Inbreng verslag schriftelijk overleg : Inbreng verslag van een schriftelijk overleg over Kabinetsreactie op de initiatiefnota van het lid Ceder “Tegen christenvervolging, voor geloofsvrijheid: richtinggevende voorstellen voor een diplomatiek daadkrachtig buitenlandbeleid” (Kamerstuk 36888-5)
2026D19633 INBRENG VERSLAG VAN EEN SCHRIFTELIJK OVERLEG
Binnen de vaste commissie voor Buitenlandse Zaken hebben de onderstaande fracties
de behoefte vragen en opmerkingen voor te leggen aan de Minister van Buitenlandse
Zaken op de kabinetsreactie van 25 maart 2026 over de Initiatiefnota van de leden
Ceder en Stoffer inzake «Tegen christenvervolging, voor geloofsvrijheid: richtinggevende
voorstellen voor een diplomatiek daadkrachtig buitenlandbeleid».
De voorzitter van de commissie,
Klaver
De griffier van de commissie,
Westerhoff
Inhoudsopgave
I
Vragen en opmerkingen vanuit de fracties
Vragen en opmerkingen van de leden van de VVD-fractie
Vragen en opmerkingen van de leden van de CDA-fractie
Vragen en opmerkingen van de leden van de ChristenUnie-fractie
Vragen en opmerkingen van de leden van de BBB-fractie
II
Antwoord/Reactie van de Minister
III
Volledige agenda
I Vragen en opmerkingen vanuit de fracties
Vragen en opmerkingen van de leden van de VVD-fractie
De leden van de VVD-fractie hebben kennisgenomen van de kabinetsreactie op de initiatiefnota
van de leden Ceder en Stoffer en leggen de Minister van Buitenlandse Zaken naar aanleiding
hiervan enkele vragen voor. In de reactie stelt de Minister dat de bevordering van
mensenrechten, waaronder de vrijheid van religie en levensovertuiging, een kernonderdeel
vormt van het Nederlandse buitenlandbeleid. Tegelijkertijd wijst de Minister op de
noodzaak om keuzes te maken binnen een context van geopolitieke instabiliteit en budgettaire
krapte. Deze leden vragen de Minister om een nadere verduidelijking van de wijze waarop
deze inzet zich verhoudt tot de bredere strategische belangen van Nederland en Europa,
in het bijzonder waar het gaat om de samenwerking met partners die essentieel zijn
voor onze energiezekerheid en migratiebeheersing. Hoe weegt de Minister de ambitie
om een daadkrachtig mensenrechtenbeleid te voeren af tegen het behoud van onze strategische
autonomie, en op welke wijze wordt voorkomen dat morele agendering de noodzakelijke
diplomatieke ruimte voor het veiligstellen van Nederlandse kernbelangen in de weg
staat?
Ten aanzien van de institutionele inrichting kondigt de Minister aan te verkennen
hoe de functie van de Speciaal Gezant voor de Vrijheid van Religie en Levensovertuiging
structureel kan worden verankerd met een eigen mandaat en budget. De leden van de
VVD-fractie merken op dat de Minister in dezelfde brief het postennet en de ambassadeurs
omschrijft als het hart van het Nederlandse mensenrechtenbeleid. Deze leden vragen
daarom naar de noodzaak en de doelmatigheid van een dergelijke structurele verankering
van een thema-specifieke gezant. Dreigt hiermee niet een bureaucratische silo te ontstaan
die de integrale slagkracht van onze ambassadeurs ter plaatse juist verzwakt? Kan
de Minister toelichten waarom de huidige ambtelijke ondersteuning binnen het ministerie
niet volstaat en hoe een structurele gezant zich verhoudt tot de bredere wens van
deze leden om de overhead bij de overheid te beperken en de focus op kerntaken te
versterken? Deze leden horen graag hoe de Minister borgt dat mensenrechtenbeleid een
integrale verantwoordelijkheid blijft van het gehele diplomatieke netwerk in plaats
van te worden gedelegeerd aan een afzonderlijke functionaris. Ook horen zij graag
hoe de Nederlandse en de Europese gezant zich tot elkaar verhouden. Zou het niet beter
zijn gebruik te maken van de Europese gezant?
