Verslag (initiatief)wetsvoorstel (nader) : Verslag
36 952 Goedkeuring van het op 9 september 1998 te Farnborough tot stand gekomen Verdrag tussen de regering van het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland, de regering van de Franse Republiek, de regering van de Bondsrepubliek Duitsland en de regering van de Italiaanse Republiek tot oprichting van een Gezamenlijke Organisatie voor Samenwerking op Defensie-materieelgebied (Organisation Conjointe de Coopération en matière d’Armement) OCCAR (Trb. 1999, 174 en Trb. 2024, 109) en het op 24 september 2024 te Parijs tot stand gekomen OCCAR-Beveiligingsverdrag tussen de regering van de Franse Republiek, de regering van de Bondsrepubliek Duitsland, de regering van het Koninkrijk België, de regering van de Italiaanse Republiek en de regering van het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland, zoals gewijzigd door het op 13 november 2025 te Parijs tot stand gekomen Verdrag tussen de regering van de Franse Republiek, de regering van de Bondsrepubliek Duitsland, de regering van het Koninkrijk België, de regering van de Italiaanse Republiek, de regering van het Koninkrijk Spanje en de regering van het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland tot wijziging van het OCCAR-Beveiligingsverdrag (Trb. 2024, 31 en Trb. 2025, 95)
Nr. 5
VERSLAG
Vastgesteld 19 juni 2026
De vaste commissie voor Defensie, belast met het voorbereidend onderzoek van voorliggend
wetsvoorstel, heeft de eer als volgt verslag uit te brengen van haar bevindingen.
Onder het voorbehoud dat de in het verslag opgenomen vragen en opmerkingen afdoende
door de regering worden beantwoord acht de commissie de openbare behandeling van het
wetsvoorstel voldoende voorbereid.
Inhoudsopgave
1
Algemeen
2
1.1
Inleiding
2
1.2
Een ieder verbindende bepalingen
3
2.
OCCAR
4
2.1
Inleiding
4
2.2
Werkwijze OCCAR
4
2.3
Internationale context
5
2.4
Nederlandse defensie-industrie
5
2.5
OCCAR-projecten met Nederlandse betrokkenheid
7
2.6
Nederland en OCCAR
7
2.7
Financiële aspecten
7
3.
Het OCCAR-verdrag
8
3.2
Algemene organisatie (hoofdstuk III), de Raad van Toezicht (hoofdstuk IV), het OCCAR-agentschap
(hoofdstuk V)
8
3.3
Verwervingsbeginselen
8
3.10
Verslagen en accountantscontroles (hoofdstuk XIII)
9
3.12
Slotbepalingen (hoofdstuk XV)
9
4.
Het OCCAR-beveiligingsverdrag
10
4.1
Algemeen en doelstelling
10
4.2.2
Beveiligingseisen
10
4.2.4
Equivalente rubriceringsniveaus lidstaten
10
1. Algemeen
1.1 Inleiding
De leden van de D66-fractie hebben kennisgenomen van het wetsvoorstel tot goedkeuring van het OCCAR-verdrag en
het daarmee verbonden OCCAR-beveiligingsverdrag en hebben hierover een vraag.
De leden van de PRO-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van het wetsvoorstel tot goedkeuring van
het OCCAR-verdrag en het daarmee verbonden OCCAR-beveiligingsverdrag. Deze leden waarderen
dat de regering met de hervatting van de toetredingsprocedure voortvarend uitvoering
geeft aan de met brede steun aangenomen motie-Piri c.s. (Kamerstuk 36 800 X, nr. 33), die de regering verzocht de benodigde stappen te zetten om Nederland te laten toetreden
tot OCCAR.
De leden van de PVV-fractie hebben kennisgenomen van het wetsvoorstel tot goedkeuring van het OCCAR-verdrag en
het daarmee verbonden OCCAR-beveiligingsverdrag en hebben hierover enkele vragen.
