Verslag (initiatief)wetsvoorstel (nader) : Verslag
36 914 Wijziging van het Wetboek van Strafvordering en het Wetboek van Strafrecht in verband met de uitvoering van Verordening (EU) 2024/3011 van het Europees Parlement en de Raad van 27 november 2024 betreffende de overdracht van strafvervolging
Nr. 5
VERSLAG
Vastgesteld 24 april 2026
De vaste commissie voor Justitie en Veiligheid, belast met het voorbereidend onderzoek
van dit voorstel van wet, heeft de eer als volgt verslag uit te brengen. Onder het
voorbehoud dat de hierin gestelde vragen en gemaakte opmerkingen voldoende zullen
zijn beantwoord, acht de commissie de openbare behandeling van het voorstel van wet
genoegzaam voorbereid.
INHOUDSOPGAVE
I.
ALGEMEEN
2
1.
Inleiding
2
2.
Doel en achtergrond van de OSvo
3
3.
Europees verzoek tot overdracht van strafvervolging op hoofdlijnen
3
3.1
Toepassingsbereik van de verordening
3
3.2
Het verzoek tot overdracht van strafvervolging
3
3.3
De beslissing door de aangezochte autoriteit
5
3.4
Voorziening in rechte tegen de aanvaarding van de overdracht van strafvervolging
6
3.5
Gevolgen van de overdracht van strafvervolging in de verzoekende staat
6
4.
Hoofdlijnen van het wetsvoorstel
6
5.
Uitvoeringsconsequenties en financiële gevolgen
7
6.
Consultatieadviezen
7
ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTING
8
OVERIG
9
I. ALGEMEEN
1. Inleiding
De leden van de D66-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van de Wijziging
van het Wetboek van Strafvordering (Sv) en het Wetboek van Strafrecht (Sr) in verband
met de uitvoering van Verordening (EU) 2024/3011 van het Europees Parlement en de
Raad van 27 november 2024 betreffende de overdracht van strafvervolging (hierna: het
wetsvoorstel/OSvo). Het is goed dat deze «missing link» in de Europese strafrechtelijke
samenwerking, zoals aangegeven in de memorie van toelichting, nu ingevuld gaat worden.
Als fractie die pal staat voor Europese samenwerking met onze buren en bondgenoten,
juichen deze leden toe dat die samenwerking versterkt, verdiept en verbeterd wordt.
Zo blijft Europa voor ons een bron van veiligheid, rechtvaardigheid en welvaart.
Toch is het altijd belangrijk om als controlerende macht de waarborgen tegen oneigenlijke
(straf)vervolging, en vóór slachtoffers en beklaagden/verdachten, goed in te bedden
in nieuwe wetgeving. Ook moeten Europese wetten uitvoerbaar blijven om effectief te
zijn. De inbreng van de leden van de D66-fractie ziet daarom toe op relevante waarborgen
in de wet, en de uitvoering van de wet.
De leden van de VVD-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van het wetsvoorstel.
De overdracht van strafvervolging vult een leemte op in het Europese strafrechtelijke
instrumentarium. Het kan straffeloosheid voorkomen en bijdragen aan een effectieve
aanpak van grensoverschrijdende criminaliteit. Deze leden onderschrijven de doelstelling
van de verordening. Zij hebben desondanks vragen over de uitvoerbaarheid, de werklast
voor het openbaar ministerie (OM), de inrichting van het rechtsmiddel en de gevolgen
voor verdachten en slachtoffers in de Nederlandse praktijk.
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van
het voorliggend wetsvoorstel. Omdat het wetsvoorstel de implementatie van een (rechtstreeks
verbindende) Europese verordening betreft is de ruimte voor de wetgever, om naar eigen
inzicht de overdracht van strafvervolging in de wet vorm te geven, beperkt. De aan
het woord zijnde leden hebben enkele vragen over een aantal punten waar nog wel eigen
invulling aan de wet kan worden gegeven.
De leden van de CDA-fractie hebben met interesse kennisgenomen van het wetsvoorstel.
