Verslag (initiatief)wetsvoorstel (nader) : Verslag
36 926 Wijziging van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek en enkele andere wetten in verband met het wijzigen van de re-integratieverplichtingen in het tweede ziektejaar van werknemers bij kleine en middelgrote werkgevers
Nr. 6
VERSLAG
Vastgesteld 15 juni 2026
De vaste commissie voor Sociale Zaken en Werkgelegenheid, belast met het voorbereidend
onderzoek van voorliggend wetsvoorstel, heeft de eer als volgt verslag uit te brengen
van haar bevindingen.
Onder het voorbehoud dat de in het verslag opgenomen vragen en opmerkingen afdoende
door de regering worden beantwoord acht de commissie de openbare behandeling van het
wetsvoorstel voldoende voorbereid.
Inhoudsopgave
I.
Algemeen
1
1.
Inleiding en doel
2
2.
Aanleiding en samenhang arbeidsmarktpakket
5
3.
Hoofdlijnen van het wetsvoorstel
6
4.
Gevolgen en regeldruk
13
5.
Financiële effecten
16
6.
Gegevensdeling
16
7.
Doelmatigheid en doeltreffendheid
16
8.
Evaluatie en monitoring
18
9.
Advies en consultatie
18
10.
Overgangsrecht
20
II
Artikelsgewijs
20
I Algemeen
De leden van de D66-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van het wetsvoorstel en de memorie van toelichting.
De leden van de VVD-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van het wetsvoorstel tot wijziging van de
re-integratieverplichtingen in het tweede ziektejaar van werknemers bij kleine en
middelgrote werkgevers.
De leden van de PRO-fractie hebben kennisgenomen van het wetsvoorstel. Deze leden hebben hier op meerdere punten
vragen over.
De leden van de PVV-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van het voorliggende wetsvoorstel. Deze leden
benadrukken dat het midden- en kleinbedrijf (mkb) de ruggengraat vormt van de Nederlandse
economie. Voor veel kleine ondernemers vormt langdurige ziekte van personeel een grote
financiële en organisatorische belasting. Deze leden begrijpen daarom de wens van
de regering om de wendbaarheid van kleine en middelgrote werkgevers te vergroten.
Tegelijkertijd vragen deze leden zich af of dit wetsvoorstel daadwerkelijk de kern
van het probleem aanpakt. Deze leden hebben daarom nog verschillende vragen.
De leden van de CDA-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van het wetsvoorstel. Deze leden onderschrijven
het belang om werkgeverschap aantrekkelijker en werkbaarder te maken, zeker voor kleine
en middelgrote werkgevers. Tegelijk achten deze leden het van belang dat zieke werknemers
voldoende perspectief houden op herstel en duurzame terugkeer naar werk, en dat de
uitvoering door UWV verantwoord blijft.
De leden van de JA21-fractie hebben kennisgenomen van het wetsvoorstel Wijziging van de re-integratieverplichtingen
in het tweede ziektejaar van werknemers bij kleine en middelgrote werkgevers.
De leden van de SGP-fractie hebben met interesse kennisgenomen van het wetsvoorstel. Deze leden vinden het positief
dat werkgever de mogelijkheid krijgt de re-integratie van een zieke werknemer in het
eerste spoor af te sluiten, maar merken op dat het hier gaat om een zeer beperkte
verlichting van het werkgeverschap. Zij vragen waarom niet voor verdergaande maatregelen
is gekozen ter verlichting van de toch al zware lasten voor werkgevers. Zij hebben
hierover nog enkele vragen.
De leden van de ChristenUnie-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van voorliggend wetsvoorstel. Deze leden
zien de noodzaak van een goede balans tussen de rechtszekerheid en bescherming van
werknemers en de benodigde flexibiliteit voor (kleine) werkgevers voor een gezonde
arbeidsmarkt. Deze leden maken van de gelegenheid gebruik om vragen te stellen over
het wetsvoorstel.
1. Inleiding en doel
De leden van de D66-fractie waarderen de gezamenlijke inspanningen van de regering en de sociale partners om
meer wendbaarheid te bieden aan kleine en middelgrote werkgevers door eerder duidelijkheid
te verschaffen over het te volgen re-integratiespoor. Het wetsvoorstel moet ook in
samenhang worden gezien met andere wetsvoorstellen die juist de uitwassen van de wendbare
arbeidsmarkt terugdringen, zo menen deze leden. Deze leden steunen dit arbeidsmarktpakket.
De leden van de D66-fractie hebben wel nog verdere vragen bij dit wetsvoorstel, met
name ten aanzien van het complexe en lastig uitvoerbare ziekte- en arbeidsongeschiktheidsstelsel.
Deze leden voorzien het risico dat het stelsel door dit wetsvoorstel zo mogelijk nog
complexer en lastiger uitvoerbaar wordt gemaakt. Deze leden constateren dat het zodoende
nog onduidelijk is of het wetsvoorstel überhaupt uitvoerbaar is en, zo ja, op welke
termijn.
De leden van de VVD-fractie hechten aan een wendbare arbeidsmarkt waarop de drempel om personeel in dienst te
nemen en banen te creëren lager ligt dan nu het geval is. Deze leden beschouwen de
loondoorbetalingsverplichting bij ziekte, en de daaraan verbonden re-integratieverplichtingen, al langere tijd als een van de zwaarste lasten die op werkgevers rusten,
in het bijzonder in het mkb. Deze leden constateren dat juist deze lasten ondernemers
terughoudend maken bij het aanbieden van vaste contracten, en zij verwelkomen daarom
dat met dit wetsvoorstel een eerste stap wordt gezet om kleine en middelgrote werkgevers
op dit punt meer wendbaarheid te bieden.
De leden van de VVD-fractie spreken in dat licht hun waardering uit voor het feit
dat na jaren van discussie een concrete maatregel voorligt die werkgevers eerder duidelijkheid
geeft over de vraag tot welk moment zij de functie van een zieke werknemer beschikbaar
moeten houden. Deze leden beschouwen dat als een betekenisvolle verbetering ten opzichte
van de bestaande situatie. Juist omdat deze leden de ingeslagen koers steunen.
De leden van de VVD-fractie hechten er tegelijk aan op te merken dat zij de zorgen
die door ondernemersorganisaties zijn geuit serieus nemen. Verschillende van deze
organisaties, alsook de Afdeling advisering van de Raad van State, de Raad voor de
rechtspraak en het Adviescollege toetsing regeldruk (ATR), plaatsen kanttekeningen
bij de vraag of de voorgestelde maatregel substantieel genoeg is om de ervaren knelpunten
weg te nemen. Deze leden delen de onderliggende zorg dat er een zekere disproportie
kan bestaan tussen de inspanning die het voorstel van werkgevers, werknemers en UWV
vraagt en het resultaat dat ermee wordt bereikt. Zij vragen de regering dan ook nadrukkelijk
in te gaan op de doeltreffendheid en de uitvoerbaarheid van het voorstel.
De leden van de VVD-fractie onderschrijven het doel van het wetsvoorstel om kleine
en middelgrote werkgevers eerder duidelijkheid te geven over het te volgen re-integratiespoor
en over de mogelijkheid tot vervanging van een langdurig zieke werknemer. Deze leden
constateren echter dat de maatregel de loondoorbetalingsverplichting en het opzegverbod
gedurende 104 weken ongemoeid laat. Kan de regering dit bevestigen? Welke verplichtingen
en verantwoordelijkheden voor de werkgever in het tweede spoor bij re-integratie wijzigen
door dit wetsvoorstel? Voorziet dit wetsvoorstel in een concrete behoefte van mkb-werkgevers
en zo ja, waar blijkt dat uit?
De leden van de VVD-fractie vragen voorts de regering uiteen te zetten hoe zij ervoor
gaat zorgen dat dit voorstel in de praktijk een aantoonbaar verschil maakt voor werkgevers,
en niet blijft steken in een verlichting die op papier bestaat maar in de bedrijfsvoering
nauwelijks voelbaar is. Deze leden vragen de regering daarbij met welke concrete indicatoren
zij zal meten of de beoogde wendbaarheid wordt bereikt, en welke aantoonbare meerwaarde
het voorstel heeft voor de groep werkgevers voor wie de bestaande verplichtingen het
zwaarst wegen.
De leden van de PRO-fractie vragen hoe het voorliggende wetsvoorstel samenhangt met het voornemen van kabinet-Jetten
om te werken aan loondoorbetaling bij ziekte in het coalitieakkoord. Deze leden vragen
of deze voorstellen met dit wetsvoorstel afgedaan zijn. Zo niet, dan vragen deze leden
om welke voorstellen het gaat en waarom niet gewacht wordt om die voorstellen tegelijkertijd
op te pakken.
De leden van de PVV-fractie lezen dat 45 procent van de werkgevers de huidige verplichtingen rondom ziekte en
re-integratie als een belemmering ervaart om werknemers een vast contract aan te bieden.
Kan de regering nader toelichten welk deel van deze werkgevers specifiek de verplichtingen
rondom het tweede ziektejaar als knelpunt ervaart? De regering stelt dat dit wetsvoorstel
kleine en middelgrote werkgevers meer wendbaarheid moet bieden. Kan de regering concreet
aangeven hoeveel extra vaste contracten zij verwacht als gevolg van dit wetsvoorstel?
Kan de regering ook aangeven hoe wordt gemeten of deze doelstelling daadwerkelijk
wordt bereikt?
