Verslag (initiatief)wetsvoorstel (nader) : 36942 Verslag inzake Wijziging van de Telecommunicatiewet, de Wet informatie-uitwisseling bovengrondse en ondergrondse netten en netwerken, en andere wetten in verband met de uitvoering van verordening (EU) 2024/1309 van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2024 inzake maatregelen om de kosten van de uitrol van elektronischecommunicatienetwerken met gigabitsnelheden te verlagen, tot wijziging van Verordening (EU) 2015/2120 en tot intrekking van Richtlijn 2014/61/EU
36 942 Wijziging van de Telecommunicatiewet, de Wet informatie-uitwisseling bovengrondse en ondergrondse netten en netwerken, en andere wetten in verband met de uitvoering van verordening (EU) 2024/1309 van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2024 inzake maatregelen om de kosten van de uitrol van elektronischecommunicatienetwerken met gigabitsnelheden te verlagen, tot wijziging van Verordening (EU) 2015/2120 en tot intrekking van Richtlijn 2014/61/EU
Nr. 5
VERSLAG
Vastgesteld 9 juni 2026
De vaste commissie voor Digitale Zaken, belast met het voorbereidend onderzoek van
bovenstaand wetsvoorstel, heeft de eer als volgt verslag uit te brengen van haar bevindingen.
Onder het voorbehoud dat de regering op de gestelde vragen tijdig en genoegzaam zal
hebben geantwoord, acht de commissie de openbare beraadslaging over dit wetsvoorstel
voldoende voorbereid.
Inhoudsopgave
I.
ALGEMEEN DEEL
2
1.
Inleiding
2
2.
Inhoud van de verordening op hoofdlijnen
3
2.1.
Toegang tot fysieke infrastructuur
5
2.2.
Coördinatie van civiele werken
6
2.3.
Vergunningen
7
2.4.
Centrale informatiepunten
8
3.
Inhoud van het wetsvoorstel
8
3.1.
Hoofdstuk 5a
8
3.2.
WIBON
9
4.
Gevolgen
9
5.
Adviezen en consultatie
10
II.
ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTING
10
Artikel ….
10
OVERIG
10
I. ALGEMEEN DEEL
1. Inleiding
De leden van de D66-fractie hebben met interesse kennisgenomen van de Uitvoeringswet
gigabitinfrastructuurverordening. Deze leden hebben nog wel de volgende opmerkingen.
De leden van de VVD-fractie vragen welke impact deze wet heeft op het Nederlandse
onderzoek dat nog loopt naar de opstelpunten.
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie hebben kennisgenomen van de Uitvoeringswet
voor de Gigabitinfrastructuurverordening (GIA). Zij steunen de richting van de GIA
en hebben enkele vragen, suggesties en opmerkingen. Deze leden benadrukken dat Nederland
een bijzondere positie heeft als EU-lidstaat met een sterke digitale connectiviteit.
Volgens hen moet Nederland optimaal gebruikmaken van de ruimte in de verordening voor
lidstaten om nadere voorwaarden te stellen om deze positie te versterken.
De leden van de CDA-fractie zijn voorstander van het versterken van de digitale infrastructuur
in Nederland, om zo bij te dragen aan een concurrerende en toekomstbestendige economie.
Het rapport Wennink benadrukt dat een sterke (digitale) infrastructuur een van de
belangrijke randvoorwaarden is voor het Nederlandse verdienvermogen. Deze leden onderschrijven
dan ook het belang van maatregelen die het gezamenlijke gebruik van bestaande fysieke
infrastructuur bevorderen en de uitrol van nieuwe fysieke infrastructuur efficiënter
maken. Hierdoor kunnen elektronische communicatienetwerken sneller, doelmatiger en
tegen lagere kosten worden uitgerold, hetgeen ten goede komt aan zowel inwoners als
bedrijven. Wel hebben zij nog een aantal vragen over dit wetsvoorstel.
De leden van de CDA-fractie vragen of de regering inzichtelijk heeft in hoeverre de
voorgestelde maatregelen daadwerkelijk bijdragen aan het verminderen van de schaarste
aan antenne-opstelpunten. Verwacht de regering dat met de verruimde mogelijkheden
voor toegang tot en medegebruik van fysieke infrastructuur en versnelde vergunningverlening
er voldoende nieuwe opstelpunten beschikbaar komen om aan de toekomstige vraag naar
mobiele connectiviteit te voldoen? Op welke analyses of prognoses is deze verwachting
gebaseerd?