Deze leden bedanken de regering en benadrukken het belang van een uniform Europees
strafrechtelijk instrumentarium voor de overdracht van strafvervolging, met name om
straffeloosheid te voorkomen en praktische obstakels weg te nemen. Deze leden maken
van de gelegenheid gebruik om enkele vragen te stellen aan de regering over het wetsvoorstel.
De leden van de BBB-fractie hebben met interesse kennisgenomen van het wetsvoorstel.
Deze leden onderschrijven het belang van goede samenwerking tussen lidstaten bij de
bestrijding van grensoverschrijdende criminaliteit, maar hebben nog enkele vragen
en zorgen over de praktische uitwerking en rechtsbescherming.
De leden van de SGP-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van het wetsvoorstel.
Deze leden hechten aan de verwezenlijking van een goede rechtsbedeling. De mogelijkheden
tot overdracht van strafvervolging kunnen daaraan dienstbaar zijn.
2. Doel en achtergrond van de OSvo
De leden van de VVD-fractie lezen in de memorie van toelichting dat de regering de
verordening typeert als een «missing link» in de Europese strafrechtelijke samenwerking.
Kan de regering toelichten in welke typen strafzaken zij verwacht dat de verordening
in de Nederlandse praktijk het vaakst zal worden ingezet? Heeft zij daarnaast een
inschatting van het verwachte aantal overdrachtsverzoeken per jaar, zowel uitgaand
als inkomend, en is die inschatting meegenomen in de werklastberekening van het OM
en de Rechtspraak? Hoeveel van de inkomende en uitgaande verzoeken zal naar verwachting
jaarlijks worden afgewezen? In hoeverre wordt er rekening gehouden met een scenario
dat er jaarlijks veel meer inkomende verzoeken zijn dan tot nu toe wordt ingeschat?
Kunnen de termijnen die de wet stelt dan nog wel worden gehaald?
Voorts vragen de leden van de VVD-fractie aan de regering hoe de verordening zich
in de praktijk verhoudt tot het Europees Aanhoudingsbevel in de gevallen waarbij de
tenuitvoerlegging van een Europees Aanhoudingsbevel is geweigerd op grond van nationaliteit.
Hoe wordt voorkomen dat overdracht van strafvervolging in die gevallen feitelijk leidt
tot een lagere straf dan de verzoekende staat bij uitlevering had kunnen bereiken?
De leden van de CDA-fractie lezen dat overdracht van strafvervolging een alternatief
kan vormen voor de uitvaardiging van een Europees Aanhoudingsbevel of een Europees
Onderzoeksbevel. Wat zijn precies de voorwaarden die gelden voor het uitvaardigen
van een Aanhoudingsbevel of Onderzoeksbevel en wat wordt de relatie tussen die bevelen
en een overdracht van strafvervolging? In welke gevallen wordt voor welke route gekozen?
3. Europees verzoek tot overdracht van strafvervolging op hoofdlijnen
3.1 Toepassingsbereik van de verordening
De verordening geldt niet voor Denemarken; de overdracht van en naar Denemarken blijft
mogelijk op grond van bestaande grondslagen, zo lezen de leden van de VVD-fractie.
Kan de regering bevestigen dat Titel 3 van het Vijfde Boek Sv daarvoor ook na 1 februari
2027 toereikend is en zijn er knelpunten te verwachten in zaken met zowel Deense als
andere Europese aspecten?
De leden van de VVD-fractie lezen dat het begrip «strafvervolging» in de verordening
mede de opsporingsfase omvat. Hoe verhoudt dit ruime begrip zich tot het Nederlandse
stelsel, waarin de vervolgingsbeslissing formeel bij de officier van justitie ligt
en de vervolging pas aanvangt na diens beslissing?
De leden van de CDA-fractie lezen dat een verzoek tot overdracht kan worden gedaan
in alle fasen van de strafprocedure, ongeacht of een verdachte is geïdentificeerd.
Het heeft geen betrekking op de overdracht van de tenuitvoerlegging van sancties of
overdracht van personen, omdat daarvoor afzonderlijke EU-instrumenten bestaan. Deze
leden vragen of de al bestaande instrumenten voldoende toereikend zijn in de uitvoering.