De leden van de CDA-fractie hebben kennisgenomen van de Goedkeuring van het op 9 september 1998 te Farnborough
tot stand gekomen Verdrag tussen de regering van het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië
en Noord-Ierland, de regering van de Franse Republiek, de regering van de Bondsrepubliek
Duitsland en de regering van de Italiaanse Republiek tot oprichting van een Gezamenlijke
Organisatie voor Samenwerking op Defensie-materieelgebied (Organisation Conjointe
de Coopération en matière d’Armement) OCCAR (Trb. 1999, 174 en Trb. 2024, 109) en het op 24 september 2024 te Parijs tot stand gekomen OCCAR-Beveiligingsverdrag
tussen de regering van de Franse Republiek, de regering van de Bondsrepubliek Duitsland,
de regering van het Koninkrijk België, de regering van de Italiaanse Republiek en
de regering van het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland, zoals
gewijzigd door het op 13 november 2025 te Parijs tot stand gekomen Verdrag tussen
de regering van de Franse Republiek, de regering van de Bondsrepubliek Duitsland,
de regering van het Koninkrijk België, de regering van de Italiaanse Republiek, de
regering van het Koninkrijk Spanje en de regering van het Verenigd Koninkrijk van
Groot-Brittannië en Noord-Ierland tot wijziging van het OCCAR-Beveiligingsverdrag
(Trb. 2024, 31 en Trb. 2025, 95). Deze leden steunen de inzet op sterkere Europese defensiesamenwerking. De oorlog
in Oekraïne en de verslechterde veiligheidssituatie laten zien dat Europa sneller,
slimmer en vaker samen defensiematerieel moet kunnen ontwikkelen, aanschaffen en produceren.
Deze leden hebben wel nog enkele vragen bij deze Goedkeuring van het OCCAR- en van
het OCCAR-Beveiligingsverdrag.
De leden van de JA21-fractie hebben kennisgenomen van het voornemen van de regering om toe te treden tot het OCCAR-verdrag
en hebben enkele vragen.
De leden van de Groep Markuszower hebben kennisgenomen van het wetsvoorstel tot goedkeuring van het OCCAR-verdrag en
het daarmee verbonden OCCAR-beveiligingsverdrag en hebben hierover enkele vragen.
De leden van de PRO-fractie onderstrepen het grote belang van Europese militaire en
industriële samenwerking op defensiematerieelgebied. In een tijd waarin de Russische
agressieoorlog tegen Oekraïne en bredere geostrategische verschuivingen Europa dwingen
meer verantwoordelijkheid te nemen voor de eigen veiligheid, is het versterken van
gezamenlijke capaciteiten geen luxe maar noodzaak. Alleen door versnippering tegen
te gaan, behoeften te harmoniseren en gezamenlijk in te kopen kan Europa op termijn
volwaardig en onafhankelijk in zijn eigen, gedeelde veiligheid voorzien. De leden
van de PRO-fractie beschouwen het lidmaatschap van OCCAR als een belangrijke en logische
stap binnen die bredere ambitie en zien het als een nuttige aanvulling op de bestaande
instrumenten binnen de NAVO en de EU. Deze leden hebben niettemin nog enkele vragen.
De leden van de PVV-fractie constateren dat Nederland na ruim twintig jaar alsnog
wil toetreden tot OCCAR. In 2002 werd de behandeling van het eerdere wetsvoorstel
opgeschort nadat meerdere fracties twijfels hadden geuit over de vraag of het OCCAR-lidmaatschap
gunstig zou uitpakken voor de Nederlandse defensie-industrie. Kan de regering concreet
toelichten waarom deze zorgen volgens haar nu niet langer doorslaggevend zijn?
De leden van de PVV-fractie lezen dat het Nederlandse lidmaatschap netto ongeveer
€ 1,5 miljoen per jaar kost, exclusief bijdragen aan specifieke projecten. Welke concrete,
meetbare doelstellingen verbindt de regering aan dit lidmaatschap? Wanneer is het
lidmaatschap volgens de regering geslaagd? Is de regering bereid vijf jaar na toetreding
een integrale evaluatie aan de Kamer te sturen waarin in ieder geval wordt ingegaan
op de kosten van het lidmaatschap, de Nederlandse invloed binnen OCCAR, de opdrachten
voor Nederlandse bedrijven, de gevolgen voor de Nederlandse defensie-industrie en
de bijdrage aan de operationele slagkracht van de Nederlandse krijgsmacht?