De Minister geeft in zijn reactie aan dat religieuze geletterdheid reeds een vast
onderdeel is van de opleiding voor jonge diplomaten en de trainingen voor uitgezonden
personeel, waarmee hij deels tegemoetkomt aan de wensen in de initiatiefnota. De leden
van de VVD-fractie vragen de Minister op welke wijze deze trainingen specifiek bijdragen
aan het beter begrijpen van de geopolitieke dynamiek in conflictgebieden en het behartigen
van Nederlandse belangen. Wordt in deze trainingen ook aandacht besteed aan de risico’s
van religieuze beïnvloeding door statelijke actoren die onvrijheid als instrument
gebruiken om de stabiliteit in regio’s als de Sahel of de Westelijke Balkan te ondermijnen?
Ten aanzien van de digitale weerbaarheid ondersteunt het kabinet de inzet voor internetvrijheid
via internationale coalities, maar deze leden missen een directe koppeling met de
bredere strijd tegen statelijke desinformatie vanuit landen als Rusland en China.
Hoe zorgt de Minister ervoor dat de inzet op internetvrijheid en de bestrijding van
online haat volledig wordt geïntegreerd in de nationale cyberstrategie om onze open
samenleving te beschermen tegen antidemocratische krachten?
Wat betreft de monitoring van mensenrechtenschendingen wijst de Minister het voorstel
voor een afzonderlijk nationaal instrument af vanwege de kosten en de reeds bestaande
internationale rapportages van de Verenigde Naties (VN) en ngo’s. De leden van de
VVD-fractie steunen dit besluit vanuit het oogpunt van een efficiënte overheid en
budgettaire beheersbaarheid. Zij vragen de Minister wel hoe hij waarborgt dat de informatie
uit deze externe bronnen effectief wordt vertaald naar concrete diplomatieke actie
die aansluit bij de Nederlandse prioriteiten. Wordt deze informatie ook benut om de
risico’s van ongewenste buitenlandse inmenging in Nederland in kaart te brengen, bijvoorbeeld
wanneer regimes de diaspora misbruiken als instrument voor hun buitenlandbeleid? Tot
slot vragen deze leden om een verheldering over de financiële realiteit die de Minister
noemt. Kan de Minister bevestigen dat er geen sprake zal zijn van een automatische
verhoging van budgetten voor sociaaleconomische projecten in het buitenland zonder
dat hier een direct Nederlands belang tegenover staat?
Vragen en opmerkingen van de leden van de CDA-fractie
De leden van de CDA-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van de kabinetsreactie
op de initiatiefnota van het lid Ceder over christenvervolging en geloofsvrijheid.
Deze leden waarderen dat het kabinet erkent dat geloofsvervolging, waaronder christenvervolging,
een ernstige en hardnekkige realiteit is. Ook zien deze leden dat het kabinet op meerdere
onderdelen bereid is de inzet te versterken, onder meer via religieuze geletterdheid,
diplomatieke agendering, interreligieuze dialoog, online weerbaarheid en monitoring.
Tegelijkertijd constateren de leden van de CDA-fractie dat op meerdere punten nog
onduidelijk is hoe deze inzet concreet, structureel en niet-vrijblijvend vorm krijgt.
Zij hebben daarover de volgende vragen.
Algemeen
De leden van de CDA-fractie vragen of het kabinet concreet kan aangeven op welke punten
de kabinetsreactie leidt tot een andere of intensievere inzet dan het beleid zoals
dat na de eerdere initiatiefnota uit 2021 is gevoerd.
Het kabinet schrijft dat de inzet op vrijheid van religie en levensovertuiging plaatsvindt
binnen beperkte personele en financiële kaders. De leden van de CDA-fractie vragen
welke gevolgen dit concreet heeft voor de uitvoerbaarheid van de voornemens in deze
kabinetsreactie. Op basis van welke criteria maakt het kabinet de «scherpe keuzes»
waar en hoe Nederland zich inzet? Welke landen of regio’s krijgen in dat licht prioriteit?