3.2 Het verzoek tot overdracht van strafvervolging
De leden van de D66-fractie hebben vragen over de omschrijving van de criteria voor
de overdracht van strafvervolging. Er wordt in de memorie van toelichting genoemd
dat de criteria niet limitatief zijn en het beoordelingskader is daarmee opengelaten.
Dat vergroot de discretionaire ruimte van het OM en maakt controle achteraf lastiger.
Hoe worden principes van het evenredigheidsbeginsel, effectieve rechtsbescherming
en het recht op een eerlijk proces geborgd, gegeven de niet-limitatieve criteria en
de relatief grote discretionaire bevoegdheid van het OM in verhouding tot de beperkte
rechtsbijstand voor verdachten en beperkte tussenkomst dan wel toetsing van een rechter?
De officier van justitie wordt aangewezen als bevoegde verzoekende en aangezochte
autoriteit, zo lezen de leden van de VVD-fractie. Kan de regering toelichten of er
ook zaken denkbaar zijn waarin de officier van justitie optreedt als verzoekende autoriteit
terwijl een rechterlijke instantie al bij de zaak betrokken is, en hoe daarmee wordt
omgegaan?
De maatstaf voor overdracht is een «efficiënte en goede rechtsbedeling», met een open
lijst van criteria, zo lezen de leden van de VVD-fractie. Hoe waarborgt de regering
consistente toepassing van dit criterium door de verschillende parketten? Wordt hierover
beleid ontwikkeld, en zo ja, wordt dat beleid door het OM gepubliceerd? In hoeverre
is er al beleid ontwikkeld in andere EU-lidstaten dat ziet op de invulling van de
criteria?
De memorie van toelichting stelt dat overdracht louter om een hoger of lager strafmaximum
in een andere lidstaat te bereiken een onaanvaardbare vorm van forumshoppen is. De
leden van de VVD-fractie onderschrijven dit. Welke concrete waarborgen biedt artikel
5.10.2 om dit te voorkomen en is de motivering van de officier van justitie op dit
punt toetsbaar in de bezwaarprocedure?
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie lezen dat de leidende maatstaf voor de overdracht
van strafvervolging «de verwezenlijking van een «efficiënte en goede rechtsbedeling»»
is. Weliswaar is die maatstaf aan de hand van een aantal meer specifieke criteria
uitgewerkt, maar tevens stelt de regering dat die criteria niet limitatief zijn en
bovendien dwingt «de toepasselijkheid van een of meer criteria in een zaak niet [...]
tot de conclusie dat overdracht van strafvervolging in het belang is van een goede
rechtsbedeling». Daarnaast begrijpen de aan het woord zijnde leden dat de overdracht
van strafvervolging geweigerd kan worden indien de aangezochte autoriteit van oordeel
is «dat de overdracht van strafvervolging niet in het belang is van een efficiënte
en goede rechtsbedeling». Dat biedt de officier van justitie de ruimte om op gronden
ontleend aan het algemeen belang af te zien van overdracht. De aan het woord zijnde
leden hebben daarom behoefte aan een zo concreet als mogelijke inkadering van het
begrip «goede rechtsbedeling». Te meer omdat per geval moet worden gekeken wat, in
het licht van alle relevante feiten en omstandigheden, in het belang is van een goede
rechtsbedeling. Kan de regering in de gevraagde inkadering voorzien?
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie lezen dat de verdachte en het slachtoffer
niet kunnen opkomen tegen een beslissing van de verzoekende autoriteit om een verzoek
tot overdracht te doen, maar zij wel een rechtsmiddel kunnen aanwenden tegen de uiteindelijke
beslissing van de aangezochte autoriteit om de strafvervolging over te nemen. Vloeit
het feit dat er geen bezwaar tegen een verzoek tot overdracht mogelijk is, dwingend
voort uit de verordening of is er nog ruimte voor de Nederlandse wetgever om dit anders
in te vullen?