De leden van de JA21-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van het wetsvoorstel
tot uitvoering van de gigabitinfrastructuurverordening. Deze leden onderschrijven
het belang van snelle en betrouwbare digitale infrastructuur voor burgers, bedrijven
en overheden. Tegelijkertijd achten zij het van belang dat de versnelling van de uitrol
van elektronische communicatienetwerken gepaard gaat met voldoende aandacht voor uitvoerbaarheid,
lokale belangen, cyberveiligheid en de bescherming van vitale infrastructuur. Zij
hebben daarom nog enkele vragen aan de regering.
De leden van de JA21-fractie merken op dat de verordening primair is gericht op de
uitrol van elektronische communicatienetwerken op land. Tegelijkertijd vormt internationale
connectiviteit een essentieel onderdeel van de digitale infrastructuur van Nederland,
Europa en de Europese Unie. Deze leden vragen de regering in hoeverre bij de uitvoering
van de Gigabitinfrastructuurverordening ook aandacht wordt besteed aan de weerbaarheid
van de bredere digitale infrastructuur. Kan de regering toelichten hoe zij de huidige
staat en toekomstige capaciteit van deze verbindingen beoordeelt? Acht de regering
de bestaande infrastructuur bovendien toereikend om de groeiende vraag naar dataverkeer
als gevolg van de verdere uitrol van gigabitnetwerken op te vangen?
Kan de regering voorts toelichten in hoeverre de effectiviteit van investeringen in
nationale gigabitnetwerken mede afhankelijk is van de capaciteit en weerbaarheid van
internationale verbindingen, waaronder zeekabels?
2. Inhoud van de verordening op hoofdlijnen
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie hebben verduidelijkende vragen over de GIA.
Ten eerste vragen zij hoe Nederland de beschikbare beleidsruimte benut heeft. Kan
de regering in algemene zin duiden hoe zij besloten heeft welke ruimte wel en niet
te benutten om aanvullende nationale regels te implementeren? Welke afweging is hier
aan vooraf gegaan, en zijn er – naast de in de memorie van toelichting beschreven
keuzes – nog andere aanvullingen die de regering heeft overwogen om op te nemen?
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie hebben begrip voor de ruimte om per algemene
maatregelen van bestuur nadere regels te stellen. Wel vragen zij om de Kamer tijdig
te informeren over het ontwikkelen van deze maatregelen, waarbij duidelijk wordt hoe
en met wie ze worden opgesteld. Voor goed controleerbare wetgeving achten deze leden
dit noodzakelijk. Hoe gaat de regering de Kamer blijvend op de hoogte houden van deze
ontwikkelingen? Gaat de regering de Kamer actief betrekken?
Ten tweede vragen de leden van de GroenLinks-PvdA-fractie zich af wat onder «alle
redelijke verzoeken» wordt verstaan. Uiteraard begrijpen zij dat de brede formulering
bewust ruimte laat. Tegelijkertijd stellen zij voor om zoveel mogelijk onduidelijkheden
weg te nemen voordat de uitvoeringswet in werking treedt. Kan de regering in heldere
taal schetsen hoe wordt bepaald wat als «redelijk verzoek» kwalificeert? Welke rol
heeft de ACM daarin en welke voorwaarden kan de (mede)wetgever daaraan stellen? Zij
stellen dezelfde vraag over de gevraagde «redelijke en billijke voorwaarden». Volstaat
het ACM-besluit uit juli 2024 als definitie?
Ten derde hebben de leden van de GroenLinks-PvdA-fractie vragen over de reikwijdte
van de aanbieders die onder de verordening vallen. Zij vragen de regering om een beeldend
overzicht te geven van Nederlandse organisaties en ondernemingen die onder de verordening
toegang moeten verlenen aan redelijke verzoeken van telecompartijen. Zijn er organisaties
en ondernemingen, bijvoorbeeld met meerdere functies, waarbij nog niet duidelijk is
of zij hier onder vallen? Zo ja, kan de regering schetsen in welke gevallen dit zo
is? Wat doet zij om deze duidelijkheid zo snel mogelijk wel te verschaffen?
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie hebben in het bijzonder aandacht voor gemeenten.
