Verslag van een commissiedebat : Verslag van een commissiedebat, gehouden op 16 april 2026, over Personen- en familierecht
33 836 Personen- en familierecht
Nr. 144
VERSLAG VAN EEN COMMISSIEDEBAT
Vastgesteld 1 juli 2026
De vaste commissie voor Justitie en Veiligheid heeft op 16 april 2026 overleg gevoerd
met mevrouw Van Bruggen, Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, over:
− de brief van de Minister voor Rechtsbescherming d.d. 5 juli 2021 inzake rapport «Impactanalyse
Wijziging Transgenderwet» van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (Kamerstuk 35 825, nr. 5);
− de brief van de Minister voor Rechtsbescherming d.d. 7 juli 2023 inzake inventarisatie
geslachtsregistratie x (Kamerstuk 35 825, nr. 19);
− de brief van de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid d.d. 1 oktober 2025 inzake
vervolgtraject rapport Schade door schande (Kamerstuk 33 836, nr. 126);
− de brief van de Staatssecretaris Rechtsbescherming d.d. 20 februari 2025 inzake advies
internationale positie vermelding transgender ouder uit wie een kind wordt geboren
op geboorteakte (Kamerstuk 36 481, nr. 15);
− de brief van de Staatssecretaris Rechtsbescherming d.d. 20 juni 2025 inzake rapport
van de Commissie onderzoek Binnenlandse Afstand en Adoptie 1956–1984 (Kamerstuk 33 836, nr. 122);
− de brief van de Staatssecretaris Rechtsbescherming d.d. 30 juni 2025 inzake beleidsreactie
doorlichting Besluit geslachtsnaamswijziging (Kamerstuk 33 836, nr. 123);
− de brief van de Staatssecretaris Rechtsbescherming d.d. 11 juli 2025 inzake voortgang
afstands- en adoptiedossiers (Kamerstuk 31 265, nr. 135);
− de brief van de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid d.d. 3 oktober 2025 inzake
aanpak complexe scheidingen (Kamerstuk 31 839, nr. 1111);
− de brief van de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid d.d. 4 november 2025 inzake
onderzoek tussenevaluatie Wet herziening partneralimentatie (Kamerstuk 34 231, nr. 19);
− de brief van de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid d.d. 17 december 2025
inzake RSJ-advies Grondslagen van kindvriendelijke juridische procedures in het civiele
familie- en jeugdrecht (Kamerstuk 33 836, nr. 129);
− de brief van de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid d.d. 13 januari 2026 inzake
reactie op gewijzigde motie van de leden Moorman en Kostić over het wetsvoorstel Wijziging
vermelding geslacht in geboorteakte alsnog aan de Kamer voorleggen (Kamerstuk 36 800 VIII, nr. 33) (Kamerstuk 33 836, nr. 130);
− de brief van de Staatssecretaris Rechtsbescherming d.d. 13 januari 2026 inzake brief
houdende intrekking van het wetsvoorstel (Kamerstuk 35 825, nr. 21);
− de brief van de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid d.d. 9 februari 2026 inzake
voortgang interlandelijke adoptie (Kamerstuk 31 265, nr. 136);
− de brief van de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid d.d. 2 april 2026 inzake
toelichting op de intrekking van wetsvoorstel Wijziging van Boek 1 van het Burgerlijk
Wetboek in verband met het veranderen van de voorwaarden voor wijziging van de vermelding
van het geslacht in de akte van geboorte (Kamerstuk 35 825) (Kamerstuk 35 825, nr. 22);
− de brief van de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid d.d. 13 april 2026 inzake
binnenlandse afstand en adoptie (Kamerstuk 33 836, nr. 131).
Van dit overleg brengt de commissie bijgaand geredigeerd woordelijk verslag uit.
De voorzitter van de commissie, Eerdmans
De griffier van de commissie, Van Tilburg
Voorzitter: Eerdmans
Griffier: Paauwe
Aanwezig zijn negen leden der Kamer, te weten: Bikker, Clemminck, Diederik van Dijk,
Eerdmans, Kostić, Mutluer, Sneller, Straatman en Wendel,
en mevrouw Van Bruggen, Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid.
Aanvang 13.59 uur.
De voorzitter:
Goedemiddag, dames en heren. Welkom in de vergadering van de vaste commissie voor
Justitie en Veiligheid. U bent hier welkom tot 17.00 uur. Tot dan zijn wij met elkaar
bezig. Ik heet van harte welkom de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, met
haar gevolg. Wij praten vandaag over het personen- en familierecht. We hebben een
volle bak aan Kamerleden, onder wie een nieuw gezicht, zie ik: de heer Clemminck van
JA21. Hij wil ook graag meedoen in deze commissie, als dat mag. Ik kijk ook even naar
de tribune ... Nee hoor, haha! Als u even in het midden gaat staan, dan kunnen we
u wat vragen stellen! Nee hoor, ik denk dat dit akkoord is als ik iedereen zo bekijk.
Van harte welkom en doe uw best.
Wij hebben vier minuten spreektijd per commissielid voor de bijdrage. Ik wilde aan
u voorleggen om drie interrupties te doen per persoon in de eerste termijn om eens
te kijken hoever we komen. Lukt dat niet of heeft u meer vragen, dan kunnen we altijd
kijken, gelet op de tijd, hoe het vordert. Maar het is best een groot onderwerp met
veel vragen. Daar geven we ook de ruimte voor. Dit gezegd hebbende ben ik denk ik
door de huishoudelijke mededelingen heen? Ik kijk even naar de griffier. Ja. Dan kunnen
wij van start gaan. Ik geef als eerste het woord aan het lid Kostić namens de Partij
voor de Dieren. Gaat uw gang.
Kamerlid Kostić (PvdD):
Dank u wel, voorzitter. Vandaag vraagt de Partij voor de Dieren aandacht voor het
recht van mensen om erkend te worden voor wie ze zijn. Voor trans, intersekse en non-binaire
mensen is dat geen vanzelfsprekendheid. Zij zijn in Nederland aantoonbaar minder veilig.
Ze worden vele malen vaker gediscrimineerd, bedreigd en zelfs mishandeld. Dat probleem
wordt verergerd door wetgeving, die het hun heel moeilijk maakt om hun geslachtsregistratie
aan te passen. Kan de Staatssecretaris zich inleven in hoe vernederend het voelt dat
je verplicht bent goedkeuring te vragen aan iemand anders over wie je bent? Zo voelt
het voor trans en non-binaire mensen. Zij moeten volgens de wet onnodig verplicht
eerst goedkeuring vragen bij de psycholoog of zelfs de rechter om erkend te worden.
Voorzitter. Al sinds 2019 belooft de politiek daarom dat de Transgenderwet moet worden
gemoderniseerd. Partijen als VVD, CDA en D66 hebben voor de verkiezingen meerdere
malen daarover beloftes gedaan aan de kiezer. Toch staan we hier vandaag nog steeds
zonder een wet. En ondertussen wachten mensen.
Voorzitter. Dat wachten heeft gevolgen. Dat betekent dat mensen dagelijks spanning
voelen bij het laten zien van hun ID bij het ophalen van een pakketje omdat hun registratie
niet klopt met wie ze zijn, omdat ze telkens het risico lopen om geconfronteerd te
worden met onbegrip, afwijzing of zelfs agressie. Dat zorgt voor stress, voor onveiligheid,
voor het gevoel dat je identiteit steeds ter discussie staat.
Voorzitter. De huidige situatie is voor veel mensen vernederend, kost geld en leidt
tot wachttijden van maanden. Dit zorgt voor onnodige overbelasting van gezondheidsdeskundigen,
die hun tijd veel beter kunnen besteden aan echte problemen. Zij vragen daarom ook
aan de politiek om aanpassing van de wet. Twaalf Europese landen hebben al geregeld
dat mensen zonder tussenkomst van anderen worden erkend om wie ze zijn. Het kabinet
heeft zich gecommitteerd aan het Regenboogakkoord, waarin ook het opnieuw indienen
van de Transgenderwet staat. Mijn vraag aan de Staatssecretaris is helder: waar wachten
we nog op? Is zij bereid om de gemoderniseerde Transgenderwet zo snel mogelijk opnieuw
naar de Kamer te sturen? Kan zij uiterlijk voor het debat over emancipatie met een
tijdlijn komen voor het herindienen van de wet? Kan zij op korte termijn in gesprek
gaan met de gemeenschap, voor wie dit belangrijk is, en met organisaties die die gemeenschap
vertegenwoordigen, zoals het Transgender Netwerk, en daarover terugkoppelen aan de
Kamer?
Voorzitter. Dan de positie van non-binaire mensen. Voor hen is het nóg ingewikkelder.
Zij kunnen hun geslachtsregistratie alleen via de rechter laten aanpassen. Rechters
hebben al gezegd dat dit discriminerend is en dat de overheid een wettelijke regeling
moet bieden. Ongeveer 2% van de Nederlanders identificeert zich niet als man of vrouw.
Daar hoor ikzelf ook tussen. Ook zij hebben recht op erkenning. Mijn vraag: wanneer
komt de wettelijke mogelijkheid om een x te registreren zonder tussenkomst van de
rechter? Al honderden mensen hebben inmiddels een x via de rechter kunnen verkrijgen,
maar zij lopen weer tegen tal van problemen aan in de maatschappij. Is de Staatssecretaris
bereid met belangenorganisaties, zoals Transgender Netwerk, in gesprek te gaan om
deze problemen in kaart te brengen en met een aanpak te komen?