De leden van de CDA-fractie lezen dat het doel van het wetsvoorstel is om kleine en middelgrote werkgevers meer
wendbaar te maken door eerder duidelijkheid te geven over het beschikbaar houden van
de functie van de zieke werknemer. Deze leden vragen of de regering concreet kan aangeven
met welke indicatoren na invoering wordt beoordeeld of deze wendbaarheid daadwerkelijk
is vergroot, bijvoorbeeld het aantal werkgevers dat eerder vervanging regelt, het
aantal vaste contracten bij kleine en middelgrote werkgevers, het aantal afgesloten
eerste spoortrajecten en de ervaren regeldruk bij werkgevers.
De leden van de CDA-fractie lezen dat de regering benadrukt dat werkgevers verantwoordelijk
blijven voor twee jaar loondoorbetaling en voor het verloop van het re-integratieproces.
Deze leden vragen hoe de regering gaat monitoren of werknemers van wie het eerste
spoor is afgesloten in het tweede ziektejaar daadwerkelijk voldoende begeleiding krijgen
richting passend werk bij een andere werkgever.
De leden van de JA21-fractie merken vooraf op dat zij een fundamentele voorkeur hebben voor een algehele verkorting
van de verplichte loondoorbetaling bij ziekte naar één jaar. Deze leden zien het voorliggende
wetsvoorstel dan ook niet als een eindstation, maar als een tussenstation voor het
werkbaarder maken van de loondoorbetaling bij ziekte. De regering stelt dat dit wetsvoorstel
bedoeld is om de wendbaarheid van het mkb te vergroten door eerder duidelijkheid te
geven over de vervanging van een langdurig zieke werknemer. Deze leden wijzen op het
oordeel van de Afdeling advisering van de Raad van State. De Afdeling merkt op dat
de voorgestelde regeling voor werkgevers in de praktijk juist tot hogere kosten kan
leiden, doordat er gedurende een langere periode zowel loon moet worden betaald aan
de zieke werknemer als aan zijn vervanger. Het ATR waarschuwt tevens voor een aanzienlijke
toename van de regeldruk. Deze leden onderschrijven de doelstelling, maar gelet op
deze bezwaren vragen deze leden zich af of dit wetsvoorstel wel doet wat het beoogt
te doen en hebben daarover nog enkele vragen.
De leden van de SGP-fractie constateren dat de loondoorbetalings- en re-integratieverplichtingen voor kleine en
middelgrote werkgevers veelal een blok aan het been zijn. In lijn met de inzet op
deregulering zou moeten worden verkend hoe deze verplichtingen vergaand kunnen worden
verlicht, vinden deze leden. Welke alternatieven zijn overwogen en welke mogelijkheden
ziet de regering voor verlichting voor werkgevers?
De leden van de SGP-fractie vragen waarom er niet voor is gekozen de loondoorbetalings-
en re-integratieverplichting te verkorten naar één jaar, zoals geadviseerd door de
commissie-Borstlap. Welke overwegingen liggen hieraan ten grondslag, en welke voordelen
zou generieke verkorting volgens de regering hebben? Nederland kent een buitensporig
lange loondoorbetalings- en re-integratieverplichting voor werkgevers, vergeleken
bij veel andere Europese Unie (EU-)landen. Kan de regering een opsomming geven van
de duur van deze verplichtingen in andere EU-lidstaten?
2. Aanleiding en samenhang arbeidsmarktpakket
De leden van de VVD-fractie constateren met instemming dat in het coalitieakkoord is opgenomen dat de loondoorbetaling
bij ziekte, met name voor het mkb, meer werkbaar moet worden gemaakt en dat de regering
werkt aan aanvullende voorstellen daartoe. Deze leden beschouwen dat als een belangrijke
en positieve ontwikkeling. Zij vragen de regering op welke termijn de Kamer deze aanvullende
voorstellen tegemoet kan zien, en hoe deze zich verhouden tot het voorliggende wetsvoorstel.
Deze leden wachten concrete plannen die op dit wetsvoorstel aansluiten met belangstelling
af en ontvangen graag een toelichting op de samenhang daartussen.
De leden van de VVD-fractie hechten eraan dat de afzonderlijke maatregelen uit het
arbeidsmarktpakket elkaar versterken en niet onbedoeld doorkruisen. Deze leden vragen
de regering hoe dit voorstel zich verhoudt tot de overige onderdelen van het pakket
die een beroep doen op dezelfde uitvoeringscapaciteit bij UWV, en of sprake is van
een door de regering beoogde volgorde van inwerkingtreding. Concreet vragen deze leden
wat de betrokkenheid is van een arts werkzaam bij UWV bij de toetsen die UWV uitvoert
om tot een beslissing te komen om het eerste spoor af te sluiten.
De leden van de VVD-fractie lezen dat de werknemer die via het tweede spoor re-integreert,
na een formele beëindiging van het eerste spoor, recht heeft op het volledige loon
dat de werknemer genoot bij de werkgever waar de ziekte startte. Deze werkgever krijgt
de mogelijkheid om de inkomsten die de werknemer ontvangt voor de verrichte werkzaamheden
bij de werkgever van de tweede spoor re-integratie in mindering te brengen van dit
loon. Klopt dit en op welke wijze wordt de werkgever geïnformeerd over de ontvangen
inkomsten uit de werkzaamheden van re-integratie tweede spoor, zo vragen deze leden.
De leden van de PVV-fractie constateren dat eerdere adviezen, waaronder van de commissie-Borstlap, pleitten voor
een verkorting van de loondoorbetalingsverplichting bij ziekte. Waarom heeft de regering
ervoor gekozen vast te houden aan een loondoorbetalingsplicht van 104 weken? Welke
alternatieven zijn onderzocht om de lasten voor kleine werkgevers daadwerkelijk te
verlagen? Hoe verhoudt dit wetsvoorstel zich tot de huidige problemen rondom de uitvoering
van de WIA en de grote druk op UWV?
De leden van de CDA-fractie lezen dat dit wetsvoorstel onderdeel is van het bredere arbeidsmarktpakket, waarin
meer zekerheid voor werkenden en meer wendbaarheid voor werkgevers in balans moeten
zijn. Deze leden vragen hoe de regering deze balans bij dit specifieke wetsvoorstel
beoordeelt, mede gelet op het oordeel van de Afdeling advisering van de Raad van State
dat de voordelen voor werkgevers beperkt zijn en de re-integratiekansen van werknemers
kunnen afnemen.
De leden van de ChristenUnie-fractie hebben vragen over de huidige regelgeving over de termijn van de loondoorbetaling
bij ziekte, ook in het licht van de ambities van het coalitieakkoord. Kan de regering
een uitgebreide analyse geven van hoe de Nederlandse wet- en regelgeving met betrekking
tot (de duur en hoogte van) loondoorbetaling bij ziekte, re-integratie en arbeidsongeschiktheidsverzekeringswetgeving
zich verhoudt in internationaal verband? Welke verbeteringen of kansen ziet de regering
van omliggende landen om de situatie in Nederland te verbeteren?
De leden van de ChristenUnie-fractie vragen de regering ook om te inventariseren welke
mogelijkheden er zijn om de positie van kleine werkgevers te verbeteren. In hoeverre
zou een differentiatie van de duur van de loondoorbetaling bij ziekte naar werkgeversgrootte
mogelijk c.q. wenselijk zijn?
3. Hoofdlijnen van het wetsvoorstel
De leden van de D66-fractie lezen in de memorie van toelichting dat vroegtijdig het gesprek over re-integratie
in het tweede spoor kan leiden tot betere resultaten in het eerste jaar. Deze leden
merken echter in navolging van de Raad voor de rechtspraak op dat het in een vroeg
stadium het aankaarten van het tweede spoor erg belastend kan zijn en mogelijk zelfs
ertoe kan leiden dat werknemers een vroeg afsluitingsverzoek vanuit de werkgever aanmerken
als het niet op constructieve wijze aan de re-integratieverplichtingen voldoen. Hoe
kijkt de regering tegen deze risico’s aan en hoe verhouden deze risico’s zich tot
de genoemde baten van het vroegtijdige gesprek, zo vragen deze leden.
De leden van de D66-fractie zijn voorts benieuwd of de regering heeft overwogen een
meer flexibel moment te hanteren waarop over kan worden gegaan tot re-integratie in
het tweede spoor. Heeft de regering overwogen om het mogelijk te maken om op enig
moment in het tweede ziektejaar het eerste spoor af te sluiten in plaats van op een
vast moment, zo vragen deze leden. Deze leden zijn ook benieuwd of de regering het
in de internetconsultatie aangereikte alternatief heeft overwogen om in plaats van
de 42-wekentermijn de bedrijfsarts de mogelijkheid te bieden om op een het voor voorkomend
geval passend moment in de eerste twee ziektejaren te adviseren om over te gaan tot
re-integratie in het tweede spoor.
De leden van de D66-fractie lezen dat in het wetsvoorstel UWV mogelijk een dwangsom
is verschuldigd aan de werkgever bij een te laat besluit. Deze leden merken op dat
elders in wetgeving juist dwangsommen buiten werking worden gesteld. Hoe verhoudt
het opnemen van een dwangsomclausule zich tot het voorstel Tijdelijk buitenwerking
stellen van bestuurlijke dwangsomregeling in de WIA, zo vragen deze leden.