Deze leden wijzen er op dat veel gemeentelijk vastgoed wordt gebruikt of verhuurd
voor maatschappelijke doelen zoals ontmoeting, onderwijs, sport en recreatie. Is het
volledig duidelijk of ál het gemeentelijk vastgoed onder de GIA valt? Kan de regering
voorbeelden geven van soorten gemeentelijke gebouwen die hieronder vallen? Deze leden
geven aan dat maatschappelijke functies niet beperkt, of in ieder geval minimaal beperkt,
moeten worden door de uitbreiding van het mobiele netwerk. Heeft de regering met de
Vereniging van Nederlandse Gemeenten gesproken ter voorbereiding van deze wet, en
kan de regering bevestigen dat gemeenten voldoende voorbereid en uitgerust zijn op
de implementatie van de verordening?
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie vragen de regering om in heldere taal uit
te leggen wat de GIA verandert aan de rechten van huurders en verhuurders ten opzichte
van aanbieders van telecommunicatie. De alinea die dit beschrijft vinden zij onvoldoende
duidelijk. Wat verandert in de praktijk voor huurders, verhuurders en woningcorporaties
door deze verordening? Hoe raakt de verordening aan het instemmingsrecht van bewoners?
Kunnen bewoners in het geval dat zij hinder ondervinden aan het aansluiten van een
netwerk, compensatie vragen? Is het bijvoorbeeld mogelijk dat er als tegenprestatie
voor het gebruiken van een huurwoning voor telecommunicatie-infrastructuur, er ook
snelle internetaansluitingen voor een gunstige prijs worden gerealiseerd voor bewoners?
Aan wie is het om dergelijke afspraken te maken?
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie lezen dat de verordening de Europese Commissie
toestaat om nadere richtsnoeren vast te stellen voor toegang tot infrastructuur. Deze
leden vragen welke belanghebbenden hierbij worden geraadpleegd.
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie vinden de waarborgen voor de veiligheid van
overheidsgebouwen onvoldoende duidelijk. De regering schrijft dat op grond van veiligheid,
toegang tot overheidsgebouwen aan aanbieders geweigerd mag worden. Het is echter niet
duidelijk hoe deze weigering onderbouwd moet worden. Zij vragen de regering om duidelijk
uit te leggen bij wie de bewijslast ligt. Hoe moeten overheden onderbouwen dat de
veiligheid, integriteit of vertrouwelijkheid van infrastructuur in het geding komt
bij een verzoek tot toegang? Hoeveel tijd is er om deze weigering te onderbouwen?
Hoe kan een aanbieder hiertegen in bezwaar gaan? Deze leden benadrukken dat gevoelige
informatie over infrastructuur goed beveiligd dient te worden, en stellen voor om
op dit punt zeer terughoudend te zijn. Zij horen graag van de regering hoe zij dit
betracht. Hiertoe achten zij het noodzakelijk dat de Autoriteit Consument & Markt
voldoende capaciteit heeft om de handhavingsverzoeken te behandelen.
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie vinden het onzorgvuldig dat niet kan worden
gesteld welke entiteit in positie is om, op basis van nationale veiligheid, een toegangsverzoek
te weigeren. Deze leden volgen de redenering van de regering dat dit gaat om netwerkexploitanten
en overheidsinstanties, maar hebben zekerheid nodig dat dit ook echt het geval wordt.
Hoe gaat de regering hier zo snel mogelijk helderheid over krijgen? Kan de regering
bevestigen dat alle EU-lidstaten deze uitleg volgen? Zo ja, acht zij het van toegevoegde
waarde om dit punt in de wet of in algemene maatregelen van bestuur (AMvB) nader te
specificeren?
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie lezen dat in AMvB’s nadere regels kunnen worden
gesteld aan de civiele werken die buiten de informatieplicht komen te vallen. Dit
achten deze leden een nuttig instrument om nationale veiligheidsrisico’s af te dekken.
Zij vragen de regering om duidelijk te maken welke bepalingen de regering voornemens
is om per AMvB op te nemen op dit punt.
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie hebben vragen over de aanvraagtermijn voor
vergunningen. Het is voor hen niet duidelijk of 20 werkdagen een haalbare en noodzakelijke
tijdsspanne is. Zijn er andere termijnen overwogen? Is er ook ruimte om op nationaal
niveau kortere termijnen te bepalen, is dat overwogen? Wel stellen deze leden dat
ten zeerste moet worden voorkomen dat vergunningen verleend worden, omdat de termijn
niet gehaald wordt. Zij vragen de regering om duidelijk te maken wat er nodig is om
dit te voorkomen.
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie hebben vragen over hoe vertrouwelijkheid in
de centrale informatiepunten wordt gewaarborgd. Gevoelige informatie over infrastructuur
dient maximaal beschermd te worden. Kan de regering helder schetsen hoe beoordeeld
wordt welke informatie wél en niet wordt gedeeld met oog op gevoelige informatie?
