Inbreng verslag schriftelijk overleg : inbreng verslag schriftelijk overleg over Inzet van Nederland voor de 79e jaarvergadering van de WHO (Kamerstuk 36800-XVI-192)
2026D30938 INBRENG VERSLAG VAN EEN SCHRIFTELIJK OVERLEG
In de vaste commissie voor Volksgezondheid, Welzijn en Sport bestond bij enkele fracties
behoefte een aantal vragen en opmerkingen voor te leggen aan de Minister van Volksgezondheid,
Welzijn en Sport over de brief d.d. 11 mei 2026 inzake Inzet van Nederland voor de
79e jaarvergadering van de WHO (Kamerstuk 36 800 XVI, nr. 192).
De voorzitter van de commissie,
Mohandis
Adjunct-griffier van de commissie,
Sjerp
Inhoudsopgave
I.
Vragen en opmerkingen vanuit de fracties
Vragen en opmerkingen van de leden van de D66-fractie
Vragen en opmerkingen van de leden van de VVD-fractie
Vragen en opmerkingen van de leden van de PVV-fractie
Vragen en opmerkingen van de leden van de CDA-fractie
Vragen en opmerkingen van de leden van de FVD-fractie
Vragen en opmerkingen van de leden van de BBB-fractie
Vragen en opmerkingen van de leden van de PvdD-fractie
Vragen en opmerkingen van de leden van de Groep Markuszower
II.
Reactie van de Minister
I. Vragen en opmerkingen vanuit de fracties
Vragen en opmerkingen van de leden van de D66-fractie
De leden van de D66-fractie hebben kennisgenomen van de inzet van Nederland bij de
79e jaarvergadering van de WHO.
De leden van de D66-fractie onderschrijven het belang van een sterke, onafhankelijke
en slagvaardige Wereldgezondheidsorganisatie (WHO) en steunen de inzet van het kabinet
op versterking van de mondiale gezondheidsarchitectuur. Daarbij hechten deze leden
in het bijzonder aan het waarborgen van goede toegang tot primaire gezondheidszorg
en aan de bescherming en bevordering van seksuele en reproductieve gezondheid en rechten
(SRGR). Kan de Minister nader toelichten hoe het zich er binnen de WHO en in Europees
verband voor zal inzetten dat SRGR een prominente plaats behoudt binnen de hervormingen
van de mondiale gezondheidsarchitectuur?
Voorts onderschrijven de leden van de D66-fractie het belang van internationale samenwerking
bij de aanpak van antimicrobiële resistentie (AMR). Deze leden verwelkomen daarom
de behandeling van het actieplan inzake AMR tijdens de World Health Assembly (WHA).
Kan de Minister toelichten welke concrete prioriteiten Nederland tijdens de implementatie
van dit actieplan wil bevorderen?
Ten aanzien van het pandemieverdrag constateren de leden van de D66-fractie dat er
nog geen overeenstemming is bereikt over de bijlage over het Pathogen Access and Benefit
Sharing-mechanisme. Deze leden vernemen graag hoe de Minister de voortgang van de
onderhandelingen beoordeelt en welke inzet Nederland zal plegen om te komen tot een
tijdige afronding van het verdrag.
Vragen en opmerkingen van de leden van de VVD-fractie
De leden van de VVD-fractie hebben kennisgenomen van de brief van de Minister over
de inzet van Nederland bij de 79e World Health Assembly. Deze leden zijn verheugd met de deelname van de Minister,
maar zij hebben echter nog een enkele vraag.
De leden van de VVD-fractie lezen dat de onderhandelingen over de bijlage van het
Pandemieverdrag uitgesteld zijn, met als nieuwe deadline 2027. Kan de Minister aangeven
of zij verwacht dat deze deadline wel haalbaar zal zijn?
Vragen en opmerkingen van de leden van de PVV-fractie
De leden van de PVV-fractie hebben kennisgenomen van de brief van de Minister over
de inzet van Nederland voor de 79e jaarvergadering van de Wereldgezondheidsorganisatie, de World Health Assembly. Deze
leden hebben hierover nog enkele vragen en opmerkingen.