De leden van de D66-fractie lezen dat UWV bij de 42ste ziekteweek naast de toets op arbeidsongeschiktheid en toets op mogelijkheden tot
hervatting van het eigen ook een re-integratieverslag (RIV-)toets uitvoert voor het
eerste ziektejaar. Hoe verhoudt dit element zich tot het voorstel van de regering
om bij de RIV-toets het oordeel van de bedrijfsarts leidend te maken, zo vragen deze
leden. Betekent dit dat de bedrijfsarts en UWV elk afzonderlijke toetsen afleggen
bij het 42-wekenmoment of komt de afzonderlijke RIV-toets voor het eerste ziektejaar
te vervallen met het andere wetsvoorstel, zo vragen deze leden.
De leden van de D66-fractie merken op dat het wetsvoorstel de toestemming tot afsluiting
van het eerste spoor, zoals vastgelegd in artikel 658aa lid 1 onderdeel b, heeft belegd
bij UWV. Deze leden merken op dat de memorie van toelichting deze keuze slechts beperkt
motiveert, terwijl de regering in andere brieven naar de Kamer de uitvoeringsproblematiek
bij UWV niet onder stoelen of banken steekt. Deze leden zijn zodoende benieuwd welke
alternatieven voor deze verantwoordelijkheden de regering heeft overwogen.
Daarbij hebben de leden van de D66-fractie in het bijzonder nog enkele specifieke
vragen. Heeft de regering overwogen om afsluiting van het eerste spoor uitsluitend
mogelijk te maken in situaties waarin werkgever en werknemer onderling overeenstemming
bereiken, zo vragen deze leden. Zo nee, waarom niet? Zo ja, waarom heeft de regering
hiervan afgezien? Heeft de regering overwogen om afsluiting van het eerste spoor voorlopig uitsluitend mogelijk te maken in situaties waarin werkgever en werknemer onderling
overeenstemming bereiken en pas later de toets door UWV in werking te laten treden,
zo vragen deze leden. Zo nee, waarom niet? Zo ja, waarom heeft de regering hiervan
afgezien? Zou een dergelijke constructie uitvoerbaar zijn, vragen deze leden. Zo ja,
op welke termijn? Heeft de regering overwogen om de verantwoordelijkheden niet bij
UWV maar bij de bedrijfsarts te beleggen, zo vragen deze leden voorts. Zo ja, waarom
is hiervan afgezien? Deze leden lezen voorts in de beslisnota’s dat «bij het akkoord
over het arbeidsmarktpakket aan de onderhandelingstafel is genoemd dat adviezen van
de bedrijfsarts niet leidend worden bij deze maatregel». Kan de regering dit nader
toelichten?
De leden van de VVD-fractie hebben kennisgenomen van het zware dictum waarmee de Afdeling advisering van de Raad
van State haar advies heeft afgesloten. Deze leden nemen dit advies serieus, zonder
daarmee het doel van het wetsvoorstel ter discussie te stellen. Zij vragen de regering
of zij de opvatting van de Afdeling deelt dat de financiële lasten voor werkgevers
als gevolg van het wetsvoorstel juist kunnen toenemen, doordat gedurende een langere
periode loon moet worden doorbetaald aan zowel de zieke werknemer als diens vervanger.
Indien de regering deze opvatting niet deelt, ontvangen deze leden graag een onderbouwing
van de redenen waarom zij verwacht dat het voorstel per saldo wel tot een verlichting
voor werkgevers leidt. Deze leden vragen wat de regering voornemens is te initiëren
aan het feit dat de werkhervatting in spoor twee minder succesvol is dan in spoor
één, zoals het interdepartementaal beleidsonderzoek (IBO) WIA schetst. Het Verbond
van Verzekeraars en OVAL hebben concrete voorstellen gedaan om de resultaten bij re-integratie
spoor twee te verbeteren, hoe beoordeelt de regering deze voorstellen en wat is de
regering voornemens te initiëren om de resultaten bij re-integratie spoor twee te
verbeteren?
De leden van de PRO-fractie maken zich zorgen over de positie van werknemers binnen dit wetsvoorstel. Deze leden
wijzen op de positie van werknemers die na het eerste jaar herstellen, maar waarbij
wel het eerste spoor is afgesloten. Deze leden merken op dat deze personen niet meer
ziek zijn, maar wel vanwege het ontstaan van hun ziekte twee jaar na de ziekmelding
worden ontslagen. Zij vragen de regering hierop te reflecteren.
De leden van de PRO-fractie constateren bovendien dat de regering ervan uitgaat dat
deze werknemers in veel gevallen kunnen terugkeren naar hun oude werkgever. Deze leden
merken echter op dat de regering zelf ook schrijft dat dit niet meer is dan een aanname.
Zij verzoeken de regering daarom nader te onderbouwen waarop deze verwachting is gebaseerd.
De leden van de PRO-fractie hebben daarnaast specifieke vragen over verschillende
punten. Zo vragen deze leden naar de voorgestelde schriftelijke instemming van de
werknemer. Deze leden vragen of hierdoor niet het risico ontstaat dat werknemers onder
druk worden gezet om met beëindiging van het eerste spoor in te stemmen, teneinde
te voorkomen dat werkgevers worden geconfronteerd met aanvullende toetsing door UWV.
De leden van de PRO-fractie vragen voorts of kan worden uitgesloten dat de effectiviteit
van re-integratie in het eerste spoor gedurende het eerste ziektejaar afneemt doordat
werkgevers anticiperen op het verkrijgen van instemming van de werknemer voor beëindiging
van dat spoor. Deze leden vragen of de regering kan garanderen dat dit niet het geval
is. Deze leden verzoeken de regering toe te lichten welke waarborgen zijn getroffen
om te voorkomen dat hierdoor de inzet op re-integratie in het eerste spoor vermindert.
De leden van de PRO-fractie vragen hoeveel werknemers naar verwachting daadwerkelijk
zullen instemmen met afsluiting van het eerste spoor en op welke gegevens of aannames
deze verwachting is gebaseerd.
De leden van de PRO-fractie vragen of de regering heeft onderzocht in welke mate werknemers
zich onder druk gezet kunnen voelen om in te stemmen met afsluiting van het eerste
spoor.
Daarnaast hebben de leden van de PRO-fractie vragen over re-integratie in het tweede
spoor. Deze leden vragen hoeveel succesvolle trajecten er zijn afgerond waarbij mensen
duurzaam naar werk in het tweede spoor zijn begeleid. Ook vragen deze leden hoeveel
succesvolle trajecten er zijn afgerond waarbij mensen duurzaam naar werk in het eerste
spoor zijn begeleid. Deze leden vragen hierbij om de cijfers per jaar in de afgelopen
tien jaar uiteen te zetten.
De leden van de PRO-fractie hebben daarnaast vragen over de inhoudelijke logica van
de voorgestelde ontslaggrond. Deze leden vragen of deze ontslaggrond niet leidt tot
een onderscheid tussen werknemers van wie de arbeidsplaats wel is ingevuld en werknemers
van wie de arbeidsplaats niet is ingevuld. Zij verzoeken de regering toe te lichten
waarom dit onderscheid gerechtvaardigd zou zijn en hoe dit zich verhoudt tot het uitgangspunt
van gelijke behandeling van werknemers.
De leden van de PRO-fractie merken op dat het opzegverbod tijdens ziekte juist is
bedoeld om te voorkomen dat werknemers vanwege hun ziekte worden ontslagen. Deze leden
vragen hoe de voorgestelde ontslaggrond zich verhoudt tot dit uitgangspunt en verzoeken
de regering toe te lichten waarom in dit geval een uitzondering op deze bescherming
gerechtvaardigd wordt geacht.
De leden van de PRO-fractie constateren voorts dat een werknemer die ziek is en bij
meerdere werkgevers werkzaam is, mogelijk bij de ene werkgever wel kan worden ontslagen
omdat daar is gekozen de arbeidsplaats in te vullen, terwijl ontslag bij een andere
werkgever niet aan de orde is omdat de arbeidsplaats daar niet is ingevuld. Deze leden
vinden dit een opmerkelijk verschil en verzoeken de regering hierop te reflecteren.
De leden van de PRO-fractie vragen daarnaast of de voorgestelde ontslaggrond niet
juist een prikkel creëert voor werkgevers om arbeidsplaatsen in te vullen, ook in
situaties waarin nog reële kansen bestaan op herstel en terugkeer van de werknemer
in het eerste spoor.
De leden van de PRO-fractie lezen de volgende passage: «Voor een werknemer die aan
het eind van het eerste ziektejaar in het geheel nog niet aan het werk is, ligt terugkeer
in eigen (aangepast) werk binnen 13 weken niet voor de hand en hoeft die laatste toets
niet te worden gedaan.» Deze leden verzoeken de regering expliciet toe te lichten
op welke «laatste» toets hier wordt gedoeld. Daarbij vragen zij of dit betrekking
heeft op de toets die in deze zin zelf wordt beschreven, dan wel op een toets die
in de voorgaande alinea’s is uiteengezet.
De leden van de PRO-fractie begrijpen dat de werkgever de mogelijkheid krijgt om inkomsten
die een werknemer ontvangt voor werkzaamheden die hij bij een andere werkgever heeft
verricht gedurende de periode waarin hij de bedongen arbeid had kunnen verrichten,
in mindering te brengen op het loon. Deze leden verzoeken de regering uiteen te zetten
hoe deze systematiek in de praktijk zal functioneren. Daarbij vragen zij hoe de benodigde
gegevensdeling tot stand komt, welke informatie tussen betrokken partijen wordt uitgewisseld,
op welke wijze dit gebeurt en welke verantwoordelijkheden daarbij rusten op de werknemer,
de werkgevers en eventuele andere betrokken partijen. Tevens verzoeken deze leden
de regering toe te lichten of UWV hierbij een rol vervult en, zo ja, welke rol dat
is.