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie lezen in paragraaf 3.4 van de memorie van
toelichting dat het instellen van het rechtsmiddel tegen de aanvaarding van een overdracht
goeddeels aan het nationale recht wordt overgelaten. In Nederland kan er bij de raadkamer
bezwaar worden gemaakt tegen de beslissing van de officier van justitie om de strafvervolging
over te nemen uit een andere lidstaat. Begrijpen de aan het woord zijnde leden het
goed dat er tegen de beslissing van de raadkamer geen hoger beroep mogelijk is? Zo
ja, is dat enkel het geval omdat artikel 17 tweede lid van de verordening bepaalt
dat de definitieve beslissing op het rechtsmiddel zo mogelijk binnen zestig dagen
moet worden genomen en er daarom voor een hoger beroep of cassatie te weinig ruimte
is? Zo ja, hoe verhoudt zich dat tot de mogelijkheid van een kort geding? Bestaat
die mogelijkheid in dit verband? Biedt de verordening de Nederlandse wetgever de juridische
ruimte om beroep, bijvoorbeeld in de vorm een kort geding, mogelijk te maken? Zo nee,
waarom niet?
De leden van de CDA-fractie lezen dat, indien een Europees Aanhoudingsbevel is uitgevaardigd
maar de tenuitvoerlegging is geweigerd, in voorkomende gevallen de overdracht van
strafvervolging aan de tenuitvoerleggende lidstaat de goede rechtsbedeling dient.
Kan de regering inschatten hoe vaak een dergelijke situatie voorkomt en wat de kans
is dat na afwijzing van een Europees Aanhoudingsbevel wel overgegaan wordt tot overdracht
van strafvervolging?
De leden van de CDA-fractie lezen dat artikel 4 OSvo de lidstaten de mogelijkheid
biedt om afstand te doen van de strafvervolging of deze op te schorten of te beëindigen,
teneinde de overdracht van strafvervolging met betrekking tot dat strafbare feit aan
de aangezochte staat mogelijk te maken. Welke maatregelen worden genomen om te voorkomen
dat een verdachte in een dergelijk geval onder de radar verdwijnt of straffeloosheid
dreigt te ontstaan?
De leden van de BBB-fractie vragen de regering in hoeverre daadwerkelijk wordt geborgd
dat strafzaken worden overgedragen aan de lidstaat die het meest geëigend is, en hoe
wordt voorkomen dat er sprake is van strategisch gedrag of forumshopping door autoriteiten.
De leden van de BBB-fractie vragen de regering hoe de positie van de verdachte en
het slachtoffer concreet wordt gewaarborgd, met name waar het gaat om rechtsbijstand
en informatievoorziening. Kan de regering ingaan op signalen uit de consultatie dat
de rechtsbijstand mogelijk onvoldoende is geregeld en/of aanvullende maatregelen nodig
zijn?
De leden van de SGP-fractie vragen in hoeverre risico bestaat dat de mogelijkheden
tot overdracht van strafvervolging ook op een oneigenlijke manier benut kunnen worden
om zaken niet zozeer vanwege een goede rechtsbedeling, maar vanwege capaciteitsgebrek
over te dragen aan een andere lidstaat. Deze leden wijzen erop dat het voor externen
doorgaans al moeilijk zal zijn een oordeel te vellen over de wenselijkheid van een
overdracht. Zij wijzen bovendien op de ontheffingen van de kennisgevingsverplichtingen
die ertoe kunnen leiden dat de mogelijkheid van kritisch tegenwicht van belanghebbenden
helemaal kan komen te ontbreken. Op welke wijze zijn voldoende waarborgen aangebracht?
3.3 De beslissing door de aangezochte autoriteit
De leden van de D66-fractie lezen in de memorie van toelichting dat artikel 22, zevende
lid OSvo regelt dat, indien het feit een klachtdelict is in beide lidstaten, een in
de verzoekende staat ingediende klacht ook geldig is in de aangezochte staat. Deze
leden vragen wat de gevolgen zijn indien het feit alleen in de aangezochte staat een
klachtdelict oplevert. De aan het woord zijnde leden verwijzen hierbij naar de vragen
die de Raad voor de rechtspraak hieromtrent heeft gesteld. Kan de regering hier nader
op ingaan?
De leden van de VVD-fractie lezen dat de aangezochte autoriteit in beginsel zestig
dagen heeft om te beslissen, met een mogelijke verlenging van dertig dagen. Hoe voorkomt
de regering dat dit in de praktijk leidt tot een periode van bijna vier maanden waarin
de vervolging in de verzoekende staat feitelijk stilligt, ten nadele van slachtoffers
die op voortgang aangewezen zijn?