Investeer in religieuze geletterdheid en in structurele contacten met religieuze actoren
Het kabinet noemt acculturatiecursussen, de Academie voor Internationale Betrekkingen,
de jaarlijkse mensenrechtencursus en het opleidingstraject voor startende beleidsmedewerkers.
De leden van de CDA-fractie vragen of het kabinet kan aangeven hoeveel medewerkers
hier jaarlijks ongeveer aan deelnemen.
De leden van de CDA-fractie vragen of het kabinet kan verduidelijken wat wordt bedoeld
met het «blijvend investeren in deskundigheid, capaciteit en netwerken» op dit terrein.
Gaat het hierbij om extra middelen, extra fte, nieuwe trainingen of andere maatregelen.
Ambassades worden aangemoedigd hun netwerken met religieuze actoren te verdiepen en
religieuze dynamieken structureel te betrekken in politieke rapportages en landenstrategieën.
De leden van de CDA-fractie vragen op welke wijze dit wordt aangemoedigd, gevolgd
en beoordeeld.
Het kabinet verkent momenteel hoe jaarlijks structureel middelen kunnen worden vrijgemaakt
om de Speciaal Gezant een structurele positie te geven. De leden van de CDA-fractie
vragen wanneer het kabinet deze verkenning verwacht af te ronden en de Kamer hierover
te informeren. Kan het kabinet aangeven aan welke omvang van budget en capaciteit
wordt gedacht om de Speciaal Gezant deze structurele positie daadwerkelijk te geven?
Hoe verhoudt de rol van de Speciaal Gezant zich tot die van de Mensenrechtenambassadeur?
Hoe wordt overlap voorkomen?
Versterk online weerbaarheid tegen religieus gemotiveerde haat en vervolging
Het kabinet onderkent dat online haat, desinformatie en oproepen tot geweld kunnen
bijdragen aan stigmatisering en fysiek geweld. De leden van de CDA-fractie vragen
of het kabinet kan aangeven welke concrete programma’s of projecten Nederland nu al
steunt op dit terrein. Hoeveel middelen uit het Mensenrechtenfonds of andere instrumenten
worden momenteel ingezet voor digitale weerbaarheid van religieuze minderheden? Op
welke manier wordt de effectiviteit van deze inzet gemeten? Ziet het kabinet mogelijkheden
om binnen EU-verband sterker op te trekken tegen online haatcampagnes gericht op religieuze
minderheden?
Investeer in interreligieuze dialoog
Het kabinet verwijst naar het Joint Initiative for Strategic Religious Action (JISRA)-programma
en naar voortzetting via het FOCUS-programma. De leden van de CDA-fractie vragen of
het kabinet kan aangeven welke lessen uit JISRA het zwaarst meewegen in de nieuwe
inzet. Kan het kabinet daarnaast nader specificeren hoe de gereserveerde middelen
binnen FOCUS voor 2026–2031 worden verdeeld over vrijheid van religie en levensovertuiging,
interreligieuze dialoog, bescherming van religieuze minderheden en weerbaarheid tegen
discriminatie?
Betrek diasporagemeenschappen bij de inzet tegen geloofsvervolging
Het kabinet erkent dat diasporagemeenschappen een waardevolle bron van kennis, ervaring
en netwerken vormen. De leden van de CDA-fractie vragen of het kabinet kan aangeven
hoe vaak en in welke vorm hierover structureel contact plaatsvindt. Is het kabinet
bereid een meer vaste overlegstructuur in te richten met relevante diasporagemeenschappen,
kerken en faith-based organisaties in Nederland? Hoe wordt in die contacten omgegaan
met veiligheidsrisico’s voor familieleden of contacten in het land van herkomst? Op
welke manier worden signalen uit diasporagemeenschappen daadwerkelijk teruggelegd
in beleid, landenstrategieën en diplomatieke inzet?
Structurele aandacht voor geloofsvervolgingen in diplomatie met consequenties
Het kabinet schrijft dat structurele aandacht voor geloofsvervolging niet vrijblijvend
mag zijn. De leden van de CDA-fractie vragen wat het kabinet precies verstaat onder
«niet vrijblijvend».