De leden van de PRO-fractie lezen dat wanneer een werknemer instemt met het afsluiten
van het eerste spoor, terugkijken naar het eerste ziektejaar in het kader van de RIV-toets
niet langer nodig is. Deze leden vragen of de regering kan uitsluiten dat hierdoor
situaties kunnen ontstaan waarin beperkte of onvoldoende re-integratie-inspanningen
in het eerste ziektejaar worden witgewassen.
De leden van de PRO-fractie verzoeken de regering te bevestigen dat alle re-integratie-inspanningen
die gedurende de verschillende fasen van het ziekte- en re-integratietraject worden
verricht, op enig moment worden beoordeeld op hun toereikendheid, met als mogelijke
uitzondering de situatie waarin de werknemer instemt met het afsluiten van het eerste
spoor. Deze leden verzoeken de regering uiteen te zetten welke onderdelen in welke
situaties wel of niet worden getoetst.
De leden van de PRO-fractie lezen dat «De toetsingscriteria van de nieuwe ontslaggrond
worden opgenomen in de Ontslagregeling die hierop zal worden aangepast.» Deze leden
vragen of hiermee wordt gedoeld op een bestaande regeling of op een nieuwe regeling.
Tevens verzoeken zij de regering toe te lichten op welke wijze deze regeling zal worden
gewijzigd. Daarnaast vragen deze leden of voor deze wijzigingen reeds is voorzien
in een vorm van voorhang.
De leden van de PRO-fractie lezen dat het instemmen door de werknemer met het afsluiten
van het eerste spoor geen gevolgen heeft voor de hoogte van de transitievergoeding
en dat wordt voorgesteld de transitievergoeding in deze gevallen door UWV aan de werkgever
te compenseren. Deze leden vragen hoe dit voorstel zich verhoudt tot het voornemen
om de compensatieregeling voor transitievergoedingen af te schaffen voor alle werkgevers.
Tevens verzoeken zij de regering toe te lichten of hier feitelijk sprake is van een
tijdelijke compensatieregeling.
De leden van de PRO-fractie hebben daarnaast enkele vragen over de gekozen definitie
van kleine en middelgrote werkgevers en daarmee over het afbakeningscriterium voor
de werkgevers die onder dit wetsvoorstel vallen. Deze leden vragen of is overwogen
om andere werkgeversgroottes onder de reikwijdte van het wetsvoorstel te laten vallen.
Indien dat het geval is, verzoeken zij de regering uiteen te zetten welke afwegingen
daarbij zijn gemaakt. Indien dat niet het geval is, verzoeken zij de regering toe
te lichten waarom niet.
De leden van de PRO-fractie verzoeken de regering voor verschillende varianten van
de werkgeversafbakening inzichtelijk te maken welke gevolgen deze zouden hebben voor
het wetsvoorstel. Daarbij verzoeken deze leden de regering in ieder geval in te gaan
op de betrokken loonsom, het aantal werkgevers dat onder de betreffende definitie
zou vallen, de uitvoeringstechnische gevolgen en de gegevensuitwisseling die tussen
verschillende uitvoerders noodzakelijk zou zijn. Deze leden verzoeken de regering
deze analyse in ieder geval uit te voeren voor werkgevers met 1 tot en met 25 werknemers
(variant 1), 1 tot en met 50 werknemers (variant 2) en 1 tot en met 75 werknemers
(variant 3). Deze leden verzoeken de regering daarnaast voor elk van deze varianten
een beschouwing te geven van de voor- en nadelen en daarbij expliciet in te gaan op
vergelijkbare afbakeningen die reeds in bestaande wet- en regelgeving worden gehanteerd.
Deze leden wijzen er bijvoorbeeld op dat voor de gedifferentieerde arbeidsongeschiktheidsfonds
(Aof)-premie een grens van 25 werknemers wordt gehanteerd en verzoeken de regering
toe te lichten in hoeverre dergelijke bestaande afbakeningen aanknopingspunten bieden
voor de vormgeving van het voorliggende wetsvoorstel.
De leden van de PRO-fractie lezen in de toelichting dat werkgevers de plicht krijgen
om zieke werknemers te informeren over de categorie werkgeversgrootte waaronder zij
vallen en dat deze informatie relevant is voor de rechtspositie van de werknemer.
Deze leden lezen in dit verband tevens de passage: «De lagere regelgeving wordt hierop
aangepast.» Deze leden verzoeken de regering toe te lichten op welke lagere regelgeving
deze passage betrekking heeft. Tevens vragen deze leden op welke wijze deze regelgeving
zal worden aangepast en welke concrete wijzigingen daarbij worden voorzien. Daarnaast
verzoeken zij de regering inzicht te geven in de gevolgen die deze wijzigingen hebben
voor de positie van werknemers, werkgevers en uitvoeringsorganisaties.
De leden van de PVV-fractie hebben vragen over het voorgestelde systeem waarbij het eerste spoor kan worden afgesloten.
Hoe realistisch acht de regering het dat een zieke werknemer vrijwillig instemt met
het afsluiten van zijn re-integratie binnen het eigen bedrijf, terwijl daarmee feitelijk
het perspectief op terugkeer in de eigen functie vervalt? Hoe wordt voorkomen dat
werknemers zich onder druk gezet voelen om met een dergelijk voorstel akkoord te gaan?
Kan de regering nader toelichten hoe wordt vastgesteld dat daadwerkelijk sprake is
geweest van vrijwillige instemming?
De leden van de PVV-fractie lezen dat uit onderzoek blijkt dat re-integratie in het
eerste spoor vaker succesvol is dan re-integratie in het tweede spoor. Kan de regering
reflecteren op de constatering uit het IBO WIA dat tweede spoor trajecten gemiddeld
minder succesvol zijn en minder duurzame werkhervatting opleveren?
De leden van de PVV-fractie lezen dat UWV een centrale rol krijgt bij de beoordeling
van verzoeken om het eerste spoor af te sluiten. Hoeveel extra aanvragen verwacht
de regering jaarlijks? Hoeveel extra arbeidsdeskundigen, verzekeringsartsen en overige
medewerkers zijn hiervoor nodig? Welke gevolgen heeft dit wetsvoorstel voor de reeds
bestaande achterstanden binnen UWV? Wat gebeurt er indien UWV niet tijdig beslist
op een aanvraag?
De leden van de CDA-fractie lezen dat re-integratie in het eerste spoor in de praktijk succesvoller is dan re-integratie
in het tweede spoor. Deze leden vragen hoe de regering voorkomt dat het eerder afsluiten
van het eerste spoor ertoe leidt dat werknemers minder vaak duurzaam terugkeren naar
werk.
De leden van de CDA-fractie lezen dat werkgever en werknemer schriftelijk kunnen overeenkomen
dat het eerste spoor wordt afgesloten. Deze leden vragen hoe wordt voorkomen dat werknemers
instemmen onder druk van de werkgever, uit onzekerheid over het dienstverband of zonder
de gevolgen voor terugkeer in de eigen functie volledig te overzien.
De leden van de CDA-fractie lezen dat de werknemer een bedenktermijn krijgt na schriftelijke
instemming met afsluiting van het eerste spoor. Deze leden vragen of de regering bereid
is te monitoren hoe vaak werknemers gebruikmaken van deze bedenktermijn, hoe vaak
instemming wordt herroepen en of dit aanleiding geeft om de bescherming van werknemers
aan te scherpen.
De leden van de CDA-fractie lezen dat een werkgever uiterlijk in de 42e ziekteweek toestemming aan UWV moet vragen als er geen overeenstemming met de werknemer
is. Deze leden vragen hoe realistisch deze termijn is voor kleine werkgevers, gelet
op het feit dat in de praktijk vaak pas richting de eerstejaarsevaluatie duidelijk
wordt hoe herstel en re-integratie zich ontwikkelen. Deze leden vragen of er niet
een uitsteloptie moeten kunnen worden geboden indien blijkt dat dit voor werkgevers
(net) niet haalbaar is.
De leden van de CDA-fractie lezen dat UWV drie toetsen uitvoert bij een aanvraag om
het eerste spoor af te sluiten. Deze leden vragen hoeveel extra beoordelingen UWV
jaarlijks verwacht, hoeveel inzet van verzekeringsartsen en arbeidsdeskundigen daarvoor
nodig is, en hoe wordt voorkomen dat deze nieuwe taak de bestaande achterstanden bij
sociaal-medische beoordelingen verder vergroot.
De leden van de CDA-fractie lezen dat bij afsluiting van het eerste spoor via schriftelijke
overeenstemming geen voorafgaande toets door UWV plaatsvindt. Deze leden vragen hoe
wordt voorkomen dat het eerste spoor wordt afgesloten terwijl de re-integratie-inspanningen
in het eerste ziektejaar onvoldoende zijn geweest.
De leden van de CDA-fractie lezen dat de werkgever na afsluiting van het eerste spoor
de functie van de werknemer niet meer beschikbaar hoeft te houden als deze werknemer
in het tweede ziektejaar volledig herstelt. Deze leden vragen hoe vaak de regering
verwacht dat een werknemer volledig herstelt, maar niet kan terugkeren in de eigen
functie omdat deze inmiddels structureel is vervuld of vervallen.