1.2 Eenieder verbindende bepalingen
De leden van de PRO-fractie lezen dat de regering artikel 30 van het OCCAR-Verdrag
aanmerkt als de enige eenieder verbindende bepaling in de zin van de artikelen 93
en 94 van de Grondwet, op grond waarvan afgewezen bedrijven recht hebben op een toelichting.
Deze leden vragen wat deze bepaling zal wijzigen ten opzichte van de huidige Nederlandse
praktijk zodra het verdrag in werking treedt. Konden afgewezen Nederlandse bedrijven
tot nu toe geen toelichting verkrijgen? Voorts vragen deze leden bij welke instantie
een afgewezen onderneming dit recht kan inroepen, gelet op het feit dat OCCAR als
internationale organisatie de aanbesteding uitvoert en over eigen immuniteiten en
geschillenprocedures beschikt.
De leden van de Groep Markuszower vragen zich af welke consequenties de eenieder verbindende
bepaling van artikel 30 met zich meebrengt voor de soevereiniteit van de Nederlandse
krijgsmacht. Welke waarborgen biedt het verdrag om te zorgen dat het artikel niet
de Nederlandse belangen in gevaar brengt?
Daarnaast vragen deze leden zich af welke bedrijven onder de reikwijdte van het artikel
vallen. Vallen ook partijen uit landen die niet als bondgenoot te kwalificeren zijn
per definitie onder dit artikel? Welke waarborgen worden er geboden ter voorkoming
van het versterken van de juridische positie van buitenlandse partijen die ter bescherming
van de nationale veiligheid buiten onze krijgsmacht gehouden dienen te worden? Denk
bijvoorbeeld aan Chinese partijen.
De leden van de Groep Markuszower vragen zich tevens af hoe de regering denkt dat
de bepaling van artikel 30 juridisch in de praktijk uit zal werken. Hoe vaak zullen
er procedures volgen op dit artikel en welke verweermiddelen heeft de overheid in
gevallen waarbij partijen zich op het artikel beroepen? Kan de regering deze leden
verzekeren dat eventuele procedures ten gevolge van dit artikel nooit ten nadele van
de overheid en de belangen van nationale veiligheid zullen komen?
Kan de regering expliciet toelichten waarom deze eenieder verbindende bepaling opgenomen
is in het verdrag en welke meerwaarde dit biedt voor verdragsluitende partijen? Welke
nationale belangen dient het artikel en welke belangen zouden er geschaad worden indien
het artikel geen onderdeel uit zou maken van het verdrag, zo vragen de leden van de
Groep Markuszower.
2. OCCAR
2.1 Inleiding
De leden van de CDA-fractie lezen dat OCCAR geen eigen investeringsbudget heeft, maar
op verzoek van lidstaten projecten voor ontwikkeling en productie van defensiematerieel
uitvoert. Bovendien besluiten lidstaten zelf of zij aan specifieke OCCAR-projecten
meedoen. Kan de regering aangeven welke criteria Defensie van plan is te gebruiken
om te bepalen of een materieelproject wel of niet geschikt is voor OCCAR?
2.2 Werkwijze OCCAR
De leden van de PVV-fractie lezen dat OCCAR afstand neemt van het beginsel «costshare
is workshare» en in plaats daarvan werkt met een zogenoemde «global balance». Kan
de regering toelichten welke waarborgen bestaan dat Nederlandse bedrijven niet structureel
achter het net vissen ten opzichte van bedrijven uit grotere OCCAR-landen zoals Frankrijk,
Duitsland, Italië en het Verenigd Koninkrijk? Waarom zijn de rapportages over deze
global balance vertrouwelijk? Is de regering bereid de Kamer periodiek, desnoods vertrouwelijk,
te informeren over de Nederlandse positie binnen deze global balance, inclusief de
Nederlandse financiële bijdragen en de waarde van opdrachten die bij Nederlandse bedrijven
terechtkomen?