De leden van de PVV-fractie constateren dat het kabinet in de brief opnieuw veel vertrouwen
uitspreekt in internationale gezondheidsstructuren, de Wereldgezondheidsorganisatie
en afstemming binnen de Europese Unie. Deze leden constateren dat de WHO door het
kabinet wordt omschreven als een centrale, technische, normerende en coördinerende
actor binnen de mondiale gezondheidsarchitectuur. Deze leden vragen de Minister te
bevestigen dat volksgezondheid, de inrichting van het Nederlandse zorgstelsel, medische
keuzevrijheid, grondrechten, privacy, toegang tot geneesmiddelen en nationale pandemiemaatregelen
uiteindelijk onder nationale democratische controle moeten blijven vallen. Zij vragen
te bevestigen dat de WHO geen bevoegdheid mag krijgen om Nederland rechtstreeks of
indirect te binden aan beleid dat niet vooraf democratisch door de Kamer is gelegitimeerd.
De leden van de PVV-fractie vragen de Minister tevens waarom het kabinet de WHO nadrukkelijk
als «normerende» actor omschrijft. Deze leden vragen de Minister waar volgens haar
de grens ligt tussen technische advisering door de WHO en normstelling die in de praktijk
richtinggevend wordt voor nationaal beleid. Zij vragen de Minister aan te geven welke
WHO-normen, resoluties, richtlijnen of afspraken op dit moment doorwerken in Nederlands
beleid en op welke wijze de Kamer daar vooraf invloed op heeft gehad.
Ook constateren de leden van de PVV-fractie dat de Nederlandse inbreng in WHO-verband
zoveel mogelijk plaatsvindt in afstemming met andere lidstaten van de Europese Unie
en dat de EU waar mogelijk met één stem spreekt. Deze leden vragen de Minister wat
er in zo’n geval nog overblijft van een herkenbare soevereine Nederlandse positie.
Kan de Minister aangeven welke onderdelen van de inzet specifiek Nederlands zijn en
op welke punten Nederland bereid is af te wijken van een EU-lijn wanneer nationale
belangen, nationale bevoegdheden of parlementaire zeggenschap in het geding zijn?
De leden van de PVV-fractie vragen de Minister voorts of zij bereid is om voorafgaand
aan toekomstige WHO-vergaderingen steeds expliciet aan de Kamer te melden wat de Nederlandse
rode lijnen zijn, wat de EU-inzet is, waar beide mogelijk verschillen en op welke
punten Nederland niet bereid is mee te bewegen met Brusselse of internationale consensusvorming.
Deze leden vragen de Minister tevens of zij bereid is om de Kamer vooraf en afzonderlijk
te informeren zodra voorstellen, resoluties, verdragen, bijlagen of uitvoeringsafspraken
in WHO-verband gevolgen kunnen hebben voor nationale bevoegdheden, medische producten,
gezondheidsdata, pandemiebeleid, preventiebeleid, SRGR, klimaatbeleid of de inrichting
van het Nederlandse zorgstelsel.
De leden van de PVV-fractie constateren dat tijdens de World Health Assembly (WHA)
een door de WHO gecoördineerd hervormingsproces voor de mondiale gezondheidsarchitectuur
aan de orde is, gericht op het verminderen van fragmentatie en duplicatie tussen mondiale
gezondheidsactoren. Deze leden begrijpen dat samenwerking nuttig kan zijn bij grensoverschrijdende
gezondheidsdreigingen, maar vragen de Minister te bevestigen dat minder versnippering
niet mag betekenen dat meer macht wordt geconcentreerd bij de WHO of andere internationale
organisaties. Zij vragen de Minister aan te geven welke waarborgen Nederland eist
om te voorkomen dat een efficiëntere mondiale gezondheidsarchitectuur leidt tot uitholling
van nationale zeggenschap.
De leden van de PVV-fractie vragen de Minister tevens waarom het kabinet voorstander
is van een centrale rol van de WHO binnen dit hervormingsproces. Deze leden vragen
of de Minister kan uitsluiten dat dit proces leidt tot nieuwe verplichtingen, nieuwe
financiële bijdragen, nieuwe rapportageplichten, nieuwe dataverplichtingen of nieuwe
beleidsmatige druk op lidstaten. Indien de Minister dit niet kan uitsluiten, vragen
deze leden de Kamer vooraf een volledig overzicht te sturen van de mogelijke gevolgen
voor Nederland.
