Verslag van een schriftelijk overleg : Verslag van een schriftelijk overleg over o.a. het ontwerpbesluit houdende vaststelling van het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet veilige jaarwisseling (Kamerstuk 35386-41)
35 386 Voorstel van wet van de leden Klaver en Ouwehand tot wijziging van de Wet milieubeheer en de Wet op de economische delicten in verband met de invoering van een vuurwerkverbod voor consumenten (Wet veilige jaarwisseling)
Nr. 43
VERSLAG VAN EEN SCHRIFTELIJK OVERLEG
Vastgesteld 29 mei 2026
De vaste commissie voor Infrastructuur en Waterstaat heeft een aantal vragen en opmerkingen
voorgelegd aan de Staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat
inzake de Nadeelcompensatieregeling vuurwerkbedrijven Wet veilige jaarwisseling (Kamerstuk
35 386, nr. 42) en het Ontwerpbesluit houdende vaststelling van het tijdstip van inwerkingtreding
van de Wet veilige jaarwisseling (Kamerstuk 35 386, nr. 41).
De vragen en opmerkingen zijn op 22 mei 2026 aan de Staatssecretaris van Infrastructuur
en Waterstaat voorgelegd. Bij brief van 29 mei 2026 zijn de vragen beantwoord.
De voorzitter van de commissie, Huizenga
Adjunct-griffier van de commissie, Koerselman
1.
De leden van de VVD-fractie hechten groot belang aan een uitvoerbare en handhaafbare
regeling. Kan de Staatssecretaris nader toelichten op basis van welke criteria is
geconcludeerd dat sprake is van een effectief handhavingsplan?
Het handhavingsplan is tot stand gekomen in nauwe samenwerking tussen het Ministerie
van Justitie en Veiligheid, het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat en partners
zoals politie, OM, gemeenten, ILT en Douane. Ten behoefte van de coördinatie en inhoudelijke
afstemming zijn een bestuurlijke regiegroep en een ambtelijke expertgroep ingericht.
Zoals de voormalig Minister van Justitie en Veiligheid tijdens debat van 21 januari
en bij brief van 16 maart jl. heeft aangegeven betreft het handhavingsplan een samenhangende
bundeling van acties die door betrokken partijen kunnen worden ingezet, aangevuld
met voorbeelden en best practices. Het plan biedt het lokaal gezag handvatten om de
handhaving van het vuurwerkverbod, inclusief de daarbij behorende ontheffingsmogelijkheid,
op een wijze vorm te geven die aansluit bij de lokale omstandigheden en behoeften.
Daarnaast bevat het handhavingsplan diverse acties die in aanloop naar de jaarwisseling
worden uitgevoerd. Deze acties zijn gericht op het voorbereiden van betrokken partijen
en de samenleving op een jaarwisseling zonder consumentenvuurwerk, evenals op het
tegengaan en beperken van mogelijke illegale handel.
2.
Kan zij nader toelichten of er sprake is van een nulmeting en helder geformuleerde
indicatoren aan de hand waarvan na afloop kan worden gemeten of het handhavingsplan
effectief heeft gewerkt?
Aangezien het handhavingsplan ruimte laat voor lokale invulling van de voorbereiding
en uitvoering van de handhaving, zijn geen uniforme nulmeting of effectindicatoren
vastgesteld. De lokale context, uitvoeringscapaciteit en beleidsmatige keuzes verschillen
per gemeente, waardoor de effectiviteit van maatregelen zich niet zonder meer laat
vangen in één landelijk beoordelingskader. Het plan heeft daarom primair een ondersteunend
karakter en biedt gemeenten instrumenten en handelingsopties om invulling te geven
aan een aanpak die aansluit bij de lokale omstandigheden.
3.
Is zij voornemens om het handhavingsplan na de jaarwisseling te evalueren? Zo ja,
gebeurt dat door een externe partij?
Zoals bij vraag 2 is beschreven heeft het handhavingsplan primair een ondersteunend
karakter en kan derhalve niet geëvalueerd worden. Wel zal er, zoals gebruikelijk,
een landelijk beeld van de jaarwisseling worden opgemaakt. Op basis daarvan en de
lokale evaluaties van de jaarwisseling zal in 2027 gekeken worden of aanvullende acties
en best practices in het handhavingsplan kunnen worden opgenomen.
4.
Deze leden vragen daarnaast hoe de Staatssecretaris kijkt naar het risico van een
toename van illegaal vuurwerkgebruik en welke maatregelen worden genomen om dat risico
zo veel mogelijk te beperken.
Het traject rondom de implementatie van de Wet veilige jaarwisseling zal na 2026 nog
niet volledig zijn afgerond. Ook begin 2027 blijft de regiegroep bijeenkomen om ervaringen
uit te wisselen, zodat tijdig kan worden geanticipeerd op eventuele knelpunten en
goede praktijken met elkaar kunnen worden gedeeld. Daarbij zal worden bezien of aanvullende
acties en best practices kunnen nodig zijn om op opgerichte VNG forum te delen. Van
een formele evaluatie is hierbij geen sprake. Het handhavingsplan heeft primair een
ondersteunend karakter en leent zich daarom niet voor een zelfstandige evaluatie.
Daarnaast zal conform de gebruikelijke werkwijze, een landelijk beeld van de jaarwisseling
worden opgesteld. Op basis hiervan kunnen op termijn tevens trends zichtbaar worden
van de effecten van het vuurwerkverbod.
5.
De leden van de VVD-fractie constateren dat de ontheffingsmogelijkheid voor georganiseerde
groepen burgers onderdeel vormt van de voorwaarden voor inwerkingtreding. Kan de Staatssecretaris
toelichten hoe deze regeling in de praktijk werkbaar wordt gemaakt voor gemeenten?
Op initiatief van de Tweede Kamer is een ontheffingsmogelijkheid van het verbod voor
consumenten geïntroduceerd in de Wet veilige jaarwisseling. Het kabinet heeft deze
nader uitgewerkt in het Besluit veilige jaarwisseling. Ten behoeve van de uitvoering
van het Besluit veilige jaarwisseling worden diverse instrumenten voor de gemeenten
ontwikkeld. Met ondersteuning van de Ministeries van JenV en IenW ontwikkelt de VNG
een handreiking waarin een afwegingskader en handvatten voor de ontheffingsmogelijkheid
wordt beschreven. Daarnaast ontwikkelen de Ministeries van JenV en IenW een communicatietoolkit
voor gemeenten en biedt het handhavingsplan best practices.
6.
Hoe wordt voorkomen dat er onduidelijkheid ontstaat over de toepassing van deze bevoegdheid
of grote verschillen tussen gemeenten?
Met de bij vraag 5 beschreven instrumenten worden eenduidige handvatten geboden. Uiteraard
staat het iedere burgemeester vrij om deze al dan niet toe te passen. Daarnaast zijn
er meerdere geluiden dat op regionaal niveau de gemeenten met elkaar in gesprek zijn
over de uitvoering van de ontheffingsmogelijkheid; hiermee kunnen grote verschillen
binnen de regio voorkomen worden. Verschillen in beleid tussen gemeenten hoeven overigens
niet problematisch te zijn. Sterker nog, met de ontheffingsbevoegdheid voor burgemeesters
is juist beoogd dat, afhankelijk van lokale omstandigheden, verschillen in beleid
tussen gemeenten kunnen ontstaan.
7.
De leden van de VVD-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van de hoofdlijnen
van de nadeelcompensatieregeling. Deze leden zijn van mening dat het belangrijk is
om te komen tot een nette en juridisch houdbare regeling voor ondernemers die door
deze wetswijziging worden geraakt. Kan de Staatssecretaris nader toelichten hoe de
juridische houdbaarheid van de nadeelcompensatieregeling is getoetst?
De hoofdlijnen van de nadeelcompensatieregeling zijn tot stand gekomen in een zorgvuldig
proces waarbij de brancheorganisaties van vuurwerkbedrijven zijn betrokken. Met de
branchevereniging van de importeurs is op hoofdlijnen overeenstemming bereikt maar
met de brancheverenigingen van de detailhandelaren helaas niet.
Door een financieel onafhankelijk expert is geïnventariseerd welke schade vuurwerkbedrijven
ondervinden van de inwerkingtreding van de Wet veilige jaarwisseling. Hij heeft zich
daarbij gebaseerd op door vuurwerkbedrijven zelf aangeleverde informatie. Zijn bevindingen
heeft hij vastgelegd in het deskundigenrapport.1
Vervolgens moet worden bepaald welke schade voor vergoeding in aanmerking komt op
basis van het nadeelcompensatierecht. Het gaat hier immers om schade als gevolg van
rechtsmatig overheidshandelen, waardoor alleen zogenoemd onevenredig nadeel voor vergoeding
in aanmerking komt, dat wil zeggen het deel dat boven hun normaal ondernemersrisico
uitstijgt. De landsadvocaat is gevraagd hierover te adviseren.
Het initiatiefwetsvoorstel voor het landelijke vuurwerkverbod voor consumenten van
de leden Klaver en Ouwehand is in 2020 ingediend. Vanaf dat moment hadden ondernemers
kunnen weten dat er een vuurwerkverbod voor consumenten zou kunnen worden ingevoerd
en hadden ze hiermee rekening kunnen houden. Op 8 april 2025 is de Wet veilige jaarwisseling
aangenomen in de Tweede Kamer en op 1 juli 2025 in de Eerste Kamer.
Uitgangspunt is in dit geval dat onevenredige schade kan worden vermeden door een
voldoende lange overgangstermijn in acht te nemen waarin het schadeveroorzakende besluit
nog niet geldt. Wat betreft de detailhandelaren heeft de landsadvocaat op basis van
andere casuïstiek en de jurisprudentie2 geadviseerd dat een overgangstermijn van een à twee jaar vanaf het moment waarop
de wet is aangenomen voldoende is (1 juli 2025). Aangezien de afgelopen jaarwisseling
verkoop nog mogelijk was, blijft één jaar vergoeding van de winstderving over. Hiermee
is dus niet voor de minimum variant gekozen. Daarbij is – naast de voorzienbaarheid
van een dergelijk verbod – zwaarwegend geacht dat de verkoop van consumentenvuurwerk
voor de meeste detailhandelaren een nevenactiviteit is. Het gaat bij hen om het verlies
van een beperkt deel van het assortiment in een beperkt deel van het jaar.