De leden van de CDA-fractie lezen dat OCCAR ernaar streeft dat voor de lidstaten,
over een langere periode en over het geheel van projecten, een globaal evenwicht (global
balance) ontstaat tussen de financiële bijdragen aan projecten en de industriële pakketten
van deze lidstaten. OCCAR rapporteert regelmatig, vertrouwelijk, aan de lidstaten
over deze global balance. Deze leden vragen of de regering kan toezeggen dat de Kamer
periodiek, desnoods vertrouwelijk, wordt geïnformeerd over de positie van Nederlandse
bedrijven binnen de global balance. Deze leden vragen of de regering kan schetsen
hoe de besluitvorming binnen OCCAR eruitziet. Hoe wordt hierin voldoende invloed van
het Nederlands belang meegenomen?
2.3 Internationale context
De leden van de PRO-fractie begrijpen dat OCCAR losstaat van zowel de NAVO als de
EU, maar in toenemende mate projecten uitvoert die mede met Europees geld worden gefinancierd,
zoals via het Europees Defensiefonds. Hoe verhoudt het Nederlandse lidmaatschap van
OCCAR zich tot de ambities van het Witboek Europese Defensiegereedheid 2030, het EDIP
en de SAFE-verordening? Ziet de regering een risico dat de verschillende kaders langs
elkaar heen werken, en hoe borgt zij onderlinge samenhang? Deze leden vragen voorts
of de regering verwacht dat de samenwerking tussen OCCAR en de Europese Commissie
de komende jaren verder zal worden geïnstitutionaliseerd.
De leden van de PVV-fractie lezen dat OCCAR losstaat van zowel de NAVO als de EU,
maar constateren tevens dat OCCAR inmiddels ook projecten uitvoert die mede worden
gefinancierd vanuit Europese fondsen, waaronder het Europees Defensiefonds. Deze leden
constateren voorts dat zowel de NAVO als de Europese Unie inzetten op gezamenlijke
aanschaf, standaardisatie en interoperabiliteit van defensiematerieel. Kan de regering
toelichten welke concrete meerwaarde OCCAR biedt boven bestaande NAVO-samenwerking?
Waarom zijn de door de regering genoemde doelstellingen niet reeds binnen NAVO-verband
te realiseren? Hoe voorkomt de regering dat OCCAR in de praktijk steeds meer gaat
functioneren als uitvoeringsorganisatie voor Europese defensieplannen? Hoewel OCCAR
formeel geen instelling van de Europese Unie is: kan de regering uitsluiten dat OCCAR
in de toekomst wordt gebruikt als route naar verdere Europese defensie-integratie
of een Europese Defensie-Unie?
2.4 Nederlandse defensie-industrie
De leden van de D66-fractie zijn van mening dat het instrument van industriële participatie
van groot belang is voor de positie van Nederlandse bedrijven in de toeleveringsketen
van buitenlandse leveranciers. Overwegende dat bij OCCAR de rol van industriële participatie
beperkt, dan wel afwezig, is, vragen deze leden hoe de regering van plan is dit instrument
wel te implementeren om de positie van de Nederlandse industrie te borgen.
De leden van de PRO-fractie achten het loslaten van de terughoudendheid ten aanzien
van de global balance-systematiek een noodzakelijke stap in de verdere Europese integratie.
Wel vragen deze leden de regering nader te onderbouwen waarom de eerdere zorgen over
de gevolgen van deze systematiek voor de nationale defensie-industrie thans niet langer
opwegen tegen de voordelen. Voorts vragen deze leden op welke wijze de Ministeries
van Defensie en van Economische Zaken concreet gaan bevorderen dat juist Nederlandse
toeleveranciers, en niet alleen de grotere Original Equipment Manufacturers (OEM’s)
toegang krijgen tot internationale toeleveringsketens.
De aan het lidmaatschap verbonden global balance laat zich evenwel lastig controleren,
nu OCCAR hierover uitsluitend vertrouwelijk aan de lidstaten rapporteert. De leden
van de PRO-fractie vragen daarom op welke wijze de Kamer de resultaten van het lidmaatschap
kan beoordelen, gegeven het vertrouwelijke karakter van deze rapportages. Is de regering
bereid de Kamer hierover periodiek en openbaar te informeren?
