Lijst van vragen en antwoorden : Lijst van vragen en antwoorden inzake het Jaarverslag Ministerie van Economische Zaken 2025 (Kamerstuk 36945-XIII-1)
36 945 XIII Jaarverslag en slotwet Ministerie van Economische Zaken 2025
Nr. 6
LIJST VAN VRAGEN EN ANTWOORDEN
Vastgesteld 9 juni 2026
De vaste commissie voor Economische Zaken heeft een aantal vragen voorgelegd aan de
Minister van Economische Zaken over de brief van 20 mei 2026 inzake het Jaarverslag
Ministerie van Economische Zaken 2025 (Kamerstuk 36 945 XIII, nr. 1).
De Minister heeft deze vragen beantwoord bij brief van 9 juni 2026. Vragen en antwoorden
zijn hierna afgedrukt.
De voorzitter van de commissie, Van Eijk
Adjunct-griffier van de commissie, Krijger
1
Welke taken horen echt bij de kern van de Kamer van Koophandel (KvK) en welke taken
zijn daar later bovenop gekomen?
Antwoord
KVK beheert het Handelsregister en enkele aanpalende registers en geeft informatie
en advies. Dit is uitgewerkt in zes wettelijke taken: het beheren van registers (waaronder
het Handelsregister), het bieden van algemene voorlichting aan (toekomstige) ondernemers,
het stimuleren van innovatie, het stimuleren van regio’s, het beheren van fysieke
ondernemerspleinen en het beheren van het digitaal ondernemersplein. Deze taken zijn
vastgelegd in de Wet op de Kamer van Koophandel 2014 en de Handelsregisterwet 2007.
Het aantal wettelijke taken is sinds 2014 niet toegenomen. De activiteiten onder de
noemer van deze wettelijke taken wel. Zo is het aantal registers dat KVK beheert toegenomen,
door toevoeging van het UBO-, UBO-Trust-, LEI-, en Bestuursverbodenregister. Het beheer
van de UBO- en UBO-Trustregisters is een activiteit die KVK in opdracht van de Ministeries
van J&V en Financiën uitvoert.
2
Welke onderbouwing ligt eraan ten grondslag dat de KvK activiteiten uitvoert op het
gebied van advies, innovatie en regionale ondersteuning? Is onderzocht of deze dienstverlening
ook door marktpartijen of andere organisaties kan worden uitgevoerd?
Antwoord
De onderbouwing voor de activiteiten van de Kamer van Koophandel op het gebied van
advies, innovatie en regionale ondersteuning ligt in haar wettelijke innovatie- en
regiostimuleringstaak. Vanuit die taak moet KVK bijdragen aan een goed ondernemersklimaat,
ondernemers ondersteunen bij groei en innovatie, en ondernemers beter verbinden met
publieke en regionale netwerken.
Ondernemers – met name starters en mkb’ers – hebben vaak moeite om hun weg te vinden
in het versnipperde landschap van publieke en private dienstverlening. KVK vervult
voor hen een loket- en doorverwijsfunctie en werkt samen met regionale partners, zoals
ROM’s, medeoverheden, brancheorganisaties en private adviseurs.
De conclusie uit het eindrapport Evaluatie KVK 2018–2024 van Kwink en KPLUSV dat medio
juni 2026 per brief naar de Eerste en Tweede Kamer wordt verzonden, is dat KVK volgens
betrokken stakeholders een publieke, onafhankelijke en laagdrempelige rol vervult.
Met name de eerstelijns informatievoorziening, doorverwijzing en regionale verbinding
wordt gewaardeerd.
Daarnaast is in de wet- en zbo-evaluatie KVK 2018–20241 expliciet onderzocht hoe de dienstverlening van KVK zich verhoudt tot die van marktpartijen
en andere organisaties. Daarbij is gekeken naar overlap, aanvullende waarde en positionering
binnen het bredere ecosysteem van ondernemersdienstverlening. Voor de taken innovatie-
en regiostimulering geldt dat overheidsingrijpen wenselijk en noodzakelijk is, waarbij
wel een herijking wordt geadviseerd van de innovatie- en regiostimuleringstaak zodat
deze beter aansluit bij de register en voorlichtingstaak van KVK.
3
Welke overwegingen liggen ten grondslag aan het feit dat ondernemers moeten betalen
voor inschrijving bij de KvK, terwijl die inschrijving wettelijk verplicht is en het
Handelsregister vooral een publieke basisvoorziening is voor rechtszeker zakendoen
die al gefinancierd wordt door belastinggeld?
Antwoord
Het Handelsregister is een openbaar register en vormt een onderdeel van de vitale
infrastructuur van Nederland. KVK is belast met het beheer van dit register. Sinds
2013 wordt de financiering van KVK grotendeels verzorgd via een Rijksbijdrage vanuit
de begroting van het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat (EZK). Om recht te
doen aan het uit het begrotingsbeleid voortvloeiende uitgangspunt dat «de gebruiker
betaalt» worden de werkzaamheden van KVK daarnaast deels gefinancierd uit inkomsten
van derden.
KVK brengt daarom voor een deel van haar producten en diensten, zoals het toetsen
en verwerken van nieuwe inschrijvingen, tarieven in rekening ter dekking van een deel
van de kosten die samenhangen met het beheer en de instandhouding van het Handelsregister.
De tarieven voor producten en diensten van KVK worden door het ministerie vastgesteld
bij ministeriële regeling. KVK heeft geen winstoogmerk.
4
Hoe verhoudt de huidige taakstelling van de KvK zich tot de ambitie van het kabinet
om de overheid kleiner en slagvaardiger te maken, en is onderzocht welke activiteiten
kunnen worden versoberd, geschrapt of aan de markt kunnen worden overgelaten?
Antwoord
Er is een rijksbrede taakstelling opgelegd die ook gevolgen heeft voor uitvoeringsorganisaties
en organisaties op afstand, zoals de Kamer van Koophandel (KVK). Deze organisaties
leveren een solidariteitsbijdrage aan de taakstelling door efficiënter te werken en
daarmee kosten te besparen. KVK draagt bij aan de aan het Ministerie van Economische
Zaken (EZK) opgelegde efficiencytaakstelling door de komende jaren, oplopend tot ongeveer
5,8% aan besparingen te realiseren. (Kabinet Schoof vanaf 2025, OCW vanaf 2026 en
Kabinet Jetten vanaf 2027). Deze taakstellingen worden vanaf 2025 verwerkt in de toe
te kennen rijksbijdragen en zijn structureel.