Wat betreft de importeurs van consumentenvuurwerk heeft de landsadvocaat geadviseerd
dat een overgangstermijn van drie à vier jaar vanaf medio 2025 voldoende is. Gelet
op de afgelopen jaarwisseling, blijft voor hen daardoor nog maximaal drie jaar winstderving
over. Daarbij is in vergelijking met de detailhandelaren zwaarwegend geacht dat het
hierbij wel om de hoofdactiviteit van de betreffende bedrijven gaat en dat de in-
en verkoopcyclus langer is. Nu aan de inwerkingtreding van de Wet veilige jaarwisseling
de voorwaarde is verbonden een nette en eerlijke compensatieregeling te treffen en
door de Tweede Kamer is opgeroepen het overleg met de getroffen bedrijven te zoeken,
is ervoor gekozen om zowel voor de detailhandelaren als de importeurs een regeling
te treffen die eerlijk en netjes is. Voor de detailhandelaren betekent dit een compensatie
van één jaar winstderving vermeerderd met een percentage van 15%. Het kabinet heeft
daarnaast bewust aandacht gehad voor kleine detailhandelaren door daar bovenop een
extra vast bedrag van € 3.500 toe te kennen. Voor importeurs bestaat de regeling uit
compensatie van drie jaar winstderving vermeerderd met de verliesvergoeding van restvoorraden
en vergoeding voor afloop van enkele doorlopende bedrijfskosten.
Het kabinet is ervan overtuigd hiermee aan de opdracht van de Kamers te hebben voldaan
om te komen tot een nette en eerlijke compensatieregeling, en ook binnen de bandbreedte
van het nadeelcompensatierecht te zijn gebleven. De nadeelcompensatieregeling is naar
het oordeel van het kabinet houdbaar zowel in het licht van de rechtsplicht nadeelcompensatie
te verlenen als in het licht van de rechtsplicht om geen ongeoorloofde staatssteun
te verlenen.
8.
Deze leden lezen dat de nadere uitwerking via een convenant en beleidsregel nog volgt.
Kan de Staatssecretaris toezeggen de Kamer te informeren, zodra het convenant met
importeurs en de beleidsregel voor detailhandel definitief zijn vastgesteld?
Ja, zodra het convenant voor de importeurs en de beleidsregel voor de detailhandel
definitief zijn, zullen deze naar beide Kamers verzonden worden. Daarnaast zullen
beide stukken gepubliceerd worden in de Staatscourant. Hierbij merk ik op dat het
niet noodzakelijk is dat de nadeelcompensatieregeling voorafgaand aan de inwerkingtreding
van de wet definitief is vastgesteld. Nadeelcompensatie is een recht waar ondernemers
die aan de voorwaarden voldoen aanspraak op kunnen maken.
9.
De leden van de VVD-fractie vragen hoe de Staatssecretaris het verdere tijdpad voor
zich ziet richting de komende jaarwisseling. Kan zij bij elk van de drie voorwaarden
schetsen welke overleggen de komende maanden plaatsvinden in voorbereiding op de jaarwisseling,
op welk moment en op welke wijze burgers en getroffen ondernemers actief door het
kabinet worden geïnformeerd?
Met betrekking tot de uitvoering van het handhavingsplan vinden periodiek expert-
en bestuurlijke overleggen plaats, gericht op kennisdeling, afstemming en wederzijdse
ondersteuning in de voorbereiding op de jaarwisseling. Daarnaast zijn voor de afzonderlijke
actiepunten uit het handhavingsplan specifieke werkgroepen actief. Binnen deze werkgroepen
wordt momenteel onder meer gewerkt aan een communicatiestrategie en de organisatie
van vuurwerkinleverdagen. Iedere werkgroep kent haar eigen planning. De communicatiestrategie
wordt naar verwachting begin juni opgeleverd. De vuurwerkinleverdagen zullen na de
zomer plaatsvinden.
Op basis van de opgestelde communicatiestrategie worden diverse communicatie-instrumenten
ontwikkeld die op verschillende momenten ingezet kunnen worden. Het eerste communicatiemoment
zal in aanloop naar de inwerkingtreding van het landelijk vuurwerkverbod zijn en is
gericht op het algemene publiek. Ook zullen gemeenten met behulp van de instrumenten
gaan communiceren over de wijze hoe zij invulling gaan geven over de ontheffingsmogelijkheid.
In het kader van de ontheffingsmogelijkheid ontwikkelt VNG een handreiking voor gemeenten
voor de toepassing van de ontheffingsmogelijkheid. Hiervoor is eveneens een specifieke
werkgroep samengesteld. Deze handreiking wordt naar verwachting op 1 juli 2026 opgeleverd.
Daarnaast heeft de VNG meerdere webinars georganiseerd over de Wet veilige jaarwisseling
en heeft er een specifiek overleg plaatsgevonden voor grensgemeenten.
De voortgang van de hierboven genoemde acties worden tevens besproken in bestaande
bestuurlijke overleggen, waaronder het Strategisch Beraad Veiligheid (SBV) en het
Landelijk Overleg Veiligheid en Politie (LOVP).
Met betrekking tot de nette en eerlijke nadeelcompensatie worden voor het opstellen
van een convenant en de beleidsregel nadeelcompensatie gesprekken gevoerd met de vuurwerkbranche.
Zodra deze zijn afgerond, worden ze gepubliceerd waarna detailhandelaren aanvragen
kunnen indienen bij RVO. RVO richt hiervoor een website in.
Inbreng fracties van GroenLinks-PvdA en Partij voor de Dieren
10.
De leden van de fracties van GroenLinks-PvdA en de Partij voor de Dieren zijn blij
dat met de nadeelcompensatieregeling de laatste losse eindjes van het vuurwerkverbod
kunnen worden afgehandeld. Na decennia van overlast en vervuiling, schade en letsel,
vaak zeer ernstig, is de weg naar een oplossing vrij. Het is haast niet te bevatten
hoeveel vingers en ogen in de loop de jaren aan dit vermaak zijn geofferd. Met een
einde aan de vrije verkoop van deze explosieven aan het publiek, wordt ook handhaving
makkelijker en kunnen we hopelijk de oorlogsachtige taferelen rond de jaarwisseling
in onze steden achter ons laten. Deze leden verzoeken de Staatssecretaris dan ook
om voortvarend alles in het werk te zetten dat nodig is om de nieuwe vuurwerkregels
nog dit jaar van kracht te laten worden.
Op dit moment werkt IenW aan de afronding van het Ontwerpbesluit veilige jaarwisseling.
De planning is erop gericht om op 1 juli 2026 het Besluit veilige jaarwisseling te
publiceren in het Staatsblad. Vervolgens kunnen de Wet veilige jaarwisseling en het
Besluit dan op 1 augustus 2026 in werking treden. Dit om uitvoerende partijen waaronder
gemeenten, voldoende tijd te geven om zich voor te bereiden. Dit is ook benadrukt
in de uitvoeringstoets van de VNG. Het is aan beide Kamers om een besluit te nemen
over het inwerkingtredingsbesluit Wet veilige jaarwisseling.
11.
De leden van de fracties van GroenLinks-PvdA en de Partij voor de Dieren hebben wel
grote twijfels bij de dekking van deze compensatie. De Kamer stemde in 2025 voor het
amendement dat de afhandeling onderbracht in de begroting van het Ministerie van Infrastructuur
en Waterstaat. Maar het dubbel demissionaire kabinet verzuimde om hiervoor reserveringen
in de begroting voor 2026 te maken. De noodzaak om nu in reeds toegekende fondsen
en posten geld te vinden heeft geleid tot keuzen die voor deze leden moeilijk te dragen
zijn. Met name de bezuinigingen op de investeringen van ProRail in verduurzaming en
klimaatneutraliteit, is pijnlijk, bijna cynisch. Als we de ene verduurzaming betalen
met de middelen voor de andere, gaan we niet vooruit. Deze leden verzoeken het kabinet
dan ook om het gat dat hiermee is geslagen bij de volgende Miljoenennota te herstellen
en aan te vullen uit de algemene middelen. De maatschappelijke baten van het vuurwerkverbod
maken deze compensatie meer dan goed.
De dekking voor de nadeelcompensatie vergt pijnlijke keuzes. Daar is het kabinet zich
zeer van bewust en is eerder ook gemeld. Een brede meerderheid van uw Kamer heeft
met het amendement Michon-Derkzen echter aangegeven dat de dekking van deze compensatie
binnen de IenW-begroting moet worden gevonden. Het kabinet heeft dit amendement destijds
ontraden, juist omdat een dergelijke dekking mogelijk grote gevolgen kent voor lopende
beleidsopgaven. Indien uw kamer dit toch anders wenst, dan is de begrotingsbehandeling
het geëigende moment.
Inbreng fractie PVV
12.
De leden van de PVV-fractie merken op dat de vuurwerkbranche met deze regeling slechts
een zeer beperkte compensatie ontvangt. Bedrijven worden door overheidsbeleid gedwongen
hun activiteiten te beëindigen, terwijl daar slechts een fractie van de geleden schade
tegenover staat. Hoe kan het dat het bedrag dat het kabinet hiervoor wil uittrekken
zoveel lager ligt dan de schadebedragen die vanuit de sector zelf worden genoemd?
Aan de inwerkingtreding van de Wet veilige jaarwisseling hebben de Kamers o.a. als
voorwaarde gesteld dat IenW een compensatieregeling moest uitwerken. In het licht
van deze gestelde voorwaarde is een compensatieregeling uitgewerkt waarbij de juridische
grondslag in het nadeelcompensatierecht is gezocht. Het nadeelcompensatierecht is
gebaseerd op het égalitébeginsel. Dit beginsel voorziet in een recht op vergoeding
van onevenredige schade die een gevolg is van rechtmatig overheidshandelen. Daarvoor
is – onder meer – vereist dat de schade zoals de vuurwerkondernemers die lijden, uitstijgt
boven het normaal ondernemersrisico.
De schadebedragen die vanuit de detailhandelaren worden genoemd zijn gebaseerd op
een volledige schadeloosstelling, zoals in het onteigeningsrecht aan de orde is. Dat
leunt – onder meer – op het idee dat de winst voor de komende tien jaar zou moeten
worden vergoed, tezamen met een vergoeding voor alle andere denkbare schade en kosten.
Een dergelijke hoge compensatie is alleen gerechtvaardigd als er een door eigendom
beschermd absoluut recht zou zijn geweest om tot in lengte der dagen vuurwerk te blijven
verkopen. Dat is niet aan de orde. De nu gekozen insteek past daarentegen wel binnen
het nadeelcompensatierecht, waarin alleen de schade wordt vergoed die het ondernemersrisico
te boven gaat. Achterliggende gedachte daarbij is dat de branche er in dit geval hoe
dan ook, tenminste vanaf 2020, rekening mee moest houden dat consumentenvuurwerk op
termijn verboden zou kunnen worden (zie ook antwoord op vraag 7). Voor hoe omgegaan
moet worden met de omvang van het normaal ondernemingsrisico is gekeken naar rechtspraak
over vergelijkbare situaties.3
13.