Deze leden vragen voorts wat de huidige stand van zaken is ten aanzien van het streven
om ten minste 40 procent van de defensieaankopen en -productie gezamenlijk met Europese
partners te doen, en om 50 procent in te kopen bij Nederlandse en Europese ondernemers.
Deze leden vragen daarbij welke concrete bijdrage de regering van het OCCAR-lidmaatschap
verwacht aan het bereiken van deze percentages, en op welke termijn.
De leden van de PVV-fractie merken op dat nationale industriële belangen binnen internationale
defensiesamenwerking nog altijd een grote rol spelen. Recente problemen rond het Frans-Duits-Spaanse
gevechtsvliegtuigprogramma FCAS laten zien dat deelnemende landen in de praktijk vaak
vasthouden aan nationale belangen, werkverdeling en industriële zeggenschap. Waarom
is de regering van oordeel dat het Nederlandse bedrijfsleven binnen OCCAR niet het
risico loopt te worden overvleugeld door de aanzienlijk grotere defensie-industrieën
van landen als Frankrijk, Duitsland, Italië en het Verenigd Koninkrijk?
De leden van de PVV-fractie lezen dat industriële participatie niet van toepassing
is op OCCAR-projecten. Welke gevolgen heeft dit voor de bescherming en versterking
van de Nederlandse defensie-industrie? Kan de regering tevens aangeven hoeveel opdrachten
Nederlandse bedrijven tot nu toe hebben ontvangen binnen OCCAR-projecten waarbij Nederland
als samenwerkingspartner betrokken was, welke bedrijven daarbij betrokken zijn geweest
en welk aandeel deze opdrachten vormden van de totale projectwaarde?
De regering schrijft dat het lidmaatschap Nederlandse bedrijven eerder in contact
kan brengen met OCCAR en buitenlandse toeleveringsketens. De leden van de CDA-fractie
vragen hoe de regering dit concreet gaat organiseren. Komen er bijvoorbeeld bijeenkomsten,
loketten of gerichte ondersteuning voor bedrijven? Hoe wordt het mkb hierbij betrokken?
Veel Nederlandse bedrijven leveren onderdelen, software of kennis, maar zijn geen
grote hoofdaannemer. Hoe voorkomt de regering dat alleen grote bedrijven profiteren
van OCCAR?
Kan de regering toezeggen de Kamer vooraf te informeren wanneer er wordt overwogen
een groot materieelproject via OCCAR te laten verlopen, inclusief een overzicht van
de effecten op de Nederlandse industrie, de risico’s voor strategische autonomie en
de gevolgen voor toeleveranciers, zo vragen de leden van de JA21-fractie.
Tevens vragen de leden van de JA21-fractie of de regering kan aangeven hoe wordt voorkomen
dat snelheid en schaalvoordeel bij gezamenlijke aanbestedingen ten koste gaan van
nationale industriële capaciteit en strategische autonomie.
Hoe beoordeelt de regering het risico dat Nederlandse private defensiebedrijven binnen
OCCAR moeten concurreren met buitenlandse bedrijven die direct of indirect door hun
staat worden gesteund? Kortom, hoe garandeert de regering een gelijkwaardig speelveld
van Nederlandse bedrijven ten opzichte van buitenlandse bedrijven, zo vragen de leden
van de JA21-fractie.
2.5 OCCAR-projecten met Nederlandse betrokkenheid
De leden van de PVV-fractie lezen dat Nederland reeds samenwerkt met OCCAR bij verschillende
projecten, waaronder de Boxer-pantservoertuigen en de MRTT-tankvliegtuigen. Welke concrete voordelen verwacht de regering van
een volwaardig OCCAR-lidmaatschap die Nederland niet reeds geniet via de huidige samenwerking
met OCCAR? Kan de regering daarbij tevens toelichten waarom deze aanvullende voordelen
opwegen tegen de geraamde netto lidmaatschapskosten van circa € 1,5 miljoen per jaar?
Welke besparingen verwacht de regering daartegenover te realiseren ten opzichte van
de huidige situatie als samenwerkingspartner?