De leden van de CDA-fractie lezen dat tegen de beslissing van UWV over afsluiting
van het eerste spoor geen bestuursrechtelijk bezwaar en beroep openstaat, maar dat
werkgever of werknemer zich tot de kantonrechter kan wenden. Deze leden vragen of
de regering kan toelichten of deze route voor zieke werknemers voldoende laagdrempelig,
betaalbaar en tijdig is, zeker als de procedure pas duidelijkheid geeft nadat het
tweede ziektejaar al grotendeels is verstreken.
De leden van de CDA-fractie lezen dat de regering ingaat op de internationaalrechtelijke
aspecten van het wetsvoorstel. Deze leden vragen hoe wordt gewaarborgd dat werknemers
met een arbeidsbeperking of chronische ziekte niet onevenredig worden geraakt door
het eerder afsluiten van het eerste spoor, mede in het licht van het VN-verdrag inzake
de rechten van personen met een handicap.
De leden van de JA21-fractie wensen stil te staan bij de voorgestelde procedures en termijnen. Het wetsvoorstel
regelt dat de werkgever uiterlijk in de 42e ziekteweek een aanvraag dient in te dienen bij UWV. Deze leden vragen de regering
hoe deze strakke termijn zich verhoudt tot de bestaande systematiek van de Wet verbetering
poortwachter. Binnen de Wet verbetering poortwachter vindt het bepalende moment voor
het vervolgtraject, de eerstejaarsevaluatie, immers doorgaans pas rond het einde van
het eerste ziektejaar plaats. Erkent de regering dat de eis om al in de 42e week een volledig onderbouwde aanvraag inclusief een actueel oordeel en betrouwbare
prognose van de bedrijfsarts in te dienen, de werkgever feitelijk dwingt om de stappen
uit de Wet verbetering poortwachter ver naar voren te halen of een kostbaar extra
medisch traject te starten? Kan de regering toelichten hoe deze doorkruising van de
reguliere re-integratiecyclus en de daarmee gepaard gaande extra advieskosten zich
verhouden tot het uitgangspunt om de regeldruk voor het mkb te verlichten?
Als de werkgever in de vroege fase ervoor kiest om in te zetten op onderlinge overeenstemming,
vragen deze leden welk voordeel de werknemer hierbij eigenlijk heeft. Kan de regering
concreet onderbouwen waarom het voor een zieke werknemer aantrekkelijk zou zijn om
vrijwillig in te stemmen met een dergelijke overeenkomst wetende dat hij daarmee zijn
re-integratiekansen via het eerste spoor bewust beperkt? Erkent de regering dat door
het ontbreken van een duidelijke prikkel voor de werknemer om in te stemmen de kans
aanzienlijk is dat vrijwel al deze trajecten noodgedwongen via een formeel verzoek
bij UWV zullen gaan lopen? Hoe weegt de regering deze waarschijnlijke gang van zaken
in het licht van de reeds gesignaleerde structurele capaciteitsproblemen bij UWV en
betekent dit niet dat de administratieve en uitvoerende lastendruk op UWV door dit
wetsvoorstel in werkelijkheid nog aanzienlijk hoger zal uitvallen dan momenteel in
de toelichting wordt aangenomen?
De leden van de JA21-fractie wijzen tevens op de asymmetrie in de voorgestelde afhandeling.
Indien de werkgever te laat is met zijn aanvraag vervalt zijn recht op afsluiting
van het eerste spoor direct. Indien UWV zijn beslistermijn van acht weken overschrijdt
worden de negatieve consequenties daarvan afgewenteld op de werkgever omdat deze het
eerste spoor in tweede ziektejaar op eigen kosten moet voortzetten tot het moment
van beslissen door UWV. Kan de regering toelichten hoe zij deze procedurele ongelijkheid
in consequenties tussen de uitvoeringsinstantie en de ondernemer rechtvaardigt?
De leden van de JA21-fractie lezen dat tegen het oordeel van UWV geen bestuursrechtelijk
beroep kan worden gevoerd, maar uitsluitend een civiele verzoekschriftprocedure bij
de kantonrechter tot de mogelijkheden behoort. Deze leden wijzen erop dat de doorlooptijden
in het civiele recht, zeker als er sprake is van hoger beroep en cassatie, aanzienlijk
kunnen zijn. Wat zijn de gevolgen voor de werkgever en werknemer als de rechter pas
ná de 104-weken-termijn definitief oordeelt over het wel of niet terecht afsluiten
van het eerste spoor? Hoe werkt de lange duur van deze procedures door in een eventuele
ontslagaanvraag en de transitievergoeding, mede gelet op het feit dat UWV een ontslagaanvraag
opschort zolang de rechter nog geen uitspraak heeft gedaan?
De leden van de ChristenUnie-fractie lezen dat het te laat of foutief inzetten van re-integratie in het tweede spoor relatief
vaak voorkomt bij kleine bedrijven. Deze leden vragen de regering om uiteen te zetten
wat hiervan de oorzaken zijn en hoe dit verbeterd kan worden, en in hoeverre dit wetsvoorstel
naar verwachting een verbetering zal geven.
De leden van de ChristenUnie-fractie vragen de regering of er alternatieven voor voorliggend
wetsvoorstel zijn overwogen die minder vergaand c.q. ingrijpend zijn voor de rechtspositie
van werknemers. Zo ja, waarom heeft de regering daar niet voor gekozen?
De leden van de ChristenUnie-fractie vragen de regering nader te motiveren waarom
gekozen is voor een grens van 100 werknemers. Welke onderbouwing bestaat er voor de
veronderstelling dat een werkgever met 95 werknemers wezenlijk andere problemen ervaart
dan een werkgever met 105 werknemers? Erkent de regering dat de grens van 100 werknemers vrij willekeurig is?
De werkgever dient uiterlijk in de 42e ziekteweek een aanvraag bij UWV in te dienen voor het afsluiten van het eerste spoor.
De leden van de ChristenUnie-fractie vinden dit vrij vroeg. Deze leden maken zich
zorgen dat deze termijn het herstel van de werknemer onder druk zet. Hoe ziet de regering
dit?
De leden van de ChristenUnie-fractie lezen dat de Afdeling advisering van de Raad
van State zeer kritisch is op voorliggend wetsvoorstel. Het wetsvoorstel lost de problemen
van kleine werkgevers niet op. Deze leden vragen de regering nader te reageren op
de kritiek van de Afdeling en aan te geven in hoeverre het wetsvoorstel is aangepast
naar aanleiding van het advies. Aanvullend vragen deze leden welke maatregelen de
regering verder voornemens is te nemen om de positie van (kleine) werkgevers te verbeteren.
De leden van de ChristenUnie-fractie lezen in de memorie van toelichting dat er sinds
2021 via ZonMw een programma ter verbetering van de re-integratie in het tweede spoor
loopt, en dat er drie pilots zijn gestart waarbij onderzocht wordt welke begeleiding
het meest effectief is voor terugkeer naar werk en hoe re-integratiedienstverlening
kan worden verbeterd. Deze leden vragen de regering naar de uitkomsten van deze pilots
en wat de regering voornemens is te doen met de uitkomsten hiervan.
De leden van de ChristenUnie-fractie zien dat de regering beperkt ingaat op de opmerking
van de Afdeling advisering van de Raad van State dat een schriftelijke overeenkomst
tussen werkgever en werknemer over het beëindigen van de re-integratie in eerste spoor
op gespannen voet kan staan met de uitgangspunten van de Wet verbetering poortwachter.
Deze leden vragen de regering de kritiek van de Afdeling hier uitgebreider te weerleggen.
4. Gevolgen en regeldruk
De leden van de D66-fractie lezen in het advies van de Afdeling advisering van de Raad van State dat het wetsvoorstel
kan leiden tot hogere financiële lasten bij werkgevers. Dit zou met name het geval
zijn wanneer een werknemer in het tweede ziektejaar herstelt, het oude werk niet aangeboden
kan worden en zodoende recht heeft op doorbetaling van het volledige loon zonder dat
deze kosten gedekt worden door de verzuimverzekeraar, zo begrijpen deze leden. Kan
de regering expliciet ingaan op deze kanttekening van de Afdeling, zo vragen deze
leden. Welke financiële baten en kosten zijn er voor werkgevers te verwachten?
In dit kader lezen de leden van de D66-fractie dan ook het ATR met grote belangstelling.
Deze leden lezen dat het ATR de regeldrukkosten op enkele miljoenen schat en zodoende
adviseert de proportionaliteit van de extra regeldruk die als gevolg van het wetsvoorstel
optreedt van een nadere onderbouwing te voorzien. Hoe verhoudt de grotere wendbaarheid
als gevolg van het wetsvoorstel zich tot de aanvullende regeldruk die het wetsvoorstel
met zich meebrengt, zo vragen deze leden. Kan de regering nader ingaan in de mate
waarin de baten opwegen tegen de kosten?
De leden van de VVD-fractie hechten aan het terugdringen van onnodige lastendruk, in het bijzonder voor het mkb.