3.4 Voorziening in rechte tegen de aanvaarding van de overdracht van strafvervolging
De leden van de D66-fractie lezen in de memorie van toelichting dat tegen de beslissing
om de overdracht van strafvervolging te weigeren geen voorziening in rechte open staat.
De aan het woord zijnde leden lezen in het advies van de Raad voor de rechtspraak
het advies om in te gaan op de vraag of voor de verdachte of een slachtoffer de mogelijkheid
van een kort geding openstaat tegen de weigering. Kan de regering ingaan op die vraag?
Kan de regering daarnaast ingaan op de vraag of een kort geding openstaat voor een
verdachte of slachtoffer die niet tijdig genoeg geïnformeerd was om een bezwaarschrift
tegen de aanvaarding in te dienen?
De leden van de VVD-fractie vragen hoe realistisch de verwachting is dat de raadkamer
«zo mogelijk» binnen zestig dagen beslist, gelet op de huidige doorlooptijden bij
de rechtbanken. Welke consequentie heeft overschrijding van die termijn voor de geldigheid
van de overdracht?
3.5 Gevolgen van de overdracht van strafvervolging in de verzoekende staat
De memorie van toelichting vermeldt dat de aangezochte autoriteit de verzoekende autoriteit
moet informeren wanneer de strafvervolging wordt stopgezet en dat het vervolgingsrecht
dan onder omstandigheden kan herleven. Kan de regering toelichten hoe in de praktijk
wordt gewaarborgd dat die informatie tijdig en betrouwbaar wordt doorgegeven? Bestaat
het risico dat in de tussentijd verjaring verder loopt of dat anderszins vervolgingsproblemen
ontstaan? Graag ontvangen de leden van de VVD-fractie een reactie hierop van de regering.
4. Hoofdlijnen van het wetsvoorstel
De leden van de VVD-fractie zien dat het wetsvoorstel zich beperkt tot het strikt
noodzakelijke en de rechtstreekse werking van de verordening voor het overige intact
laat. Deze leden kunnen die keuze voor een sobere implementatie onderschrijven. Kan
de regering wel toelichten of het OM en de Rechtspraak met de huidige wettekst en
toelichting direct uit de voeten kunnen bij een eerste toepassing van de verordening
per 1 februari 2027, met name ten aanzien van de toepassing van de weigeringsgronden
en de procedure bij aanvullende informatieverstrekking?
Op 24 februari 2026 heeft de Eerste Kamer het nieuwe Wetboek van Strafvordering aangenomen,
zo stellen de leden van de VVD-fractie. Wanneer vindt de aangekondigde technische
omzetting van dit wetsvoorstel naar het nieuwe Wetboek plaats? Kan de regering bevestigen
dat de uitvoeringswetgeving tijdig voor 1 februari 2027 in werking treedt en dat de
omzetting geen inhoudelijke wijzigingen meebrengt? In algemene zin vragen deze leden
daarnaast in hoeverre het onderhavige wetsvoorstel bijdraagt of juist afbreuk doet
aan de doelen van het nieuwe Wetboek, zoals «de beweging naar voren».
De leden van de SGP-fractie vragen hoe de hoofdlijnen van het wetsvoorstel ten aanzien
van de overdracht van strafvervolging binnen de EU zich verhoudt tot de situatie ten
aanzien van landen buiten de EU en in hoeverre wijziging of aanvulling van de wetgeving
voor de laatstgenoemde categorie nodig is.
5. Uitvoeringsconsequenties en financiële gevolgen
De leden van de VVD-fractie vragen of de regering kan toelichten of zij verwacht dat
overdracht van strafvervolging in daarvoor geschikte grensoverschrijdende zaken ook
kan bijdragen aan een doelmatiger inzet van de Nederlandse strafrechtketen, waaronder
vervolgingscapaciteit, zittingscapaciteit en, waar relevant, executie- en detentiecapaciteit.