KVK werkt echter al geruime tijd aan het verhogen van de doelmatigheid van de organisatie.
Sinds 2014 zijn diverse maatregelen genomen om efficiënter te opereren. Zo is het
aantal vestigingen teruggebracht van 26 kantoren in 2014 naar 15 locaties in 2025.
Ook stuurt KVK actief op het beperken van externe inhuur. Voor het behouden van een
flexibele schil en voor specialistische functies blijft externe inhuur echter noodzakelijk.
De invulling van de taakstelling voor de komende jaren zal in nauwe samenspraak met
de KVK verder worden vormgegeven. Daarbij worden de resultaten en aanbevelingen uit
de wets- en zbo-evaluatie KVK 2018–2024 en de Actieagenda MKB-dienstverlening2 betrokken.
5
Zou er een mogelijk zijn om de taakstelling van de KvK terug te brengen tot enkele
kerntaken, zodat verplichte inschrijving en basisinformatie uit het Handelsregister
gratis kunnen worden voor ondernemers?
Antwoord
Volgens de wet- en zbo-evaluatie sluiten de activiteiten van KVK aan bij één of meer
wettelijke taken en is de kwaliteit van de dienstverlening over het algemeen goed.
Registervoering en voorlichting vormen de kern van de activiteiten van KVK en worden
in onderlinge samenhang uitgevoerd. Deze activiteiten worden beschouwd als de kernactiviteiten
van KVK en zijn ook wettelijk opgedragen taken (zie de bij vraag 1 genoemde zes wettelijke
taken).
De evaluatie kijkt terug op de periode 2018–2024. EZK en KVK gebruiken de resultaten
en aanbevelingen uit de evaluatie om gezamenlijk invulling te geven aan de toekomstige
ontwikkeling van de organisatie. Er zijn daarbij een aantal trends en ontwikkelingen
te zien die, naar verwachting, bij het gesprek over de invulling van de financiële
taakstellingen betrokken zullen worden.
KVK wordt de komende jaren geconfronteerd met nieuwe nationale en Europese verplichtingen,
zoals op het gebied van UBO-registers, Europese digitale wallets, het 28e regime en
cyberveiligheid. Deze ontwikkelingen stellen aanvullende eisen aan het Nederlandse
registerlandschap en vragen om extra investeringen.
Om hieraan te kunnen voldoen, is verdere vernieuwing van het registerlandschap wenselijk.
Hierdoor kan KVK nieuwe wet- en regelgeving flexibeler implementeren en de verdere
digitalisering van processen ondersteunen, zodat dienstverlening eenvoudiger, efficiënter
en toekomstbestendiger wordt. Daarbij geldt dat de benodigde investeringen veelal
voorafgaan aan de baten.
De Europese Digitaliseringsrichtlijn (Richtlijn (EU) 2019/1151 verplicht EU-lidstaten
om basisgegevens van kapitaalvennootschappen kosteloos elektronisch beschikbaar te
stellen via het stelsel van gekoppelde registers (BRIS). Ook in andere Europese verordeningen
en richtlijnen wordt kosteloze data voorgeschreven. EZK en KVK monitoren dit jaarlijks
voor zover dit impact heeft op bekostigingsmodel KVK. Op termijn is wellicht een gewijzigde
financieringsmethodiek wenselijk.
Ten overvloede: Basisinformatie over bedrijven is al kosteloos toegankelijk. Op de
website van KVK vindt men gegevens als naam van een onderneming, KVK-nummer, vestigingsplaats,
rechtsvorm en of een bedrijf actief is of gestopt. De basisgegevens van bestuurders
en functionarissen zijn ook (beperkt) beschikbaar. Uitgebreidere gegevens zijn beschikbaar
tegen betaling, hiermee wordt recht gedaan aan het «gebruiker betaalt»-principe en
wordt een mate van kostendekking voor het register gegenereerd. Als gevolg van Europese
regels en open-data beleid worden sommige datasets tegenwoordig ook kosteloos beschikbaar
gesteld door KVK. Deze open datasets kunnen in beginsel geen persoonsgegevens bevatten,
met het oog op de AVG, en zijn daarom van beperkte informatieve waarde.
6
Wat kan Nederland leren van het Britse Companies House, waar basisinformatie over
bedrijven gratis toegankelijk is, en zou een vergelijkbaar model voor gratis basisinformatie
uit het Handelsregister in Nederland mogelijk zijn?
Antwoord
Companies House hanteert een andere tariefstructuur dan KVK. De gegevens worden kosteloos
ter beschikking gesteld. Dit betreft in het VK overigens niet de gegevens over eenmanszaken,
die niet geregistreerd worden bij Companies House, maar alleen de gegevens over vennootschappen.
Om kosten te dekken hanteert Companies House niet alleen een inschrijftarief, dat
overigens vrijwel gelijk is aan het inschrijftarief van KVK, maar ook tarieven3 voor alle mutaties die een ondernemer doorgeeft (of moet doorgeven) aan het register.
Dit geldt bijvoorbeeld ook voor afschermingsverzoeken bij veiligheidsrisico’s. Er
gelden hogere tarieven voor snellere verwerking van mutaties. Omdat er veel minder
ondernemers zijn dan gebruikers van gegevens over ondernemingen, worden in het Engelse
model de kosten neergelegd bij een kleinere groep, met evenredig hogere tarieven.
Dit is een beleidskeuze. Het kabinet heeft hierin andere keuzes gemaakt dan de overheid
in het VK. Het kabinet heeft ervoor gekozen om de kosten te verdelen over de rijksoverheid
en de gebruiker.
7
Kan de personele inzet van de KvK worden uitgesplitst naar alle taakgebieden, die
de KvK zelf onderscheidt, zodat zichtbaar wordt hoeveel medewerkers nou daadwerkelijk
werken aan verschillende taken van de KvK?
8
Kan per taakgebied van de KvK worden uitgesplitst hoeveel geld, fte en externe inhuur
daaraan wordt besteed, en welke concrete producten, diensten of resultaten daar tegenover
staan?