Ook constateren de leden van de PVV-fractie dat de Nederlandse mondiale gezondheidsstrategie
leidend is bij de inzet tijdens deze WHA. Deze leden vragen de Minister hoe deze strategie
democratisch wordt begrensd wanneer deze wordt gebruikt als basis voor internationale
verplichtingen, resoluties of beleidsinzet. Zij vragen de Minister te bevestigen dat
een kabinetsstrategie nooit mag dienen als vervanging van parlementaire instemming
wanneer internationale afspraken de nationale beleidsruimte raken.
De leden van de PVV-fractie constateren dat tijdens de WHA de voortgang van de onderhandelingen
over de bijlage bij het Pandemieverdrag aan de orde komt. Deze leden vragen de Minister
te bevestigen dat Nederland op geen enkele wijze zal instemmen met onderdelen van
het Pandemieverdrag, de bijlagen of uitwerkingen daarvan die de nationale bevoegdheid
beperken om zelf te beslissen over pandemiemaatregelen, quarantainebeleid, vaccinatiebeleid,
toegang tot medische producten, inzet van digitale middelen of datadeling. Zij vragen
de Minister dit ondubbelzinnig te bevestigen.
De leden van de PVV-fractie vragen de Minister tevens waarom de Kamer pas na afronding
en vaststelling van het gehele verdrag via de uitdrukkelijke goedkeuringsprocedure
een oordeel krijgt, terwijl de politieke en juridische inhoud in de onderhandelingen
daar voorafgaand al grotendeels wordt vastgelegd. Deze leden vragen de Minister of
zij bereid is de Kamer niet alleen achteraf, maar ook gedurende de onderhandelingen,
volledig en tijdig te informeren over de Nederlandse inzet, de EU-inzet, de conceptteksten,
de openstaande geschilpunten en de Nederlandse rode lijnen.
Voorts constateren de leden van de PVV-fractie dat de onderhandelingen over het Pathogen
Access and Benefit Sharing-mechanisme, het zogenoemde PABS-mechanisme, nog niet zijn
afgerond. Deze leden constateren dat dit mechanisme ziet op het zonder vertraging
delen van pathogeen materiaal en genetische sequentiedata via door de WHO gecoördineerde
structuren, in ruil voor toegang tot voordelen zoals vaccins, geneesmiddelen en diagnostica.
Deze leden vragen de Minister welke waarborgen Nederland eist ten aanzien van nationale
veiligheid, gegevensbescherming, eigendom, toegang, commercieel gebruik, leveringszekerheid
en misbruik van gedeelde informatie.
De leden van de PVV-fractie vragen de Minister tevens of zij kan uitsluiten dat Nederland
via het PABS-mechanisme verplicht wordt om pathogeen materiaal, genetische sequentiedata
of andere gevoelige gezondheidsinformatie te delen op een wijze die nationale zeggenschap,
veiligheidsbelangen, privacy of intellectuele eigendomsrechten aantast. Zij vragen
de Minister ook aan te geven wie uiteindelijk beslist of dergelijke informatie wordt
gedeeld: de WHO, de EU, het kabinet, nationale instituten of de Nederlandse wetgever.
Ook vragen de leden van de PVV-fractie de Minister hoe wordt voorkomen dat Nederlandse
burgers, Nederlandse patiënten en Nederlandse zorgverleners in een toekomstige gezondheidscrisis
afhankelijk worden van internationale verdelingsmechanismen, vrijwillige deelname
van bedrijven of door de WHO gecoördineerde afspraken. Zij vragen de Minister te garanderen
dat Nederland altijd zelfstandig kan besluiten over de inzet, aankoop, productie,
voorraad en verdeling van vaccins, geneesmiddelen, diagnostica en medische hulpmiddelen.
De leden van de PVV-fractie constateren dat het kabinet inzet op een sterke, onafhankelijke
en slagkrachtige WHO met voldoende financiële middelen. Deze leden vragen de Minister
wat volgens haar «voldoende financiële middelen» concreet betekent voor de Nederlandse
bijdrage. Zij vragen de Minister aan te geven of Nederland bereid is tot hogere verplichte
of vrijwillige bijdragen aan de WHO en zo ja, onder welke voorwaarden. Deze leden
vragen de Minister tevens of zij bereid is zich te verzetten tegen iedere verhoging
van Nederlandse bijdragen zolang niet volledig duidelijk is hoe de WHO wordt gecontroleerd,
hoe belangenverstrengeling wordt voorkomen en hoe invloed van private financiers wordt
begrensd.