Kan het kabinet schetsen welke escalatieladder beschikbaar is wanneer sprake is van
ernstige of verslechterende situaties, bijvoorbeeld van bilaterale gesprekken en gezamenlijke
EU-stappen tot politieke agendering in multilaterale fora? Welke concrete consequenties
zijn in de praktijk denkbaar wanneer landen zich blijven schuldig maken aan ernstige
schendingen van de vrijheid van religie en levensovertuiging? Kan het kabinet nader
toelichten in welke gevallen het kiest voor stille diplomatie en in welke gevallen
voor publieke politieke druk?
Het kabinet noemt onder meer Nigeria, Pakistan, China, Syrië, Irak, India, Algerije,
Indonesië en Oost-Congo. De leden van de CDA-fractie vragen of het kabinet per genoemd
land kort kan aangeven wat in 2026 de belangrijkste Nederlandse inzet is, welke doelen
daarbij horen en hoe de Kamer over de voortgang wordt geïnformeerd.
In China worden zorgen zowel bilateraal als via EU-verklaringen geadresseerd. Onlangs
bleek uit nieuw onderzoek van Human Rights Watch (HRW) dat China’s onderdrukking van
katholieken sterk is toegenomen.1 De leden van de CDA-fractie vragen of het kabinet, via de Nederlandse ambassade of
via Europese partners, over eigen informatie beschikt die deze signalen bevestigt.
Zo ja, is het kabinet bereid om in EU-verband te pleiten voor een gezamenlijke en
duidelijkere Europese reactie op de verslechterende positie van katholieken en andere
religieuze minderheden in China? Welke mogelijkheden ziet het kabinet om mensenrechtenverdedigers,
religieuze gemeenschappen en documentatie van mensenrechtenschendingen in en rond
China beter te ondersteunen? Kan het kabinet aangeven of deze berichten aanleiding
geven om het bredere Nederlandse China-beleid, op het punt van mensenrechten en geloofsvrijheid,
aan te scherpen?
Structurele monitoring en rapportage inzake christenvervolging
Het kabinet ziet geen meerwaarde in een afzonderlijk nationaal monitoringsinstrument,
mede vanwege de kosten. De leden van de CDA-fractie vragen of het kabinet wel kan
bezien of in de jaarlijkse Mensenrechtenrapportage een vaste paragraaf opgenomen kan
worden over vrijheid van religie en levensovertuiging, met aandacht voor trends, prioritaire
landen, Nederlandse inzet en bereikte resultaten.
Vragen en opmerkingen van de leden van de ChristenUnie-fractie
De leden van de ChristenUnie-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van de
kabinetsreactie op de initiatiefnota. Ze danken de Minister voor het opstellen van
de kabinetsreactie en voor de waarde die het kabinet hecht aan de bescherming en bevordering
van mensenrechten binnen het buitenlandbeleid, waaronder de vrijheid van religie en
levensovertuiging. De leden hebben een aantal vragen.
De leden van de ChristenUnie-fractie zien de aandacht die het kabinet heeft voor de
vrijheid van religie en levensovertuiging, ook in het huidige kabinetsbeleid. De leden
zien dat de kabinetsreactie vooral al bestaand beleid bevat, terwijl de initiatiefnota,
met verwijzing naar de IOB-evaluatie uit 2023, ook nadrukkelijk tekortkomingen van
het beleid blootlegt. De leden vragen de Minister te reflecteren op de in de initiatiefnota
genoemde bevindingen van de IOB-evaluatie.
De leden van de ChristenUnie-fractie vragen de Minister tevens om toe te lichten wat
wordt bedoeld met dat er soms spanningsvelden kunnen ontstaan tussen fundamentele
rechten. In algemene zin begrijpen de leden dat grondrechten intrinsiek kunnen botsen.
Tegelijkertijd zien de leden niet hoe het tegengaan van christenvervolging als gevolg
kan hebben dat andere fundamentele rechten onder druk komen te staan. Kan de Minister
dit verder toelichten en hier wellicht voorbeelden van geven?