Deze leden constateren dat het ATR adviseert het wetsvoorstel niet in te dienen en
in ernstige mate twijfelt aan de effectiviteit en de proportionaliteit ervan. Het
ATR wijst er onder meer op dat de procedure voor kleine werkgevers complex en belastend
kan zijn en dat de te verwachten toename van WIA-aanvragen en ontslagprocedures tot
extra regeldruk leidt. Deze leden vragen de regering hoe zij de verhouding beoordeelt
tussen de administratieve inspanning die het voorstel van kleine werkgevers vraagt
en de wendbaarheid die het hun oplevert. Acht de regering deze verhouding proportioneel,
en op welke wijze onderbouwt zij dat? Welke daadwerkelijke praktische verandering
wordt met dit wetsvoorstel beoogd ten opzichte van de huidige situatie voor werkgevers,
met name in termen van administratieve lasten en verplichtingen? Op welke wijze borgt
de regering dat de voorgestelde maatregelen niet slechts leiden tot een papieren verlichting,
maar daadwerkelijk resulteren in een concrete en merkbare lastenverlichting voor (kleine)
werkgevers?
De leden van de VVD-fractie lezen dat de werkgever uiterlijk in week 42 van het eerste
ziektejaar een verzoek tot afsluiten van het eerste spoor moet doen aan UWV. UWV dient
binnen acht weken na indiening van de aanvraag een beslissing te nemen maar kan deze
termijn verlengen. Hoe lang mag deze termijn van verlenging zijn en hoe vaak mag UWV
besluiten om de termijn te verlengen, zo vragen de leden.
De leden van de VVD-fractie constateren dat de Raad voor de rechtspraak erop wijst
dat een werkgever, om aan alle termijnen te voldoen, een werknemer reeds omstreeks
de achtendertigste ziekteweek zal moeten benaderen over de afsluiting van het eerste
spoor. Deze leden vragen de regering hoe ver de verantwoordelijkheid van de werkgever
precies strekt om de mogelijkheden tot hervatting in aangepast werk te onderzoeken
en te onderbouwen, en in hoeverre zij het realistisch acht dat werkgevers op dat moment
een betrouwbare prognose kunnen maken van de arbeidsmogelijkheden van de werknemer
na het eerste ziektejaar. Deze leden ontvangen graag een toelichting op de werkbaarheid
van deze termijnen voor de kleinste werkgevers.
De leden van de PRO-fractie vragen hoeveel de premie voor werkgevers zal stijgen als gevolg van een hogere WIA-instroom.
De leden van de PRO-fractie hebben verschillende vragen over de berekening van het
aantal mensen dat door het voorliggend wetsvoorstel niet herstelt en over het aantal
mensen dat vervolgens de WIA instroomt. Deze leden hebben op verschillende onderdelen
vragen bij de gekozen aannames en verzoeken de regering om de berekening opnieuw te
maken door varianten door te rekenen op de volgende drie parameters. Deze leden vragen
hierbij dezelfde uitkomsten te rapporteren als in de tabel op pagina 32 van de memorie
van toelichting, maar ook de totale uitkeringslast en de gevolgen voor de premie die
werkgevers betalen bij een hogere WIA-instroom. Ook vragen deze leden inhoudelijk
te reageren op de gekozen aannames en onderstaande vier varianten. Deze leden vragen
bij deze doorrekeningen zowel het individuele effect als het cumulatieve effect van
de vier varianten van de berekening te laten zien.
Ten eerste verzoeken de leden van de PRO-fractie een alternatieve doorrekening te
maken op de aanname dat de werkgever ervoor kiest om het eerste spoor te continueren.
Van te voren is namelijk niet duidelijk dat een werknemer in het tweede jaar herstelt,
of dat de arbeidsplaats toch is ingevuld, terwijl terugkeer later toch mogelijk bleek.
Deze leden vragen ook andere subvarianten door te rekenen die verschillen in de mate
dat het eerste spoor wordt gecontinueerd, danwel dat terugkeer bij de oude werkgever
toch mogelijk is. Deze leden vragen in ieder geval ook de subvariant door te rekenen
dat geen van de werkgevers ervoor kiest om het eerste spoor te continueren, als uiterste
van de bandbreedte.
Ten tweede verzoeken de leden van de PRO-fractie een alternatieve doorrekening te
maken op de aanname dat het herstel in het tweede spoor 66 procent of twee derde bedraagt
van het herstel in het eerste spoor. Deze leden merken op dat dit aandeel gebaseerd
is op het herstel in het eerste én tweede spoor samen. Deze leden vragen waarom er
niet voor gekozen is om de berekening te doen op basis van het herstel in het tweede
spoor, aangezien het ook daarover gaat.
Ten derde verzoeken de leden van de PRO-fractie een alternatieve doorrekening te maken
op de aanname dat de uitkeringslast gebaseerd is op de gemiddelde uitkeringslast van
de WGA. Deze leden merken op dat er ook mensen bij zullen zitten die in de IVA zullen
stromen. Deze leden vragen waarom hiervoor niet is gekozen. Tevens vragen deze leden
of uit te sluiten is dat het volledig arbeidsongeschikt raken definitief niet te beïnvloeden
is door een verhoogde re-integratie-inspanning.
De leden van de PRO-fractie vragen op welke manier is bepaald dat van de 1.500 aanvragen
in de WIA uiteindelijk 800 personen toegang krijgen tot de WIA. Deze leden vragen
tevens of hierbij rekening is gehouden met de huidige stand van zaken, waaronder de
60-plusmaatregel. Indien dat niet het geval is, verzoeken de leden van de PRO-fractie
ten vierde een alternatieve doorrekening te maken op basis van deze aanname.
De leden van de PRO-fractie vragen daarnaast of wordt gemonitord of daadwerkelijk
70% van de gevallen via het eerste spoor blijft re-integreren.
De leden van de PRO-fractie vragen of de regering kan aangeven welke concrete maatregelen
sinds de arbeidsmarktbrief van april 2023 zijn genomen om de kwaliteit van de re-integratie
in het tweede spoor te verbeteren. Deze leden vragen tevens hoe de in die brief voor
dit doel gereserveerde middelen inmiddels zijn besteed, hoeveel van deze middelen
nog beschikbaar zijn en welke plannen de regering heeft voor de besteding van eventueel
resterende middelen.
De leden van de PVV-fractie lezen dat het wetsvoorstel bedoeld is om de regeldruk voor werkgevers te verminderen.
Kan de regering concreet aangeven hoeveel administratieve lasten hierdoor verdwijnen?
De leden van de CDA-fractie lezen dat de regering verwacht dat het wetsvoorstel leidt tot extra instroom in de
WIA. Deze leden vragen hoe gevoelig deze raming is voor de aanname dat werknemers
via het tweede spoor succesvol re-integreren, en wat de WIA-instroom wordt als tweede
spoor re-integratie minder succesvol blijkt dan geraamd.
De leden van de CDA-fractie lezen dat het wetsvoorstel gevolgen heeft voor werkgevers
en werknemers. Deze leden vragen of de regering specifiek voor kleine werkgevers kan
uitsplitsen welke extra handelingen, kosten en externe advieskosten zij moeten maken
bij schriftelijke overeenstemming met de werknemer en bij een aanvraag bij UWV.
De leden van de CDA-fractie lezen dat het wetsvoorstel mede is bedoeld om werkgeverschap
aantrekkelijker te maken. Deze leden vragen of de regering verwacht dat dit wetsvoorstel
daadwerkelijk leidt tot meer vaste contracten bij kleine en middelgrote werkgevers,
en zo ja, op welke onderbouwing die verwachting is gebaseerd.
De leden van de SGP-fractie vragen de regering een limitatieve opsomming te verstrekken van de voorstellen ter
verlichting van de werkgeververplichtingen, die de regering voornemens is te doen.
5. Financiële effecten
De leden van de VVD-fractie constateren dat de financiële effecten van het wetsvoorstel berusten op een reeks
onzekere aannames en dat de hogere uitkeringslasten aan de WIA structureel worden
geraamd op 112,3 miljoen euro, met daarnaast weglekeffecten naar de Werkloosheidswet,
de Algemene Bijstand en de Toeslagenwet. Deze leden vragen de regering of zij ook
scenario’s heeft uitgewerkt voor een lagere instroom dan thans wordt verwacht, en
welke budgettaire gevolgen daaraan verbonden zijn.
De leden van de PRO-fractie vragen of en op welke manier de uitkeringslasten en de uitvoeringskosten worden gedekt.
Tevens vragen deze leden of de regering kan garanderen dat deze kosten vooraf worden
ingepast in de Rijksbegroting.
De leden van de CDA-fractie vragen of de regering inzichtelijk kan maken wat de financiële gevolgen zijn voor
werkgevers in de situatie waarin de werknemer in het tweede ziektejaar volledig herstelt,
de eigen functie niet meer beschikbaar is en de werkgever het volledige loon moet
doorbetalen.
De leden van de SGP-fractie wijzen op de opmerking van de Afdeling advisering van de Raad van State dat het de
vraag is of het voorstel de knelpunten in de praktijk aanpakt aangezien de voorgestelde
regeling voor werkgevers juist tot hogere kosten kan leiden, doordat gedurende een
langere periode zowel loon moet worden betaald aan de zieke werknemer als aan zijn
vervanger. In hoeverre nemen de financiële lasten voor de werkgevers mogelijk toe
als gevolg van het wetsvoorstel?
6. Gegevensdeling
De leden van de CDA-fractie lezen dat UWV voor de nieuwe toets bijzondere persoonsgegevens kan verwerken. Deze
leden vragen of de regering concreet kan aangeven welke medische gegevens voor de
werkgever afgeschermd blijven, welke gegevens wel aan werkgever en werknemer worden
verstrekt, hoelang deze gegevens worden bewaard en hoe wordt voorkomen dat medische
gegevens via de motivering van het besluit alsnog bij de werkgever terechtkomen.