Voorzitter. Dit debat gaat niet alleen over wetgeving, het gaat over mensen die vandaag
leven met een gevoel van onzekerheid, onveiligheid en vernedering, omdat de overheid
achterblijft. De beloftes zijn gedaan, het draagvlak bij deskundigen is er. Nu is
het tijd om te leveren. Voor de politiek is het slechts een administratieve wijziging,
maar voor veel mensen maakt het een wereld van verschil. Het gaat om het recht om
jezelf te zijn.
Dank u wel.
De voorzitter:
Dank u zeer. Dan geef ik nu het woord aan mevrouw Mutluer namens GroenLinks-PvdA.
Mevrouw Mutluer (GroenLinks-PvdA):
Voorzitter. Laat ik vooropstellen dat ik het een mijlpaal vind dat het kabinet voor
de zomer excuses wil gaan maken aan afstandsmoeders die tot ’84 onder ingrijpende
en soms gedwongen omstandigheden hun pasgeboren kinderen hebben moeten afstaan, en
aan hun kinderen. Voor die mensen gaat het over identiteit, over verlies en over een
overheid die daarin een nare rol heeft gespeeld en daarmee levenslange schade heeft
aangericht. Ik vraag de Staatssecretaris om, naast die excuses, te komen tot concrete
maatregelen om nieuwe misstanden te voorkomen. Dat zie je nu bijvoorbeeld bij arbeidsmigranten.
Ik vraag haar ook om te komen met de juiste zorg voor de doelgroep, zodat zij de dossiers
kunnen inzien op de juiste plek, en dat zij de regie krijgen om die te raadplegen,
maar ook zodat ze naar familie kunnen zoeken, ongeacht de ontstaansgeschiedenis. Dat
moet zo veel als mogelijk gegarandeerd worden. Is de Staatssecretaris daartoe bereid?
Voorzitter. Dan de dubbele achternamen. Sinds 2022 kunnen ouders beide achternamen
doorgeven aan hun kinderen. Je zou zeggen: wat mooi, een stap vooruit in gelijkwaardigheid.
Maar het is allesbehalve dat. De wet pakt namelijk oneerlijk uit, en is onrechtvaardig
en discriminerend voor heel veel vrouwen, die ook vandaag hier aanwezig zijn. Waarom?
Omdat vrouwen altijd toestemming moeten vragen en krijgen van een vader om ook hun
naam door te mogen geven. In de praktijk creëert dat afhankelijkheid in precies de
situaties waarin juist bescherming nodig is. Dat blijkt uit alle verhalen die ik via
Clara Wichmann heb gehoord, maar ook uit de verhalen van Rebecca en van Annemijn die
we vanochtend in de Volkskrant hebben gelezen. Rebecca is geadopteerd en krijgt geen
toestemming van haar ex om haar eigen roots mee te geven aan haar eigen kinderen.
Het blijkt ook uit het verhaal van Chiara, die intieme terreur en een onveilige relatie
heeft overleefd en die nu volledig gezag heeft, maar nog steeds toestemming aan haar
ex-partner moet vragen om ook haar achternaam aan haar kind te geven. Ik kan daar
met mijn hoofd gewoon niet bij. Het wrange is dat er geen rechtsgang en geen echte
vangnetregel is. Er is alleen een hele ingewikkelde procedure om je naam te wijzigen
via Justis, die geld en tijd kost, terwijl ouders niet iets willen wijzigen, maar
iets willen toevoegen. Waarom accepteren we dit? Wat vindt deze Staatssecretaris,
ook als vrouw, van deze bepaling in de wet? Wil zij deze bepaling uit die wet lichten
en zo snel mogelijk aanpassen? In mijn beleving kunnen wij niet wachten totdat die
evaluatie plaatsvindt en het nog heel lang duurt voordat die wet überhaupt aangepast
wordt. Ik wil die aanpassing ook heel graag met terugwerkende kracht. Graag daar een
reactie op.
Dan internationale kinderontvoeringen. Het verhaal van Insiya staat voor mij symbool
voor de strijd die achtergebleven ouders jaren moeten voeren. Ik heb onwijs veel respect
voor de moeder van Insiya, Nadia, die na twaalf jaar nog steeds wacht en vecht. Wat
mij betreft moet de politieke druk op het hoogste niveau blijven. Het handelsakkoord
werd genoemd. Dat kun je gebruiken als drukmiddel, of ik zou zeggen: als hefboom,
niet als breekijzer. Maar heb ook oog voor de noden van de achtergebleven ouders.
Enerzijds zitten zij al met de ellende dat hun kind weg is, maar zij moeten vaak ook
langdurig in juridische procedures blijven en het financiële gevecht aangaan.
Voorzitter. Tot slot over adoptie. Interlandelijke adoptie wordt beëindigd in 2030,
misschien eerder. Wat mij betreft gebeurt dat wel met een hele zorgvuldige afronding
van de procedures. Ik vraag bij de Staatssecretaris oog voor de misstanden, die ook
door familierechters worden geconstateerd. Zij zeggen namelijk dat we moeten oppassen,
omdat er bij interlandelijk draagmoederschap een nieuw adoptieschandaal in de maak
is. Ik ben voor de Wet draagmoederschap; die moet er komen. Er is een wetenschapstoets
met een aantal hele goede aanbevelingen. Ik weet dat de Staatssecretaris daarop ingaat.
Ik hoop dat dat ook tot de nodige wijzigingen leidt. Ik hoop niet dat er rechtszaken
plaatsvinden na de excuses van de Staat. Ook de geadopteerden willen namelijk gerechtigheid,
zorg, ondersteuning en compensatie. Excuses aanbieden – dan rond ik echt af – vraagt
ook om meer inspanningen van de Staatssecretaris dan er nu worden geleverd.
De voorzitter:
Dank, mevrouw Mutluer. U heeft een interruptie van mevrouw Bikker van de ChristenUnie.
Mevrouw Bikker (ChristenUnie):
Collega Mutluer legt terecht de vinger op de misstanden die er zijn geweest rondom
adoptie en de grote gevolgen die die nu nog steeds hebben. Ik vond het juist daarom
heel duidelijk om vanuit de wetenschappelijke hoek te horen, opnieuw: kijk uit wat
je mogelijk maakt met dat wetsvoorstel over draagmoederschap als je de internationale
route verder opent. Gezien de uitspraken van collega Mutluer is mijn vraag aan haar
of zij ook vindt dat het wetsvoorstel echt een roekeloos pad inslaat als we internationaal
draagmoederschap toch meer mogelijk gaan maken.
Mevrouw Mutluer (GroenLinks-PvdA):
Dank voor die vraag. Nee, het is voor mij juist een onderschrijving dat we die wet
nodig hebben. Dat is dus eigenlijk het omgekeerde van wat mevrouw Bikker zegt. Ik
zie dat er onwijs veel misstanden zijn, ook in het buitenland: ouders die een terechte
kinderwens hebben en geen draagmoeder hier in Nederland mogen vragen of krijgen en
die dus hun heil zoeken in het buitenland, met alle gevolgen van dien. Dat kunnen
we niet altijd controleren; we kunnen het niet altijd achterhalen. Ik denk dat die
kinderrechters of familierechters terecht zeggen dat ze nu misstanden zien die lijken
op die bij interlandelijke adoptie. Er wordt een beeld geschetst van vervalste documenten
en misbruik van armoede. Juist daarom denk ik dat het onwijs belangrijk is om hier
in Nederland met de juiste waarborgen en de juiste randvoorwaarden die wet omtrent
draagmoederschap te hebben.
De voorzitter:
Dank voor uw bijdrage. We gaan luisteren naar mevrouw Wendel van de VVD.
Mevrouw Wendel (VVD):
Voorzitter. Vandaag spreken we over personen- en familierecht. Dit debat gaat over
allerlei verschillende onderwerpen, maar desondanks hebben we een relatief korte spreektijd.
Ik vind het belangrijk om deze onderwerpen met zorg te behandelen en daarom kies ik
vandaag voor focus. Ik focus me vandaag op verschrikkelijke gebeurtenissen uit het
verleden welke tot vandaag de dag enorme impact hebben op mensen.
Tussen 1956 en 1984 zijn er in Nederland ruim 15.000 pasgeboren kinderen afgestaan
door hun moeder. Voor het overgrote deel waren dit kinderen van ongehuwde jonge vrouwen
die geen enkele kans zagen of kregen om hun kindje bij zich te houden. De moeders
stonden meestal voor een voldongen feit; de kinderen werden direct na de geboorte
van hen gescheiden, soms zonder dat de moeder het kind zelfs maar had gezien. De kinderen
groeiden op zonder dat de moeders wisten waar en bij wie. Deze moeders moesten vaak
zwijgen over hun zwangerschap en over de geboorte van hun baby. Een deel van de kinderen
heeft nu, op volwassen leeftijd, nog altijd geen of beperkte kennis over hun eigen
ontstaansgeschiedenis. In plaats van dat deze jonge, kwetsbare vrouwen werden ondersteund
bij het laten opgroeien van hun kind, werden zij onder druk gezet om afstand te doen
van hun baby.