De leden van de PVV-fractie vragen of de regering per huidig OCCAR-project kan aangeven
of het project binnen planning en budget verloopt. Kan de regering tevens aangeven
welke lessen zijn getrokken uit projecten waarbij sprake was van vertraging, kostenstijging
of bestuurlijke complexiteit? Hoe voorkomt de regering dat deelname aan OCCAR leidt
tot extra internationale bureaucratie, aanvullende bestuurlijke lagen of vertraging
in de materieelverwerving?
2.6 Nederland en OCCAR
De regering stelt dat Nederland na toetreding de mogelijkheden van OCCAR actief zal
benutten, maar dat het nog niet mogelijk is concrete projecten te noemen. De leden
van de CDA-fractie vragen of de regering wel kan aangeven welke capaciteitsgebieden
kansrijk zijn voor toekomstige OCCAR-samenwerking.
2.7 Financiële aspecten
De leden van de PRO-fractie vragen zich af of de geraamde netto lidmaatschapskosten
van circa € 1,5 miljoen per jaar als stabiel kunnen worden beschouwd of dat deze kunnen
oplopen, bijvoorbeeld naarmate OCCAR meer projecten gaat beheren.
De leden van de PVV-fractie lezen dat lidstaten binnen OCCAR niet alleen financiële
middelen beschikbaar stellen, maar dat OCCAR ook een belangrijke rol vervult bij het
beheer van complexe materieelprojecten. Welke onderdelen van het projectmanagement
worden in dat geval door OCCAR uitgevoerd in plaats van door Nederland? Welke gevolgen
heeft dit voor de Nederlandse regie op kosten, planning en projectuitvoering?
Kan de regering aangeven welk aandeel van de financiële bijdragen van Nederland naar
verwachting terugvloeit naar Nederlandse bedrijven? Welke concrete doelstellingen
hanteert de regering om ervoor te zorgen dat Nederlandse belastingmiddelen niet vooral
leiden tot opdrachten, werkgelegenheid en technologische ontwikkeling in andere landen?
De leden van de CDA-fractie vragen hoe financiële risico’s bij OCCAR-projecten worden
verdeeld. Wie draagt de kosten bij vertraging, tegenvallende ontwikkeling of hogere
productieprijzen?
3. Het OCCAR-verdrag
3.2 Algemene organisatie (hoofdstuk III), de Raad van Toezicht (hoofdstuk IV), het
OCCAR-agentschap (hoofdstuk V)
De leden van de PRO-fractie constateren dat Nederland na toetreding vijf stemmen krijgt
in de Raad van Toezicht, evenveel als België, terwijl de vier oprichtende lidstaten
tien stemmen hebben en Spanje er acht heeft. Acht de regering deze stemverhouding
passend bij de Nederlandse financiële bijdrage en ambities binnen de organisatie?
Bestaat er een mechanisme om de stemverhouding in de toekomst te herzien? Voorts merken
deze leden op dat de besluitvorming in de Raad van Toezicht in beginsel op basis van
unanimiteit plaatsvindt, maar dat voor de verwerping van een voorstel tien stemmen
nodig zijn. Deze leden wijzen erop dat dit aantal hoger ligt dan het aantal stemmen
waarover verschillende individuele lidstaten, waaronder Nederland met vijf stemmen,
beschikken. Hoe verhoudt het uitgangspunt van unanimiteit zich tot deze drempel van
tien stemmen voor verwerping? Kan de regering daarnaast verduidelijken op welke categorieën
het unanimiteitsvereiste van toepassing is en op welke de afwijkende stemprocedures
uit Bijlage IV gelden?
Voorts lezen de leden van de PRO-fractie dat OCCAR van de lidstaten verwacht dat zij
personeel beschikbaar stellen voor projectdirecties, werkcomités en accountantscapaciteit.
Gelet op de in de memorie genoemde krapte in het Nederlandse «voorzien in»-proces
vragen deze leden of Defensie over voldoende gekwalificeerd personeel beschikt om
aan deze verplichtingen te voldoen, zonder dat dit ten koste gaat van de bestaande
verwervingscapaciteit.