De leden van de JA21-fractie lezen dat de Afdeling advisering van de Raad van State erop wijst dat een duidelijke
wettelijke bewaartermijn voor de medische en persoonsgegevens die UWV bij deze nieuwe
toets verwerkt, ontbreekt. De regering verwijst naar de selectielijsten van de Archiefwet,
maar de Afdeling stelt dat een expliciete wettelijke termijn van belang is gelet op
het beginsel van opslagbeperking uit de AVG en de gevoeligheid van de data. Deze leden
vragen waarom de regering ervoor kiest om het nadrukkelijke advies van de Afdeling
op dit punt terzijde te schuiven en geen expliciete bewaartermijn in de wet te verankeren.
7. Doelmatigheid en doeltreffendheid
De leden van de D66-fractie lezen dat het wetsvoorstel beoogt meer wendbaarheid te bieden aan kleine en middelgrote
werkgevers door eerder duidelijkheid te verschaffen over het te volgen re-integratiespoor.
Deze leden lezen echter dat in verschillende reacties, zoals die van UWV, onzekerheid
wordt benadrukt over de doeltreffendheid van het voorstel. Kan de regering nader toelichten
waarom zij denkt dat het voorstel doeltreffend is in het licht van deze kritiek, zo
vragen deze leden.
De leden van de VVD-fractie hechten eraan dat een wet niet alleen op papier maar ook in de uitvoering doet wat
zij beoogt. Deze leden vragen de regering in te gaan op de doeltreffendheid van de
UWV-toets in die gevallen waarin werkgever en werknemer geen overeenstemming bereiken.
Verwacht de regering dat UWV in de praktijk in een substantieel aantal gevallen toestemming
zal verlenen voor afsluiting van het eerste spoor wanneer de werknemer daar niet mee
instemt, of acht zij het waarschijnlijker dat de toets in die gevallen zelden tot
toestemming leidt? Deze leden lezen dat de werkgever uiterlijk in week 42 van het
eerste ziektejaar een verzoek tot afsluiten van het eerste spoor moet doen aan UWV.
UWV voert drie toetsen uit, waaronder de toets op arbeidsongeschiktheid. Wat zijn
de consequenties van het besluit op deze toets? Met andere woorden: als UWV de werknemer
arbeidsongeschikt acht, wat betekent dat dan voor de verdere re-integratie verplichting
van de werkgever? Is hierbij onderscheid te maken naar het percentage dat de werknemer
arbeidsongeschikt is?
De leden van de VVD-fractie stellen deze vraag omdat zij willen voorkomen dat de toets
een instrument wordt dat in theorie bestaat maar in de praktijk nauwelijks tot afsluiting
leidt, waardoor de beoogde wendbaarheid voor werkgevers grotendeels uitblijft. Deze
leden ontvangen graag een toelichting op de verwachte mate waarin de toets daadwerkelijk
soelaas biedt voor werkgevers, en op de wijze waarop de regering borgt dat het instrument
in de praktijk bruikbaar is.
De leden van de JA21-fractie lezen dat wordt gesteld dat de werkgever door het afsluiten van het eerste spoor
de zekerheid krijgt om de opengevallen functie definitief anders in te richten of
een vervanger aan te nemen. Deze leden vragen de regering of hiermee niet uitsluitend
het organisatorische knelpunt wordt geadresseerd, terwijl de financiële kern van het
probleem voor het mkb, de loondoorbetalingsplicht in het tweede ziektejaar, volledig
in stand blijft. Erkent de regering dat de daadwerkelijke ruimte voor een kleine ondernemer
om een vervanger in dienst te nemen uiterst beperkt is, zolang een aanzienlijk deel
van de loonsom vastzit in de doorbetaling van de zieke werknemer? Hoe beoordeelt de
regering in dat licht de doeltreffendheid van deze wet: biedt dit wetsvoorstel de
mkb’er in de praktijk échte wendbaarheid, of is dit door de resterende financiële
lasten in de praktijk vaak slechts een papieren werkelijkheid?
De leden van de JA21-fractie lezen dat de regering pas over vijf jaar de doeltreffendheid
wil toetsen, hoofdzakelijk middels kwalitatief onderzoek naar de «ervaren» wendbaarheid.
Gelet op de grote onzekerheden omtrent de uitvoerbaarheid door UWV, de structurele
toename van de regeldruk en de gegronde twijfels of dit wetsvoorstel het mkb in de
praktijk echt vooruit helpt, achten deze leden een termijn van vijf jaar veel te lang.
Waarom kiest de regering ervoor om zo lang te wachten met het evalueren van een wet
met zulke ingrijpende gevolgen? Is de regering bereid om op een aanzienlijk kortere
termijn, bijvoorbeeld al na twee jaar, een (tussentijdse) evaluatie uit te voeren?
Bovendien achten deze leden de «ervaren wendbaarheid» een te zachte en weinig objectieve
maatstaf. Is de regering bereid om bij deze snellere evaluatie direct te sturen op
harde, kwantitatieve indicatoren zoals het daadwerkelijke aantal aangenomen vervangers
en afgesloten spoor één-trajecten in plaats van uitsluitend af te gaan op de perceptie
achteraf?
Tot slot vragen de leden van de JA21-fractie aandacht voor de doelmatigheid in relatie
tot de opgetuigde procedures. Het ATR constateert dat de voorgestelde route leidt
tot een toename van de regeldruk voor het mkb, en noemt het verkorten van de loondoorbetalingsplicht
naar één jaar expliciet als een minder belastend alternatief. De regering wijst dit
alternatief in de memorie van toelichting echter van de hand onder verwijzing naar
het SER-advies, het in stand houden van de samenhang binnen het brede arbeidsmarktpakket
en de huidige verantwoordelijkheidsverdeling. Deze leden benaderen dit echter puur
vanuit het perspectief van doelmatigheid en vragen in dat kader of de regering objectief
en cijfermatig kan onderbouwen waarom het introduceren van dit complexe stelsel, inclusief
nieuwe UWV-toetsen, onderlinge overeenkomsten en de gang naar de kantonrechter, voor
de maatschappij en de ondernemer doelmatiger zou zijn dan een generieke inkorting
van de loondoorbetalingsplicht naar één jaar.
8. Evaluatie en monitoring
De leden van de VVD-fractie hechten aan een effectieve overheid die inzicht heeft in de kosten en de resultaten
van haar beleid. Deze leden vragen de regering of zij voornemens is de ervaren wendbaarheid
van werkgevers te monitoren, en zo ja, aan de hand van welke concrete indicatoren.
Deze leden vragen daarbij of het doel van het wetsvoorstel primair is gelegen in het
vergroten van de ervaren wendbaarheid van werkgevers, of dat de regering ook objectief
meetbare arbeidsmarkteffecten verwacht.
De leden van de VVD-fractie vragen de regering voorts of zij voornemens is jaarlijks
bij te houden hoe vaak UWV een aanvraag tot afsluiting van het eerste spoor ontvangt
en in hoeveel gevallen dit tot toekenning of afwijzing leidt, en de Kamer hierover
te informeren.
De leden van de CDA-fractie lezen dat jaarlijks wordt bijgehouden hoe vaak UWV een aanvraag tot afsluiting van
het eerste spoor ontvangt en in hoeveel gevallen dit tot een toekenning of afwijzing
leidt. Deze leden vragen of de regering bereid is in de monitoring ook op te nemen
hoe vaak het eerste spoor wordt afgesloten via schriftelijke overeenstemming tussen
werkgever en werknemer, hoeveel werknemers daarna via het tweede spoor duurzaam re-integreren,
hoeveel werknemers alsnog instromen in de WIA en hoe vaak werknemers in het tweede
ziektejaar volledig herstellen maar niet kunnen terugkeren in hun eigen functie.
9. Advies en consultatie
De leden van de D66-fractie lezen dat de regering in reactie op het College voor de Rechten van de Mens ingaat
op de positie van personen met een handicap, het wetsvoorstel en de bepalingen in
internationale verdragen zoals het VN-verdrag Handicap. Deze leden zijn benieuwd of
de regering nader kan concretiseren in hoeverre het wetsvoorstel raakt aan de positie
van werknemers met een handicap op de arbeidsmarkt, en of zij daarbij aandacht kan
besteden aan de vraag in hoeverre deze groep naar verwachting meer de gevolgen van
het wetsvoorstel zal ervaren dan andere groepen werknemers. Een van de specifieke
discussiepunten ziet toe op de toegankelijkheid van bezwaarprocedures versus civielrechtelijke
beroepsmogelijkheden, zo lezen deze leden. Kan de regering de verschillen tussen de
procedure bij de kantonrechter en de bestuurlijke bezwaar- en beroepsprocedure nader
uiteenzetten in het licht van (toegankelijke) rechtsbescherming voor werknemers met
een handicap?
De leden van de VVD-fractie achten het van belang dat aanvragen van werkgevers tot afsluiting van het eerste
spoor snel worden behandeld, zodat de wet daadwerkelijk de duidelijkheid biedt die
zij beoogt. Een werkgever moet er in de praktijk op kunnen rekenen dat hij voor aanvang
van het tweede ziektejaar weet waar hij aan toe is. Deze leden vragen de regering
met welke concrete instrumenten zij borgt dat UWV de toets binnen de beoogde termijn
van acht weken uitvoert, en hoe zij voorkomt dat deze nieuwe taak verdrinkt in de
bestaande achterstanden bij de sociaal-medische beoordelingen. Krijgt de nieuwe toets
in de prioritering daadwerkelijk dezelfde status als de WIA-beoordelingen aan het
einde van de wachttijd, en hoe wordt dat geborgd?