De leden van de PVV-fractie vragen de Minister voorts hoe zij de onafhankelijkheid
van de WHO beoordeelt in het licht van financiering door staten, private partijen,
filantropische organisaties en andere belanghebbenden. Zij vragen de Minister of zij
kan aangeven welk deel van de WHO-financiering vrij besteedbaar is, welk deel geoormerkt
is en welke risico’s dit volgens het kabinet oplevert voor de onafhankelijkheid van
de organisatie. Deze leden vragen of de Minister bereid is te pleiten voor maximale
transparantie over alle financieringsstromen, belangenposities en beleidsinvloed binnen
de WHO.
Ook constateren de leden van de PVV-fractie dat klimaatverandering en gezondheid,
verduurzaming van de zorg, klimaatbestendig maken van de zorg, water en voedsel op
de WHA-agenda staan. Deze leden vragen de Minister waarom deze onderwerpen in toenemende
mate via de WHO worden behandeld. De WHO is geen klimaatministerie, geen landbouwministerie
en geen bestuurslaag boven nationale parlementen. Deze leden vragen de Minister hoe
zij voorkomt dat het gezondheidsmandaat van de WHO steeds verder wordt opgerekt naar
klimaat-, voedsel-, water- en duurzaamheidsbeleid.
De leden van de PVV-fractie vragen de Minister tevens of zij bereid is zich uit te
spreken tegen mandaatverruiming van de WHO via brede begrippen als «gezondheid», «weerbaarheid»,
«klimaatbestendige zorg» en «mondiale gezondheidsarchitectuur». Zij vragen de Minister
te bevestigen dat klimaatbeleid, voedselbeleid, landbouwbeleid en de inrichting van
de zorg in Nederland nationale democratische keuzes blijven en niet via internationale
gezondheidsfora mogen worden gestuurd.
Voorts constateren de leden van de PVV-fractie dat de brief verwijst naar de veiligheid
van gezondheidsdata. Deze leden vragen de Minister welke gezondheidsdata in WHO-verband
of via aan de WHO gekoppelde netwerken worden gedeeld, welke data mogelijk in de toekomst
gedeeld kunnen worden en onder welke juridische grondslag dat gebeurt. Zij vragen
de Minister te bevestigen dat medische gegevens van Nederlandse burgers nooit zonder
hun toestemming, zonder uitdrukkelijke wettelijke basis, zonder democratische controle
en zonder stevige privacy waarborgen in internationale systemen terecht mogen komen.
De leden van de PVV-fractie vragen de Minister tevens of zij bereid is de Kamer een
overzicht te sturen van alle bestaande en voorgenomen internationale afspraken waarbij
Nederland gezondheidsdata, pathogeendata, genetische sequentiedata, surveillancedata
of andere medische informatie deelt met of via de WHO, de EU, internationale databanken
of daaraan verbonden netwerken.
Ook constateren de leden van de PVV-fractie dat de gezondheidssituatie in Oekraïne
en de Palestijnse gebieden aan de orde komt en dat resoluties worden verwacht. Deze
leden begrijpen dat oorlog en conflict grote gevolgen kunnen hebben voor de volksgezondheid,
maar vragen de Minister hoe wordt voorkomen dat de WHO steeds verder verandert in
een geopolitiek forum onder gezondheidsvlag. Zij vragen de Minister te bevestigen
dat Nederland resoluties in WHO-verband uitsluitend beoordeelt op aantoonbare meerwaarde
voor volksgezondheid, medische noodhulp en humanitaire zorg, en niet op symbolische
of geopolitieke profilering.