Antwoord
Antwoord op vraag 7 en 8. De KVK rapporteert jaarlijks per taakgebied over de gemaakte
directe en indirecte kosten van haar wettelijke taken. Voor de verantwoording hoe
de kosten van de organisatie zijn verdeeld over de verschillende wettelijke taken
maakt KVK gebruik van een systeem van activiteitencodes, waarmee werkzaamheden aan
specifieke taken worden gekoppeld. Op basis van ervaringsgegevens bepaalt KVK welke
activiteiten bijdragen aan welke wettelijke taak. Wanneer een activiteit bij meerdere
taken aansluit, worden de kosten en inzet naar rato over deze taken verdeeld. Deze
verdeling is niet altijd exact vast te stellen. Zoals bij iedere kostentoerekening
bevat de gehanteerde methodiek daarom een zekere mate van inschatting. De gebruikte
verdeelsleutels zijn erop gericht een zo realistisch mogelijk beeld te geven van de
inzet van mensen en middelen per wettelijke taak. De uitkomsten bieden inzicht in
de verdeling van kosten op hoofdlijnen.
Een verdere uitsplitsing naar afzonderlijke producten, diensten of activiteiten binnen
een taak of register wordt niet opgenomen in de openbare verantwoording en wordt ook
niet afzonderlijk gerapporteerd aan de ministeries. Hierdoor is het niet mogelijk
om een productiviteitsanalyse uit te voeren of de doelmatigheid van specifieke onderdelen
van de registertaak inzichtelijk te maken. Ook biedt de huidige kostentoerekening
geen volledig inzicht in de relatie tussen de ingezette middelen, zoals personeel
en externe inhuur, en de gerealiseerde prestaties. In de wets- en zbo-evaluatie 2018–20244 wordt daarom aanbevolen de kosten in de toekomst wel toe te rekenen aan de verschillende
onderdelen van de registertaak, zodat meer inzicht ontstaat in de doelmatigheid en
efficiëntie van de uitvoering.
9
Welke KvK-activiteiten zijn wettelijk verplicht, welke vloeien voort uit beleidskeuzes
van het ministerie of de KvK zelf, en welke activiteiten zijn niet noodzakelijk voor
het functioneren van het Handelsregister?
Antwoord
KVK heeft zes taken: Zie ook antwoord vraag 1.
Daarnaast beheert KVK ook het UBO-register voor ondernemingen en het UBO-register
voor trusts en soortgelijke constructies. Het hebben van deze registers is verplicht
op grond van Europese anti-witwasregels. De UBO-registers zijn echter niet noodzakelijk
voor het functioneren van het Handelsregister. Het opdragen van deze taak aan KVK
is een keuze van het kabinet. Voorts beheert KVK het register Bestuursverboden in
opdracht van het Ministerie van J&V.
Daarnaast kan KVK extra diensten aanbieden, zoals het afgeven van verklaringen, legaliseren
van handtekeningen en het bewaren van algemene voorwaarden. Dit zijn diensten die
gebaseerd zijn op de Wet op de Kamer van Koophandel 2014.5 Deze taken zijn niet noodzakelijk voor het functioneren van het handelsregister.
Omgekeerd is dat wel zo.
10
Welke diensten van de KvK leveren aantoonbare meerwaarde op voor ondernemers, hoe
wordt die meerwaarde gemeten, en welke activiteiten worden voortgezet zonder duidelijke
effectmeting?
Antwoord
KVK heeft als missie dat iedere ondernemer veilig en verantwoord zaken moet kunnen
doen. Een goed geïnformeerde ondernemer maakt betere keuzes. Daarmee draagt KVK bij
aan een goed ondernemersklimaat. Uit de wet- en zbo-evaluatie6 van KVK komt naar voren dat met name de basisdienstverlening – zoals het Handelsregister,
informatievoorziening voor starters, ondernemersadvies, doorverwijzing en regionale
ondersteuning – door veel ondernemers als waardevol wordt ervaren. De meerwaarde zit
volgens de evaluaties vooral in de laagdrempeligheid, landelijke dekking, betrouwbaarheid
van informatie en de onafhankelijke publieke positie van KVK. Ook de verbindende rol
richting regionale partners en publieke regelingen wordt regelmatig genoemd als toegevoegde
waarde.
De meerwaarde wordt voornamelijk gemeten via klanttevredenheidsonderzoeken, bereikcijfers,
gebruiksstatistieken (zoals websitebezoeken, contacten en bijeenkomsten) en periodieke
evaluaties van wettelijke taken. Daarnaast wordt gekeken naar indicatoren zoals ondernemerswaardering,
bekendheid van dienstverlening en de mate waarin ondernemers worden doorverwezen naar
passende ondersteuning.
Tegelijkertijd blijkt uit de evaluatie7 dat daadwerkelijke effecten op ondernemerschap, innovatie of bedrijfsontwikkeling
niet goed meetbaar zijn. Voor voorlichtingsactiviteiten is vooral inzicht beschikbaar
in gebruik en waardering, maar minder in de vraag of de dienstverlening ook aantoonbaar
leidt tot betere bedrijfsresultaten, innovatie, groei of minder uitval van ondernemers.
11
Welke KvK-producten en -diensten zijn kostendekkend, welke worden met belastinggeld
bekostigd en welke worden mede gefinancierd uit tarieven die ondernemers of gebruikers
betalen?
Antwoord
KVK heeft zes wettelijke taken: zie vraag 1.
De registertaak is de grootste. Het beheer van deze taak wordt gefinancierd door de
rijksoverheid (rijksbijdrage), de ingeschrevenen (inschrijfvergoeding) en de gebruikers
(tarieven).
KVK hanteert voor een deel van haar producten en diensten een tarief, gebaseerd op
het principe dat de gebruiker bijdraagt aan de kosten van de dienstverlening. Dit
betreft onder meer inschrijvingen in het Handelsregister, en het verstrekken van informatieproducten
via verschillende kanalen. Deze tarieven zijn echter niet volledig kostendekkend.
De financiering van deze producten en diensten van KVK vindt daarom plaats via een
combinatie van een rijksbijdrage van het Ministerie van Economische Zaken (belastinggeld)
en gebruikersbijdragen. Hierdoor blijft de dienstverlening breed toegankelijk en kan
KVK haar publieke taken uitvoeren.