De leden van de PVV-fractie lezen dat een ruimere vergoeding volgens de Staatssecretaris
het risico op ongeoorloofde staatssteun met zich meebrengt. Deze leden vragen wat
binnen deze staatssteunkaders dan wél het maximale bedrag is dat aan handelaren kan
worden gecompenseerd. Welke ruimte bestaat er bijvoorbeeld om de compensatie over
meerdere jaren uit te keren of te verlengen?
Zoals in de beantwoording van de vragen van de leden van de VVD-fractie (antwoord
op vraag 7) is uiteengezet, moet worden vermeden dat ongeoorloofde staatsteun wordt
verleend, ook in het belang van de getroffen vuurwerkbedrijven. Ongeoorloofde staatssteun
moet immers op last van de Europese Commissie door de lidstaat (vermeerderd met rente)
worden teruggevorderd. Geoordeeld is dat voor detailhandelaren vanaf 2025 een overgangsperiode
van één tot twee jaar, waarbij zoals gezegd de afgelopen jaarwisseling als het eerste
overgangsjaar telt, in de rede ligt en voor importeurs een overgangsperiode van drie
tot vier jaar. In aanmerking genomen dat de jaarwisseling 2025–2026 na vaststelling
van de Wet veilige jaarwisseling nog heeft kunnen plaatsvinden resteert voor detailhandelaren
nog maximaal één jaar nadeelcompensatie en voor importeurs nog maximaal drie jaar.
Er is daarmee binnen de bandbreedte van het nadeelcompensatierecht niet gekozen voor
de minimum variant.
14.
De leden van de PVV-fractie lezen daarnaast dat ondernemers in de vuurwerkbranche
volgens de Staatssecretaris altijd rekening moeten houden met overheidsregulering,
waaronder een mogelijk verbod. Deze leden vinden dit een vreemde redenering en vragen
daarom voor welke andere sectoren deze redenering eveneens zou gelden. Kan de Staatssecretaris
toelichten waar hierin de grens ligt? En of deze andere sectoren hiervan op de hoogte
worden gebracht door de overheid?
Uitgangspunt van het nadeelcompensatierecht is dat rekening gehouden moet worden met
overheidsregulering, ook al is niet altijd op voorhand exact te voorzien wanneer en
in welke vorm dat zal gaan plaatsvinden. Dit is bijvoorbeeld aan de orde bij sterk
gereguleerde sectoren of sectoren die maatschappelijk omstreden zijn.
Ook voor de vuurwerksector geldt dat die al jarenlang onderwerp is van overheidsregulering
– met name vanwege het gevaarlijke karakter van zowel het vuurwerk als de opslag en
het vervoer daarvan. Vuurwerk is ook al vele jaren een onderwerp van maatschappelijke
en politieke discussie. De sector is de afgelopen jaren dan ook al meermaals onderworpen
aan strengere regulering. Verscheidene keren zijn verscherpingen van de regelgeving
ingevoerd in een poging de uitwassen van de viering van oud-en-nieuw met vuurwerk,
zoals letsel en ongeregeldheden, terug te dringen. Ook zijn er op lokaal niveau vuurwerkverboden
afgekondigd. Daar komt bij dat ook het onderhavige vuurwerkverbod al langere tijd
onderwerp van discussie is, zodat ondernemers in die branche rekening moesten houden
met de mogelijkheid dat een dergelijk verbod zou kunnen worden aangenomen.4
Er zijn allerlei andere sectoren waarbinnen soortgelijke risico’s bestaan. Gedacht
kan worden aan de tabaksindustrie of industrie die CO2-uitstoot veroorzaakt.
15.
De leden van de PVV-fractie vragen ook of de Staatssecretaris erkent dat het beëindigen
van deze sector, in combinatie met deze beperkte compensatie, ertoe zal leiden dat
veel detailhandelaren hun onderneming moeten sluiten. Dit geldt met name voor ondernemers
die afhankelijk zijn van de extra omzet rond de jaarwisseling.
Zoals bij vraag 7 is aangegeven is het initiatiefwetsvoorstel voor een landelijk vuurwerkverbod
voor consumenten in 2020 ingediend. In 2025 heeft een meerderheid van zowel de Eerste
Kamer als de Tweede Kamer bij de behandeling van de Wet veilige jaarwisseling duidelijk
uitgesproken dat er een landelijk vuurwerkverbod moet komen en bij voorkeur zo snel
mogelijk. Bij de afweging van een landelijk verbod zijn de gevolgen daarvan voor vuurvuurwerkondernemers
door beide Kamers onderkend en meegewogen. Dat heeft geleid tot het aan de inwerkingtreding
verbinden van de voorwaarde van een eerlijke en nette nadeelcompensatieregeling.
Als een detailhandelaar zwaar leunt op de vuurwerkverkoop en daarnaast onvoldoende
omzet genereert om zijn bedrijf zonder verkoopomzet te kunnen voortzetten, dan behoort
ook dit tot het normaal ondernemersrisico. Dat dit in individuele gevallen tot pijnlijke
situaties kan leiden, is het kabinet zich van bewust.
Het kabinet heeft wel bewust aandacht gehad voor kleine detailhandelaren door een
extra vast bedrag van € 3.500 toe te kennen bovenop de winstderving en de 15% opslag
daarvan.
16.
Kan de Staatssecretaris inzichtelijk maken hoeveel ondernemers als gevolg van deze
maatregel genoodzaakt zullen zijn hun gehele onderneming te beëindigen?
De effecten van het landelijk vuurwerkverbod voor de vuurwerkbranche zijn in beeld
gebracht door een onafhankelijk expert. Uit het deskundigenrapport komt naar voren
dat de vuurwerkbranche bestaat uit importeurs (circa 12), detailhandelaren die vuurwerkverkoop
als nevenactiviteit hebben (circa 770 winkels) en detailhandelaren die uitsluitend
of nagenoeg uitsluitend vuurwerk verkopen (circa 75 winkels). Aangezien de verkoop
van F1-vuurwerk aan consumenten nog mogelijk blijft evenals de verkoop van consumentenvuurwerk
aan ontheffinghouders is op dit moment niet te zeggen wie zijn gehele onderneming
zal beëindigen. De detailhandelaren die de vuurwerkverkoop als nevenactiviteit hebben,
kunnen hun hoofdactiviteit in beginsel blijven uitvoeren.
17.
En wat zijn naar verwachting de kosten voor de schatkist wanneer ondernemers als gevolg
van deze maatregel noodgedwongen een beroep moeten doen op sociale uitkeringen?
Het is niet zondermeer gezegd dat ondernemers een beroep zullen doen op sociale uitkeringen.
De vuurwerkverkoop is voor het merendeel van de ondernemers een nevenactiviteit. Voor
de beëindiging van deze nevenactiviteit worden de ondernemers gecompenseerd. De ondernemers
kunnen die compensatie ook mede aanwenden om over te stappen op andere bedrijfsmodellen
of bedrijfsactiviteiten.
18.
De leden van PVV-fractie zijn principieel tegen een vuurwerkverbod voor de gewone
burger en zien dit als een symboolmaatregel die de echte problemen niet aanpakt. Deze
leden maken zich grote zorgen over het feit dat er geen eenduidige afspraken binnen
de EU zijn. Uit de bronnen blijkt dat in buurlanden, zoals Duitsland, de prijsniveaus
voor vuurwerk aanzienlijk lager liggen. Dit verbod zal volgens deze leden leiden tot
een enorme toename van (illegaal) vuurwerk uit Duitsland en België, aangezien de grenzen
open zijn. Deze leden vragen hoe de Staatssecretaris denkt het illegale vuurwerk uit
Nederland te weren als het aan de andere kant van de grens gewoon voorhanden blijft.
Erkent de Staatssecretaris dat dit verbod de illegale handel juist een enorme stimulans
geeft?
Nee, uit enquêtes blijkt dat een meerderheid van de samenleving voorstander is van
een vuurwerkverbod. Het is daarom aannemelijk dat een groot deel van de bevolking
zich aan het verbod zal houden. Daarnaast kunnen burgers in verenigingsverband een
verzoek doen bij de burgemeester voor een ontheffing.
19.
De leden van de PVV-fractie zien dat dit verbod zich richt op legaal, gecontroleerd
consumentenvuurwerk (F2), terwijl de overlast en incidenten vaak worden veroorzaakt
door zwaar illegaal vuurwerk of professioneel vuurwerk dat niet voor particulieren
bestemd is. Er wordt gesproken over een effectief handhavingsplan als voorwaarde voor
inwerkingtreding. Deze leden vragen hoe de handhaving effectief kan zijn als de politie
nu al met een tekort aan capaciteit kampt. Is de Staatssecretaris bereid toe te geven
dat dit verbod een vorm van collectieve straf is voor de goedwillende burger, terwijl
de raddraaiers met illegaal vuurwerk buiten schot blijven?
De Wet Veilige jaarwisseling is op initiatief van de Tweede Kamer tot stand gekomen.
Het verbod stelt de politie, ILT, Douane en gemeenten in staat om gerichter op te
sporen en te handhaven. Hiermee komen raddraaiers sneller op de radar en kunnen zij
hard worden aangepakt. Voor de acties op het terrein van opsporing en handhaving verwijs
ik u naar het handhavingsplan.
Zoals eerder vermeld versterken tevens de oprichting van een Benelux-werkgroep gericht
op handhaving van zwaar vuurwerk en het aangekondigde voornemen van de Europese Commissie
om de pyrotechnische richtlijn te herzien, de internationale aanpak van de illegale
vuurwerkhandel.
20.
De leden van de PVV-fractie zien dat uit de analyse van Sman Business Value dat het
importeren van vuurwerk voor importeurs de hoofdactiviteit is en dat hun bedrijfsvoering
bij een verbod niet langer levensvatbaar zal zijn. Hoewel de Staatssecretaris kiest
voor scenario B (drie jaar winstderving voor importeurs), dekt dit volgens deze leden
op geen enkele wijze de volledige vernietiging van de bedrijfswaarde. Deze leden vragen
aan de Staatssecretaris waarom er voor detailhandelaren slechts uitgegaan wordt van
één jaar winstderving, terwijl voor velen van hen de vuurwerkverkoop essentieel is
voor een gezonde bedrijfsvoering in de wintermaanden.
Bij het merendeel van de detailhandelaren betreft de verkoop van vuurwerk een nevenactiviteit
(zie ook het antwoord op vraag 7). Uit het deskundigenrapport blijkt dat slechts circa
75 van de 850 winkels uitsluitend of nagenoeg uitsluitend vuurwerk verkopen. Ook dan
is het echter geen full-time bedrijfsactiviteit.