De leden van de PVV-fractie lezen dat Nederland in de Raad van Toezicht vijf stemmen
krijgt, net als België, terwijl Duitsland, Frankrijk, Italië en het Verenigd Koninkrijk
ieder tien stemmen hebben en Spanje acht stemmen heeft. Kan de regering toelichten
op basis van welke criteria deze stemverhouding is vastgesteld? Waarom acht de regering
vijf stemmen voldoende om Nederlandse belangen effectief te beschermen, mede gelet
op de omvang van de Nederlandse defensiebegroting, krijgsmacht en defensie-industrie?
3.3 Verwervingsbeginselen
De leden van de PRO-fractie stellen vast dat op de gunning van contracten door OCCAR
niet de Aanbestedingswet op Defensie- en Veiligheidsgebied van toepassing is, maar
de eigen OCCAR-procedureregels, die meer ruimte bieden voor rechtstreekse gunning
dan de Europese aanbestedingsregels. Deze leden hechten aan een doelmatige en transparante
besteding van publieke middelen en wijzen erop dat de Algemene Rekenkamer het inkoopbeheer
bij Defensie al meerdere jaren als onvolkomenheid aanmerkt. Tegen die achtergrond
vragen deze leden hoe de regering de doelmatigheid en rechtmatigheid van bestedingen
borgt nu de gebruikelijke aanbestedingswaarborgen niet gelden, en op welke wijze toezicht
wordt gehouden op afwijkingen van het uitgangspunt van concurrentiestelling binnen
de OCCAR-procedure. Deze leden vragen voorts of de regering kan toelichten hoe de
OCCAR-verwervingsregels zich verhouden tot de geconstateerde tekortkomingen.
De leden van de PVV-fractie lezen dat lidstaten zelf besluiten of zij deelnemen aan
specifieke OCCAR-projecten. Kan de regering bevestigen dat Nederland ook na toetreding
volledig zelfstandig blijft bepalen welk materieel wordt aangeschaft, via welke route
dat gebeurt en of Nederland wel of niet aan een OCCAR-project deelneemt?
De leden van de PVV-fractie constateren dat OCCAR eigen aanbestedingsregels hanteert.
Kan de regering toelichten op welke wijze wordt gewaarborgd dat Nederlandse bedrijven
daadwerkelijk kunnen meedingen naar opdrachten binnen OCCAR-projecten? Hoeveel van
de totale opdrachtwaarde binnen OCCAR-projecten is de afgelopen jaren terechtgekomen
bij bedrijven uit respectievelijk Frankrijk, Duitsland, Italië, het Verenigd Koninkrijk,
Spanje, België en Nederland?
De leden van de CDA-fractie lezen dat de Aanbestedingswet op defensie- en veiligheidsgebied
niet van toepassing is op OCCAR-aanbestedingen. Onder de OCCAR-procedure bestaat bovendien
meer ruimte voor rechtstreekse gunning dan onder Europese aanbestedingsregels. De
leden van de CDA-fractie vragen welke waarborgen er bestaan voor transparantie, gelijke
behandeling en controleerbaarheid. Hoe wordt voorkomen dat rechtstreekse gunning vooral
ten goede komt aan grote gevestigde bedrijven? Kan de regering aangeven hoe Nederlandse
bedrijven tijdig kennisnemen van OCCAR-opdrachten? Welke rol spelen de Ministeries
van Defensie en van Economische Zaken bij het actief onder de aandacht brengen van
kansen voor Nederlandse bedrijven, en dan met name mkb-bedrijven?
De leden van de JA21-fractie vragen welke criteria de regering zal hanteren om te
bepalen of een materieelproject via OCCAR wordt ondergebracht, nationaal wordt aanbesteed
of via een ander internationaal samenwerkingsverband loopt.
3.10 Verslagen en accountantscontroles (hoofdstuk XIII)
De leden van de PRO-fractie lezen dat de externe controle op OCCAR-projecten wordt
uitgevoerd door de nationale accountants, die daartoe informatie kunnen opvragen over
projecten waaraan hun lidstaat deelneemt, maar dat deze accountants verplicht zijn
vooraf onderling en met de Directeur van OCCAR overleg te plegen over hun controleactiviteiten.