Voorzitter. Toen ik dit een aantal maanden geleden voor het eerst hoorde, dacht ik
echt: dit kan toch niet waar zijn? Maar helaas is het wel waar. En dat in ons Nederland!
De VVD vindt dat vrouwen recht hebben op eigen regie, zeker in zulke wezenlijke aspecten
van het leven als het al dan niet krijgen of behouden van een kind; het kennen van
je eigen geschiedenis en de keuze met wie je familierelaties wil onderhouden. Deze
regie ontbrak in het verleden heel vaak. Dat anderen, familieleden en instanties,
over jou als jonge moeder beslisten, was eerder regel dan uitzondering. De VVD betreurt
dit ten zeerste en zet zich al jaren in voor de erkenning van het leed en het onrecht
dat duizenden ongehuwde moeders en hun kinderen destijds is aangedaan door hen gedwongen
te scheiden en de moeders geen reële keuzevrijheid te bieden om hun kinderen te behouden
en zelf op te voeden.
Deze week is heel bijzonder voor vele afstandsmoeders en -kinderen. De Staatssecretaris
heeft namelijk aangegeven excuses te zullen maken aan de betrokkenen. Dit is een heel
belangrijke stap voor veel moeders en kinderen; ik kijk ook even naar de betrokkenen
die hier vandaag bij dit debat aanwezig zijn.
Maar daarmee zijn we er nog niet. Ik wil benadrukken dat volledige en onbeperkte inzage
van de dossiers cruciaal is. De VVD heeft twee jaar geleden hier dan ook een motie
over ingediend. Daarnaast ligt er de motie-Michon c.s. welke de regering verzoekt
het mogelijk te maken dat afstandsmoeders een «brief van je moeder» aan het dossier
in het Nationaal Archief kunnen toevoegen. We hebben ook verzocht om de archieven
van Fiom over te dragen aan het Nationaal Archief. Ik heb de volgende vragen. Wat
is de status hiervan? Zijn de moties al uitgevoerd? Het kabinet zegt zelf ook dat
de tijd echt dringt. Wie heeft er nu echt die onbeperkte en volledige toegang? Geldt
die ook voor de kinderen van de geadopteerden? Ook voor hen is het namelijk van groot
belang om te weten waar zij vandaan komen. Waarom is dit nog steeds niet geregeld?
Als daar een wetswijziging voor nodig was, had die allang in procedure kunnen worden
gebracht wat de VVD betreft. Het gaat niet alleen om waar je vandaan komt, het is
ook heel erg belangrijk omdat het kan gaan om je gezondheid.
Dan heb ik nog een algemene vraag. Wanneer kan de Kamer een reflectie verwachten van
de ministeries en andere partijen die een rol hebben gespeeld, zoals is beloofd in
de reactie op Schade door schande?
Tot slot, voorzitter. Een groot deel van de wensen van de afstandsmoeders en hun kinderen
wordt gerealiseerd met de Wet afbouw interlandelijke adoptie en vereenvoudiging identiteitsherstel.
Dit wetsvoorstel is tot 6 april in internetconsultatie geweest. Ik wil de Staatssecretaris
vragen wanneer zij het naar de Raad van State zal sturen. Hoewel ik begrijp dat ook
de inzage van dossiers geregeld wordt in deze wet, wil ik vragen of de Staatssecretaris
toch al eerder iets kan regelen voor deze specifieke doelgroep, juist omdat de tijd
voor hen zo dringt.
Dank u wel.
De voorzitter:
Dank u wel, mevrouw Wendel. Er is een vraag van mevrouw Mutluer.
Mevrouw Mutluer (GroenLinks-PvdA):
Die vraag gaat niet over de terechte opmerkingen aangaande afstandsmoeders en -kinderen
en wat zij nodig hebben. Ik wil mijn collega van de VVD vragen hoe zij kijkt naar
mijn voorstellen ten aanzien van de dubbele achternaam. In 2022, toen we dat wetsvoorstel
bespraken, hebben wij een wetswijziging voorgesteld om de discriminerende bepaling
dat een vrouw toestemming van de man nodig heeft, uit het wetsvoorstel te halen. Naar
het voorbeeld van België zouden we dat anders willen formuleren, namelijk: als een
stel onderling niet met elkaar overeen kan komen of een kind wel of geen dubbele achternaam
krijgt, dan geldt de naam van beide ouders op alfabetische volgorde. Is de collega
bereid om de Staatssecretaris te vragen deze discriminerende bepaling zo snel mogelijk
uit het familierecht te halen, zodat vrouwen ook die gelijkwaardigheid voelen?
Mevrouw Wendel (VVD):
Gelijkwaardigheid is voor de VVD heel erg belangrijk. Ik vind het dus heel mooi dat
collega Mutluer dit onderwerp agendeert. Het vorige kabinet heeft aangegeven de evaluatie
naar voren te halen. We zouden nog een aantal jaar moeten wachten, maar het vorige
kabinet heeft gezegd: nee, we gaan dat al in januari 2027 doen. Volgens mij is dat
heel erg goed. Wel denk ik dat het goed is dat we die evaluatie zorgvuldig doen en
die eerst afwachten. Wij zien de uitkomsten daarvan natuurlijk met interesse tegemoet.
Gelijkwaardigheid tussen man en vrouw staat voor ons daarbij voorop.
Mevrouw Mutluer (GroenLinks-PvdA):
Inmiddels hebben heel veel vrouwen ons via de mail benaderd met hun verhalen. Ik verzeker
u dat dat er de komende tijd veel meer zullen worden. Vindt mijn collega ook niet
dat het wachten op een evaluatie het signaal afgeeft dat we het allemaal leuk en aardig
vinden wat hier nu gebeurt en dat het lijkt alsof we deze onrechtvaardige situatie
willens en wetens in stand houden? Dat zeg ik omdat een evaluatie een jaar in beslag
gaat nemen. Voordat die hier in de Kamer terugkomt, zijn we weer een jaar verder.
Voordat de wet aangepast is en in de Kamer is behandeld, zijn we wéér een jaar verder.
Deze vrouwen kunnen niet nog drie, vier jaar wachten. Daarom is mijn oproep en wens,
ook richting de collega van de VVD: doe met ons mee. Laten we er voor al die vrouwen
voor zorgen dat we dit soort bepalingen anno 2026 gewoon niet meer in onze wetboeken
hebben staan.
De voorzitter:
Wil mevrouw Wendel een reactie geven?
Mevrouw Wendel (VVD):
Ja. Ik denk dat mijn reactie nog steeds heel erg aansluit bij wat ik net zei. Voor
ons staat gelijkwaardigheid tussen man en vrouw echt voorop. Juist daarom vinden we
het goed dat die evaluatie ver naar voren wordt gehaald. Wel vinden we het belangrijk
dat dat zorgvuldig gebeurt, op een manier waarop we het in de praktijk voor deze vrouwen
goed regelen. Toen dit wetsvoorstel er kwam, waren er heel veel argumenten tegen de
uitvoering. Voordat ik hier iets over ga zeggen, wil ik dus weten of de uitvoering
dit aankan. Zo blijft het niet alleen bij een goed voorstel, maar zal het ook resoneren
in de praktijk. Ik zie de evaluatie dus met heel veel interesse tegemoet.
Kamerlid Kostić (PvdD):
Ik heb net geschetst hoe trans mensen elke dag moeten leven met gevoelens van onzekerheid,
onveiligheid en vernedering, omdat ze moeten wachten tot anderen hen überhaupt goedkeuren
om wie ze zijn en omdat de overheid achterblijft. Vanuit de politiek, onder andere
vanuit de VVD, beloven we al heel lang dat de modernisering van de Transgenderwet
er snel moet komen. In het coalitieakkoord staat ook dat het Regenboogakkoord gewoon
wordt overgenomen. Daar staat die Transgenderwet in. Ter bevestiging en hopend op
een positief antwoord, vraag ik: staat de VVD nog steeds positief tegenover de modernisering
van de Transgenderwet en roept zij vandaag samen met ons het kabinet op om heel snel
met die wet naar de Kamer te komen?
Mevrouw Wendel (VVD):
De VVD geeft eigenlijk al tijden aan – want het duurt lang; dat deel ik met het lid
Kostić – dat het die Transgenderwet wil behandelen. Ik word dus niet blij van het
feit dat die is ingetrokken, als ik het zo mag zeggen. We vinden het juist belangrijk
dat we dit gesprek snel met elkaar voeren. Tijdens de eerste termijn van de Kamer,
die al heeft plaatsgevonden, zijn er vooral heel veel vragen gesteld door mijn fractie.
Die zouden wij graag beantwoord willen zien. Wat ik heel graag zou willen, is dat
de nieuwe Staatssecretaris, die hier vandaag zit, goed gaat kijken naar de eerste
termijn van de Kamer van destijds en naar de vragen die daarin leefden, en dat er
dan een nieuw wetsvoorstel naar de Kamer komt. Wat ons betreft gaat dat zeker geen
jaren duren.
De voorzitter:
Dan nog een tweede vraag van het lid Kostić.