Een bedrijfsvoering die in de basis al is gediversifieerd, is vanzelfsprekend eenvoudiger
aan te passen om eventuele nadelige gevolgen van (nadere) overheidsmaatregelen zoveel
mogelijk te voorkomen. De lengte van de overgangstermijn voor de aanpassing, hangt
mede samen met de voorzienbaarheid van het landelijk vuurwerkverbod. Er is de nodige
rechtspraak over de situatie waarin een hele branche of de hoofdactiviteit van een
onderneming wordt verboden. In die gevallen speelt het al dan niet bestaan van een
overgangstermijn een belangrijke rol om te bepalen of de schade het normale ondernemersrisico
overstijgt. Voor de detailhandelaren speelt, naast de voorzienbaarheid benoemd in
het antwoord op vraag 7, ook een rol dat er door de overheid in de recente geschiedenis
geen investeringen verplicht gesteld zijn voor lopende bedrijven. De investeringen
die in het verleden zijn gepleegd op basis van wettelijke verplichtingen, zullen bovendien
reeds geheel zijn terugverdiend.5
21.
De leden van de PVV-fractie zijn zeer kritisch over het feit dat de waardedaling van
onroerend goed niet wordt gecompenseerd, omdat dit onder het normaal ondernemersrisico
zou vallen. De bronnen tonen aan dat vuurwerkbunkers aan extreem specifieke bouwkundige
eisen (PGS-15 richtlijn) moeten voldoen en vaak niet zomaar voor andere doeleinden
of gevaarlijke stoffen gebruikt kunnen worden. Deze ondernemers hebben op last van
de overheid zwaar geïnvesteerd in deze bunkers. Graag vernemen deze leden hoe de Staatssecretaris
het kan rechtvaardigen dat deze ondernemers nu met onbruikbare, onverkoopbare panden
blijven zitten zonder enige vorm van compensatie voor deze kapitaalvernietiging.
De opslag van vuurwerk is, vanwege de daarmee gepaard gaande gevaren, bij uitstek
een risicovolle activiteit. Niet voor niets gelden regels voor de wijze waarop die
opslag moet plaatsvinden. Deze regels gelden overigens al lange tijd (2002) waarbij
de laatste wijzigingen in 2012 hebben plaatsgevonden. Zoals het deskundigenrapport
aangeeft, impliceert dit dat ondernemers de meeste daarmee gepaard gaande investeringen
dan ook al inmiddels zullen hebben terugverdiend.6 Ondernemers die met bovenstaande wetenschap starten met de verkoop van vuurwerk,
hebben hun investeringsbeslissing hier dus op afgestemd. Dergelijke investeringen
en de daarmee gepaard gaande risico’s zijn bij uitstek onderdeel van de normale ondernemersrisico’s
van een bedrijf. Bij het doen van een dergelijke investering wordt het risico genomen
dat die niet volledig kunnen worden terugverdiend. Voor de vuurwerkbranche geldt echter
dat die investeringen in de regel juist wel reeds zijn terugverdiend.
Verder doet waardedaling van een detailhandelslocatie zich altijd voor, ongeacht op
welke termijn het vuurwerkverbod in werking zou treden, juist omdat die bebouwing
specifiek geschikt is voor de opslag van vuurwerk. In zoverre heeft deze waardedaling
geen relatie met de termijn waarop het vuurwerkverbod in werking treedt. Gelet op
het omstreden karakter van vuurwerk moesten detailhandelaren dus hoe dan ook rekening
houden met het op termijn inwerkingtreden van een vuurwerkverbod en het feit dat de
waarde van hun bedrijfsbebouwing dan zal gaan dalen. Dat nadeel behoort dan ook tot
hun ondernemersrisico, zeker nu de daarvoor gepleegde investeringen inmiddels zullen
zijn terugverdiend.7
22.
De leden van de PVV-fractie lezen dat de Staatssecretaris stelt dat restvoorraden
deels met margederving in het buitenland verkocht kunnen worden. De praktijk is echter
veel weerbarstiger; Duitse labels, gebruiksaanwijzingen en keuringen verschillen van
de Nederlandse, en de concurrentie met bestaande buitenlandse leveranciers is moordend.
Deze leden vragen waarom van ondernemers wordt verwacht dat zij hun schade beperken
door verkoop in het buitenland, terwijl uit de bronnen blijkt dat dit proces complex,
duur en vaak onmogelijk is door afwijkende nationale eisen. Deze leden vragen of de
Staatssecretaris bereid is de margederving op restvoorraden volledig te vergoeden
in plaats van slechts het verlies op de inkoopwaarde.
Importeurs van consumentenvuurwerk hebben onder meer in de gesprekken met de onafhankelijk
financieel expert aangegeven restvoorraden te hebben. Deze zouden zijn ingekocht voor
het besluit tot invoering van de Wet veilige jaarwisseling medio 2025 werd genomen.
Deze voorraden vertegenwoordigen een bepaalde waarde, hoewel ze niet meer op de Nederlandse
consumentenmarkt kunnen worden verkocht. Er is evenwel ook een Nederlandse professionele
markt, er zijn consumentenmarkten buiten Nederland en een deel kan mogelijk aan ontheffinghouders
verkocht worden. Logischerwijs mag dan ook van deze importeurs worden verwacht dat
zij hun schade beperken door de voorraden alsnog te verkopen. Een van de elementen
van het nadeelcompensatierecht is de zogenoemde schadebeperkingsplicht. Houders van
restvoorraden hebben in dat licht bezien de plicht de voorraden zo mogelijk voor een
dusdanige prijs te verkopen, dat zij daarop geen verlies lijden.
Mochten zij toch verlies lijden, dan kan daar binnen het nadeelcompensatierecht eventueel
een compensatie tegenover staan. Voor een vergoeding van de winstderving op de restvoorraden
is geen aanleiding. Er wordt immers reeds drie jaar winstderving vergoed. Bovendien
is het inkopen van voorraad die uiteindelijk niet kan worden verkocht of slechts tegen
een lagere prijs, bij uitstek onderdeel van de normale ondernemersrisico’s van een
bedrijf.
Bovendien zou vergoeding van de margederving op restvoorraden leiden tot een ongelijkheid.
Importeurs die zeer ruim hebben ingekocht, zouden immers over die inkoop nog eens
misgelopen winst ontvangen, terwijl importeurs die conservatiever hebben ingekocht
(gelet op een mogelijk vuurwerkverbod), veel minder zouden profiteren van een vergoeding
op margederving.
23.
Deze leden vragen of de Staatssecretaris naar aanleiding van de bovenstaande redenaties/vragen
reden ziet om toch af te zien van de invoering van het consumentenvuurwerkverbod voor
dit jaar en komende jaren. Zo ja, welke argumenten zijn er en zo nee waarom niet?
Het landelijk vuurwerkverbod is met een ruime meerderheid aangenomen in de Eerste
en Tweede Kamer. Bovendien is er ook een motie in de Tweede Kamer aangenomen die de
regering oproept de Wet veilige jaarwisseling ruim voor de komende jaarwisseling in
te laten gaan. Andere partijen zoals Politie roepen op tot een snelle inwerkingtreding
van het landelijke vuurwerkverbod voor consumenten. Op dit moment ligt het inwerkingtredingsbesluit
in het kader van de voorhang in de Eerste en Tweede Kamer. Het is aan beide Kamers
om te bepalen of het landelijk vuurwerkverbod op 1 augustus 2026 in werking kan treden.
Inbreng fractie CDA
24.
De leden van de CDA-fractie hechten eraan dat de financiële compensatie voor vuurwerkondernemingen
zorgvuldig, transparant en doelmatig wordt vormgegeven, zodat overcompensatie en daarmee
ongeoorloofde staatssteun worden voorkomen. Dat vereist dat ook de daadwerkelijk geleden
schade goed in beeld wordt gebracht. Deze leden vragen de Staatssecretaris hoe de
monitoring en evaluatie van de compensatieregeling worden ingericht om achteraf te
kunnen vaststellen dat geen sprake is geweest van overcompensatie.
Voor een nadeelcompensatieregeling gelden geen wettelijke vereisten van monitoring
en evaluatie. Het kabinet vindt het wel wenselijk om de totale kosten van de regeling
in beeld te brengen en beide Kamers hierover te informeren. Hiermee krijgen beide
Kamers inzicht in de uiteindelijke bedragen.
De compensatieregeling blijft, naar het oordeel van het kabinet, binnen de grenzen
van het nadeelcompensatierecht. Bij het vaststellen van de beschikkingen (detailhandelaren)
of vaststellingsovereenkomsten (importeurs) worden controles uitgevoerd op de aangeleverde
stukken. Op deze manier wordt geborgd dat binnen de uitgangspunten van de regeling
wordt gebleven en daarmee overcompensatie wordt voorkomen.
25.
In hoeverre zijn met importeurs en detailhandelaren afspraken gemaakt over de wijze
waarop zij hun daadwerkelijk geleden schade moeten aantonen?
De schade/effecten van het landelijk vuurwerkverbod voor de importeurs en de detailhandelaren
is in beeld gebracht door een onafhankelijk expert. Hierbij hebben de importeurs en
de detailhandelaren hun informatie aangeleverd. Dit rapport is de basis voor de uitgangspunten
voor de nadeelcompensatie. In het convenant voor de importeurs en de beleidsregel
voor de detailhandelaren worden de voorwaarden voor het verkrijgen van nadeelcompensatie
nader uitgewerkt en wordt tevens beschreven welke informatie de ondernemers moeten
aanleveren om in aanmerking te kunnen komen. Zo moet bijvoorbeeld het inschrijvingsnummer
bij de Kamer van Koophandel aangeleverd worden, alsmede inkoopfacturen, bewijs dat
consumentenvuurwerk verkocht is in 2025–2026, omzetgegevens en de huidige vergunning.
26.
Hoe wordt getoetst of opgevoerde schade daadwerkelijk geleden en proportioneel is?
Welke indicatoren, toetsingscriteria en controlemomenten worden daarbij gehanteerd?
De beleidsregel voor de detailhandelaren wordt samen met RVO opgesteld. Bij de uitwerking
zijn de verschillende risico’s in beeld gebracht en zijn er beheersmaatregelen opgenomen.
Voorbeelden van beheersmaatregelen zijn het aanleveren van inkoopfacturen en creditfacturen,
een vergelijking met de omzetcijfers in het kader van de btw-aangifte en een kopie
van een vergunning.
27.
Hoe en door wie wordt de daadwerkelijk geleden schade van bedrijven die compensatie
ontvangen vastgesteld? Welke onafhankelijke partijen of deskundigen worden betrokken
bij de beoordeling en verificatie van de schade?
De uitvoering van de beleidsregeling voor de detailhandelaren wordt door RVO gedaan.
De individuele vaststelling van de nadeelcompensatie per importeur wordt waarschijnlijk
uitgevoerd door het inschakelen van een schade-expert.
28.