De leden van de PRO-fractie lezen dat verschillende respondenten tijdens de internetconsultatie hebben gewaarschuwd
voor extra onzekerheid voor zieke werknemers. Deze leden constateren dat werknemers
al relatief vroeg in het eerste ziektejaar geconfronteerd kunnen worden met gesprekken
over het beëindigen van de eerste spoor re-integratie. Deze leden vragen de regering
hoe zij beoordeelt dat een werknemer in een afhankelijke positie ten opzichte van
de werkgever verkeert en in hoeverre dit de vrijwilligheid van instemming met afsluiting
van het eerste spoor kan beïnvloeden.
De leden van de PRO-fractie lezen in het advies van de Raad voor de rechtspraak dat
de afsluiting van het eerste spoor een potentiële bron kan zijn van conflicten tussen
werkgever en werknemer en kan leiden tot een hogere belasting van de rechtspraak.
Deze leden vragen hoe de regering deze zorgen beoordeelt.
De leden van de PRO-fractie lezen dat de Afdeling advisering van de Raad van State
opmerkt dat een schriftelijke overeenkomst tussen werkgever en werknemer over het
beëindigen van de re-integratie in het eerste spoor op gespannen voet kan staan met
de uitgangspunten van de Wet verbetering poortwachter. Deze leden vragen de regering
om een reactie.
De leden van de PRO-fractie lezen in het advies van UWV dat het wetsvoorstel op basis
van de voorgelegde wettekst voorlopig technisch uitvoerbaar wordt geacht, onder de
voorwaarde dat de vraag naar en het aanbod van sociaal-medische dienstverlening voldoende
in evenwicht zijn. Deze leden merken op dat het wetsvoorstel extra werkzaamheden met
zich meebrengt voor verzekeringsartsen en arbeidsdeskundigen. Deze leden vragen hoeveel
extra fte bij UWV nodig is voor de uitvoering van het wetsvoorstel. Deze leden vragen
daarnaast hoeveel fte momenteel beschikbaar is bij UWV voor de betrokken werkzaamheden.
Tevens verzoeken deze leden de regering inzichtelijk te maken welk aandeel van de
huidige capaciteit moet worden uitgebreid. Deze leden vragen op welke manier hierover
een afweging is gemaakt. Tevens lezen deze leden dat anderhalf jaar voor de invoeringsdatum
een herijking van de uitvoeringstoets zal plaatsvinden. Ook vragen deze leden op welke
wijze de Kamer over de uitkomsten van deze herijking zal worden geïnformeerd.
De leden van de PRO-fractie lezen dat de Landelijke Cliëntenraad (LCR) in een burgertoets
kritisch is over het wetsvoorstel. Deze leden lezen dat de LCR vreest voor extra onzekerheid
en stress bij werknemers, met mogelijke negatieve gevolgen voor de re-integratie.
Ook vreest de LCR dat de mogelijkheid om het eerste spoor na één jaar af te sluiten
ten koste gaat van de ruimte voor een langer hersteltraject. Deze leden vragen de
regering op deze punten te reflecteren.
De leden van de PRO-fractie lezen dat het ATR het meest vergaande advies heeft uitgebracht.
Deze leden vragen hoe vaak het ATR heeft geadviseerd een wetsvoorstel niet in te dienen.
Deze leden verzoeken de regering daarnaast inzicht te geven in hoeveel gevallen en
bij welke wetsvoorstellen een dergelijk advies van het ATR is opgevolgd of aanleiding
heeft gegeven tot aanpassing van de voorgestelde wetgeving. Tevens vragen deze leden
of daarvan in het voorliggende wetsvoorstel sprake is geweest. Deze leden verzoeken
de regering voorts inzicht te geven in hoeveel gevallen en bij welke wetsvoorstellen
een dergelijk advies van het ATR niet is opgevolgd.
De leden van de PRO-fractie lezen dat paragraaf 3.3 naar aanleiding van het advies
van het College voor de Rechten van de Mens is aangevuld vanuit verschillende invalshoeken.
Deze leden vragen of de regering na deze aanvulling opnieuw contact heeft gehad met
het College. Deze leden vragen tevens wat de reactie van het College was op de aangevulde
toelichting en of het College van oordeel was dat daarmee voldoende tegemoet is gekomen
aan de eerder geuite aandachtspunten.
De leden van de PVV-fractie wijzen op het oordeel van UWV dat de uitvoerbaarheid afhankelijk is van voldoende
beschikbaarheid van sociaal-medische capaciteit. Hoe kan de Kamer instemmen met wetgeving
waarvan de daadwerkelijke uitvoerbaarheid pas in een later stadium definitief kan
worden vastgesteld? Kan de regering garanderen dat deze nieuwe taken niet leiden tot
langere wachttijden voor reguliere WIA-beoordelingen?
De leden van de CDA-fractie lezen dat UWV de uitvoeringstoets anderhalf jaar voor de beoogde inwerkingtreding
zal herijken, omdat dan beter kan worden vastgesteld per wanneer UWV in staat is de
wet uit te voeren. Deze leden vragen of de regering kan toezeggen dat de Kamer deze
herijking tijdig ontvangt en dat daarin in ieder geval wordt ingegaan op beschikbare
verzekeringsartsencapaciteit, verwachte aantallen aanvragen, beslistermijnen, gevolgen
voor bestaande WIA-achterstanden, uitvoeringskosten en de vraag of invoering per 1 januari
2030 verantwoord is.
10. Overgangsrecht
II Artikelsgewijs
Artikel VIII
Uit de memorie van toelichting merken de leden van de D66-fractie op dat UWV het wetsvoorstel uitvoerbaar acht mits de vraag naar en het aanbod van
sociaal-medische dienstverlening voldoende in evenwicht is. De beoogde inwerkingtreding
is in 2030, zo begrijpen deze leden. De meest recente informatie sinds communicatie
van deze beoogde inwerkingtreding, zoals sociaal-medische dienstverlening van UWV en de uitvoeringsinformatie over de WIA, schetsen echter een nog minder rooskleurig
toekomstbeeld over de tekorten in de sociaal-medische dienstverlening, zo merken deze
leden op. Terloops constateren deze leden dat maatregelen ter ontlasting van UWV,
zoals het afsluiten van de IVA, vooralsnog op pauze zijn gezet. Met welke ontwikkelingen
rond de vraag naar en het aanbod van sociaal-medische dienstverlening is bij opstellen
van de uitvoeringstoets rekening gehouden, zo vragen deze leden. Zijn de prognoses
rondom sociaal-medische dienstverlening sindsdien verslechterd? Zo ja, is de beoogde
inwerkingtreding gezien dit alles nog haalbaar?
De leden van de D66-fractie lezen dat UWV het nodig acht om in aanloop naar de beoogde
inwerkingtreding de uitvoeringstoets de herijken. Deze leden zijn benieuwd wat de
regering doet als uit deze herijkte toets blijkt dat het wetsvoorstel bij nader inzien
niet uitvoerbaar is.
Voorts merken de leden van de D66-fractie op dat voor andere voorstellen uit het arbeidsmarktpakket,
zoals de Basisverzekering Arbeidsongeschiktheid Zelfstandigen (BAZ), eenzelfde soort
uitvoeringstechnisch voorbehoud geldt. Deze leden constateren dat in deze zin het
wetsvoorstel concurrerend is met de BAZ voor wat betreft uitvoeringscapaciteit. Deelt
de regering deze inschatting? Zo ja, welke prioritering is zij voornemens aan te brengen
zodra blijkt dat er capaciteit is voor het uitvoeren van slechts één van de twee voorstellen?
De leden van de D66-fractie lezen voorts dat het advies van UWV uit 2023 een voorlopig
conclusie was, mede in afwachting van andere wetsvoorstellen die inmiddels verder
zijn uitgewerkt. Deze leden zijn benieuwd of de regering heeft overwogen om in aanloop
naar behandeling in de Kamer een hernieuwd advies van UWV aan te vragen opdat de Tweede
en Eerste Kamer der Staten-Generaal dit advies kunnen meewegen in hun beraadslaging.
Zo ja, waarom heeft de regering hiervan afgezien?
Artikel 7:669 BW
De leden van de PRO-fractie vragen waarom de regering een aparte ontslaggrond noodzakelijk acht voor deze doelgroep.
Deze leden vragen waarom niet kan worden volstaan met de bestaande ontslaggrond wegens
langdurige arbeidsongeschiktheid en welke juridische of praktische belemmeringen eraan
in de weg staan om die bestaande ontslaggrond toe te passen. Tevens vragen deze leden
welke verschillen bestaan tussen beide ontslaggronden wat betreft voorwaarden, rechtsbescherming
van werknemers en verplichtingen voor werkgevers.
De voorzitter van de commissie, Van der Lee
Adjunct-griffier van de commissie, Van den Broek
Ondertekenaars
-
Eerste ondertekenaar
T.M.T. van der Lee, voorzitter van de vaste commissie voor Sociale Zaken en Werkgelegenheid -
Mede ondertekenaar
E.E. van den Broek, adjunct-griffier
Gerelateerde documenten
Hier vindt u documenten die gerelateerd zijn aan bovenstaand Kamerstuk.