Kamerlid Kostić (PvdD):
Het is goed om te horen dat de urgentie er ook is bij de VVD en dat de VVD die boodschap
uitdraagt richting de Staatssecretaris. Die wet is namelijk ook ingetrokken onder
een VVD-kabinet. Ik ben dus blij dat de VVD hier nu een andere koers kiest.
Dan over mensen die heel graag een x zouden willen, omdat zij zich niet identificeren
als man of vrouw. Is de VVD het met ons eens dat de Staatssecretaris daar snel werk
van zou moeten maken, omdat die mensen nu geen normale, eerlijke mogelijkheid hebben
om te zijn wie ze zijn?
Mevrouw Wendel (VVD):
De VVD wil eigenlijk kijken hoe we überhaupt zouden moeten omgaan met geslachtsregistratie.
Wij vragen ons af hoe belangrijk het überhaupt is dat zoiets in een paspoort of een
identiteitsbewijs staat. Overbodige geslachtsregistratie zouden we het liefst tegen
willen gaan; dat sowieso.
Dan de specifieke vraag, over de x in het paspoort. Ook hiervoor geldt wat ons betreft
dat dat een heel zorgvuldig wetgevingstraject moet zijn. De Raad van State is over
het amendement van D66 uit het verleden natuurlijk duidelijk geweest, namelijk dat
het «even» in een wet gegoten moet worden. Wij zouden die heel graag willen behandelen,
maar ook daarbij geldt zorgvuldigheid.
De heer Diederik van Dijk (SGP):
Ik hoor collega Wendel over een nieuw wetsvoorstel voor de Transgenderwet zeggen dat
het gaat om een «nieuw» wetsvoorstel. Mag ik daaruit afleiden dat we het nu niet hebben
over een simpel kopietje dat opnieuw wordt toegestuurd, maar dat het letterlijk bij
de tijd wordt gebracht? Ik denk dat het al verouderd was toen het werd ingediend en
de ontwikkelingen hebben niet stilgestaan. Het is nog gebaseerd op een evaluatie van
bijna tien jaar oud. Ik neem aan dat het, ook in de ogen van de VVD, wel een wetsvoorstel
moet zijn waarin alle recente ontwikkelingen die er op dit terrein zijn geweest, ook
internationaal, worden meegenomen.
Mevrouw Wendel (VVD):
Ik denk dat het goed is om te kijken naar wat er in de eerste termijn van de Kamer
is gezegd en welke andere relevante zaken volgens de Staatssecretaris hierin meegenomen
moeten worden, en om dan een voorstel naar de Kamer te sturen.
De voorzitter:
Ja, voldoende zo? Dan gaan we verder naar mevrouw Straatman van het CDA voor haar
bijdrage.
Mevrouw Straatman (CDA):
Dank u wel, voorzitter. Ik neem u graag mee naar 29 november 2024, naar de woorden
van Trudy Scheele-Gertsen in de rechtszaal bij het hof Den Haag: «Het schrijnende
hiervan is dat men tot op de dag van vandaag mij en al die andere vrouwen wil doen
geloven dat zij wel zelf hebben gekozen voor afstand. Tot op de dag van vandaag werpt
dat een schaduw over mijn leven en het merendeel van mijn lotgenoten: de schuld te
krijgen de verantwoordelijkheid over je eigen kind niet te willen nemen, gezondigd
tegen religieuze wetten, incapabel om je kind zelf op te voeden. Deze geschiedenis,
we kunnen die niet terugdraaien, maar ik vraag wel nadrukkelijk om eerherstel. Voor
alle moeders en mijzelf, in wat voor vorm dan ook. Het mag niet de geschiedenisboeken
ingaan zoals de Staat er nu over denkt.»
Voorzitter. Deze woorden spreken voor zich. Het leed dat afstandsmoeders en -kinderen
is aangedaan, werkt door tot op de dag van vandaag. Daarom is het belangrijk dat we
hierbij stilstaan, de rol van de overheid erkennen én markeren dat de Staat er sinds
deze week niet langer zo over denkt. De brief van de Staatssecretaris met de toezegging
dat excuses worden aangeboden, is dan ook van grote betekenis. Ik dank de Staatssecretaris
dat zij in de hele korte periode dat zij er nu zit, dit dossier de aandacht en de
urgentie heeft gegeven die het verdient. De Staatssecretaris geeft aan dat excuses
voor de zomer zullen komen. Kan zij het proces daarnaartoe schetsen en aangeven hoe
afstandsmoeders en -kinderen daarbij betrokken worden?
Voorzitter. Excuses zijn het begin van een traject naar herstel. Ik wil daarbij aandacht
vragen voor drie punten. Allereerst de toegang tot dossiers. Moeders en kinderen missen
autonomie, terwijl het over hun eigen afstammingsgeschiedenis gaat. Mijn collega van
de VVD stelde zojuist deze vraag en ik wil die graag ook stellen: wat is de stand
van zaken wat betreft de overdracht van de Fiom-dossiers naar het Nationaal Archief
en wat betreft het wettelijk verankeren van het recht op inzage, en welke digitale
inzage is nu ook al mogelijk?
Ten tweede geldt dat waarheidsvinding niet eindigt bij excuses. Sterker nog, de excuses
maken duidelijk dat de geschiedenis en de dossiers tot nu toe een verkeerd beeld gaven
van de werkelijkheid. Daarom willen afstandsmoeders heel graag een brief toevoegen
aan dossiers. Het Nationaal Archief ziet echter allerlei, wat mij betreft bureaucratische,
bezwaren en ziet daarbij over het hoofd dat toegang tot dossiers vaak ook een eerste
stap is naar mogelijk hersteld contact tussen moeder en kind. Het is dan juist heel
cruciaal wat er in die dossiers staat. Dat belang zou wat het CDA betreft moeten prevaleren.
Hoe ziet de Staatssecretaris dit? Klopt het dat de wet toevoeging van een brief niet
in de weg staat? Kan de Staatssecretaris toezeggen hierover met de Minister van OCW
in gesprek te gaan?
Voorzitter. Ten derde. Excuses hebben alleen zin als we van het verleden leren. Daarom
schrikt het CDA van de verhalen die naar buiten komen over gedwongen afstand bij arbeidsmigranten.
Heeft de Staatssecretaris deze groep vrouwen voldoende in beeld en welke stappen zet
zij om deze groep de juiste ondersteuning te bieden? Extra zorgwekkend is dat nog
steeds met de juridisch niet bindende afstandsverklaringen wordt gewerkt. Deze hebben
weliswaar inmiddels een andere werktitel gekregen, maar hebben nog steeds dezelfde
impact. Feit blijft namelijk dat na ondertekening het mentaal moeilijker is om terug
te komen op een besluit. Kan de Staatssecretaris toezeggen dat deze praktijk van symbolische
verklaringen tot afstand per direct stopt?
Voorzitter, ik rond af, maar niet voordat ik ook aandacht heb gevraagd voor een ander
dossier, namelijk de Nederlandse geadopteerden uit Chileense kindertehuizen, waar
ook veel misstanden hebben plaatsgevonden. Het strafrechtelijk onderzoek in Chili
loopt nog, maar geadopteerden lopen opnieuw aan tegen een gebrek aan autonomie over
hun eigen adoptiedossiers, die bij Fiom liggen. Fiom beslist welke informatie met
Chili wordt gedeeld. Dat is tot nu toe helemaal niets, terwijl andere Europese landen
wel meewerken. Wat kan de Staatssecretaris voor deze groep betekenen?
Dank u wel.
De voorzitter:
Mevrouw Straatman, dank. U heeft een interruptie van mevrouw Bikker te pakken.
Mevrouw Bikker (ChristenUnie):
Ik kan me bij die laatste vragen trouwens aansluiten, want juist ook voor deze groep
mensen duurt het al eindeloos lang.
Dit bepaalt me eerlijk gezegd ook bij de bevindingen van de commissie-Joustra en bij
het wetsvoorstel omtrent draagmoederschap, waarvan de commissie heeft afgesproken
dat we de Staatssecretaris vragen om een reactie op de wetenschapstoets. Ik wil op
dit moment wel al heel graag weten hoe de collega van het CDA denkt over dit wetsvoorstel
in de huidige vorm, omdat er afspraken over staan in het coalitieakkoord en ik me
ernstige zorgen maak dat we, als dat dat wetsvoorstel zo doorgaat, een herhaling krijgen
van misstanden uit het verleden. Daarnaast denk ik persoonlijk dat het onverstandig
is om draagmoederschap verder normaal te gaan maken. Ik ben heel benieuwd hoe de CDA-fractie
hierin staat en ook welke route de CDA-fractie voor zich ziet.
Mevrouw Straatman (CDA):
Dank aan mevrouw Bikker voor de vraag. In het coalitieakkoord staat dat we doorgaan
met de Wet draagmoederschap, maar wel mede in ogenschouw nemend de aanbevelingen uit
de commissie-Joustra. Ik denk dat daar twee van de punten samenkomen. Wij zaten vanochtend
samen bij de technische briefing en ik denk dat mevrouw Bikker daar ook heel duidelijk
heeft gehoord waar mijn zorgen zitten en waar mijn vragen over gingen, namelijk over
die buitenlandse trajecten. Ik denk dat we onze ogen ook niet moeten sluiten voor
de risico’s die daarin liggen; daar heb ik zorgen over en daar heb ik vragen over
gesteld. Ik ga, mede in ogenschouw nemend wat de commissie-Joustra over interlandelijke
adoptie heeft opgeschreven, opnieuw kijken naar dit wetsvoorstel over draagmoederschap.