De leden van de CDA-fractie constateren dat bij de vormgeving van de compensatieregeling
nadrukkelijk is gekozen voor een ruimhartige benadering. Daarbij zijn ook elementen
meegenomen die niet direct samenhangen met het verbod zelf. Deze leden vragen de Staatssecretaris
waarom ervoor is gekozen om bij de berekening van de winstderving ook de winst op
F1-vuurwerk mee te tellen, terwijl het verbod daarop geen betrekking heeft? Waarom
zijn de positieve effecten van de Wet veilige jaarwisseling, zoals verkoop aan ontheffinghouders
en een verwachte omzettoename van F1-vuurwerk, buiten beschouwing gelaten?
In lijn met de voorwaarde die aan de inwerkingtreding van de Wet veilige jaarwisseling
is verbonden werk ik aan de uitwerking van een nette en eerlijke compensatieregeling.
Uit het deskundigenrapport komt naar voren dat de omzet bij detailhandelaren die gemoeid
is met F1-vuurwerk marginaal klein is. Het F1-vuurwerk wordt grotendeels verkocht
door andersoortige detailhandelaren zoals supermarkten die geen F2-vuurwerk verkopen.
Deze ondernemers worden dan ook niet geraakt door het vuurwerkverbod.
De effecten van de Wet veilige jaarwisseling zoals de verkoop aan ontheffinghouders
zijn nog niet bekend en lastig te voorspellen. Uit het deskundigenrapport blijkt dat
het reëel is om te veronderstellen dat circa 1 tot 5% van de omzet van consumentenvuurwerk
behouden kan worden. Echter, de deskundigen schatten in dat zelfs met behoud van deze
zeer beperkte omzet uit F1-vuurwerk (en een deel export), de exploitatie voor een
gemiddelde importeur verlieslatend zal worden (of hooguit marginaal positief), en
in continuïteit niet levensvatbaar. Derhalve zijn de verkoop van F1 vuurwerk en de
effecten van de Wet veilige jaarwisseling buiten beschouwing gelaten.
29.
Deze leden vragen de Staatssecretaris duidelijk uiteen te zetten in hoeverre deze
ruimhartige benadering strijdig is met het voorkomen van overcompensatie en met het
doelmatig inzetten van publieke middelen.
Zoals in de beantwoording van de vragen van de leden van de VVD-fractie is uiteengezet
is binnen het nadeelcompensatierecht gezocht naar een regeling die recht doet aan
de door het parlement daaraan verbonden kwalificaties «eerlijk en net». Voor zowel
de detailhandelaren als de importeurs is daaruit een bandbreedte naar voren gekomen.
Mede in het licht van de wens van de Tweede Kamer om in overleg met de vuurwerkbranche
tot een regeling te komen, is niet gekozen voor de minimumvariant. Langs die lijn
is in ieder geval op hoofdlijnen overeenstemming bereikt met de brancheorganisatie
van de importeurs. Dat is naar het oordeel van het kabinet niet in strijd met het
doelmatig inzetten van publieke middelen. Van overcompensatie is geen sprake omdat
binnen de bandbreedte van het nadeelcompensatierecht wordt gebleven.
30.
De leden van de CDA-fractie lezen dat in de compensatieregeling ook rekening wordt
gehouden met eventuele restvoorraden vuurwerk, waarbij is ingezet op het zoveel mogelijk
beperken daarvan. Dit roept bij hen vragen op over eigendom, verwerking en compensatie
van deze voorraden. Zij vragen wat er gebeurt met de resterende vuurwerkvoorraden
waarvoor geen afzet in Nederland meer mogelijk is. Wiens eigendom blijven deze restvoorraden
na compensatie? Welke restricties, voorschriften of verplichtingen gelden voor opslag,
verkoop, export, vernietiging of andere verwerking van deze voorraden? Hoe wordt gecontroleerd
dat restvoorraden niet alsnog leiden tot dubbele compensatie of ongeoorloofde staatssteun?
Welke rol hebben importeurs zelf bij de verdere afhandeling van deze restvoorraden?
Deze leden merken op dat er sinds mei 2025 gesprekken plaatsvinden met importeurs
over de compensatieregeling en in het bijzonder de afhandeling van restvoorraden.
De afspraak met de importeurs is gemaakt om restvoorraden zo veel als mogelijk te
beheersen en beperken. Bovendien is afgesproken dat importeurs bereid zijn naast de
volle verpakkingen (zoals gebruikelijk), ook de aangebroken verpakkingen tegen werkelijk
gemaakte kosten op te halen bij de detailhandel. Hiermee wordt de detailhandel ontlast
en is compensatie voor de detailhandel op dit punt dan ook niet voorzien.
Met betrekking tot restvoorraden van importeurs is de inzet van het kabinet dat hooguit
eventuele verliezen die zij daarop maken voor vergoeding in aanmerking komen. Die
verliezen zullen moeten worden aangetoond. De redenen daarvoor zijn uiteengezet in
antwoord op vragen van de PVV-fractie. Hierover worden in het kader van het met de
importeurs te sluiten convenant nadere afspraken gemaakt. Het ligt op hun weg hun
schade zoveel mogelijk te beperken door hun restvoorraden zo goed mogelijk te verkopen.
Van dubbele compensatie of ongeoorloofde staatssteun kan geen sprake zijn. Dat is
ook in hun belang.
31.
De laatste gesprekken zouden plaatsvinden in de week van 4 mei 2026. Zij vragen wat
de uitkomst was van deze laatste gesprekken.
De laatste gesprekken met de importeurs en detailhandelaren hebben inderdaad plaatsgevonden
in de week van 4 mei jl. Met de importeurs is op hoofdlijnen tot overeenstemming gekomen
over de uitgangspunten voor een nadeelcompensatieregeling. Met de vertegenwoordigers
van de branchevereniging van de importeurs is afgesproken dat op basis van de uitgangspunten
het convenant op korte termijn wordt voorbereid.
In het laatste gesprek met de brancheverenigingen van detailhandelaren zijn de uitgangspunten
voor de nadeelcompensatieregeling toegelicht en is afgesproken dat een concept van
de beleidsregel zal worden voorgelegd aan de brancheverenigingen. Met deze brancheverenigingen
is niet tot een overeenstemming gekomen omdat er een groot verschil van inzicht is
over het aantal jaren winstderving.
Inbreng fractie BBB
32.
De leden van de BBB-fractie constateren dat de discussie over de compensatie voor
vuurwerkondernemers op meerdere punten sterke overeenkomsten vertoont met eerdere
dossiers waarin ondernemers of burgers pas na langdurige juridische procedures erkenning
en compensatie kregen voor schade veroorzaakt door overheidsbeleid. Deze leden vinden
dat voorkomen moet worden dat opnieuw een situatie ontstaat waarin ondernemers jarenlang
tegenover hun eigen overheid komen te staan om een rechtvaardige compensatie af te
dwingen. Kan de Staatssecretaris bevestigen dat nadeelcompensatie juridisch gezien
een openeinderegeling betreft waarbij de daadwerkelijke schade leidend behoort te
zijn? Hoe voorkomt zij dat het reeds communiceren van een totaalbudget ertoe leidt
dat budgettaire begrenzing feitelijk belangrijker wordt dan volledige en zorgvuldige
schadevaststelling?
Het is juist dat – anders dan een subsidieregeling – een nadeelcompensatieregeling
geen plafond heeft en dat de daadwerkelijk geleden schade die boven het normaal ondernemersrisico
uitstijgt in beginsel leidend is voor de hoogte van de compensatie. In beginsel, omdat
gelet op het grote aantal detailhandelaren wordt gewerkt met een aantal parameters.
Het gereserveerde totaalbedrag is een ruwe en ruime inschatting van de benodigde middelen.
De kans dat deze onvoldoende blijken te zijn, acht het kabinet klein. Mocht toch sprake
zijn van een overschrijding van het budget, dan zullen aanvullende middelen moeten
worden gezocht. De vaststelling van de hoogte van de nadeelcompensatie voor iedere
individuele vuurwerkondernemer volgt een zorgvuldig proces. Voor detailhandelaren
wordt daartoe een beleidsregel vastgesteld en voor de importeurs een convenant. Op
basis daarvan krijgen detailhandelaren een beschikking en worden met importeurs vaststellingsovereenkomsten
gesloten. Voor detailhandelaren die zich niet kunnen vinden in de hoogte van de nadeelcompensatie
staat bezwaar en beroep open. Een geslaagd bezwaar of beroep moet worden gehonoreerd.
33.
Kan de Staatssecretaris bevestigen dat het beschikbare budget of het ontbreken van
dekking binnen de begroting juridisch geen zelfstandige grond mag vormen voor het
beperken van een schadevergoeding waarop ondernemers recht hebben?
Omdat bij nadeelcompensatie het uiteindelijk benodigde bedrag hoger of lager kan uitvallen,
reserveer ik uit voorzorg al een hoger budget van € 100 miljoen dan de geraamde kosten
van € 90 miljoen. Dat moet voldoende zijn. De kans dat het budget onvoldoende is lijkt
evenwel gering, gelet op het aan de uitgangspuntenbrief ten grondslag liggende deskundigenrapport,
juridische advies en de ingebouwde marge. Mocht het beschikbare budget niettemin ontoereikend
blijken, dan zal worden bezien hoe dit budget kan worden aangevuld met andere middelen.
34.
Erkent de Staatssecretaris dat nadeelcompensatie geen politieke tegemoetkoming is,
maar een juridisch afdwingbare verplichting, indien sprake is van een onevenredige
last als gevolg van rechtmatig overheidshandelen?
Inderdaad is nadeelcompensatie geen politieke tegemoetkoming, maar een recht op vergoeding
van de onevenredige schade die een gevolg is van rechtmatig overheidshandelen.
35.
De leden van de BBB-fractie constateren dat in de brief uitgebreid wordt verwezen
naar overleg en afstemming met de branche. Tegelijkertijd ontvangen deze leden vanuit
de consumentenvuurwerkdetailhandel signalen dat gesprekken vooral werden ervaren als
eenzijdige mededelingen vanuit het ministerie, waarbij inhoudelijk weinig tot niets
zou zijn gedaan met voorstellen en argumenten vanuit de branche. De Kamer is met de
Kamerbrief van 8 mei weliswaar op de hoogte gebracht van alle contactmomenten met
de brancheverenigingen, maar uit dat schrijven blijkt niet duidelijk welke voorstellen
van de ondernemers besproken zijn. Kan de Staatssecretaris specifiek aangeven welke
voorstellen vanuit de branche aantoonbaar hebben geleid tot aanpassingen in de regeling?
Deze leden vragen niet om de letterlijke inhoud van gesprekken, maar wel een duidelijk
overzicht van de voorgestelde aanpassingen van de sector en een overzicht van óf en
hoe die voorstellen verwerkt zijn in de uiteindelijke uitwerking.
In het kader van het onderzoek naar de financiële effecten van het landelijk vuurwerkverbod
zijn diverse voorstellen van de vuurwerkbranche meegenomen door de onafhankelijk expert.
Zo is op voorstel van de branche een categorie-indeling voor de diversiteit van de
detailhandelaren ingevoerd.