De leden van de PVV-fractie constateren ten slotte dat het kabinet de Kamer na de
WHA zal informeren over de uitkomsten en bij belangrijke nieuwe ontwikkelingen tussentijds
zal informeren. Deze leden vinden dat onvoldoende concreet. Zij vragen de Minister
wat zij verstaat onder «belangrijke nieuwe ontwikkelingen». Deze leden vragen de Minister
of zij bereid is toe te zeggen dat de Kamer altijd vooraf en afzonderlijk wordt geïnformeerd
wanneer in WHO-verband afspraken, resoluties, bijlagen, actieplannen of onderhandelingsresultaten
aan de orde zijn die kunnen raken aan nationale bevoegdheden, parlementaire zeggenschap,
grondrechten, gezondheidsdata, medische producten, pandemiebeleid, klimaatbeleid,
SRGR of de inrichting van het Nederlandse zorgstelsel.
De leden van de PVV-fractie vragen de Minister of zij bereid is om bij iedere toekomstige
WHA-inzetbrief een aparte paragraaf op te nemen over soevereiniteit, democratische
controle, nationale bevoegdheden, financiële gevolgen, datadeling, EU-afstemming en
de Nederlandse rode lijnen. Deze leden ontvangen hierop graag een duidelijke toezegging.
De leden van de PVV-fractie vragen de Minister tot slot hoe zij voorkomt dat Nederland
tijdens de jaarlijkse World Health Assembly instemt met resoluties, besluiten, afspraken
of onderhandelingsmandaten die formeel niet-bindend zijn, maar in de praktijk alsnog
richtinggevend worden voor Nederlands beleid. Deze leden vinden het onaanvaardbaar
wanneer ingrijpende keuzes via internationale consensusvorming tot stand komen en
de Kamer pas wordt geïnformeerd nadat Nederland daarmee heeft ingestemd. Zij vragen
de Minister toe te zeggen dat Nederland niet zal instemmen met WHO-uitkomsten die
direct of indirect gevolgen kunnen hebben voor de Nederlandse wetgeving, beleidsvrijheid,
financiële verplichtingen of nationale autonomie, voordat de Kamer hierover afzonderlijk
is geïnformeerd en zich daarover heeft kunnen uitspreken.
Vragen en opmerkingen van de leden van de CDA-fractie
De leden van de CDA-fractie hebben met interesse kennisgenomen van de Nederlandse
inzet voor de 79e jaarvergadering van de WHO. Naar aanleiding hiervan hebben deze leden nog een enkele
aanvullende vraag.
De leden van de CDA-fractie lezen dat het kabinet inzet op het versterken van de mondiale
gezondheidsarchitectuur en het versterken van de nationale gezondheidssystemen. Deze
leden vragen het kabinet toe te lichten welke rol zij bij deze versterking van het
Nederlandse gezondheidssysteem zien weggelegd voor de WHO en specifiek op welke onderdelen
van het systeem de verwachting is dat deze versterking gaat plaatsvinden.
Vragen en opmerkingen van de leden van de FVD-fractie
De leden van de FVD-fractie hebben kennisgenomen van de brief van Minister Hermans
d.d. 11 mei 2026, getiteld «Inzet van Nederland voor de 79e jaarvergadering van de WHO» (Kamerstuk 36 800 XVI-192) en hebben naar aanleiding hiervan de volgende vragen.
Naar aanleiding van 1. Parlementaire borging bij de uitkomsten van het WHO-hervormingsproces.
Nederland heeft bij de WHA79 ingestemd met een hervormingsproces voor de mondiale
gezondheidsarchitectuur dat loopt van juni 2026 tot mei 2027, en dat concrete voorstellen
moet opleveren voor behandeling bij de WHA80. De resolutie kwalificeert dit proces
uitdrukkelijk als consultatief. Daarmee is echter slechts de juridische aard van het
proces bepaald, niet die van de uitkomsten.
De leden van de FVD-fractie wijzen erop dat de voorstellen die dit proces oplevert
bij de WHA80 in beginsel de vorm kunnen aannemen van regulations in de zin van artikel
21 van de WHO-Constitutie, die op grond van artikel 22 automatisch bindend worden
voor Nederland tenzij tijdig een voorbehoud wordt ingediend. De consultatieve aard
van het proces biedt daartegen geen enkele bescherming.