Hoe voorkomt zij dat verschillende verstrekte documenten, die op zichzelf niet gevoelig
zijn, alsnog in gezamenlijkheid een risico kunnen vormen voor de nationale veiligheid?
Komt er een beveiligde omgeving waarbinnen informatie wordt verschaft om te voorkomen
dat het gezien wordt door derden? Zijn er, naast het Kadaster en de Rijksinspectie
Digitale Infrastructuur, nog andere organisaties overwogen als bevoegde instanties?
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie vragen of de «redelijke uitleg van de verordening»
over het glasvezelklaar maken van wooncomplexen voldoende helder is. Is de regering
bereid om dit in de wetstekst of per algemene maatregel van bestuur te bestendigen,
zodat er geen onzekerheid bestaat over de soorten gebouwen die hier wel niet onder
vallen?
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie lezen dat in de GIA ook een voorstel staat
om de kosten voor roaming in heel Europa gelijk te trekken. Zij vragen de regering
hoe groot de kostenverschillen tussen roaming in het binnenland en binnen Europa nu
nog zijn en met hoeveel de kosten zullen worden verlaagd. Heeft dit nog financiële
consequenties voor telecombedrijven of lidstaten?
2.1. Toegang tot fysieke infrastructuur
De leden van de CDA-fractie lezen dat netwerkexploitanten en overheidsinstanties die
eigenaar zijn van of zeggenschap hebben over fysieke infrastructuur moeten voldoen
aan alle redelijke verzoeken van exploitanten om toegang tot die infrastructuur. Deze
leden constateren dat het begrip «redelijk verzoek» ruimte laat voor interpretatie.
Wat voor een exploitant een redelijk verzoek is, kan door een eigenaar van infrastructuur
immers als onevenredig of belastend worden ervaren. Kan de regering nader uiteenzetten
aan de hand van welke criteria wordt beoordeeld of sprake is van een redelijk verzoek?
De leden van de CDA-fractie constateren dat veel bepalingen in de verordening open
normen bevatten, zoals de begrippen «redelijke verzoeken» en «redelijke en billijke
voorwaarden». In hoeverre verwacht de regering dat de nadere invulling van deze normen
in de praktijk door de ACM zal plaatsvinden en vindt de regering dit wenselijk?
De leden van de CDA-fractie lezen dat informatie over fysieke infrastructuur in beginsel
direct via het centrale informatiepunt (CIP) beschikbaar moet zijn en, indien deze
informatie daar niet beschikbaar is, alsnog binnen tien dagen na een verzoek elektronisch
moet worden verstrekt. Deze leden vragen hoe de regering ervoor zorgt dat deze termijn
in de praktijk daadwerkelijk wordt gehaald. Hebben gemeenten dit punt inmiddels goed
ingericht? Kan de regering tevens aangeven welke gevolgen het heeft indien netwerkexploitanten
of overheidsinstanties deze termijn niet naleven? Welke handhavingsinstrumenten staan
de ACM daarbij ter beschikking en hoe verwacht de regering dat hiervan gebruik zal
worden gemaakt?
De leden van de CDA-fractie vragen hierbij of de ACM actief zal handhaven of meer
reactief naar aanleiding van handhavingsverzoeken. Kan de regering hier meer duidelijkheid
over geven?
De leden van de CDA-fractie lezen dat er terechte weigeringsgronden zijn aangewezen
om informatieverzoeken te weigeren. Deze leden vragen echter welke instanties bepalen
of deze weigeringsgronden terecht toegepast worden.
Meer in algemene zin vragen de leden van de CDA-fractie hoe wordt voorkomen dat kwaadwillenden
via de centrale informatiepunten inzicht verkrijgen in de ligging, aard of kwetsbaarheden
van vitale infrastructuur. Welke technische, organisatorische en juridische waarborgen
zijn opgenomen om misbruik van deze informatie te voorkomen? Zijn dit dezelfde waarborgen
die kritieke (of essentiële) entiteiten onder de Cyberbeveiligingswet hebben te regelen?
De leden van de CDA-fractie vragen of de Kamer periodiek geïnformeerd worden, eventueel
vertrouwelijk, over de voortgang en de eventuele kwetsbaarheden, voor zowel de nieuwe
als de reeds bestaande infrastructuur.