Verder hebben de brancheverenigingen van de detailhandelaren in gesprekken met IenW
een voorstel gedaan voor het hanteren van een vast bedrag als tegemoetkoming voor
kleine ondernemers. Dit voorstel is eveneens overgenomen.
Bij de beoordeling welke schade voor vergoeding in aanmerking komt heeft de landsadvocaat
vervolgens geoordeeld dat de overige voorstellen zoals meerdere jaren winstderving
of een verhoging van het opslagpercentage niet overgenomen worden omdat deze voorstellen
niet passen binnen de kaders van het nadeelcompensatierecht zoals ook nader is toegelicht
in het antwoord op vraag 12. Daarnaast zijn de voorstellen voor maatwerk per detailhandelaar
niet overgenomen gelet op efficiëntie en uitvoerbaarheid.
36.
De leden van de BBB-fractie ontvangen daarnaast signalen dat brancheorganisaties na
vrijwel ieder overleg schriftelijk hebben aangegeven het gevoel te hebben dat het
ministerie primair stuurde op het zo laag mogelijk houden van de compensatie, onder
verwijzing naar staatssteun, normaal ondernemersrisico, voorzienbaarheid en budgettaire
beperkingen. Hoe reflecteert de Staatssecretaris op deze signalen?
Aan de inwerkingtreding van de Wet veilige jaarwisseling hebben de Kamers o.a. als
voorwaarde gesteld dat IenW een compensatieregeling moest uitwerken. In het licht
van deze gestelde voorwaarde is een compensatieregeling uitgewerkt waarbij de juridische
grondslag in het nadeelcompensatierecht is gezocht. In de Kamerbrief van 27 maart
jl. zijn de uitgangspunten voor de nadeelcompensatieregeling voor de vuurwerkbedrijven
al gedeeld. In deze brief is gesteld dat de juridische grondslag van de compensatie
aan vuurwerkondernemers is gevonden in het nadeelcompensatierecht, dat is gebaseerd
op het égalitébeginsel. Dit beginsel voorziet in een recht op vergoeding van onevenredige
schade die een gevolg is van rechtmatig overheidshandelen. Daarvoor is – onder meer
– vereist dat de schade zoals de vuurwerkondernemers die lijden, uitstijgt boven hun
normaal ondernemersrisico. Dit punt is altijd in alle gesprekken als uitgangspunt
gehanteerd en dus ook in de beoordeling van alle voorstellen van de vuurwerkbranche.
Bovendien is binnen de bandbreedte die het nadeelcompensatierecht biedt, voor zowel
de detailhandelaren als de importeurs niet gekozen voor de minimale variant waardoor
volgens het kabinet wordt uitgekomen op een eerlijke en nette nadeelcompensatieregeling
(zie ook het antwoord op vraag 7).
37.
Kan zij alle correspondentie tussen het ministerie en brancheorganisaties over de
nadeelcompensatieregeling aan de Kamer doen toekomen, inclusief reacties op voorstellen
vanuit de branche?
In het kader van de nadeelcompensatieregeling is het deskundigenrapport het belangrijkste
document. Dit rapport is openbaar gemaakt.8 Vervolgens zijn de juridische standpunten uitgewisseld in meerdere overleggen waaronder
tussen de advocaten. Het is aan de brancheorganisatie zelf om eigen correspondentie
te overleggen.
Uit het, aan u overgelegde feitenrelaas9, blijkt dat vooral mondeling is overlegd. De correspondentie, voor zover ik nu kan
overzien, betrof met name het proces.
38.
Kan de Staatssecretaris ook bevestigen dat de brancheorganisaties van de consumentenvuurwerkverkopers
expliciet hebben aangegeven niet akkoord te zijn met de huidige opzet van de compensatieregeling?
Zoals eerder vermeld bij vraag 31 is er met de importeurs overeenstemming over de
uitgangspunten van de nadeelcompensatieregeling. De brancheverenigingen van de detailhandelaren
hebben in het laatste gesprek aangegeven zich niet te kunnen vinden in deze uitgangspunten
omdat er een groot verschil van inzicht is over het aantal jaren winstderving.
39.
De leden van de BBB-fractie lezen dat de Staatssecretaris stelt dat het voorstel van
de branche voor schadevaststelling via uitgebreide invulformulieren en steekproefcontroles
niet goed uitvoerbaar zou zijn. Deze leden begrijpen dat ondernemers juist hebben
voorgesteld om via een dergelijke systematiek de daadwerkelijke schade zorgvuldig
per onderneming inzichtelijk te maken. Waarom is dit voorstel niet inhoudelijk verder
uitgewerkt? Werd bij het voorstel van de sector gewerkt met dezelfde cijfers als uitgangspunt
als bij de uiteindelijk gebruikte systematiek? Zo nee, wat waren daarin de verschillen?
En als er van dezelfde gegevens gebruik gemaakt zou worden, is de Staatssecretaris
het dan met deze leden eens dat het voorstel van de branche wat controleerbaarheid
betreft gelijkwaardig is aan het uiteindelijk gekozen systeem? Acht de Staatssecretaris
het argument dat individuele schadevaststelling «te veel werk» of onvoldoende uitvoerbaar
zou zijn verenigbaar met de verplichting van de overheid om onevenredige schade zorgvuldig
vast te stellen?
Op dit moment wordt, op basis van de informatie uit het deskundigenrapport en de uitgangspunten10, de beleidsregel voor de detailhandelaren nader uitgewerkt. Het deskundigenrapport
is, in afstemming met de brancheverenigingen, opgesteld op basis van informatie van
de vuurwerkbranche. Een concept van de beleidsregel wordt, zoals eerder aangegeven
bij vraag 31, voorgelegd aan de brancheverenigingen.
40.
De leden van de BBB-fractie maken zich daarnaast ernstige zorgen over de wijze waarop
structurele schadeposten grotendeels onder het normaal ondernemersrisico lijken te
worden geschoven. In het Sman-rapport worden expliciet schadeposten genoemd, zoals
winstderving, huurverplichtingen, afschrijvingen, restvoorraden, waardedaling van
investeringen en verlies van bedrijfswaarde. Waarom worden deze posten vervolgens
slechts zeer beperkt vergoed? Hoe verhoudt dit zich volgens de Staatssecretaris tot
artikel 1 van het Eerste Protocol bij het EVRM en het vereiste van een «fair balance»
waarbij ondernemers niet geconfronteerd mogen worden met een individuele en buitensporige
last? Hoe verhoudt het huidige voorstel zich tot artikel 3:2 en 3:46 Algemene wet
bestuursrecht, nu de gekozen omvang van de compensatie volgens brancheorganisaties
onvoldoende draagkrachtig is gemotiveerd? Wat wordt specifiek en per casus gedaan
voor de schrijnende gevallen (als bijvoorbeeld sprake is van lang doorlopende huurcontracten)?
Deze leden ontvangen signalen van ondernemers die nog jarenlang vastzitten aan huurcontracten,
onderhoudsverplichtingen voor bunkers, sprinklerinstallaties en kosten voor het terugbrengen
van panden in oorspronkelijke staat. Deze leden begrijpen niet hoe een forfaitaire
opslag van 15% plus € 3.500 per winkel in dergelijke gevallen een redelijke compensatie
kan vormen. Kan de Staatssecretaris toelichten hoe deze bedragen zich volgens haar
verhouden tot de daadwerkelijke lasten waar ondernemers mee geconfronteerd worden?
Naast winstderving is een aantal andere posten in het deskundigenrapport geïnventariseerd.
Niet alle schade komt echter voor vergoeding in aanmerking volgens het geldend juridisch
kader. Uitsluitend de vergoeding van onevenredige schade die uitstijgt boven het normaal
ondernemersrisico komt voor vergoeding in aanmerking. Dat is in de eerste plaats de
winstderving en daarnaast wordt voor de overige posten een opslagpercentage van 15%
en een vast bedrag van € 3.500 gehanteerd. Dat het landelijk vuurwerkverbod in individuele
gevallen tot pijnlijke situaties kan leiden, is het kabinet zich van bewust. Tegelijkertijd
moet wel binnen de regels van het nadeelcompensatierecht worden gebleven.
In reactie op artikel 1 van het Eerste Protocol bij het EVRM en het vereiste van een
«fair balance» het volgende. Het nadeelcompensatierecht is gebaseerd op het égalitébeginsel.
Dit beginsel voorziet in een recht op vergoeding van onevenredige schade die een gevolg
is van rechtmatig overheidshandelen. Daarvoor is – onder meer – vereist dat de schade
zoals de vuurwerkondernemers die lijden, uitstijgt boven het normaal ondernemersrisico.
De in de vraag genoemde «fair balance-toets» is in hoge mate vergelijkbaar met de
toets van het normaal ondernemersrisico in het kader van het nadeelcompensatierecht.
Indien namelijk het recht op nadeelcompensatie op grond van het égalitébeginsel gewaarborgd
is in het nationale recht, geldt als uitgangspunt dat er sprake is van een fair balance.
Het kabinet is van oordeel dat het voorstel zorgvuldig is voorbereid en draagkrachtig
is gemotiveerd en daarmee de toets van artikel 3:2 en 3:46 Awb zal kunnen doorstaan.
41.
De leden van de BBB-fractie lezen dat de Staatssecretaris stelt dat ondernemers rekening
hadden moeten houden met verdergaande regulering of zelfs een verbod, mede omdat de
discussie over consumentenvuurwerk al langere tijd speelde. Deze leden vinden die
redenering moeilijk te volgen. De politieke discussie over vuurwerk bestaat al tientallen
jaren, zonder dat er gedurende lange tijd een meerderheid was voor een landelijk verkoopverbod.
Kan de Staatssecretaris toelichten waarom ondernemers hieruit hadden moeten afleiden
dat zij investeringen in veiligheidsmaatregelen, bunkers, sprinklerinstallaties en
vergunningstrajecten niet meer mochten vertrouwen? Kan de Staatssecretaris bovendien
aangeven op welke uitspraken van de Rechtbank Den Haag zij precies doelt? Deze leden
merken daarbij op dat ondernemers juist jarenlang hebben geïnvesteerd op basis van
steeds strengere overheidsregels en veiligheidseisen. Erkent de Staatssecretaris dat
ondernemers hierdoor juist mochten vertrouwen op continuering van een gereguleerde
legale activiteit? Hoe reflecteert zij op het gevoel bij ondernemers dat de overheid
hen eerst verplichtte forse investeringen te doen en vervolgens stelt dat de gevolgen
van het verbod grotendeels voor eigen rekening zijn?