Het College van procureurs-generaal raamt de structurele kosten op ruim 780.000 euro
per jaar, zo lezen de leden van de VVD-fractie. Waarop is deze raming gebaseerd en
zijn daarin ook de vertaalkosten van verzoekformulieren en processtukken verdisconteerd?
Welke begrotingspost wordt aangesproken en leidt dit tot verdringingseffecten elders
binnen het OM?
Er is geen evaluatiebepaling opgenomen, zo lezen de leden van de VVD-fractie. Kan
de regering motiveren waarom van een evaluatiebepaling is afgezien bij een instrument
waarvan de praktische omvang en werking nog geheel onbekend zijn? Welke monitoringsmechanismen
zijn voorzien?
De leden van de BBB-fractie vragen de regering hoe wordt omgegaan met de toegenomen
werklast voor het OM en de administratieve lasten, bijvoorbeeld rondom kennisgevingen
en vertalingen. Acht de regering de uitvoerbaarheid van dit wetsvoorstel voldoende
geborgd, mede gelet op de extra kosten en inzet die hiermee gepaard gaan?
Tot slot vragen de leden van de BBB-fractie hoe wordt voorkomen dat procedures onnodig
vertragen door bezwaar- en beroepsmogelijkheden, en hoe wordt gewaarborgd dat de strafrechtspleging
efficiënt blijft functioneren binnen dit nieuwe Europese kader.
6. Consultatieadviezen
De leden van de D66-fractie lezen dat de combinatie van verplichte en facultatieve
gronden voor weigering ruimte geeft voor, naast het signaleren van vervolgingsbeletselen,
een vorm van opportuniteitsafweging. Daarmee zou moeten worden voorkomen dat een strafvervolging
eerst wordt overgedragen, om vervolgens te worden stopgezet in de aangezochte staat.
Helemaal uitgesloten is dat scenario echter niet. Tegelijkertijd geeft de Raad voor
de rechtspraak in overweging om altijd ambtshalve te toetsen op de dwingende weigeringsgronden
en aan facultatieve weigeringsgronden indien en voor zover in het bezwaarschrift daarop
een beroep wordt gedaan. In reactie hierop is enkel toetsing op dwingende gronden
(buiten via een bezwaarschrift) bij een ernstig vermoeden dat er sprake is van vervolgingsbeletsel
op basis van deze gronden. Zou het overnemen van het advies van de Raad voor de rechtspraak,
dus ambtshalve toetsing op de dwingende weigeringsgronden en op de facultatieve gronden
indien daarop in bezwaarschrift een beroep wordt gedaan, de risico’s op stopzetten
van een strafvervolging na overdracht naar de aangezochte staat niet verkleinen of
wegnemen? Is het in dat opzicht niet verstandig voor de uitvoerbaarheid én borging
van rechtsstatelijke zorgvuldigheid?
De leden van de D66-fractie lezen dat de adviezen van de Nederlandse Orde van Advocaten
(NOvA) over rechtsbijstand niet (geheel) overgenomen zijn. In de toelichting van de
regering gaat zij vooral in op het recht op gefinancierde rechtsbijstand. Deze leden
lezen echter niets over de adviezen over de last tot aanwijzing en waarom zij dat
instrument ongeschikt of onnodig acht. Kan de regering hier meer toelichting op geven,
zeker gegeven het speerpunt in het regeerakkoord over toegang tot het recht? Is het
overnemen van deze aanbeveling niet een stap richting verbeterde toegang tot het recht?
De leden van de VVD-fractie merken op dat het wetsvoorstel niet in internetconsultatie
is gegeven. Kan de regering deze keuze toelichten? Deze leden lezen ook dat Slachtofferhulp
Nederland ervoor heeft gekozen geen advies uit te brengen. Kan worden nagegaan wat
hiervoor de reden is geweest? Is het Fonds Slachtofferhulp ook benaderd voor advies,
en zo nee, is de regering bereid alsnog te vragen of het Fonds Slachtofferhulp opmerkingen
heeft over het wetsvoorstel?