De voorzitter:
Mevrouw Bikker, ik wijs u erop dat dit voor nu uw laatste interruptie is. Gaat uw
gang.
Mevrouw Bikker (ChristenUnie):
Dank voor het antwoord. Deskundigen wijzen er wat dat wetsvoorstel over draagmoederschap
op dat ook de bemiddeling mogelijk gemaakt gaat worden en er dus ook veel meer advertenties
zullen komen rondom binnenlands draagmoederschap. Nu heb ik altijd met het CDA opgetrokken,
juist als het ging over dingen die je niet wilt. Ik zei daarvan heel vaak samen met
het CDA: ga dan niet doen alsof je het via de wet beter geregeld gaat krijgen. Een
voorbeeld daarvan is de gokmarkt, waarvoor we een-op-een samen optrokken om te zeggen:
ga nou niet dat pad op en al helemaal niet een pad met reclame en advertenties. Heeft
collega Straatman naast die reserve ten aanzien van buitenlands draagmoederschap –
ik hoop dat dat buitenlands draagmoederschap helemaal gaat stoppen – ook terughoudendheid
als het gaat om het binnenlands draagmoederschap? Hoe ziet ze dat qua proces in de
komende maanden? Naar ik meen staat het namelijk wel op de planning om dit wetsvoorstel
in mei of juni te behandelen.
Mevrouw Straatman (CDA):
We hebben een wetenschapstoets gehad. Daaruit kwamen een heel aantal aanbevelingen.
Volgens mij waren er bijna twintig aanbevelingen van wetenschappers, die naar zowel
het binnenlandse als het buitenlandse traject hebben gekeken. Het kabinet komt met
een reactie daarop. Die ziet zowel op de binnenlandse procedure als op de buitenlandse
procedure. Ik denk dat het dus een zorgvuldig traject is dat we dat afwachten en dat
we kijken op welke manier we ook de binnenlandse procedure mogelijk met nog meer waarborgen
kunnen omkleden. Tegelijkertijd zeg ik wel dat we ook te maken hebben met een realiteit
waarin draagmoederschap plaatsvindt. Vanochtend werd ook duidelijk dat het ontbreken
van die wettelijke regeling ook zorgt voor heel veel problemen. In het belang van
wensouders, maar vooral ook in het belang van kinderen, zouden we het gewoon zorgvuldig
moeten regelen. Ik ga dus met goed gemoed naar de reactie van het kabinet kijken,
maar met name over het buitenlandse traject heb ik veel zorgen. Ik wil gewoon dat
we op iedere mogelijke manier voorkomen dat we kwetsbare mensen in het buitenland
opnieuw ... Ik wil dat we voorkomen dat we te maken krijgen met dezelfde problematiek
die we bij interlandelijke adoptie hebben gezien.
De voorzitter:
Dank. Dan gaan wij luisteren naar de heer Sneller. Hij spreekt namens D66.
De heer Sneller (D66):
Dank u wel, voorzitter. In een democratie is het grootste goed dat je je leven zo
mag inrichten als je wil, zolang je anderen geen schade berokkent en je je aan de
regels houdt. Maar dan moeten we wel zorgen dat die regels ook aansluiten bij hoe
mensen hun leven willen leiden. De maatschappij verandert constant. Zie bijvoorbeeld
het huwelijk voor paren van gelijk geslacht. Dat is dit jaar 25 jaar geleden ingevoerd.
Ooit werd gedacht dat dat onmogelijk is; nu is het bijna vanzelfsprekend. Daarmee
is het ook een bestendiging van rechten en een schild tegen discriminatie. Als sociaalliberaal
zoek ik ook steeds naar manieren waarop we onze wetten zouden moeten aanpassen om
aan te sluiten bij de maatschappij van nu en die idealen ook te ondersteunen.
Met die inleiding wou ik eigenlijk van rechts naar links, vanuit mij gezien, beginnen.
Ten eerste een compliment aan mevrouw Mutluer voor het organiseren van het rondetafelgesprek
over de Wet introductie gecombineerde geslachtsnaam. Dat was voor mij ook weer leerzaam.
Volgens mij was het destijds een stap vooruit. Ik ben daar iets positiever over dan
collega Mutluer. Ik heb ook persoonlijk gezien dat het een gewaardeerde stap is geweest.
Mijn kinderen hebben in ieder geval nu die gecombineerde geslachtsnaam. Maar we hebben
ook duidelijk van deskundigen en mensen die in minder gelukkige relaties zaten, gehoord
hoe schrijnend het kan zijn. Het vetorecht van de man is volgens mij een gekke vorm,
om het mild te zeggen. Dat heb ik zelf ook gevoeld toen ik toestemming moest geven
en wist wat de gevolgen zouden zijn als ik die toestemming niet zou geven. Mijn vraag
aan de Staatssecretaris is hoe zij hiernaar kijkt. We hoorden ook dat er onder andere
een geschillenregeling zou moeten worden uitgewerkt. We hoorden dat er destijds bij
de behandeling van het amendement-Mutluer/Bromet wat twijfels over waren. We hoorden
ook dat er een evaluatie naar voren is gehaald. Hoe zorgen we ervoor dat we geen tijd
verliezen in het geval dat we daar inderdaad toe besluiten en er een meerderheid blijkt
te zijn in deze Kamer, en tegelijkertijd ook recht doen aan de zorgvuldigheid die
dit naamrecht zeker ook vraagt? Dat is een vraag aan de Staatssecretaris.
Dan kom ik bij de collega ernaast. De VVD-fractie heeft een initiatiefwetsvoorstel
in consultatie gebracht over het meerouderschap. Dat is iets wat al sinds 2016, sinds
het door de staatscommissie is aangeraden, wat mij betreft om een regeling vraagt
en kansen biedt om meer stabiliteit en zekerheid te bieden voor kinderen. Ik vind
dat een heel mooi initiatiefwetsvoorstel en hoop dat we dat verder kunnen gaan zien.
Dan kom ik bij collega Straatman, die ook in haar eigen inbreng al illustreerde hoe
zij zich heeft ingezet voor de afstandsmoeders en daar ook sinds zij de Kamer in is
gekomen haar tanden in heeft gezet. Het sierde haar dat ze complimenten aan de Staatssecretaris
gaf, maar die komen haar ook toe. Ik voeg me graag bij de vragen die gingen over inzage
in de dossiers en hoe dat nou ook breder zit met het recht op het kennen van je ontstaansgeschiedenis.
Dan nog even terug naar collega Kostić, die twee terechte vragen stelde. Eén ging
over de Transgenderwet en de tweede over de x in het paspoort. Sommige mensen denken
dat die x in het paspoort over een marginaal verschijnsel gaat, maar bij het lezen
van de rapporten blijken er gewoon 480.000 tot 580.000 Nederlanders te zijn die zeggen
dat het waarschijnlijk of zeer waarschijnlijk is dat ze hun geslachtsregistratie zullen
aanpassen als dat via de gemeente mogelijk is. Dat zijn niet enkele tientallen mensen,
zoals mensen soms lijken te denken als je ze tegenkomt. Mijn vraag aan de Staatssecretaris
over allebei deze wetsvoorstellen of voornemens is eigenlijk: wat zijn haar plannen
op dat gebied?
Ten slotte een punt dat nog niet genoemd is: de echtscheidingen. De notarissen zeggen
eigenlijk het volgende. Er liggen een paar mooie stukken over wat er gebeurt bij complexe
scheidingen. Het is belangrijk dat beter wordt geborgd dat de kinderen goed worden
begrepen en dat hun belangen worden geborgd. Daar moeten we zorgvuldig in zijn. Tegelijkertijd
zijn er ook mensen die uit elkaar gaan in goed overleg, maar daar belasten we nu ook
de rechterlijke macht mee. Welke mogelijkheden ziet de Staatssecretaris om dat bijvoorbeeld
via het notariaat te laten verlopen?
Dank u wel.
De voorzitter:
Zeer bedankt.
Kamerlid Kostić (PvdD):
Ten eerste dank aan mijn collega van D66 voor het mooie betoog. Ik denk dat we hetzelfde
doel hebben. Ik heb toch nog een vraag. Mijn collega vraagt aan de Staatssecretaris
wat haar plannen zijn met betrekking tot de uitvoering van het Regenboogakkoord, zoals
in het coalitieakkoord staat, waarvan de Transgenderwet en de x in het paspoort onderdelen
zijn. Wat is de boodschap van D66? Is D66 het met ons eens dat de Staatssecretaris
daar vaart mee moet maken en daarmee zo snel mogelijk naar de Kamer zou moeten komen?
De heer Sneller (D66):
Er was in beginsel ook een initiatiefwet waarvan ik me nog steeds afvraag of we die
moeten voortzetten. Dat is mede afhankelijk van de antwoorden van de Staatssecretaris
en de voorkeuren van collega Kostić, want ik denk dat we in gezamenlijk overleg moeten
bezien wat het beste is. Tegelijkertijd heb ik de bijlage met de uitvoeringsconsequenties
gezien. Ik heb gezien hoeveel daarachter vandaan komt. Het is de vraag of dat als
initiatiefwet het meest kansrijk is, of dat ik mezelf dingen op de hals haal die ik
niet waar kan maken. Ik sta daar dus relatief open in, maar ik vind in ieder geval
dat het moet gebeuren. Als het de meest kansrijke route is dat de Staatssecretaris
daarmee komt, dan graag.