De laatste wijzigingen aan de vuurwerkwet- en regeling (m.b.t. opslag- en veiligheidsvereisten)
hebben plaatsgevonden in 2012. Investeringen die in die periode hebben plaatsgevonden
zijn inmiddels afgeschreven en terugverdiend. In dat kader speelt een rol dat consumentenvuurwerk
inherent risico’s met zich meebrengt voor de veiligheid, de gezondheid, het milieu
en de openbare orde. Een ondernemer die vuurwerk verkoopt moet om die reden altijd
rekening houden met (nadere) overheidsregulering, inclusief een verbod. Het overheidsbeleid
ten aanzien van consumentenvuurwerk is door de jaren heen ook steeds restrictiever
geworden. Zo zijn de afgelopen jaren de afsteektijden en de soorten vuurwerk die consumenten
mogen afsteken steeds verder ingeperkt. Daarnaast heeft een aantal gemeenten al een
lokaal vuurwerkverbod ingesteld. Bovendien was het vuurwerkverbod al meer dan vijf
jaar concreet voorzienbaar, doordat al die tijd al de initiatiefwet aanhangig was.
Het is niet zo dat een dergelijke maatregel in het kader van het nadeelcompensatierecht
pas voorzienbaar wordt, als vaststaat dat er een Kamermeerderheid voor is. Ondernemers
moeten ook al in een eerder stadium rekening houden met de mogelijkheid van een dergelijk
verbod – ook als nog niet vast staat of dat verbod er echt gaat komen. Deze elementen
wegen mee in de beoordeling van het ondernemersrisico.
De uitspraken van de Rechtbank Den Haag waaraan gerefereerd is in de brief van 22 mei
jl. t.a.v. het normaal ondernemersrisico betrof ECLI:NL:RBDHA:2025:21169 en ECLI:NL:RBDHA:2022:8566.
42.
De leden van de BBB-fractie lezen dat de Staatssecretaris zich herhaaldelijk beroept
op mogelijke kapitalisatierisico’s. Tegelijkertijd wijzen zowel Simmons & Simmons
als de Landsadvocaat erop dat compensatie binnen het reguliere nadeelcompensatierecht
in beginsel geen verboden staatssteun vormt. Waarom blijft het ministerie staatssteun
zo nadrukkelijk als argument gebruiken? Kan de Staatssecretaris bevestigen dat binnen
het nadeelcompensatierecht geen vaste maximale kapitalisatiefactor bestaat en dat
in jurisprudentie factoren van 8 tot 10 bij structurele inkomensschade niet ongebruikelijk
zijn? Op basis van welke concrete jurisprudentie concludeert de Staatssecretaris dat
in dit dossier volstaan kan worden met circa één jaar winstderving?
Bij het uitwerken van een nadeelcompensatieregeling voor de detailhandel en importeurs
is het uitgangspunt dat binnen de grenzen van het nadeelcompensatierecht wordt gebleven.
Daarmee is dan geen sprake van staatssteun. Indien schade wordt vergoed die wel onder
het normaal ondernemersrisico valt, wordt buiten het nadeelcompensatierecht getreden.
Daarmee kan er sprake zijn van overcompensatie en daarmee het risico op ongeoorloofde
staatssteun.
Verder moet een onderscheid gemaakt worden tussen factoren die gebruikt worden om
de totale omvang van schade tot in lengte der dagen te kapitaliseren (bijv. de door
u genoemde factor 8 of maximaal factor 10) en de vraag hoeveel jaren winstderving
buiten het normale ondernemersrisico valt en dus vergoed moet worden. Zoals hiervoor
ook is toegelicht, is er geen rechtvaardiging voor de gedachte dat detailhandelaren
tot in lengte der dagen gecompenseerd zouden moeten worden voor de winstderving door
het vuurwerkverbod.
Er is niet eerder eenzelfde casus aan de orde geweest in de jurisprudentie. Wel zijn
er eerdere lokale vuurwerkverboden ingevoerd, die, voor zover bekend, niet tot compensatie
hebben geleid. De rechtbank Den Haag heeft wel tweemaal – in andere situaties – een
oordeel gegeven over het ondernemersrisico van de vuurwerkbranche. Dat was in: Rechtbank
Den Haag 31 augustus 2022, ECLI:NL:RBDHA:2022:8566, r.o. 4.45 e.v. en Rechtbank Den
Haag 12 november 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:21169, r.o. 5.16. Daarnaast zijn er allerlei
voorbeelden uit andere branches waarin regulerend is opgetreden en waarin zonder of
met een beperktere compensatie kon worden volstaan.11 Uiteindelijk komt het evenwel aan op een totaalafweging, in het licht van het nadeelcompensatierecht.
43.
Deze leden ontvangen bovendien signalen dat zelfs volgens de Landsadvocaat ruimte
bestaat voor een hogere compensatie dan het gekozen scenario (namelijk hoger dan scenario C)
voor detailhandelaren. Klopt dit? Waarom is desondanks gekozen voor wat door ondernemers
wordt ervaren als het laagste compensatiescenario? Klopt het dat het kabinet met deze
regeling feitelijk kiest voor het laagste compensatiescenario voor detailhandelaren,
terwijl zelfs volgens de Landsadvocaat ruimte bestaat voor een hogere vergoeding?
Is de Staatssecretaris bereid onafhankelijk juridisch advies openbaar te maken over
de vraag welke kapitalisatiefactor binnen het nadeelcompensatierecht in deze specifieke
situatie redelijk en juridisch houdbaar is?
Aan de inwerkingtreding van de Wet veilige jaarwisseling hebben de Kamers o.a. als
voorwaarde gesteld dat IenW een eerlijk en nette compensatieregeling moest uitwerken.
In het licht van deze gestelde voorwaarde is een compensatieregeling uitgewerkt waarbij
de juridische grondslag in het nadeelcompensatierecht is gezocht. Het nadeelcompensatierecht
is gebaseerd op het égalitébeginsel. Dit beginsel voorziet in een recht op vergoeding
van onevenredige schade die een gevolg is van rechtmatig overheidshandelen. Daarvoor
is – onder meer – vereist dat de schade zoals de vuurwerkondernemers die lijden, uitstijgt
boven hun normaal ondernemersrisico.
Voor de detailhandelaren is gekozen voor compensatie ter hoogte van één jaar winstderving
opgehoogd met een opslag van 15%. Om de detailhandelaren tegemoet te komen is het
voorstel van een vast bedrag van € 3.500 per ondernemer overgenomen. Hiermee worden
vooral de kleinere ondernemers geholpen.
Het onafhankelijk deskundigenrapport dat als basis heeft gediend is reeds openbaar
gemaakt. Het advies van de landsadvocaat heeft het karakter van een procesadvies.
Bij procesadviezen is verstrekking aan de Kamer – waardoor het openbaar wordt – niet
aan de orde, vanwege de mogelijkheid van het schenden van de procespositie van de
Staat.
44.
De leden van de BBB-fractie maken zich tevens zorgen over de positie van consumentenvuurwerkverkopers
ten opzichte van de importeurs. Deze leden willen benadrukken dat importeurs recht
hebben op een eerlijke en rechtvaardige compensatie. Het is wat deze leden betreft
dan ook goed dat voor importeurs wordt gekeken naar een regeling die daadwerkelijk
aansluit bij de omvang van de schade en de lange inkoop- en verkoopcycli waarmee zij
te maken hebben. Tegelijkertijd vragen deze leden hoe wordt voorkomen dat detailhandelaren
door deze situatie feitelijk met de rug tegen de muur worden gezet. Wanneer importeurs
via convenanten tot overeenstemming komen en stoppen met importeren, terwijl detailhandelaren
nog grote bezwaren hebben tegen de hoogte en systematiek van hun eigen compensatieregeling,
ontstaat immers de situatie dat detailhandelaren nauwelijks nog een reële onderhandelingspositie
hebben. Zij hebben dan mogelijk geen vuurwerk meer om te verkopen, ook niet wanneer
procedures of besluitvorming nog lopen. Hoe reflecteert de Staatssecretaris op dit
risico?
De leden van de BBB-fractie schetsen de hypothetische situatie dat nog niet zou zijn
besloten over het moment van inwerkingtreding van de Wet veilige jaarwisseling, terwijl
met de importeurs van vuurwerk al wel overeenstemming zou zijn bereikt. Dit is geen
reëel scenario. Zolang niet vaststaat wanneer de Wet veilige jaarwisseling in werking
treedt kan geen definitieve overeenstemming worden bereikt met de importeurs omdat
hun schade en nadeel niet kan worden vastgesteld. Los daarvan, het vaststellen van
nadeelcompensatie is geen kwestie van onderhandeling. Zoals in de beantwoording van
de vragen van de VVD-fractie uitgebreid is toegelicht is een zorgvuldig proces voorafgegaan
aan de uitgangspunten voor een nadeelcompensatieregeling. Daarbij zij nogmaals benadrukt
dat zowel voor importeurs als voor detailhandelaren niet is gekozen voor een minimumvariant
binnen de bandbreedte voor een nadeelcompensatieregeling zoals die in het advies van
de landsadvocaat is geschetst op basis van eerdere nadeelcompensatie en jurisprudentie.
45.
Daarnaast lezen de leden van de BBB-fractie dat de Staatssecretaris het verschil in
compensatie tussen importeurs en detailhandelaren onder andere rechtvaardigt door
te stellen dat vuurwerkverkoop voor detailhandelaren vaak een nevenactiviteit betreft.
Deze leden vinden die redenering moeilijk te volgen. Het feit dat een ondernemer naast
vuurwerkverkoop nog andere activiteiten heeft, betekent immers niet automatisch dat
de schade die ontstaat door het wegvallen van de vuurwerkverkoop minder groot of minder
ingrijpend is. Kan de Staatssecretaris toelichten waarom een ondernemer minder recht
op compensatie zou hebben, enkel omdat hij naast deze activiteit nog andere bedrijfsactiviteiten
heeft? Deze leden ontvangen daarnaast signalen dat vuurwerkverkoop bij veel ondernemers
juist verantwoordelijk is voor een substantieel deel van de jaarwinst. Is de Staatssecretaris
hiermee bekend? Hoe voorkomt zij dat ondernemers die afhankelijk zijn van deze winstcomponent
onevenredig hard geraakt worden? Deze leden wijzen er bovendien op dat veel investeringen
juist specifiek voor de vuurwerkverkoop zijn gedaan, zoals bunkers, sprinklerinstallaties,
veiligheidsvoorzieningen en vergunningstrajecten. Die kosten waren niet nodig geweest
zonder de vuurwerkactiviteit. Waarom wordt dit onvoldoende meegewogen?
Het verschil tussen importeurs voor wie de import en verkoop de hoofdactiviteit is
en detailhandelaren voor wie de in- en verkoop van vuurwerk een nevenactiviteit is,
ligt inderdaad ten grondslag aan de verschillen tussen de overgangstermijnen en daarmee
de verschillen tussen het aantal compensatiejaren. Daarmee is niet gezegd dat de Wet
veilige jaarwisseling geen ingrijpende gevolgen voor detailhandelaren kan hebben.