De leden van de JA21-fractie begrijpen dat de Gigabitinfrastructuurverordening uitgaat
van een ruimere mogelijkheid voor aanbieders om gebruik te maken van bestaande fysieke
infrastructuur. Deze leden constateren dat daarbij geen afbreuk wordt gedaan aan het
eigendomsrecht van de eigenaar van de betreffende infrastructuur. Zij vragen de regering
nader toe te lichten hoe de aansprakelijkheid is geregeld wanneer schade ontstaat
aan gedeelde infrastructuur.
De leden van de JA21-fractie vragen of de regering kan aangeven welke partij verantwoordelijk
is indien werkzaamheden van een aanbieder leiden tot beschadiging van bestaande infrastructuur
of verstoring van dienstverlening. Kan de regering tevens toelichten hoe wordt vastgesteld
wie de schade heeft veroorzaakt als meerdere partijen dezelfde infrastructuur gebruiken?
En wie draagt de kosten als schade niet direct aan één partij kan worden toegerekend?
Kan een eigenaar anderzijds aansprakelijk worden gesteld door derden voor een storing
die feitelijk is veroorzaakt door een gebruiker van de infrastructuur?
De leden van de JA21-fractie vragen de regering eveneens toelichten wie verantwoordelijk
is voor preventief onderhoud van gedeelde infrastructuur? Zijn de bestaande regels
voldoende duidelijk, of verwacht de regering meer geschillen door het verplichte delen
van infrastructuur?
2.2. Coördinatie van civiele werken
De leden van de CDA-fractie hopen dat de verordening leidt tot de beoogde versnelling
van de uitrol van digitale infrastructuur. Deze leden zien daarnaast ook graag dat
aanlegwerkzaamheden in de openbare ruimte efficiënter worden uitgevoerd en beter op
elkaar worden afgestemd. Het is immers hinderlijk voor inwoners en ondernemers én
inefficiënt in een tijd van personeelsschaarste wanneer dezelfde straat of wijk binnen
korte tijd meermaals moet worden opengebroken voor verschillende werkzaamheden.
Deze leden vragen daarom in hoeverre de verordening naar verwachting zal bijdragen
aan een betere coördinatie van civiele werken. Heeft de regering inzicht in de mate
waarin de voorgestelde maatregelen zullen leiden tot minder graafbewegingen en minder
overlast voor inwoners en ondernemers?
Daarnaast vragen de leden van de CDA-fractie of de verordening ook regels bevat ten
aanzien van het opruimen of verwijderen van verouderde infrastructuur wanneer nieuwe
kabels, leidingen of installaties worden aangelegd. Kan de regering aangeven welke
regels momenteel gelden voor het beheer en de verwijdering van buiten gebruik gestelde
telecominfrastructuur?
De leden van de CDA-fractie hebben ook een eerdere zienswijze van de VNG gelezen waarin
een zorg wordt geuit over de consequenties voor andere ruimtelijke opgaven en (het
gebrek aan) samenhang. Kan de regering toelichten hoe de samenhang met andere ruimtelijke
opgaven wordt geborgd? Welke ondersteuning wordt geboden aan gemeenten om de verschillende
infrastructuuropgaven integraal af te wegen en te coördineren?
2.3. Vergunningen
De leden van de D66-fractie lezen dat Nederland gebruikmaakt van de mogelijkheid om
af te wijken van de hoofdregel dat een vergunning van rechtswege wordt verleend indien
niet tijdig wordt beslist (lex silencio positivo). Deze leden vragen waarom de regering voor deze afwijking heeft gekozen. Welke risico’s
of bezwaren zag de regering in toepassing van de hoofdregel uit de verordening? Hoe
wordt geborgd dat bevoegde autoriteiten vergunningaanvragen desondanks tijdig blijven
behandelen? Worden doorlooptijden gemonitord? Kan de regering aangeven hoe de Nederlandse
keuze zich verhoudt tot die van andere lidstaten? Maken andere lidstaten eveneens
gebruik van deze afwijkingsmogelijkheid en hoe verhouden de Nederlandse vergunningstermijnen
zich tot die elders in de Europese Unie?
De leden van de CDA-fractie zijn voorstander van het versnellen van vergunningprocedures
en kunnen zich vinden in het uitgangspunt dat vergunningaanvragen voor de uitrol van
digitale infrastructuur in beginsel binnen vier maanden worden afgehandeld. Deze leden
hebben echter wel vragen over de naleving van deze termijn in de praktijk. Op welke
wijze wordt geborgd dat bevoegde autoriteiten deze beslistermijn daadwerkelijk halen?
