-exportrechten
in plaats van uitbreiding, bijvoorbeeld via het fair labour mobility pakket? Hoe ziet
het krachtenveld op dit moment eruit?
De leden van de SGP-fractie vragen het kabinet in te blijven zetten op beperking van
de WW-exportmogelijkheden en onder geen beding akkoord te gaan met uitbreiding van
de huidige situatie. Wil zij dat toezeggen?
De leden van de SGP-fractie vernemen daarnaast graag wat eventuele uitbreiding van
de WW-rechten in lijn met het Europees voorstel betekent voor de Nederlandse handhaving
op WW-export, aangezien dat nu al een forse opgave is voor uitvoeringsorganisaties.
Daarnaast merken de leden van de SGP-fractie op dat Nederland zich altijd op het standpunt
heeft gesteld het woonlandbeginsel te willen toepassen, op sociale zekerheidsuitkeringen
maar ook op kindregelingen. Wat verandert er met dit akkoord op dit onderdeel, en
waar zet het kabinet op in? Blijft zij zich inzetten op het mogelijk maken van toepassing
van het woonlandbeginsel in geval van kindregelingen als kinderbijslag en het kindgebonden
budget?
II Antwoord/Reactie van de Minister
Ondertekenaars
-
Eerste ondertekenaar
T.M.T. van der Lee, voorzitter van de vaste commissie voor Sociale Zaken en Werkgelegenheid -
Mede ondertekenaar
C.E. Morrin, adjunct-griffier
Gerelateerde documenten
Hier vindt u documenten die gerelateerd zijn aan bovenstaand Kamerstuk.