12
Welke activiteiten zouden kunnen worden geschrapt, versoberd of overgedragen aan marktpartijen
zonder dat dit ten koste gaat van de kwaliteit van de wettelijke dienstverlening aan
ondernemers?
Antwoord
Zie vraag 5.
Uit de wet- en zbo-evaluatie KVK 2018–2024 blijkt dat voor elk van de zes wettelijke
taken van KVK, overheidsingrijpen wenselijk en noodzakelijk is. De taken dragen bij
aan publieke belangen, zoals transparantie in het economisch verkeer, gelijke toegang
tot betrouwbare en onafhankelijke ondernemersinformatie en samenhang in overheidsinformatie
en publieke dienstverlening. De wettelijke taken van KVK zijn in grote mate complementair.
Met name bij eerstelijns informatievoorziening, doorverwijzing en regionale verbinding
is de conclusie dat KVK volgens betrokken stakeholders een publieke, onafhankelijke
en laagdrempelige rol vervult. KVK toetst al haar nieuwe en bestaande activiteiten
op passendheid binnen de wettelijke taken, concurrentieverstoring met marktpartijen
en publieke meerwaarde. KVK legt hieromtrent verantwoording af aan het Ministerie
van EZK.
13
Op welke momenten wordt getoetst of activiteiten nog doelmatig, noodzakelijk en passend
zijn bij de publieke taken van de KvK?
Antwoord
Activiteiten van de KVK worden op verschillende momenten getoetst op doelmatigheid,
noodzaak en passendheid binnen de publieke taak. Dit gebeurt onder meer via periodieke
evaluaties van wettelijke taken, begrotings- en verantwoordingscycli, toezicht vanuit
het Ministerie van EZK en externe onderzoeken. Daarnaast worden specifieke programma’s
en aanvullende activiteiten incidenteel geëvalueerd op effectiviteit, bereik en publieke
meerwaarde.
Ook in de reguliere governance vindt toetsing plaats, bijvoorbeeld via jaarplannen,
prestatie-indicatoren en gesprekken tussen KVK en het ministerie over prioriteiten,
uitvoering en doelmatigheid. Daarbij wordt bezien of activiteiten nog aansluiten bij
de wettelijke opdracht en of sprake is van overlap met andere publieke of private
partijen.
In het rapport over de wets- en zbo-evaluatie KVK 2018–2024 wordt het volgende geconcludeerd:
Voor elk van de wettelijke taken is overheidsingrijpen wenselijk en noodzakelijk.
De taken dragen bij aan een publiek belang, namelijk gelijke toegang voor ondernemers
tot kwalitatieve en onafhankelijke informatie. De registertaak, voorlichtingstaak
en het beheer van ondernemerspleinen zijn logische taken voor KVK. Ten aanzien van
de aansluiting van de innovatie- en regiostimuleringstaak bij de register en voorlichtingstaak
ben ik voornemens om de aanbevelingen uit de evaluatie ter hand te nemen.
14
Wat zouden de budgettaire gevolgen zijn van het kosteloos maken van verplichte inschrijving,
wijzigingen en basisinformatie uit het handelsregister, en welke besparingen binnen
het huidige takenpakket van de KvK zouden hier tegenover kunnen worden gezet?
Antwoord
KVK wordt gefinancierd door de overheid via de rijksbijdrage en opbrengsten uit operationele
activiteiten. Onder operationele activiteiten vallen bijdragen van gebruikers van
producten en diensten van KVK, zoals vergoedingen voor inschrijvingen in het Handelsregister.
Overigens is het wijzigen van gegevens in bestaande HR-inschrijving kosteloos.
Het wegvallen van opbrengsten door het kosteloos maken van verplichte inschrijvingen
leidt ertoe dat KVK een aanzienlijke bijdrage misloopt (€ 26 mln in 2025).8 Aangezien toegang tot en het doen van mutaties op basisinformatie al kosteloos is,
betekent dit mogelijk dat de afnemers van data, publieke en marktpartijen, of de rijksoverheid
meer zal moeten bijdragen aan de financiering van KVK. Naar aanleiding van het evaluatierapport,
de aanbevelingen en de resultaten, worden tussen EZK en KVK nadere afspraken gemaakt.
De wijze waarop KVK de doeltreffendheid en doelmatigheid op onderdelen verder kan
vergroten en de nadere invulling van de taakstellingen worden dan geadresseerd.
15
Kunt u concreet aangeven welke meetbare doelstellingen momenteel gelden voor het Industrieel
Participatiebeleid (IP-beleid), nu de Algemene Rekenkamer constateert dat concrete
doelen ontbreken?
Antwoord
Zie beantwoording vraag 18.
16
Kunt u inzicht geven in het geheel aan aanbestedingen en/of projecten waarop IP mogelijkheden
zitten en waarom kon dit overzicht het afgelopen jaar niet met de Algemene Rekenkamer
gedeeld worden?
Antwoord
Het is onjuist dat de Algemene Rekenkamer de informatie niet heeft kunnen inzien.
Het betreft zeer vertrouwelijke informatie die alleen toegankelijk is voor medewerkers
met de juiste screening. De onderzoekers van de Algemene Rekenkamer die de juiste
screening hadden, hebben op het Ministerie inzage gekregen in de lijst. Omwille van
de vertrouwelijkheid is het gevraagde overzicht niet publiek beschikbaar. Op basis
van het overzicht kan een beeld op worden gemaakt van de (toekomstige) capaciteiten
van de Nederlandse Krijgsmacht. Dat is informatie die kwaadwillende partijen kunnen
gebruiken om te analyseren over welk materieel Defensie beschikt of wenst te verkrijgen.
17
Waarom is het IP-beleid sinds het vervallen van de economische doelstellingen in 2012
niet periodiek geëvalueerd – en op welke termijn gaat u dit nu doen?
Antwoord
Zie beantwoording vraag 24.
18
Welke Kritieke Prestatie-indicators (KPI’s) hanteert u om vast te stellen of IP-afspraken
daadwerkelijk bijdragen aan de versterking van de Nederlandse defensie-industrie en
nationale veiligheid?