De leden van de FVD-fractie vragen de Minister welk concreet mechanisme – en met welke
wettelijke verankering – waarborgt dat de Kamer tijdig en reëel betrokken wordt bij
de beoordeling van de WHA80-voorstellen, voordat Nederland daarover stemt. En kan
de Minister met zoveel woorden uitsluiten dat de uitkomsten van dit hervormingsproces
geheel of gedeeltelijk de vorm zullen aannemen van artikel 21-regulations, waardoor
zij bindend zouden worden voor Nederland?
Naar aanleiding van 2. Voorwaarden voor Nederlandse ondertekening van het pandemieverdrag.
De PABS-bijlage bij het pandemieverdrag is nog niet tot stand gekomen, na acht onderhandelingsronden
is nog geen overeenstemming bereikt. Op grond van artikel 31, lid 2 van het verdrag
kan het verdrag pas voor ondertekening en ratificatie worden opengesteld nadat deze
bijlage is vastgesteld. Nederland bevindt zich daarmee nu op het moment van de laatst
overgebleven onderhandelingsruimte.
De leden van de FVD-fractie vragen de Minister welke concrete voorwaarden het kabinet
hanteert in de PABS-onderhandelingen. In het bijzonder ten aanzien van de reikwijdte
van de verplichting tot het delen van pathogenen en genetische sequentiedata, de zeggenschap
over dat materiaal na overdracht, en eventuele verplichtingen die doorwerken in de
Nederlandse rechtsorde of die van Nederlandse instellingen. En welke uitkomst in de
PABS-onderhandelingen zou voor het kabinet reden zijn het verdrag niet te ondertekenen?
Naar aanleiding van 3. Juridische verankering van nationale beslissingsautonomie.
De leden van de FVD-fractie vragen de Minister welke juridisch afdwingbare waarborg
– niet een politieke toezegging van dit kabinet, maar een in nationale of internationale
regelgeving verankerd mechanisme – garandeert dat Nederland bij een volgende PHEIC
daadwerkelijk zelfstandig en op eigen (wetenschappelijke) gronden kan besluiten af
te wijken van WHO-aanbevelingen, zonder formele of informele consequenties.
Naar aanleiding van 4. Uitbesteding Nederlands mandaat aan de WHO via de EU. De Minister
schrijft dat Nederland zijn inbreng afstemt met de EU en dat de EU «waar mogelijk
met één stem spreekt», en beschrijft de WHO tegelijkertijd als «normerende actor»
voor het Nederlandse gezondheidsstelsel. De leden van de FVD-fractie constateren dat
hiermee een dubbele soevereiniteitsoverdracht plaatsvindt. De Nederlandse positie
wordt eerst opgelost in een EU-consensus waarover de Kamer geen directe zeggenschap
heeft, waarna die EU-positie bijdraagt aan WHO-normen die vervolgens doorwerken in
het Nederlandse gezondheidsstelsel. Deze leden vragen de Minister op welk democratisch
mandaat berust elk van deze twee stappen afzonderlijk, en wie kan de WHO als normsteller
voor het Nederlandse gezondheidsstelsel democratisch ter verantwoording roepen.
Naar aanleiding van 5. Ongecontroleerde uitbreiding van WHO’s institutionele rol.
De Minister hanteert de Nederlandse mondiale gezondheidsstrategie als leidend kader
voor de gehele WHA-inzet. De leden van de FVD-fractie constateren dat dit een door
het kabinet vastgesteld beleidsdocument betreft dat aan de Kamer is aangeboden als
informatiebrief en waarover de Kamer nooit formeel heeft gestemd. Het kabinet legt
daarmee een vergaande internationale inzet vast op basis van een kader waaraan het
parlement geen expliciete goedkeuring heeft verleend.
De Minister kondigt bovendien aan te pleiten voor het «versterken van het vergader-
en resolutieproces van WHO’s bestuursorganen» en steunt een «centrale rol van de WHO»
in de mondiale gezondheidsarchitectuur. Genoemde leden vragen de Minister beoogt het
kabinet met dit «versterken» concreet meer beslissingsbevoegdheid toe te kennen aan
organen waarvan de leden noch democratisch gekozen zijn door, noch verantwoording
verschuldigd zijn aan, de Nederlandse burger. Zo ja, acht het kabinet het verenigbaar
met de beginselen van democratische legitimiteit om die bevoegdheidsuitbreiding na
te streven zonder dat de Kamer de mondiale gezondheidsstrategie die daaraan ten grondslag
ligt expliciet heeft goedgekeurd?