Daarom wordt het onevenredige deel van hun schade dat uitstijgt boven het normaal
ondernemersrisico vergoed. En ook dat wil niet zeggen dat dit voor sommige detailhandelaren
geen ernstige gevolgen kan hebben en in het uiterste geval tot bedrijfsbeëindiging
kan leiden. Als een detailhandelaar al te zeer leunt op de vuurwerkverkoop en daarnaast
onvoldoende omzet genereert om zijn bedrijf zonder verkoopomzet te kunnen voortzetten,
dan behoort ook dit tot het normaal ondernemersrisico. Dat dit in individuele gevallen
tot pijnlijke situaties kan leiden, is het kabinet zich van bewust. Tegelijkertijd
moet wel binnen de regels van het nadeelcompensatierecht worden gebleven. Het kabinet
heeft wel bewust aandacht gehad voor kleine detailhandelaren.
46.
Ook vragen deze leden waarop precies is gebaseerd dat detailhandelaren juridisch gezien
«minder ingrijpend» geraakt zouden worden dan importeurs. Beschikt de Staatssecretaris
over cijfers waaruit blijkt hoeveel importeurs uitsluitend afhankelijk zijn van vuurwerkverkoop
en hoeveel detailhandelaren daarnaast géén of juist wél substantiële andere inkomstenbronnen
hebben? Kan zij deze cijfers met de Kamer delen?
De effecten van het landelijk vuurwerkverbod voor de vuurwerkbranche zijn in beeld
gebracht door een onafhankelijk expert. Deze expert heeft hiervoor informatie opgevraagd
zowel bij de importeurs als bij de detailhandelaren. Hierbij is gekeken naar andere
inkomstenbronnen. De resultaten van zijn analyses zijn opgenomen in het deskundigenrapport
dat als bijlage is meegezonden met de Kamerbrief van 8 mei jl.12
47.
De leden van de BBB-fractie lezen dat bij het opstellen van de regeling geen rekening
is gehouden met toekomstige verkoopmogelijkheden via verenigingen en stichtingen.
Tegelijkertijd wijst de Staatssecretaris wel op deze mogelijkheid. Deze leden vragen
hoe realistisch deze mogelijkheid daadwerkelijk is, gelet op de grote beleidsvrijheid
van burgemeesters en signalen dat veel gemeenten zeer terughoudend zullen omgaan met
vergunningverlening. Is de Staatssecretaris bereid te erkennen dat deze markt in de
praktijk mogelijk zeer beperkt zal blijken?
Of van de ontheffingsmogelijkheid in de Wet veilige jaarwisseling niet of nauwelijks
gebruik zal worden gemaakt, is nog niet te zeggen. In het Ontwerpbesluit is ruimte
gelaten voor een lokale invulling van de ontheffingsmogelijkheid. Hiermee heeft de
burgemeester de ruimte om het gesprek met zijn inwoners te voeren over de ontheffingsmogelijkheid
en de wijze waarop hier door de gemeente invulling aan wordt gegeven.
48.
De leden van de BBB-fractie vragen daarnaast waarom nog steeds geen duidelijkheid
bestaat over de fiscale behandeling van de compensatiebedragen. Klopt het dat hierover
nog geen definitief standpunt is ingenomen? Erkent de Staatssecretaris dat deze onzekerheid
grote gevolgen heeft voor de netto compensatie die ondernemers uiteindelijk daadwerkelijk
overhouden?
Mede op verzoek van de vuurwerkbranche is in het deskundigenrapport de jaarlijkse
winst in beeld gebracht op basis van EBITDA. Dit betekent de winst voor aftrek van
rentekosten, belastingen, afschrijving en boekingen. De winstderving wordt, op basis
van het deskundigenrapport, dus berekend op basis van de EBITDA. Dit betekent dat
hier winst-/inkomstenbelasting over moet worden afgedragen.
Ondernemers zullen de ontvangen nadeelcompensatie moeten opgeven bij de Belastingdienst.
Afhankelijk van de individuele situatie van elke ondernemer zal de netto compensatie,
afhankelijk van de beoordeling door de Belastingdienst, lager uitvallen. Dat is evenwel
niet een gevolg van de wijze van compensatie, maar een gevolg van hun overige fiscale
omstandigheden.
49.
De leden van de BBB-fractie hebben ook over de procedurele stappen vragen. Kan de
Staatssecretaris toelichten waarom het kabinet van mening is dat aan de derde voorwaarde
uit het amendement Michon-Derkzen is voldaan, terwijl de daadwerkelijke beleidsregel
en concrete schade-uitwerking nog niet gereed zijn?
Nadeelcompensatie is een recht voor ondernemers die aan de relevante voorwaarden voldoen.
De uitgangspuntenbrief van 8 mei jl.13 bevat de kaders voor het uitwerken van de nadeelcompensatie voor zowel de importeurs
als de detailhandelaren. Uitwerking van het convenant en met name de beleidsregel
heeft vooral betrekking op passende invulling en de goede uitvoerbaarheid. Het is
niet noodzakelijk dat de nadeelcompensatieregeling voorafgaand aan de inwerkingtreding
van de wet definitief is vastgesteld. Nadeelcompensatie is een recht waar ondernemers
die aan de voorwaarden voldoen aanspraak op kunnen maken.
50.
Acht de Staatssecretaris het wenselijk dat beide Kamers feitelijk moeten oordelen
over de inwerkingtreding van het vuurwerkverbod, terwijl ondernemers nog steeds geen
volledige duidelijkheid hebben over de daadwerkelijke omvang van hun compensatie?
Ja. Zoals bij vraag 50 reeds is benoemd, is nadeelcompensatie een recht voor ondernemers
die aan de relevante voorwaarden voldoen. Op basis van de uitgangspuntenbrief van
8 mei jl.14 is het voor de ondernemers mogelijk om een inschatting te maken van de omvang van
hun compensatie.
51.
De leden van de BBB-fractie willen de Staatssecretaris nadrukkelijk wijzen op de parallellen
met de eerdere nadeelcompensatieregeling voor pelsdierhouders. Ook in dat dossier
werd door de overheid gesteld dat de regeling ruim binnen de juridische kaders van
het nadeelcompensatierecht bleef en dat rekening was gehouden met normaal ondernemersrisico.
Uiteindelijk heeft het College van Beroep voor het bedrijfsleven echter geoordeeld
dat daarbij onterechte kortingen waren toegepast en dat ondernemers dus te weinig
compensatie hadden ontvangen. Deze leden maken zich zorgen dat opnieuw een situatie
ontstaat waarin de overheid zich beroept op juridische voorzichtigheid, voorzienbaarheid
en normaal ondernemersrisico, terwijl pas jaren later via procedures blijkt dat ondernemers
structureel tekort zijn gedaan. Hoe reflecteert de Staatssecretaris inhoudelijk op
deze vergelijking? Welke lessen zijn volgens haar geleerd uit het dossier van de pelsdierhouders
bij het vormgeven van de huidige nadeelcompensatieregeling voor vuurwerkondernemers?
In het kader van de totstandkoming van de hooflijnen voor een nadeelcompensatieregeling
is ook gekeken naar de nadeelcompensatieregeling voor pelsdierhouders en de jurisprudentie
daarover. Bij de Wet verbod pelsdierhouderij uit 2013 was een – voldoende lange –
overgangstermijn van 11 jaar gegeven. Die termijn was vooral ook ingegeven doordat
kort voor het verbod de betreffende ondernemers nog van overheidswege waren verplicht
om te investeren in hun bedrijfsgebouwen.
Uiteindelijk is genoemde overgangsperiode vanwege de Corona-pandemie met drie jaar
ingekort. Vanwege deze inkorting van de aanvankelijk geboden overgangstermijn is alsnog
een nadeelcompensatieregeling vastgesteld. Een aantal bedrijven heeft beroep aangetekend
tegen de op basis van deze regeling toegekende nadeelcompensatie, onder ander omdat
zij het niet eens waren met een aftrek van 15% vanwege het normaal maatschappelijk
risico.
In de uitspraken van het College van Beroep voor het bedrijfsleven (CBb) waarop de
leden van de BBB-fractie doelen, ging het voornamelijk om die aftrek van 15% vanwege
het normaal maatschappelijk risico. Het CBb vond deze aftrek niet aanvaardbaar omdat
de vervroegde beëindiging van de overgangsrechtelijke bescherming van de pelsdierhouderij
niet voorzienbaar was. De aanleiding daarvoor was immers gelegen in de Corona-pandemie
die dermate uitzonderlijk was dat het optreden daarvan niet in de sfeer van het normaal
maatschappelijk risico ligt. Een dergelijke situatie doet zich thans niet voor. Er
is bij de vaststelling van de Wet veilige jaarwisseling van meet af aan besloten tot
een nadeelcompensatieregeling voor de getroffen vuurwerkbedrijven, juist omdat hen
niet een voldoende lange overgangstermijn wordt geboden om zich op de nieuwe situatie
in te stellen.
52.
De leden van de BBB-fractie maken zich dus grote zorgen over het risico dat opnieuw
een langdurig juridisch traject ontstaat waarin ondernemers pas via de rechter een
hogere compensatie moeten afdwingen. Hoe beoordeelt de Staatssecretaris het risico
dat ondernemers uiteindelijk via procedures alsnog hogere vergoedingen zullen verkrijgen,
vergelijkbaar met eerdere nadeelcompensatiedossiers? Acht de Staatssecretaris het,
mede gelet op de ervaringen bij de pelsdierhouders, niet juist van groot belang om
nu uiterst zorgvuldig en ruimhartig te handelen om langdurige juridische trajecten
en noodzakelijk herstel achteraf te voorkomen?
Het is natuurlijk altijd beter om juridische trajecten te voorkomen. Zoals in de beantwoording
van de vragen van de leden van de VVD-fractie uitgebreider is toegelicht, is aan de
nadeelcompensatieregeling zoals nu voorgesteld een lang en zorgvuldig traject voorafgegaan
met betrokkenheid van getroffen vuurwerkondernemers, een onafhankelijk financieel
deskundigenadvies en een juridisch advies opgesteld door de landsadvocaat over de
vormgeving van een nadeelcompensatieregeling. Het is juist dat met de detailhandelaren
geen overeenstemming is bereikt over de hoofdlijnen van een dergelijke regeling en
dat dat zou kunnen leiden tot juridische procedures. Dat is ook hun goed recht. Er
is alles aan gedaan om via deze zorgvuldige procedure in afstemming met de vuurwerkbranche
te komen tot een eerlijke en nette nadeelcompensatieregeling die de rechtelijke toets
zal kunnen doorstaan.
Ondertekenaars
-
Eerste ondertekenaar
R.A. Huizenga, voorzitter van de vaste commissie voor Infrastructuur en Waterstaat -
Mede ondertekenaar
G.B. Koerselman, adjunct-griffier