Antwoord
Ik vind het belangrijk om eerst te benoemen dat de Algemene Rekenkamer in haar onderzoek
ook concludeert dat op basis van de onderzochte voorbeelden, het aannemelijk is dat
het Industrieel Participatiebeleid heeft bijgedragen aan versterking van de Nederlandse
defensieindustrie. Het gaat hier in het bijzonder om de kwantitatieve meetbaarheid. Om inzicht te krijgen in het volume en de voortgang van de Industriële Participatie overeenkomsten wordt vooral gekeken naar het (gerealiseerde)
financiële volume. Daarbij wordt onder andere bijgehouden welke type activiteiten
zijn uitgevoerd, variërend van onderzoek tot aan productie, hoeveel procent van de
activiteiten bij het mkb terecht is gekomen en op welke prioritaire gebieden van de
Defensie Industrie Strategie (2018) en de Defensie Strategie voor Industrie en Innovatie
2025–2029 de opdrachten betrekking hebben. Door het IP-beleid te richten op de prioritaire
gebieden uit de DIS (2018) en de DSII 2025–2029, dragen ze direct bij aan een versterking
van de voor het Kabinet belangrijke defensiegebieden. Het IP-beleid heeft conform
de Europese richtlijnen geen economisch doel. In mijn reactie op het Verantwoordingsonderzoek van de Algemene Rekenkamer
meld ik dat zij terecht vaststelt dat de beleidsdoelen van het IP-beleid niet voldoende
zijn uitgewerkt in meetbare indicatoren. Output en impact op nationale veiligheid
zijn nauwelijks meetbaar en causaal vast te stellen, waardoor deze doelen praktisch
gezien moeilijk in KPI’s zijn vast te leggen. Ze zijn vooral zichtbaar in de ervaringen
van bedrijven die er gebruik van maken en in internationale toeleveringsketens een
positie hebben verkregen. Dat vind ik een belangrijke kanttekening bij de bevindingen
van de Algemene Rekenkamer. De handreiking is gedaan om de Algemene Rekenkamer in
contact te brengen met bedrijven, maar ik constateer dat daar beperkt gebruik van
is gemaakt. Ik wil wel onderzoeken hoe de beleidsdoelen verder kunnen worden geoperationaliseerd,
met als randvoorwaarde dat metingen valide zijn en niet leiden tot hogere administratieve
lasten.
19
Hoe verklaart u dat in 2025 voor € 2,4 miljard aan nieuwe IP-verplichtingen is afgesloten
terwijl volgens de Algemene Rekenkamer onvoldoende zicht bestaat op de beleidsresultaten?
Antwoord
Het Commissariaat Militaire Productie beschikt over een administratief systeem dat
actueel inzicht geeft in de (status van de) Industriële Participatieovereenkomsten,
zowel lopende als reeds ingevulde overeenkomsten. In het systeem wordt veel informatie
opgeslagen, waaronder de betrokken bedrijven, de omvang, datum ondertekening, voortgang,
looptijd en realisatie. Het systeem stelt de adviseurs ook in staat om real time informatie op te vragen op zowel overeenkomst- als op geaggregeerd niveau. Een selectie
van de gegevens en analyses rapporteer ik tweejaarlijks aan uw Kamer in de rapportage
over het Industrieel Participatiebeleid. Mede om die reden onderschrijf ik de bevinding
van de Algemene Rekenkamer niet dat ik geen inzicht zou hebben in het potentieel en
de resultaten van het IP-beleid, zoals ik ook in mijn reactie op het Verantwoordingsonderzoek
heb onderbouwd. Mijn ambtsvoorganger ontving regelmatig een inschatting van de potentiële
omvang op basis van de verwachte aankopen van Defensie. Die omvang is overigens niet
1-op-1 te koppelen aan de defensiebegroting, omdat de bestedingen en verwevingsstrategieën
nog niet vaststaan.
20
Hoeveel fte zijn momenteel belast met het afsluiten, monitoren en evalueren van IP-overeenkomsten,
en acht u deze capaciteit toereikend gezien de sterke groei van defensie-uitgaven?
Antwoord
Momenteel bestaat het verantwoordelijke team uit een coördinator (0,5 FTE), vier adviseurs
(4 FTE), twee ondersteuners (2 FTE) en één extra ondersteuner (1 FTE) op inhuurbasis.
Het team voert het volledige beleid uit, van onderhandelen tot het afspreken en afstemmen
van projecten, de contacten met de stakeholders (zowel binnen- als buitenland, zowel
met industrie als binnen de overheid) als ook het administreren en bewaken van de
voortgang. We kunnen met een relatief kleine bezetting deze werkzaamheden uitvoeren,
omdat het proces in zijn geheel integraal onderdeel is van de werkzaamheden van het
team. Daarnaast maken we gebruik van een professioneel ICT systeem om de voortgang
te bewaken en de afspraken vast te leggen. Tevens investeren we in het verder automatiseren
van het administratief proces, zodat we zoveel mogelijk van onze beschikbare capaciteit
kunnen richten op het maken van afspraken en stakeholder management. Bij verdere uitbreiding
van werkzaamheden, ook in aantal verwervingen van Defensie zou het capaciteitsvraagstuk op termijn opnieuw aandacht
kunnen vragen. Ik ben het met u eens dat er oog voor moet zijn goed te bewaken dat
de capaciteit binnen het team toereikend is om de toenemende werkzaamheden uit te
kunnen voeren.
21
Op welke wijze wordt gecontroleerd of buitenlandse leveranciers hun IP-verplichtingen
daadwerkelijk en tijdig nakomen?
Antwoord
Zoals toegelicht bij vraag 19, beschikt het Commissariaat Militaire Productie over
een administratief systeem dat actueel inzicht geeft in de (voortgang op de) Industriële
Participatieovereenkomsten. Het systeem bevat een dashboard per overeenkomst wat direct
inzicht geeft in de (resterende) looptijd en (resterende) verplichting van de overeenkomst.
Adviseurs hebben daarmee dagelijks inzicht in de voortgang van de verschillende overeenkomsten
en kunnen tijdig met buitenlandse leveranciers daarover in gesprek gaan. Daarnaast
vinden er regelmatig voortgangsgesprekken plaats tussen de coördinator, de adviseurs
en de buitenlandse leveranciers, waarin ook de voortgang wordt besproken. Met buitenlandse
partijen wordt ook jaarlijks een voortgangsgesprek, een Industrial Participation Review
Meeting, gehouden.
22
Kunt u inzicht geven in de vraag welk aandeel van de IP-projecten terechtkomt bij
Nederlandse midden- en kleinbedrijven en kennisinstellingen?