De voorzitter:
Dank. Dat brengt ons bij de bijdrage van de heer Diederik van Dijk, SGP.
De heer Diederik van Dijk (SGP):
Dank u wel, voorzitter. Soms krijg je het gevoel dat de burgerlijke stand steeds meer
op een snackbar gaat lijken. Zoals je bij een snackbar allerlei soorten friet en snacks
kunt bestellen, kunt kiezen voor geen saus of dubbele saus en met of zonder uitjes,
zo is ook bij de burgerlijke stand steeds meer naar eigen behoefte verkrijgbaar. Denk
aan een enkele of een dubbele geslachtsnaam, wel of geen x in allerlei situaties,
en het eenvoudig wijzigen van de achternaam. De gedachte is dat alles eenvoudig via
de balie van de burgerlijke stand moet kunnen gebeuren, zonder hinderlijke rechter
die toetst of de persoonlijke wens wel noodzakelijk, gewichtig of toelaatbaar is.
De overheid waakt niet meer over de orde en stijl namens het collectief, maar voldoet
snel en simpel aan individuele behoeftes. Aan het begin van haar ambtstermijn wil
ik de Staatssecretaris uitnodigen om een meer fundamentele reflectie te geven op dit
rechtsgebied. Is er volgens haar nog voldoende balans tussen het algemeen belang en
de individuele behoefte? De SGP wijst er bovendien op dat de onderbouwing van voorstellen
nogal eens dun is, bijvoorbeeld toen de behoefte van een zeer beperkte groep uit een
aanvechtbare peiling zomaar leidde tot het invoeren van de dubbele geslachtsnaam.
Hoe wil de Staatssecretaris bijdragen aan rijpe, zorgvuldige wetgeving?
Voorzitter. Dit is een natuurlijk bruggetje naar de plannen voor het naamrecht. De
naam is een belangrijk onderdeel van de persoonlijke identiteit, maar die identiteit
is volgens de SGP vooral een objectief gegeven, bijvoorbeeld vanwege de gegeven bloedbanden
en familiestructuren. Het betekent niet dat de overheid het subjectieve gevoel diskwalificeert,
zeker niet, maar we kunnen er zeker ook niet altijd zomaar aan toegeven. Als iemand
zich bijvoorbeeld niet thuis voelt bij de naam Van Beek, omdat hij al jaren aan een
rivier woont, hoeft de overheid niet te accepteren dat iemand Van Dijk wil heten.
Het verbaasde de SGP dat het demissionaire kabinet het algemene recht overnam om eenmalig
de achternaam te wijzigen, enkel op basis van een wankele suggestie in een rapport.
Kunnen we ervan uitgaan dat dit kabinet daar niet mee doorgaat?
Voorzitter. Het is een goede zaak dat het wetsvoorstel over de zelfidentificatie is
ingetrokken. Wat we op dit moment politiek ook vinden, het is in ieder geval duidelijk
dat we met het oude voorstel niet verder kunnen. De tijden zijn, in de relatief korte
jaren, echt veranderd. De oude onderbouwing, waaronder de evaluatie van de Transgenderwet
uit 2017, volstaat echt niet meer. Onderkent het kabinet die realiteit? De SGP neemt
aan dat de Staatssecretaris rekenschap wil geven van de recente ontwikkelingen. Neemt
de Staatssecretaris bovendien de opvatting van het EHRM serieus dat een toets van
een deskundige belangrijk kan zijn bij het wijzigen van de geslachtsregistratie?
Voorzitter. De relatie tussen een moeder en haar ongeboren kind is bijzonder, maar
kan ook bijzonder kwetsbaar zijn. Dat blijkt in ieder geval juridisch zo te zijn.
Lisette ten Haaf van de Universiteit Utrecht laat heel helder zien in een uitgebreid
artikel in Ars Aequi, het favoriete blad van mijn collega Sneller, dat de wetgever
de belangen van moeder en kind onvoldoende beschermt. Daardoor ontstaat binnen de
jurisprudentie inconsistentie en dus rechtsongelijkheid voor zowel de moeder als het
ongeboren kind. Te denken valt bijvoorbeeld aan de ondertoezichtstelling van een ongeboren
kind of de situatie van een gedwongen keizersnede, waarbij ook het strafrecht hapert.
Het doden van een levensvatbare foetus valt bijvoorbeeld wel binnen het bereik van
het strafrecht, maar ernstige mishandeling niet. Dat roept fundamentele vragen op,
die niet allemaal aan de rechtspraak overgelaten kunnen worden. Dat is ook de strekking
van het genoemde artikel. Wil de Staatssecretaris deze thematiek onderzoeken en verkennen
hoe de wetgever meer duidelijkheid en daarmee rechtszekerheid kan bieden aan moeder
en kind?
Voorzitter. Mijn laatste punt. Het is al eerder aangehaald door collega’s: de wetenschapstoets
voor draagmoederschap geeft veel reden tot nadere bezinning, bijvoorbeeld over het
risico op misstanden. En daar ligt mijn vraag: kan de Staatssecretaris aangeven of
zij de nationaal coördinator bestrijding van geweld tegen vrouwen en de Nationaal
Rapporteur Mensenhandel om een advies wil vragen?
Dank u wel, voorzitter.
De voorzitter:
Dank, meneer Diederik van Dijk. U heeft een paar vragen, te beginnen bij mevrouw Mutluer
van GroenLinks-PvdA.
Mevrouw Mutluer (GroenLinks-PvdA):
Ik zeg dit met alle respect, want ik heb weleens tegenover collega Diederik van Dijk
gestaan waarbij ik andere bewoordingen gebruikte en hij dat toch wel zwaar opnam,
en daar wil ik niet naartoe. Aan de andere kant: als we het hebben over het naamrecht
en het vetorecht van de man, had ik gehoopt, als het gaat om de dubbele geslachtsnaam,
dat de SGP een andere bijdrage had willen of kunnen leveren. Want gaat mijn collega
door zijn bijdrage niet voorbij aan al die gevoelens van vrouwen die zeggen dat dit
niet rechtvaardig is? Gaat hij niet voorbij aan al die vrouwen die zeggen: «Ik zit
in een toxische relatie waarin sprake is van intieme terreur. Dat naamrecht, dat vetorecht,
die toestemming wordt misbruikt voor doeleinden waar ik last van heb en waar mijn
kind last van heeft. En ik wil met gezag aan mijn kind ook míjn geschiedenis en míjn
naam doorgeven.»? Ik wil dat u daarop reageert.
De heer Diederik van Dijk (SGP):
Dank voor deze vraag. Een hele nette vraag; ik val niet ondersteboven. Dus dank voor
alle compassie die ik hier proef. Nee, in alle ernst: een goede vraag. Waar ik in
mijn bijdrage vooral de vinger op heb gelegd en waar ik ook serieus op wacht, is een
serieuze reflectie op de verhouding tussen het algemeen belang en orde, waarvoor een
overheid verantwoordelijk is, en de andere kant van allerlei individuele behoeften.
Kijk, mevrouw Mutluer noemt een aantal hele pijnlijke situaties. Daarbij alle medewerking
om die vrouwen te helpen. Als je dan af wil van een hele ellendige geschiedenis en
van de achternaam van je man: alle begrip. Maar dat kan allemaal. Wat ik daartegenover
zet, is het voorstel van nu gewoon iedereen die daar eventueel behoefte aan heeft,
de mogelijkheid geven tot een nieuwe achternaam. Nou, dat vind ik typisch een voorbeeld
van iets waar we volledig in doorslaan. Daar wil ik graag een nadere reflectie op
hebben.
De voorzitter:
Mevrouw Mutluer is door haar vragen heen; dit ter geruststelling misschien. Dat brengt
ons bij de heer Sneller voor zijn vraag.
De heer Sneller (D66):
Ik denk dat dit ook komt, zo zeg ik tegen collega Van Dijk, doordat hij zelf begint
over «cafetaria» en die vergelijking gewoon iets te ver doortrekt als hij begint over
«uitjes» als het gaat over kwesties zoals onderhavige en de diepgevoelde wensen van
sommige mensen op dit soort punten. Ik denk dus dat dat een deel van de achtergrond
is, en ik denk dat hij dat ook wel snapt. Tegen die achtergrond heb ik twee vragen,
ten eerste over het kunnen wijzigen van die achternaam. Als ik de woorden van de vorige
Staatssecretaris daarover lees, zie ik dat het bijvoorbeeld ook tegen de achtergrond
van de invoering van het bsn als identificerend iets is. Ik bedoel dat er dus op een
andere manier tegemoet wordt gekomen aan de behoefte, die de heer Van Dijk denk ik
terecht neerlegt, om ook orde, structuur en herleidbaarheid vast te leggen. In welke
mate kan hij die redenering van de Staatssecretaris volgen?