De leden van de ChristenUnie-fractie vragen de Minister welke concrete stappen hij
voornemens is te zetten om de positie, het mandaat en de inzet van de Speciaal Gezant
voor Vrijheid van Religie en Levensovertuiging te versterken, zowel binnen het ministerie
als in de internationale diplomatieke praktijk? Kan de Minister aangeven welke extra
middelen of bevoegdheden hiervoor worden ingezet. Tevens vragen de leden over welke
personele en financiële middelen de Speciaal Gezant momenteel beschikt. Acht de Minister
deze middelen voldoende gelet op de mondiale omvang en urgentie van schendingen van
vrijheid van religie en levensovertuiging? Zo ja, waarom? Zo nee, is de Minister bereid
aanvullende middelen beschikbaar te stellen om de slagkracht van de Speciaal Gezant
te vergroten?
De leden van de ChristenUnie-fractie zijn blij dat het kabinet het belang van investeren
in religieuze geletterdheid en in structurele contacten met religieuze actoren om
geloofsvervolging effectiever tegen te gaan onderschrijft. De leden vragen of Minister
inzichtelijk wil maken in hoeverre er via ontwikkelingssamenwerking in algemene zin
reeds met religieuze actoren wordt samengewerkt. Is het mogelijk om dit bijvoorbeeld
in een percentage te vatten? Ook zijn de leden benieuwd of het kabinet voornemens
is om deze samenwerking te versterken en zo ja, op welke manier?
De leden van de ChristenUnie-fractie zien de aandacht voor geloofsvervolging in de
diplomatie. De leden vragen de Minister nader toe te lichten in hoeverre er ook echt
consequenties aan zijn verbonden. Zijn er voorbeelden te geven van stevige consequenties
richting een land waarbij de vrijheid van godsdienst en levensovertuiging flink onder
druk stond of staat?
De leden van de ChristenUnie-fractie vragen de Minister naar de inzet op het aanspreken
van landen die nog de doodstraf hanteren op blasfemie of afvalligheid. Wanneer kunnen
de leden opvolging aan de motie-Ceder/Ceulemans (Kamerstuk 36 800 V, nr. 89) verwachten?
De leden van de ChristenUnie-fractie vragen de Minister of hij voorbeelden kent van
landen met shariawetgeving die op de gehele samenleving van toepassing zijn verklaard
waar christenen en andere religieuze minderheden niet in de verdrukking raken. Kan
hij dat toelichten? De leden vragen of de Minister erkent dat landen met dergelijke
shariawetgeving of met een sterk islamitisch staatskarakter oververtegenwoordigd zijn
in de top-10 van de Ranglijst christenvervolging van Open Doors. Heeft de Minister
daar een verklaring voor? Hoe neemt de Minister dit gegeven mee in het kader van effectieve
interventies ten aanzien van christenvervolging in deze specifieke contexten? Tevens
vragen de leden welke effectieve interventies de Minister voor zich ziet bij christenvervolging
in totalitaire en socialistische staten als China, Noord-Korea en Eritrea.
De leden van de ChristenUnie-fractie vragen de Minister in hoeverre er in het beleid
specifiek aandacht is voor de impact van gender specific religious persecution en van age specific religious persecution. Kan de Minister dit uiteenzetten? Ook vragen de leden of er in het beleid specifiek
aandacht is voor de rechten van bekeerlingen? Kan de Minister hierop reflecteren?
Vragen en opmerkingen van de leden van de BBB-fractie
De leden van de BBB-fractie hebben kennisgenomen van de kabinetsreactie op de initiatiefnota
over christenvervolging en de bevordering van vrijheid van religie en levensovertuiging.
Deze leden onderschrijven het belang van bescherming van religieuze minderheden wereldwijd,
maar constateren dat de inzet van het kabinet op onderdelen abstract blijft en vragen
oproept over effectiviteit, prioritering en consequenties.
De leden van de BBB-fractie constateren dat het kabinet benadrukt dat de inzet plaatsvindt
binnen beperkte personele en financiële kaders, en dat dit noopt tot scherpe keuzes.