Antwoord
In de tweejaarlijkse Rapportage Industrieel Participatie rapporteer ik aan uw Kamer
onder andere het aandeel wat terechtkomt bij het mkb. Op zeer korte termijn zal ik
u de meest recente versie toesturen. Daarin zijn de gegevens opgenomen met betrekking
tot de betrokkenheid van het MKB.
In de tabel hieronder vindt u de totale gerealiseerde IP naar bedrijfsgrootte in de
periode 2020–2024. Het percentage gerealiseerde IP dat neerslaat bij het MKB fluctueert,
maar ligt gemiddeld genomen rond de 50%. De fluctuatie wordt veroorzaakt doordat in
sommige jaren door buitenlandse leveranciers enkele grote opdrachten bij grote Nederlandse
bedrijven geplaatst worden. Dit was bijvoorbeeld in 2023 het geval. Het is wel een
ontwikkeling die we de komende jaren in de gaten zullen houden, omdat de opschaling
van de defensie-industrie op zichzelf ook kan betekenen dat de omvang van defensiegerelateerde
bedrijven in Nederland groeit. Omdat de bedrijven uit de categorieën met meer dan
250 werkzame personen ook vaak delen van opdrachten uitbesteden bij kleinere bedrijven,
zal het reële percentage van de IP dat is terechtgekomen bij het MKB nog iets hoger
liggen.
Tabel 1: Percentages gerealiseerde IP naar bedrijfsgrootte
Werkzame personen
% 2020
% 2021
% 2022
% 2023
% 2024
Gemiddeld
<250
61,0
52,0
60,7
21,1
42,8
47,5
250–500
3,5
12,8
15,0
27,9
26,4
17,1
>500
35,5
35,3
24,3
51,0
30,8
35,4
23
Welke maatregelen neemt u om te voorkomen dat IP-afspraken vooral administratieve
tegenorders opleveren zonder strategische meerwaarde voor de Nederlandse defensie-industrie?
Antwoord
De Algemene Rekenkamer concludeert in haar onderzoek dat op basis van de onderzochte
voorbeelden, het aannemelijk is dat het Industrieel Participatiebeleid heeft bijgedragen
aan versterking van de Nederlandse defensieindustrie. Strategische meerwaarde is voor
zowel mijn ministerie als het Ministerie van Defensie een uitgangspunt bij de uitvoering
van ons beleid.
Allereerst staan wij alleen activiteiten toe die betrekking hebben tot de prioritaire
gebieden uit de Defensie Industrie Strategie (2018) en de Defensie Strategie voor
Industrie en Innovatie 2025–2029. Dat maakt dat het activiteiten zijn binnen gebieden
waarvan wij, als kabinet, hebben vastgesteld dat die strategisch zijn. Bij het tot
stand komen van de IP-plannen en -activiteiten wordt er zorgvuldig afgestemd. Die
afstemming doen we met de Nederlandse industriële partijen, met de kennisinstellingen
en met de brancheverenigingen, in het bijzonder de NIDV. We stemmen ook af met Defensie,
veelal op operationeel niveau. Het is voor ons belangrijk om te weten of we activiteiten ondersteunen die
voor de Krijgsmacht van meerwaarde zijn, nu of in de toekomst. Ons beleid is uniek
dat we ook afstemming zoeken met de buitenlandse leverancier. Deze leveranciers zijn
met hun ervaring uitstekend in staat om te identificeren welke activiteiten van toegevoegde
waarde zijn in de internationale defensieketens. Als zij meerwaarde zien in een activiteit,
dan is de kans groter dat er internationale toepassing uit voort komt, wat de schaal
en impact van de activiteit vergroot en waardoor continuering van de activiteiten
– ook na de looptijd van de overeenkomst – meer waarschijnlijk is. Bovendien openen
we daarmee juist de – toch veelal gesloten – waardeketens en versterken we de ketens
van onze Europese partners en NAVO-bondgenoten. Deze werkwijze wordt internationaal
als zeer effectief gezien, wat ertoe leidt dat het Commissariaat Militaire Productie
regelmatig verzoeken van andere landen krijgt om de werkwijze van het beleid uit te
leggen. Waarna we ook toepassingen zien bij de implementatie van IP-beleid in andere
landen, waaronder Europese lidstaten.
Daarnaast bieden wij zogenoemde «multipliers» aan voor activiteiten die uitzonderlijk
bijdragen aan de doelstellingen uit onze defensiestrategie. Dat betekent dat we de
waarde van de activiteiten met een vermenigvuldigingsfactor kunnen toekennen als Industriële
Participatie. Daarmee geven we bedrijven een prikkel om activiteiten na te streven
die voor Nederland strategischer van aard zijn. Hierover bericht ik uw Kamer ook in
mijn tweejaarlijkse rapportages. Een voorbeeld van zo’n activiteit die ik kan noemen
omdat deze al na overleg met de bedrijven in het publieke domein is gepresenteerd,
is de ondersteuning van het bedrijf Robin Radar. Met Industriële Participatie hebben
we Robin Radar gepositioneerd bij The Boeing Company. Met hun ondersteuning hebben
ze hun radars kunnen testen op vliegvelden in de Verenigde Staten en ondertussen hun
radar kunnen doorontwikkelen tot een state-of-the-art drone radar. Robin Radar is
inmiddels uitgegroeid tot een belangrijke partner van Defensie en hun systemen worden
– dankzij aanschaf van Defensie – in Oekraïne ingezet.
24
Wanneer ontvangt de Kamer een eerste integrale beleidsevaluatie van het Industrieel
Participatiebeleid, inclusief doelbereik, effectiviteit en bijdrage aan strategische
autonomie?
Antwoord
In mijn reactie op het Verantwoordingsonderzoek heb ik gemeld dat in lijn met de constatering
van de Algemene Rekenkamer het IP-beleid niet formeel is geëvalueerd, uiteraard wel
is bijgesteld op basis van Europese regelgeving en met de actualisatie van de Defensie
Industrie Strategieën. Hoewel een evaluatie waardevolle lessen kan opleveren, wil
ik zorgvuldig omgaan met vertrouwelijkheid van informatie en de zorgvuldigheid van
een dergelijk onderzoek. Daarnaast wordt er een Economische Beleidsanalyse (EBA) van
de defensie-industrie uitgevoerd, waarin wordt gekeken hoe het IP-beleid kan worden
verbeterd om beter bij te dragen aan de nationale veiligheid en de versterking van
onze defensie-industrie. Ik wil daarom het nut, de noodzaak en de timing van een evaluatie
van het IP-beleid in samenhang met deze trajecten bezien. Ik zal uw kamer daar over
informeren.