Deze leden hechten groot belang aan onafhankelijke controle op de besteding van defensiemiddelen,
te meer nu de Algemene Rekenkamer bij Defensie tekortkomingen in het frauderisicobeheer
heeft vastgesteld en het inkoopbeheer nog altijd niet als op orde beoordeelt. Tegen
die achtergrond vragen deze leden of de toegang van de Rekenkamer tot informatie over
OCCAR-projecten voldoende is geborgd en of de verplichting tot voorafgaand overleg
de onafhankelijkheid of reikwijdte van de controle beperkt. Voorts vragen deze leden
hoe de in artikel 46 neergelegde verplichting tot samenwerking ter voorkoming van
fraude zich verhoudt tot de door de Rekenkamer gesignaleerde tekortkomingen.
3.12 Slotbepalingen (hoofdstuk XV)
De leden van de PRO-fractie merken op dat wijzigingen van het OCCAR-Verdrag zelf parlementaire
goedkeuring behoeven, maar dat wijzigingen van de bijlagen als uitvoerend van aard
worden aangemerkt en in de regel geen goedkeuring van de Staten-Generaal vereisen,
tenzij deze zich dat recht voorbehouden. Deze leden vragen welke categorieën besluiten
langs deze weg buiten de Kamer om kunnen worden gewijzigd en hoe ingrijpend dergelijke
wijzigingen kunnen zijn. Op welke wijze wordt de Kamer over voorgenomen of doorgevoerde
wijzigingen van de bijlagen geïnformeerd?
De leden van de PVV-fractie lezen dat opzegging van het OCCAR-lidmaatschap mogelijk
is, maar dat bepaalde verplichtingen blijven doorlopen. Kan de regering nader toelichten
welke financiële, juridische en operationele verplichtingen voor Nederland blijven
bestaan indien een toekomstige regering besluit het OCCAR-lidmaatschap op te zeggen?
4. Het OCCAR-beveiligingsverdrag
4.1 Algemeen en doelstelling
De leden van de CDA-fractie lezen dat toetreding tot het OCCAR-Verdrag alleen mogelijk
is als Nederland ook toetreedt tot het OCCAR-Beveiligingsverdrag. Deze leden vragen of de regering kan aangeven of Nederland volledig
voldoet aan alle verplichtingen uit dit beveiligingsverdrag. Zijn er aanpassingen
nodig in Nederlandse procedures, systemen of personele capaciteit om deze verplichtingen
goed uit te voeren?
4.2.2 Beveiligingseisen
De leden van de PVV-fractie lezen dat binnen OCCAR gerubriceerde informatie wordt
uitgewisseld en dat hiervoor specifieke beveiligingsvoorschriften gelden. Kan de regering
bevestigen dat Nederland te allen tijde zelfstandig blijft bepalen welke nationale
informatie wel en niet binnen OCCAR-verband wordt gedeeld?
4.2.4 Equivalente rubriceringsniveaus lidstaten
De leden van de PRO-fractie lezen dat OCCAR geen equivalent kent voor de Nederlandse
rubricering Stg. ZEER GEHEIM en dat dergelijke informatie niet binnen OCCAR-verband
mag worden gedeeld. Kan de regering toelichten of dit in de praktijk beperkingen oplevert
voor de Nederlandse deelname aan de meest gevoelige projecten?
De leden van de PVV-fractie lezen dat toetreding tot OCCAR tevens toetreding tot het
OCCAR-Beveiligingsverdrag vereist. Kan de regering toelichten welke Nederlandse gerubriceerde
informatie in de praktijk binnen OCCAR-projecten kan worden gedeeld met andere deelnemende
landen? Welke waarborgen bestaan om te voorkomen dat gevoelige Nederlandse militaire
kennis, technologie of bedrijfsinformatie ongewenst terechtkomt bij buitenlandse overheden
of bedrijven?
De voorzitter van de commissie, Paternotte
De adjunct-griffier van de commissie, Manten
Ondertekenaars
-
Eerste ondertekenaar
J.M. Paternotte, voorzitter van de vaste commissie voor Defensie -
Mede ondertekenaar
N.E. Manten, adjunct-griffier
Gerelateerde documenten
Hier vindt u documenten die gerelateerd zijn aan bovenstaand Kamerstuk.