Deze leden vragen op basis van welke concrete criteria deze keuzes worden gemaakt.
Hoe wordt bepaald in welke landen of situaties Nederland zich wél of juist niet actief
uitspreekt of inzet tegen christenvervolging, en hoe wordt de effectiviteit van die
keuzes geëvalueerd? Deze leden lezen dat het kabinet spreekt over een mix van maatregelen
«voor en achter de schermen». Kan het kabinet concreet maken in welke gevallen wordt
gekozen voor stille diplomatie en wanneer voor zichtbare politieke druk? Welke afwegingen
spelen daarbij een doorslaggevende rol, en hoe wordt voorkomen dat stille diplomatie
feitelijk leidt tot vrijblijvendheid of gebrek aan zichtbare druk?
De leden van de BBB-fractie erkennen het belang van religieuze geletterdheid, maar
constateren dat het kabinet vooral verwijst naar bestaande opleidingen en cursussen.
Kan het kabinet aangeven hoe wordt gemeten of deze investeringen daadwerkelijk leiden
tot betere bescherming van religieuze minderheden in de praktijk? Zijn er concrete
voorbeelden waar verhoogde religieuze kennis van diplomaten aantoonbaar heeft geleid
tot verbeterde positie van christelijke gemeenschappen?
De leden van de BBB-fractie lezen dat het kabinet inzet op het tegengaan van online
haat, maar tegelijkertijd benadrukt dat vrijheid van meningsuiting niet mag worden
ingeperkt. Deze leden vragen hoe dit spanningsveld in de praktijk wordt opgelost.
In welke concrete gevallen heeft Nederland zich uitgesproken tegen online haatcampagnes
gericht op christenen, en welke instrumenten zijn toen daadwerkelijk ingezet richting
platforms of staten?
De leden van de BBB-fractie zien dat aanzienlijke middelen zijn ingezet voor interreligieuze
dialoog, onder andere via JISRA. Kan het kabinet concreet maken welke meetbare resultaten
deze programma’s hebben opgeleverd specifiek ten aanzien van het terugdringen van
geweld of discriminatie tegen christenen? In hoeverre wordt bij nieuwe programma’s
gestuurd op aantoonbare impact in plaats van proces- of dialoogresultaten?
De leden van de BBB-fractie constateren dat het kabinet spreekt over structurele aandacht
voor geloofsvervolging, maar dat concrete consequenties bij verslechterende situaties
beperkt worden uitgewerkt. Deze leden vragen welke concrete diplomatieke of politieke
maatregelen Nederland bereid is te nemen wanneer landen structureel tekortschieten
in de bescherming van christelijke minderheden. Wordt daarbij ook gedacht aan het
conditioneren van samenwerking, handelsrelaties of ontwikkelingsprogramma’s, en zo
ja, onder welke voorwaarden?
De leden van de BBB-fractie lezen dat het kabinet geen meerwaarde ziet in een apart
monitoringsinstrument vanwege bestaande rapportagestructuren. Deze leden vragen hoe
binnen de huidige rapportages specifiek zicht wordt gehouden op de ontwikkeling van
christenvervolging, in plaats van bredere, meer algemene mensenrechtenindicatoren.
Hoe wordt voorkomen dat specifieke trends of escalaties onvoldoende scherp in beeld
komen binnen deze bredere kaders? Daarnaast vragen deze leden hoe de Kamer tijdig
wordt geïnformeerd bij acute verslechteringen in specifieke landen, gezien de jaarlijkse
rapportagecyclus mogelijk te traag is voor snel veranderende situaties.
II Antwoord/Reactie van de Minister
III Volledige agenda
– 36 888-5 brief van 25 maart 2026 met de Kabinetsreactie op de initiatiefnota van het lid Ceder
«Tegen christenvervolging, voor geloofsvrijheid: richtinggevende voorstellen voor
een diplomatiek daadkrachtig buitenlandbeleid»
Ondertekenaars
-
Eerste ondertekenaar
J.F. Klaver, voorzitter van de vaste commissie voor Buitenlandse Zaken -
Mede ondertekenaar
A.W. Westerhoff, griffier