Welke mogelijkheden bestaan er om op te treden wanneer de termijn wordt overschreden?
En hoe kan de Rijksoverheid hierop samenwerken met gemeenten, zodat er sprake van
eenduidige, geharmoniseerde uitvoering van beleid?
De leden van de JA21-fractie onderschrijven verder het belang van efficiënte vergunningprocedures
voor de uitrol van elektronische communicatienetwerken. Tegelijkertijd achten deze
leden het van belang dat gemeenten voldoende mogelijkheden behouden om publieke belangen,
waaronder veiligheid en de inrichting van de openbare ruimte, te beschermen. Zij constateren
dat de Gigabitinfrastructuurverordening vergunningverlening van rechtswege als hoofdregel
kent bij niet tijdig beslissen, maar dat Nederland in artikel 5a.5 kiest voor uitsluiting
daarvan. Kan de regering nader motiveren waarom in dit domein wordt afgeweken van
deze prikkel tot tijdige besluitvorming, welke concrete publieke belangen deze afwijking
noodzakelijk maken, en welke maatregelen worden genomen om te voorkomen dat aanvragers
alsnog worden geconfronteerd met trage besluitvorming? Kan de regering aangeven welk
algemeen toetsingskader zij hanteert voor de vraag in welke vergunningstelsels een
lex silencio positivo passend is en in welke niet?
2.4. Centrale informatiepunten
De leden van de JA21-fractie zien de meerwaarde van een centraal informatiepunt voor
het delen van gegevens over infrastructuur en geplande werkzaamheden. Tegelijkertijd
merken deze leden op dat een dergelijke voorziening een grote hoeveelheid informatie
over vitale infrastructuur bijeenbrengt. Kan de regering nader toelichten welke technische
en organisatorische maatregelen worden getroffen om de beveiliging van het centrale
informatiepunt te waarborgen? Hoe wordt verder voorkomen dat het centrale informatiepunt
zelf een aantrekkelijk doelwit wordt voor cyberaanvallen, spionage of andere vormen
van ongeoorloofde toegang? Acht de regering verder de getroffen waarborgen afdoende
gelet op het vitale karakter van de informatie die via het systeem beschikbaar wordt
gesteld?
3. Inhoud van het wetsvoorstel
3.1. Hoofdstuk 5a
De leden van de VVD-fractie lezen dat de regering voorstelt af te zien van de mogelijkheid
die deze wet biedt tot lex silencio positivo, wat inhoudt dat de vergunning wordt geacht te zijn toegekend als er niet binnen
de passende termijn een besluit is genomen over de vergunning. Deze leden vragen zich
af hoe zich dit verhoudt tot de afspraak uit het coalitieakkoord welke stelt dat wordt
bezien of vergunningen voor eenvoudige aanvragen automatisch kunnen worden goedgekeurd
als termijnen worden overschreden, alsmede van de afspraak nationale koppen op EU-wet-
en regelgeving te schrappen.
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie vragen de regering welke algemene maatregelen
bestuur zij van plan is te maken bij hoofdstuk 5a. Kan de regering uitleggen of zij
van plan is hier gebruik van te maken, en zo ja, welke maatregelen zij op wil nemen?
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie begrijpen niet dat er geen bepaling is opgenomen
in de wet over de voorwaarden waarmee vertrouwelijke informatie over civiele werken
wordt verkregen. In het kader van nationale veiligheid achten de leden van het grootste
belang dat dit helder en volledig wordt ingekaderd, voordat de wet in werking treedt.
Hoe gaat de regering hiervoor zorgen?
De leden van de CDA-fractie lezen dat Nederland gebruikmaakt van de mogelijkheid om
af te wijken van de hoofdregel van de lex silencio positivo. Deze leden begrijpen
dat een vergunning daardoor niet automatisch van rechtswege wordt verleend indien
niet tijdig wordt beslist. Kan de regering nader toelichten welke mogelijkheid een
aanvrager in dat geval heeft om toch snel duidelijkheid te krijgen? Wat zijn de gevolgen
indien een bevoegde autoriteit geen gehoor geeft aan een verzoek tot een gesprek over
de vergunningaanvraag of anderszins niet tijdig handelt?
De leden van de CDA-fractie vragen of inzichtelijk is in hoeverre de in de verordening
opgenomen beslistermijn van vier maanden aansluit bij de huidige praktijk. Kan de
regering aangeven welk percentage van de vergunningaanvragen die benodigd zijn voor
de uitrol van VHC-netwerken momenteel binnen vier maanden wordt afgehandeld en welk
percentage deze termijn overschrijdt?