De heer Diederik van Dijk (SGP):
Dank voor deze vraag. Zo komen we toch echt wel verder. Kijk, in mijn korte spreektijd
heb ik natuurlijk ook woorden gebruikt om een klein beetje te prikkelen: «Schieten
we niet een beetje door? Waartoe dient een naam? In hoeverre moet dit zijn gebaseerd
op een individuele behoefte? Zit er niet ook een andere kant aan?» Van het rapport
dat eronder ligt – dat is van Andersson, zeg ik uit mijn hoofd – was ik niet erg onder
de indruk, maar er stond één ding in waar ik het van harte mee eens ben en waarmee
ik volgens mij ook uw vraag beantwoord. Het rapport suggereert inderdaad een algemeen
recht voor iedereen op een eenmalige wijziging van de achternaam, maar – die aanbeveling
heb ik niet meer teruggezien – zegt ook: ontwikkel eerst een visie op de functies
van achternamen. Dat staat op pagina 44. Die hele tussenstap is overgeslagen door
het demissionaire kabinet. Daar zit mijn punt. Waar zijn we nou precies mee bezig?
Hoe kijken we naar achternamen? Zoals de heer Sneller zegt: het bsn relativeert in
zekere zin de positie van de achternaam wat, maar in hoeverre? Het lijkt me echt wel
goed om daar eens wat dieper over te debatteren, en dan krijg ik graag eerst een goede
visie daarop van het kabinet.
De heer Sneller (D66):
Maar dan is er in ieder geval openheid om die relativering eventueel door te voeren.
Zo hoor ik in ieder geval het antwoord van collega Van Dijk. Dat is mooi.
De andere vraag die ik had, is deze. Tussen neus en lippen door zei de heer Van Dijk
dat er een wetsvoorstel was dat gebaseerd was op ... Ik heb het niet helemaal goed
genoteerd, maar ik geloof dat het neerkwam op «een flutpeiling» of in ieder geval
op een peiling die niet zo goed was. In dat opzicht vroeg ik mij af hoe het zit met
de feitelijke onderbouwing. We hebben van Rutgers, het expertisecentrum seksualiteit,
het rapport Kiezen voor een «X». Ik noemde die cijfers in mijn eigen bijdrage. Ik
vroeg me af hoe de heer Van Dijk kijkt naar die aantallen. Plaatst hij daar ook vraagtekens
bij of onderschrijft hij die wel?
De heer Diederik van Dijk (SGP):
De heer Sneller noemde die aantallen en ik heb geen reden om aan te nemen dat de heer
Sneller ons iets anders voorstelt dan de werkelijkheid, dus daar wil ik best in meegaan.
Voor mij is het wel heel belangrijk dat zo’n document iets objectiveerbaars heeft.
Als je een persoon voor je hebt staan, moet je weten dat het een man is als het een
man is en dat het een vrouw is als het een vrouw is et cetera. Het zit voor mij veel
meer op dat punt, eigenlijk nog ongeacht de aantallen waar het over gaat.
De voorzitter:
Uw laatste interruptie.
De heer Sneller (D66):
Dat snap ik. De «et cetera» is dan denk ik de x, als ik de heer Van Dijk even mag
helpen. Het is vooral belangrijk dat we wel over dezelfde feitenbasis praten. Blijkbaar
is er in het verleden een onderzoek geweest waarvan de heer Van Dijk nu zegt: dat
was eigenlijk een onvoldragen onderzoek en ik betwist de cijfermatige onderbouwing.
Het is, denk ik, wel goed om in deze fase, voordat we dat hele traject zo meteen weer
ingaan, even vast te stellen dat de heer Van Dijk zegt: ik heb geen reden om te twijfelen
aan de cijfermatige onderbouwing.
De heer Diederik van Dijk (SGP):
Helder. Ik kan meteen een klein misverstand oplossen. Het onderzoek waar ik net naar
verwees, ging over de dubbele geslachtsnaam. Dat was echt een rammelend onderzoek.
We moeten altijd goed opletten. Deugen de cijfers? Zijn de mensen die worden geïnterviewd
representatief? Welke organisaties inspreken maakt ook nog erg veel uit. Daar begint
het: het begint bij de feiten. Daar wil ik ook altijd graag op aanspreekbaar zijn.
De voorzitter:
Zeker. Dank, meneer Diederik van Dijk. Dan gaan we naar mevrouw Bikker van de ChristenUnie.
Gaat uw gang.
Mevrouw Bikker (ChristenUnie):
Voorzitter, dank u wel. Het rapport Schade door schande confronteert ons met een pijnlijk
verleden, waarin moeders en kinderen ernstig tekort zijn gedaan. Moeders moesten zonder
wettelijke basis verklaringen tekenen om afstand te doen van hun kinderen en dat heeft
hen en hun kinderen ernstig beschadigd. Ik was diep onder de indruk toen ik las wat
vrouwen ervaren hebben in die tijd. Dat de overheid haar rol erkent, is belangrijk
en noodzakelijk. De aangekondigde excuses zijn daarom een goede zaak, maar voor de
ChristenUnie geldt ook dat erkenning niet mag blijven steken in woorden alleen. Kan
de Staatssecretaris toelichten wat zij verstaat onder «zorgvuldige excuses», welke
invloed getroffenen daadwerkelijk hebben op de inhoud en vorm daarvan en welke concrete
stappen van herstel en nazorg het kabinet voor zich ziet?
Dan interlandelijke adoptie. Die wordt afgebouwd. Het is glashelder dat in het verleden
veel is misgegaan. Tegelijkertijd wil ik vandaag ook met waardering spreken over de
situaties waarin het wel goed ging en waarin het wel goed gaat, want naast de pijnlijke
gevallen ken ik zeker ook gelukkige gezinnen, waarin zowel ouders als adoptiekinderen
diepe verbondenheid ervaren en met dankbaarheid terugkijken op de totstandkoming van
de familieband via adoptie.
Maar voor nu, in dit debat, zoom ik in op de misstanden. Recent nog erkende het gerechtshof
Amsterdam namelijk, in de casus-Butink – NRC schreef er uitgebreid over – dat er ernstige
misstanden waren en dat zowel de Staat als bemiddelingsorganisaties daarvan op de
hoogte waren, maar dat toch niet onrechtmatig gehandeld is. Dit is de eerste geadopteerde
die de Staat op deze wijze aansprakelijk heeft gesteld. Maar ondanks dat de rechter
ernstige misstanden constateert en ondanks de kritische beschouwing van de commissie-Joustra
en de excuses van de overheid, staat deze gedupeerde met lege handen. Hoe beschouwt
en rijmt de Staatssecretaris het dat er enerzijds sprake is van vastgestelde misstanden
en excuses, maar er anderzijds geen herstel is van overheidswege?
Tot slot vraag ik het volgende. Welke lessen trekt het kabinet uit het verleden voor
het huidige beleid en mogelijk nieuwe initiatieven? Onderstreept dit niet eens te
meer dat we, voor zover mogelijk, echt moeten kijken hoe kinderen bij hun biologische
ouders kunnen blijven, en anders kunnen opgroeien in de buurt van de omgeving waar
ze geboren zijn?
Als je de casus bestudeert die ik eerder aanhaalde, lees je over een kind dat haar
biologische moeder nog altijd niet gevonden heeft. Je leest ook over frauduleuze adoptie
doordrenkt van commercie, waarbij lokale tussenpersonen in het land van herkomst letterlijk
per kind werden betaald, en over kinderen die afkomstig waren van alleenstaande moeders
met weinig geld, in de context van wijdverbreide corruptie. De commissie-Joustra schrijft
in de context van Sri Lanka bovendien over babyfarms en kinderhandel. Alles wat je
niet wilde, gebeurde daar. Nu schrijft Joustra dat structurele en systematische misstanden
terug te voeren zijn op het ontstaan van een adoptiemarkt en het tot een verhandelbaar
goed maken van kinderen, met inbegrip van markttermen als «vraag en aanbod», «kanalen»,
«tussenpersonen» en «vergunningen».
Joustra waarschuwt in dit verband voor dezelfde mechanismen als het gaat om draagmoederschap.
Ondertussen ligt er een wetsvoorstel dat toch deze weg opgaat. Wetenschappers zijn
glashelder: internationaal draagmoederschap geeft grote kans op misstanden. Nationaal
zijn er enorm veel haken en ogen. We mogen daar niet naïef over zijn en we kunnen
het niet nog een keer zo mis laten gaan. De ChristenUnie is helder: wij zien het wetsvoorstel
over draagmoederschap als een heilloze weg. Die kant moeten we niet op. Het rammelt
ook inhoudelijk. Daarom heb ik de volgende indringende oproep aan het kabinet. Ga
niet door met dit wetsvoorstel. Trek het terug. Dit onzalige pad verder uitlopen zou
een minderheidskabinet, dat nog op allerlei fronten in de Kamer zaken hoopt te doen,
ook echt niet moeten willen. Stop nu het kan en luister goed naar de indringende waarschuwingen.
Voorzitter. Mijn collega Sneller sprak goede woorden over het omgaan met complexe
scheidingen. Ik sluit me daarbij aan en sla dus, kortheidshalve vanwege de tijd, de
vragen over die ik daarover wilde stellen, behalve de vraag wat de ambitie van het
kabinet is op dit punt in de komende vier jaar. Dat wil ik wel weten.