Naar aanleiding van 6. SRGR als speerpunt. De Minister noemt Seksuele en Reproductieve
Gezondheid en Rechten (SRGR) als speerpunt van de Nederlandse inzet. De leden van
de FVD-fractie constateren dat de term SRGR zijn oorsprong vindt in het ICPD-actieprogramma
van 1994 en het Beijing Platform van 1995. Documenten waarin abortus expliciet werd
uitgesloten als instrument van gezinsplanning en waarin de consensus zorgvuldig was
begrensd. In de praktijk heeft de term zich sindsdien stilzwijgend ontwikkeld tot
een kader waarbij toegang tot abortus standaard als onderdeel van reproductieve rechten
wordt beschouwd. Een uitbreiding die nooit via een expliciet nieuw mandaat door lidstaten
is bekrachtigd.
De leden van de FVD-fractie vragen de Minister op welke definitie van SRGR baseert
het kabinet zijn inzet, en gaat die definitie verder dan waarmee Nederland ooit democratisch
heeft ingestemd. Indien ja, dan wijzen deze leden erop dat de Minister dit presenteert
alsof het een vanzelfsprekende en breed gedragen waarde betreft, terwijl dit geenszins
het geval is. Over de morele en juridische status van abortus bestaat in Nederland
zelf een fundamenteel en onopgelost maatschappelijk debat. Genoemde leden vragen de
Minister waarom het kabinet ervoor kiest een onderwerp waarover de grondslagen in
eigen land ter discussie staan te verheffen tot speerpunt van Nederlands buitenlandbeleid.
Op welk democratisch mandaat berust de keuze om de Nederlandse diplomatieke positie
en financiële middelen in te zetten voor de internationale bevordering van wat in
wezen een omstreden normatief standpunt is – ook waar het landen betreft die abortus
uitdrukkelijk afwijzen?
Naar aanleiding van 7. Commerciële belangen versus volksgezondheidbelangen. De Minister
noemt als argument voor WHO-betrokkenheid de commerciële kansen voor de Nederlandse
Life Sciences and Health sector. De leden van de FVD-fractie vragen de Minister te
verduidelijken in hoeverre de Nederlandse WHO-inzet mede wordt bepaald door de belangen
van deze sector. En welke waarborgen bestaan er om te voorkomen dat commerciële belangen
van farmaceutische bedrijven de volksgezondheidbelangen van Nederlandse burgers verdringen?
Naar aanleiding van 8. WHO-mandaataanbreiding naar beleidsthema Klimaat. De Minister
meldt dat de WHA vorig jaar een actieplan op het gebied van klimaatverandering en
gezondheid heeft aangenomen, en dat de uitwerking hiervan de komende jaren periodiek
terugkeert op de WHA-agenda. De leden van de FVD-fractie constateren dat de WHO hiermee
structureel en langdurig een rol opeist op een beleidsterrein, klimaatbeleid, dat
buiten haar oorspronkelijke constitutionele mandaat valt en waarvoor andere internationale
kaders bestaan. Deze leden delen bovendien de aan dit actieplan ten grondslag liggende
aanname dat klimaatverandering een urgente en dominante bedreiging vormt voor de volksgezondheid,
niet.
Genoemde leden vragen de Minister op welke grond acht het kabinet het wenselijk dat
de WHO zich structureel mengt in het klimaatdebat. Hoe verhoudt dit zich tot haar
constitutionele mandaat, en is het kabinet bereid zich te verzetten tegen een verdere
verbreding van de WHO-agenda naar terreinen die buiten haar kernbevoegdheid vallen?
Te meer nu die verbreding gepaard gaat met een beroep op «voldoende financiële middelen»
waaraan Nederland geacht wordt bij te dragen.
Naar aanleiding van 9. WHO als geopolitiek forum. De leden van de FVD-fractie constateren
dat de WHA resoluties aanneemt over lopende gewapende conflicten, waarbij bovendien
specifieke landen als agressor worden aangewezen, en dat Nederland deze resoluties
steunt. De leden van de FVD-fractie zijn van mening dat, voor zover de WHO al een
rol toekomt in conflictzones, die rol beperkt dient te blijven tot directe gezondheidszorg
aan de getroffen bevolking, en dat het innemen van geopolitieke posities via formele
resoluties daar fundamenteel buiten valt. Beschouwt het kabinet het als de taak van
de WHO om door middel van resoluties politieke oordelen te vellen over lopende gewapende
conflicten, en zo ja, op welke grondslag in de WHO-constitutie baseert het kabinet
dat standpunt?