Voorts vragen de leden van de CDA-fractie wat de concrete effecten zouden zijn geweest
indien Nederland ervoor had gekozen de lex silencio positivo wel van toepassing te
verklaren. Heeft de regering inzicht in hoeveel vergunningprocedures hierdoor naar
verwachting zouden zijn versneld? Zij vragen op basis van welke overwegingen is geconcludeerd
dat de gekozen alternatieve waarborgen voldoende zijn om tijdige besluitvorming te
stimuleren?
De leden van de CDA-fractie lezen dat de in de Telecommunicatiewet opgenomen gedoogplicht
voor de aanleg van openbare elektronische communicatienetwerken in stand blijft. Deze
leden vragen de regering nader uiteen te zetten wat de precieze reikwijdte van deze
gedoogplicht is. Welke werkzaamheden, voorzieningen en infrastructuur vallen hieronder
en welke niet?
3.2. WIBON
De leden van de CDA-fractie lezen dat met de komst van de verordening verschillende
bepalingen uit de Wet informatie-uitwisseling bovengrondse en ondergrondse netten
en netwerken (WIBON) komen te vervallen, met name waar het gaat om informatie-uitwisseling
en geschillenbeslechting ten behoeve van medegebruik van infrastructuur en de coördinatie
van civiele werken. Deze leden vragen of de verordening op deze punten volledig in
de plaats treedt van de bestaande nationale regelgeving, of dat daarnaast nog aanvullende
verplichtingen of bevoegdheden worden geïntroduceerd. Kan de regering inzichtelijk
maken welke rechten en plichten materieel wijzigen ten opzichte van de huidige situatie?
4. Gevolgen
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie zijn benieuwd naar de verdere afweging die
de Europese Commissie heeft gemaakt om de GIA op deze manier in te richten. Er worden
vier opties opgesomd waaruit gekozen is. Deelt de regering de analyse dat optie 3,
welke nu voorligt, de meeste voordelen heeft? Welke onderdelen van de andere drie
opties hebben meerwaarde en kunnen deze nog ter inspiratie dienen voor de verdere
behandeling en implementatie van de GIA?
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie zijn benieuwd waarom het niet is gelukt om
een Nederlandse provincie bereid te vinden om mee te werken aan een onderzoek naar
de impact op decentrale overheden. De GIA heeft een sterke lokale werking en dient
goed uitvoerbaar te zijn voor overheden, mede gezien de termijnen voor vergunningsverlening.
Heeft de regering contact gehad met het Interprovinciaal Overleg (IPO) over de gevolgen
van de verordening? Kan zij schetsen welke gevolgen er zijn voor Provincies en of
deze vergelijkbaar zijn als de gevolgen voor gemeenten?
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie zijn benieuwd hoe gebouwen van zbo’s, agentschappen
en staatsdeelnemingen onder de verordening vallen. Nederland kent immers veel zelfstandige
organen die desondanks financieel gebonden zijn aan overheden. Is volledig duidelijk
welke gevolgen de verordening heeft op dergelijke organen? De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie
stellen in het verlengde de vraag welke definitie de ACM hanteert van «overheidsinstanties»
en of deze de volle breedte van instanties volgens de regering ook dekt.
De leden van de CDA-fractie lezen dat de wet pas uitgevoerd kan worden na goedkeuring
van de eerstvolgende suppletoire begroting. Kan de regering aangeven wat de omvang
is van de incidentele en structurele kosten die met de uitvoering van dit wetsvoorstel
gemoeid zijn? Kan zij daarbij tevens aangeven onder welke begrotingsartikelen deze
middelen zijn opgenomen en hoe deze kosten zijn opgebouwd?
5. Adviezen en consultatie
De leden van de D66-fractie lezen dat de ACM extra structurele middelen nodig acht
voor de uitvoering van haar nieuwe taken. Hoe verhoudt zich dit tot de verwachte langetermijnbesparingen
voor publiekrechtelijke instanties, en ziet de regering aanleiding de verdeling van
middelen binnen de uitvoering hierop aan te passen?
De leden van de D66-fractie lezen voorts dat de ACM adviseert de taken, verantwoordelijkheden
en capaciteit tijdig te evalueren en dat de regering hieraan tegemoet wil komen. Wanneer
wordt deze evaluatie voorzien?
II. ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTING
Artikel ....