25
Hoe verklaart u dat Nederland verder is gezakt op de internationale concurrentieranglijst,
terwijl versterking van het vestigingsklimaat prioriteit zou hebben?
Antwoord
De daling op internationale concurrentieranglijsten kent meerdere oorzaken, zoals
krapte op de arbeidsmarkt, regeldruk en afnemende productiviteitsgroei. Deze ontwikkelingen
spelen niet alleen in Nederland, maar ook breder in Europa. Wel zien we dat in Nederland
ten opzichte van bijvoorbeeld Zwitserland, Singapore en Denemarken fors gezakt is
op het aantrekken van internationale investeringen. Het kabinet versnelt de inzet
op het oplossen van deze problemen, bijvoorbeeld via de Taskforce Toekomstige Welvaart
en Vestigingsklimaat. In het coalitieakkoord zijn ook gerichte maatregelen opgenomen
om het ondernemings- en investeringsklimaat te versterken. Het kabinet zet onder meer
in op vermindering van regeldruk, versnelling van vergunningverlening, investeringen
in innovatie, versterking van de energie-infrastructuur en verbetering van de beschikbaarheid
van voldoende gekwalificeerd personeel. Deze inzet vraagt tijd om zichtbaar door te
werken in internationale rankings. Het kabinet blijft daarom onverminderd inzetten
op structurele versterking van het duurzame verdienvermogen en een uitmuntend vestigingsklimaat.
26
Gaat u de 3% onderzoek en ontwikkeling (R&D)-uitgaven als een hard kwantitatief doel
hanteren voor het innovatiebeleid – en de uitgaven – en daar op sturen?
Antwoord
Het kabinet werkt aan de 3%-doelstelling en stuurt daar op, conform de Lissabondoelstellingen.
De doelstelling biedt een manier om de R&D-intensiteit in Nederland te monitoren en
een kader waarbinnen we ons kunnen vergelijken met onze buurlanden. De doelstelling
geeft richting aan de inzet van publieke middelen op R&D en innovatie. Deze inzet
moet ook een doorwerking hebben op private R&D-uitgaven om de totale R&D-intensiteit
van Nederland te kunnen verhogen.
27
Welke concrete jaarlijkse tussenstappen hanteert u richting de 3%-doelstelling in
2030?
Antwoord
Uw Kamer wordt periodiek geïnformeerd over de voortgang, zowel ten aanzien van de
stappen die zijn genomen naar aanleiding van het oorspronkelijke 3%-actieplan, als
over de stand van de 3%-doelstelling. De meeste beleidsopties uit het actieplan zijn
bevestigd in het coalitieakkoord en momenteel in uitwerking. In het najaar zal ik
uw Kamer nader informeren over de voortgang.
28
Welk deel van het gat naar de 3%-doelstelling moet volgens u worden ingevuld door
publieke investeringen en welk deel door private investeringen?
Antwoord
Het kabinet houdt voor de verdeling van publieke en private R&D-uitgaven een verhouding
van 1:2 (publiek-privaat) aan.
29
Welke van de negen maatregelen uit het 3%-R&D-actieplan leveren volgens u aantoonbaar
additionele investeringen op, in plaats van het verplaatsen van bestaande investeringen?
Antwoord
Alle beleidsopties uit het actieplan hebben als doel om tot additionele R&D-uitgaven
te leiden, ofwel in de vorm van publieke investeringen of omdat hiermee extra private
uitgaven aan R&D worden gestimuleerd. De meest concrete additionele investeringen
bestaan uit het uitwerken van de oprichting van een Nationale Investeringsinstelling
en een Nationaal Agentschap voor Disruptieve Innovatie (NADI). Deze middelen geven
een impuls aan R&D-uitgaven en (nieuwe) innovatieve bedrijven. Hiernaast is in het
Coalitieakkoord additioneel € 100 mln voorzien voor innovatie regionale campussen
op de begroting van het Ministerie van EZK, onder andere voor beleidsopties uit het
3%-actieplan.
30
Welke risico’s ziet u voor het Nederlandse verdienvermogen als de 3%-doelstelling
niet wordt gehaald?
Antwoord
Zoals uiteengezet in het Wennink-rapport, is economische groei essentieel voor het
behoud van onze brede welvaart. Om de Rijksbegroting te kunnen blijven betalen is
meer economische groei nodig dan nu wordt verwacht. Deze groei zal voornamelijk uit
een grotere arbeidsproductiviteit moeten komen. Juist hieraan levert R&D een grote
bijdrage. Daarom houdt het kabinet vast aan de 3%-doelstelling.
31
Hoe meet u of hogere R&D-uitgaven daadwerkelijk leiden tot hogere arbeidsproductiviteit
en concurrentiekracht?
Antwoord
Het kabinet meet de effecten van hogere R&D-uitgaven niet direct via één enkel macro-economisch
kengetal, maar via meerdere indicatoren en evaluaties. Daarbij wordt onder andere
gekeken naar de mate waarin extra R&D-uitgaven door de overheid leiden tot additionele
R&D-inspanningen bij bedrijven. Dat zijn uiteindelijk de kanalen die ervoor zorgen
dat de arbeidsproductiviteit toeneemt. De ontwikkeling van de arbeidsproductiviteit
is bovendien onderdeel van de jaarlijkse productiviteitsagenda en wordt in dat kader
ook structureel gemonitord. Een andere indicator is de world competitveness ranking.
Het CPB geeft aan dat het moeilijk is om de precieze baten van hogere R&D-uitgaven
te bepalen.9 De toekomstige baten van nieuwe doorbraken zijn namelijk inherent onzeker. SEO-onderzoekers
berekenen dat op macroniveau 1 euro investeren in R&D gemiddeld genomen waarschijnlijk
2,40 euro aan baten oplevert voor de economie.10 Het CPB zorgt wel voor analyse van individuele maatregelen, bijvoorbeeld in de Kansrijk
Innovatiebeleidstudies en de CPB-analyse over de ingediende investeringsvoorstellen
in het NGF.