Vragen en opmerkingen van de leden van de BBB-fractie
De leden van de BBB-fractie hebben de inzet van Nederland voor de 79e jaarvergadering van de WHO gelezen en hebben daarover vooralsnog geen vragen over
opmerkingen.
Vragen en opmerkingen van de leden van de PvdD-fractie
De leden van de PvdD-fractie vragen opnieuw aandacht voor de gezaghebbende recente
oproep en het bijbehorende rapport van de Pan-Europese Commissie voor Klimaat en Gezondheid
van de Wereldgezondheidsorganisatie (WHO)1. Genoemde leden vinden het goed om te zien dat het «adresseren van de impact van
klimaatverandering op de volksgezondheid» onderdeel is van de Nederlandse mondiale
gezondheidsstrategie, die de basis vormt voor de Nederlandse inzet tijdens de jaarvergadering
van de WHO. Deze leden constateren echter dat de brief van de Minister van 11 mei
2026 aan de Kamer, waarin zij haar inzet voor de jaarvergadering toelicht, op dit
onderdeel summier is. Hoe weegt de Minister de recente oproep en het rapport van bovengenoemde
WHO-commissie, waarin klimaatverandering wordt aangemerkt als een «catastrofale bedreiging
voor de volksgezondheid» in dit licht? Deelt de Minister die conclusies en zo nee,
op welke wetenschappelijke inzichten baseert zij zich dan? Deelt de Minister de stelling
van de commissie dat de klimaatcrisis niet langer kan worden beschouwd als een toekomstig
probleem, maar als een acute gezondheidscrisis en veiligheidsdreiging? En op welke
manier neemt zij deze stellingen mee in haar inzet richting de jaarvergadering van
de WHO?
De leden van de PvdD-fractie constateren dat de WHO een actieplan op het gebied van
klimaatverandering en gezondheid heeft aangenomen, en de uitwerking hiervan periodiek
terugkomt op de jaarvergadering van de WHO. Deelt de Minister de mening dat dit onderwerp
topprioriteit verdient tijdens de jaarvergadering (in plaats van als derde en laatste
onderdeel van de Nederlandse inzet), gezien de recente urgente oproep van de bovengenoemde
WHO-commissie en de catastrofale gevolgen van de klimaatcrisis voor de volksgezondheid?
De leden van de PvdD-fractie constateerden eerder dat de bovengenoemde commissie zich
in het bijzonder richt op Europese landen en regeringen. Is de Minister bereid om
samen met wat andere Europese landen op te trekken tijdens de komende jaarvergadering,
om opvolging te geven aan de 17 aanbevelingen van de commissie? Is de Minister bereid
om daar, conform de aanbevelingen, als Ministers van Volksgezondheid een «gecoördineerd
internationaal antwoord» op te geven? Tot slot vragen genoemde leden nogmaals hoe
het kabinet kijkt naar de 17 aanbevelingen uit het rapport van de commissie. Is de
Minister bereid een kabinetsappreciatie te geven op deze aanbevelingen?
Deze leden vragen de Minister nadrukkelijk om alle bovengestelde vragen zo uitgebreid
mogelijk te beantwoorden, omdat de ervaring leert dat sommige vragen soms over het
hoofd worden gezien.
Vragen en opmerkingen van de leden van de Groep Markuszower
De leden van de Groep Markuszower hebben met interesse kennisgenomen van de voorliggende
stukken en wachten de beantwoording van de Minister met belangstelling af.
II. Reactie van de Minister
Ondertekenaars
-
Eerste ondertekenaar
M. Mohandis, voorzitter van de vaste commissie voor Volksgezondheid, Welzijn en Sport -
Mede ondertekenaar
E.M. Sjerp, adjunct-griffier
Gerelateerde documenten
Hier vindt u documenten die gerelateerd zijn aan bovenstaand Kamerstuk.