Artikel 6
De leden van de VVD-fractie vragen welke nationale infrastructuur straks als kritiek
aangemerkt gaat worden waarvoor dan uitzonderingen zouden gelden. Vallen elektronische
communicatienetwerken hier ook onder?
Artikel 7
De leden van de VVD-fractie lezen dat er besluittermijnen van acht weken gehanteerd
worden, met de mogelijkheid tot acht weken uitstel. Deze leden vragen of deze termijnen
voor Nederland ook gewenst zijn of dat het in Nederland sneller en efficiënter kan
met kortere termijnen.
Artikel 5a.4 en Artikel 14a
De leden van de JA21-fractie constateren dat artikel 5a.4 van het wetsvoorstel de
grondslag biedt om bepaalde nationale kritieke infrastructuur uit te zonderen van
verplichtingen die voortvloeien uit de Gigabitinfrastructuurverordening. Deze leden
merken op dat de Telecommunicatiewet reeds een beschermingsregime kent in artikel
14a (Wet ongewenste zeggenschap telecommunicatie), waarin voor de bescherming van
nationale veiligheidsbelangen wordt gewerkt met concrete criteria voor vitale telecominfrastructuur.
Kan de regering toelichten in hoeverre bij de uitwerking van artikel 5a.4 aansluiting
wordt gezocht bij de criteria die reeds worden gehanteerd in artikel 14a van de Telecommunicatiewet?
Hoe voorkomt de regering dat verschillende afbakeningen van vitale of kritieke digitale
infrastructuur naast elkaar ontstaan? Acht de regering het tot slot mogelijk dat infrastructuur
die onder artikel 14a bescherming geniet vanwege nationale veiligheidsbelangen, niet
onder de uitzonderingsregeling van artikel 5a.4 valt? Zo ja, hoe beoordeelt de regering
dit vanuit het oogpunt van digitale weerbaarheid en nationale veiligheid?
OVERIG
Gelet op het belang van de nog uit te werken lagere regelgeving vragen de leden van
de D66-fractie op welke wijze de parlementaire betrokkenheid bij de verdere uitwerking
van het wetsvoorstel wordt vormgegeven. Is de regering bereid daarbij een voorhangprocedure
toe te passen?
De leden van de CDA-fractie lezen dat de uitvoeringstermijn van 11 november 2025 niet
is gehaald. Zij vragen de regering wat dit betekent voor de bepalingen en verplichtingen
voortvloeiend uit dit wetvoorstel. Wat is het concrete effect van het niet halen van
deze implementatietermijn met daarbij specifiek het effect van een infractieprocedure
van de Europese Commissie.
De leden van de CDA-fractie vragen daarnaast welke concrete maatregelen de regering
neemt om vertraging te beperken.
De leden van de JA21-fractie vragen de regering om in bredere zin uiteen te zetten
welk toetsingskader zij hanteert bij de vraag of vergunningverlening van rechtswege
passend is. Deze leden achten het van belang dat de overheid niet per beleidsterrein
willekeurig kiest voor of tegen de lex silencio positivo, maar werkt vanuit een herkenbare
lijn waarin rechtszekerheid, uitvoerbaarheid, bescherming van publieke belangen en
snelheid van besluitvorming in balans zijn. Kan de regering aangeven in welke typen
vergunningstelsels zij de lex silencio positivo verantwoord acht en in welke typen
vergunningstelsels niet? Kan de regering daarbij expliciet ingaan op vergunningprocedures
waar grote publieke belangen en urgente investeringsopgaven samenkomen, zoals energie-infrastructuur
en mijnbouwactiviteiten? Welke lessen trekt de regering uit dit wetsvoorstel voor
andere domeinen waar trage vergunningverlening investeringen in energiezekerheid,
infrastructuur of economische ontwikkeling kan vertragen? Is de regering bereid een
kabinetsbrede lijn te ontwikkelen voor toepassing van de lex silencio positivo, zodat
burgers en bedrijven beter weten wanneer zij mogen rekenen op tijdige besluitvorming
met duidelijke rechtsgevolgen bij overschrijding van termijnen?
De voorzitter van de commissie, Dekker
Adjunct-griffier van de commissie, Muller
Ondertekenaars
-
Eerste ondertekenaar
R.J. Dekker, voorzitter van de vaste commissie voor Digitale Zaken -
Mede ondertekenaar
S.R. Muller, adjunct-griffier
Gerelateerde documenten
Hier vindt u documenten die gerelateerd zijn aan bovenstaand Kamerstuk.