De leden van de VVD-fractie lezen dat de NOvA heeft geadviseerd om ook slachtoffers
(die met het wetsvoorstel zelfstandig een bezwaarschrift tegen de aanvaarding van
de overdracht van de strafvervolging kunnen indienen) een vorm van gefinancierde rechtsbijstand
te verlenen. Kan de regering nader toelichten waarom deze suggestie niet is gevolgd
en of er bij de voorbereiding van het wetsvoorstel ook contact is geweest met de Raad
voor Rechtsbijstand? Als er een reactie is van de Raad voor Rechtsbijstand over dit
punt en/of het wetsvoorstel in brede zin, kan die dan ook aan de Kamer worden gestuurd?
ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTING
Artikel 5.10.4 [gevolgen aanvaarding verzoek tot overdracht van strafvervolging]
De leden van de D66-fractie lezen in de artikelsgewijze toelichting bij artikel 5.10.4,
eerste lid, over de voorlopige hechtenis: «Het is dus niet mogelijk om voorlopige
hechtenis toe te passen in gevallen waarin dat op grond van artikel 67 Sv niet mogelijk
is of zonder dat sprake is van een van de gronden genoemd in artikel 67b Sv.» Artikel
67b Sv ziet op (verdere) vervolging en vervangende hechtenis ter zake van nog een
ander feit dan waarvoor het bevel tot voorlopige hechtenis is gegeven. De aan het
woord zijnde leden vragen of de gronden van artikel 67a Sv hier worden bedoeld in
plaats van artikel 67b? Zo nee, kan de regering bevestigen dat het toepassen van voorlopige
hechtenis niet mogelijk is zonder dat sprake is van een van de gronden genoemd in
artikel 67a Sv?
Artikel 5.10.6 (voorlopige maatregelen bij afgeleide rechtsmacht)
Artikel 5.10.6 maakt het mogelijk om voorlopige maatregelen te nemen hangende de beslissing
op een overdrachtsverzoek, voor gevallen waarin Nederland enkel over afgeleide rechtsmacht
beschikt, zo lezen de leden van de VVD-fractie. De officier van justitie heeft op
dat moment nog geen beslissing genomen over aanvaarding. Welke rechter toetst de gronden
voor een eventuele voorlopige hechtenis en kan die rechter daarbij al ingaan op de
vraag of aanvaarding van de overdracht waarschijnlijk is?
Artikel 5.10.7 [rechtsmiddel]
De leden van de VVD-fractie lezen in de artikelsgewijze toelichting dat alle verdachten
en slachtoffers die recht hebben op het instellen van een rechtsmiddel, in beginsel
ook over de overdracht en dat recht worden geïnformeerd. Waarom wordt daar gesproken
over «in beginsel»? Kan de regering situaties schetsen waarbij verdachten of slachtoffers
die recht hebben op het instellen van een rechtsmiddel niet worden geïnformeerd over
de overdracht en op hun recht op het instellen van een rechtsmiddel? Deze leden benadrukken
dat het van belang is dat alle slachtoffers het recht krijgen over de overdracht te
worden geïnformeerd en ook dat zij recht hebben op het instellen van een rechtsmiddel.
Is de regering het met de voornoemde leden hierover eens?
De leden van de VVD-fractie vragen de regering nader toe te lichten wat kan worden
verstaan onder een «redelijke inspanning» van een betrokken autoriteit om verdachten
en slachtoffers te lokaliseren of te bereiken. Wanneer is iemand volgens het wetsvoorstel
«onvindbaar»?
OVERIG
De leden van de VVD-fractie vragen hoe Nederland zich in Europees verband inzet voor
een uniforme toepassing van de verordening. De verordening biedt de aangezochte autoriteit
ruime beoordelingsvrijheid. Als lidstaten structureel terughoudend blijven in het
overnemen van strafvervolging, dreigt de beoogde efficiëntiewinst uit te blijven.
Op welke wijze voorziet de Europese Commissie in monitoring van de toepassing van
de verordening, en hoe worden praktijkervaringen tussen lidstaten gedeeld? Graag ontvangen
deze leden een reactie hierop.
De voorzitter van de commissie, Eerdmans
Adjunct-griffier van de commissie, Meijer
Ondertekenaars
-
Eerste ondertekenaar
B.J. Eerdmans, voorzitter van de vaste commissie voor Justitie en Veiligheid -
Mede ondertekenaar
S.F.F. Meijer, adjunct-griffier