Om preciezere uitspraken te kunnen doen over de baten van investeringen in R&D, werkt
het Ministerie van EZK samen met het Ministerie van OCW aan een model waarmee de bbp-effecten
van R&D berekend kunnen worden. Een verkennend onderzoek naar een dergelijk model
is inmiddels met de Tweede Kamer gedeeld en er wordt nu verder verkend hoe hier het
beste opvolging aan kan worden gegeven.11
32
Hoe rechtvaardigt u een budgettair beslag van circa € 10 miljard aan fiscale regelingen,
terwijl de effectiviteit van meerdere regelingen beperkt of onzeker is?
Antwoord
Voor een aantal regelingen is dat inderdaad het geval. Het is de afgelopen kabinetsperiodes
niet gelukt tot een voorstel voor een hervorming te komen. In dit verband zijn wel
een groot aantal recente rapporten met analyses, concrete bouwstenen en uitgewerkte
varianten beschikbaar. Op basis van een dergelijk rapport is recent12 door het kabinet besloten de startersaftrek voor IB-ondernemers af te schaffen. In
het Coalitieakkoord 2026–2030 staat verder aangeven dat het kabinet voor het einde
van 2026 komt met een hervormingsagenda beginnende met de herziening van het IB-stelsel
en stappen in het stelsel van toeslagen.
33
Waarom houdt u fiscale regelingen in stand waarvan evaluaties aangeven dat zij beperkt
bijdragen aan ondernemerschap?
Antwoord
Zie het antwoord op vraag 32.
34
Hoe voorkomt u dat fiscale innovatie-instrumenten vooral bestaande activiteiten subsidiëren
in plaats van nieuwe innovatie uit te lokken?
Antwoord
Zoals bijvoorbeeld in de laatste evaluatie van de WBSO wordt geschetst, is dit een
bestaand risico. Het is echter niet mogelijk voor ondernemers om te bewijzen dat zij
een bepaalde innovatie-activiteit niet hadden gedaan zonder een bepaalde fiscale stimulans,
en daarmee onmogelijk om dit risico volledig weg te nemen. Dit is voor innovatiesubsidies
niet anders. Het doel van de WBSO is om additionele R&D uit te lokken, wat wordt gemeten
aan de hand van de bang-for-the-buck (hoeveel extra euro uitgegeven aan R&D per euro
WBSO-afdrachtvermindering). Op dit vlak beoordeelt de evaluatie de regeling als doeltreffend.
35
Waarom kiest u er niet voor om vaker horizonbepalingen op te nemen bij fiscale regelingen,
zodat periodieke heroverweging wordt afgedwongen?
Antwoord
Bij nieuwe fiscale regelingen moet conform het toetsingskader fiscale regelingen het
opnemen van een horizonbepaling worden overwogen. Voor bestaande fiscale regelingen
wordt na een evaluatie en verzending van de kabinetsreactie het opnemen van een horizonbepaling
door het kabinet gewogen. Indien goed onderbouwd kan worden dat een horizonbepaling
niet bij een bepaalde fiscale regeling past, kan van opname van een horizonbepaling
worden afgezien. Voor een stabiel en voorspelbaar ondernemings- en vestigingsklimaat
is het bijvoorbeeld van belang om uit te stralen dat bepaalde regelingen in beginsel
ongewijzigd in stand blijven. Zeker voor bedrijven die overwegen – mede omwille van
fiscale regelingen – naar Nederland te komen of hun activiteiten hier uit te breiden,
kan een horizonbepaling een verkeerd signaal afgeven en vragen oproepen over de stabiliteit
en voorspelbaarheid van het Nederlandse fiscale beleid.
36
Kunt u per grote fiscale regeling inzicht geven in de verwachte additionele economische
opbrengst per euro gederfde belastinginkomsten?
Antwoord
Voor een beschrijving van de regeling, de doelstelling, verwijzing naar de wettekst,
verwijzing naar de laatst uitgevoerde evaluatie en de ramingsgrond wordt verwezen naar
de bijlage bij de Miljoenennota «Toelichting op de fiscale regelingen».
37
Kunt u dit afzetten tegen de opbrengst van gerichte innovatiesubsidies – en een vergelijking
maken van de effectiviteit en doelmatigheid?
Antwoord
Zie het antwoord op vraag 36.
38
Overweegt u om in het instrumentarium van Economische Zaken meer ruimte te creëren
voor (sectorale) gerichte subsidies in plaats van grote fiscale regelingen – en past
dit volgens u niet beter in het nieuwe industriebeleid met focus?
Antwoord
Het klopt dat subsidies over het algemeen geschikter zijn voor gericht industrie-
c.q. technologiebeleid dan fiscale regelingen die naar hun aard een generiek karakter
hebben. Desalniettemin acht ik een schuif van fiscale regelingen naar gerichte subsidies
geen goed idee. Het fiscale innovatie-instrumentarium (WBSO, Innovatiebox) is van
fundamenteel belang voor de innovatiekracht en het vestigingsklimaat van R&D-intensieve
bedrijven. Dit klimaat is gebaat bij stabiel en voorspelbaar beleid. In het Coalitieakkoord
is dat doel ten aanzien van dit fiscale instrumentarium ook opgenomen. Deze bedrijven
in Nederland houden, hun activiteiten hier laten uitbreiden of ze aantrekken, is een
basisvoorwaarde om überhaupt succesvolle ecosystemen te kunnen creëren of versterken
op de focusgebieden van het Industriebeleid en de Nationale Technologiestrategie (NTS).
Om toch succesvol gericht beleid te kunnen voeren met de schaarse middelen die mij
ter beschikking staan, ben ik bezig het bestaande subsidie-instrumentarium verder
te focussen op de prioriteiten van het industrie- en technologiebeleid. Een belangrijke
pijler hiervan is de bestaande regeling PPS-innovatie. Deze wordt momenteel hervormd,
zodat daarmee de middelen onder andere gerichter in kunnen worden gezet op de prioritaire
technologieën onder de Nationale Technologie Strategie (NTS).
Ondertekenaars
-
Eerste ondertekenaar
W.P.J. van Eijk, voorzitter van de vaste commissie voor Economische Zaken -
Mede ondertekenaar
H.W. Krijger, adjunct-griffier