Ten aanzien van de Transgenderwet is hier al veel gewisseld. Ik constateer dat de
wet is ingetrokken. Dan moet je niet opnieuw hetzelfde proces op die manier ingaan.
Natuurlijk moeten we kijken naar de bevindingen, ook die van de afgelopen jaren, van
wat transgender mensen in Nederland meemaken.
O, mijn microfoon viel uit. De voorzitter is me zat! Daar hebben we het later over.
Wat mijn fractie betreft is de wet nu ingetrokken en blijft dat zo.
De voorzitter:
Sorry, ik drukte u inderdaad even weg. Ik was de knoppen aan het uitproberen.
(Hilariteit)
De voorzitter:
Maar eerlijk is eerlijk, u was ook al over uw tijd! Het was dus eigenlijk wel het
goede moment om dat soort dingen even te testen. Maar zeer bedankt voor uw bijdrage,
mevrouw Bikker. Dat brengt ons bij de laatste spreker van vandaag. Dat is de heer
Clemminck namens JA21. Gaat uw gang.
De heer Clemminck (JA21):
Dank u wel, voorzitter. Mevrouw Bikker heeft gelijk dat er bij interstatelijke adoptie
helaas veel mis is gegaan, maar dat er inderdaad ook wel mooie, nieuwe verbanden zijn
gecreëerd.
Voorzitter. Dank aan de commissie dat ik vandaag mag deelnemen als woordvoerder Emancipatie
van JA21. Ik zal in mijn betoog dus ook vooral de focus leggen op deze onderdelen.
Maar eerst over Insiya. Zij werd tien jaar geleden uit Nederland ontvoerd en is illegaal
in India zonder haar moeder. Dat is de situatie van Insiya, de dochter van Nadia.
Ik spreek deze tekst namens mijn collega Ingrid Coenradie, die hier intensief mee
bezig is. Ze heeft gesproken met de Indiase ambassadeur en met Minister Berendsen,
maar een concreet antwoord op de vraag wat Nederland gaat doen, blijft uit. Blijkbaar
is het ontvoeren naar en vasthouden in een ander land iets wat we gedogen en ontbreekt
het iedereen aan doorzettingsmacht. Dit kan toch niet? Alle jurisprudentie en moties
ten spijt zijn we nog geen steek verder. Wat heeft het kabinet nodig om grote stappen
vooruit te zetten om het contact tussen moeder en dochter op z’n minst weer te herstellen,
om gehoor te geven aan het recht en niet toe te geven aan misdaad? Wat gaat het kabinet
wanneer doen? Wat zijn de te nemen stappen? Wanneer kunnen we concreet beweging zien?
Alle diplomatie is nu wel een keer voorbij. Is het kabinet bereid om deze kwestie
op Europees niveau op het hoogste punt van de agenda te zetten?
Voorzitter. Dan over de Transgenderwet en de procedure voor de wijziging van de geslachtsregistratie.
In 2014 is de koppeling tussen biologisch feitelijk geslacht en de registratie bij
de overheid losgelaten. De term «geslacht» op bijvoorbeeld je paspoort moet eigenlijk
«genderidentiteit» zijn. Mijn partij is kritisch op dit loskoppelen van het feitelijke
geslacht en de geslachtsregistratie bij de overheid. Maar laat ik helder zijn: sociale
acceptatie van transgenders is voor ons nooit, nooit een vraagstuk geweest. Genderdysforie
bestaat, transgenders bestaan. Het zijn onze buurtgenoten, collega’s op het werk,
familieleden. Acceptatie is minimaal een kwestie van goed fatsoen. Transgenders zijn
volwaardige burgers van ons land, met alle rechten en plichten die daarbij horen.
Voorzitter. Dat betekent dat er ook een procedure is om je geslachtsregistratie aan
te passen. En die procedure ís er. In mijn gesprekken met de gemeenschap hoor ik nadrukkelijk
de wens om hier aanpassingen aan te doen. De regering is voornemens een wetsvoorstel
daarvoor in te dienen. Kan de Staatssecretaris aangeven wat de tijdlijn gaat worden?
Wanneer kunnen wij het wetsvoorstel verwachten? Kan de Staatssecretaris aangeven dat
dit wetsvoorstel in grote lijnen hetzelfde blijft als het ingetrokken wetsvoorstel?
Die laatste vraag heeft ook te maken met een passage uit het coalitieakkoord waarin
staat: «Het Regenboogakkoord is hiervoor de basis. Wij voeren dit akkoord zorgvuldig
uit met wetgeving en beleid.» Maar als ik dan het Regenboogakkoord ga lezen, staat
er weer: het CDA neemt dit wetsvoorstel zorgvuldig in overweging. Kan de Staatssecretaris
verhelderen welke politieke afspraken zijn gemaakt binnen de coalitie dan wel binnen
het kabinet? Voor mijn fractie is een balans tussen toegankelijkheid en zorgvuldigheid
in de wijzigingsprocedure van groot belang. Voor de burgers moet de procedure helder,
begrijpelijk en ook te doen zijn. Tegelijkertijd gaat het niet even om het wijzigen
van een adres. De overheid heeft ook een verantwoordelijkheid om dit proces zorgvuldig
in te richten. Burgers moeten goed weten wat de procedure inhoudt, wat de gevolgen
zijn en er moet vastgesteld worden dat het een duurzame wens betreft. Is voor de Staatssecretaris
het vaststellen van de duurzame wens een belangrijk onderdeel van een zorgvuldig proces?
Welke elementen bevat dit dan volgens de Staatssecretaris? Daarnaast heeft de Staat
ook een verantwoordelijkheid voor de mogelijke consequenties van een wijziging van
de geslachtsregistratie, bijvoorbeeld als het gaat om de veiligheid en toegang tot
het buitenland. Dat geldt zeker in het bijzonder voor de toevoeging van x.
Ik rond af, voorzitter. Een kritische blik zal mijn fractie ook hebben ten aanzien
van de wijzigingsprocedure geslachtsregistratie voor kinderen onder de 16 jaar. Dat
is nu nog niet mogelijk, maar in het ingetrokken wetsvoorstel werd hier wel een procedure
voor voorzien, namelijk via de rechter. Hoe kijkt de Staatssecretaris aan tegen deze
jonge leeftijd als het gaat om de wijziging van de geslachtsregistratie in relatie
tot de zorgplicht van de overheid, dus met betrekking tot goed begrip, het goed kunnen
overzien van de consequenties en een duurzame wil?
Voorzitter, dank u wel. Tot zover.
De voorzitter:
Zeer bedankt. Ik zie een vraag van de SGP. De heer Diederik van Dijk.
De heer Diederik van Dijk (SGP):
Een vraag aan de heer Clemminck. Hij maakte een paar opmerkingen over de Transgenderwet
en de nieuwe versie die wordt verwacht. Hij maakte daarbij ook een paar opmerkingen
over dat het van belang is dat je op een respectvolle manier met transgender personen
et cetera omgaat. Daar ben ik het honderd procent mee eens. Elk mens is gelijk, gelijkwaardig.
Daar is geen discussie over. Maar het pijnpunt in het wetsvoorstel was juist dat dit
ook jongeren raakt, zonder enige tussenkomst van een deskundige. Internationaal is
er ook heel veel gebeurd. Er zijn steeds meer waarschuwingen, ook van gerenommeerde
medici en wetenschappers: kijk uit, ga nou niet te snel mee in de transitie, want
het gaat meestal vanzelf over; pas op om erin mee te gaan, want je komt in een proces
waarvan soms het einde niet is te overzien. Die voorzichtigheid ... Niemand wil hier
mensen kwetsen; de SGP in ieder geval ook niet. Maar wat is nou werkelijk in het belang
van juist ook jongeren? Neemt de heer Clemminck dat ook mee in zijn pleidooi richting
dit kabinet?
De heer Clemminck (JA21):
Zeker. Ik ben blij met de opmerking van de collega van de SGP. Mijn zorg zit namelijk
ook op het volgende punt. We zagen een paar dagen geleden de uitkomst dat er een enorme
toename is van de discriminatie van transgenders in Nederland. Dat is wat mij betreft
echt een zorgpunt, dus ik ben ook blij met deze woorden van de collega van de SGP.
Ik vraag om een zorgvuldig wetsproces en ik vraag om een procedure die aan de ene
kant wel toegankelijkheid voor transgenders in Nederland borgt en tegelijkertijd zorgvuldig
is. Mijn voornaamste kritische blik zal inderdaad gaan over de leeftijdsbepaling die
in ieder geval in het ingetrokken wetsvoorstel zat en wellicht in het nieuwe wetsvoorstel
zal zitten. Dan denk ik bijvoorbeeld ook aan het verbod op de conversietherapie, waar
JA21 ook voorgestemd heeft. Daarbij hebben we de scheiding gemaakt tussen minderjarigen
en volwassenen. Vanuit die blik kan ik t.z.t. ook kijken naar een nieuw wetsvoorstel
op dit gebied.
De voorzitter:
Tot zover de eerste bijdrage vanuit de Kamer. Ik kijk even naar de Staatssecretaris.
Op welke termijn denkt zij de antwoorden gereed te hebben? Een halfuurtje? Zullen
wij zeggen dat wij hier stipt om 15.30 uur weer vertrekken? Ja. Dan doen we dat. Dank
u wel. Dan schors ik tot dan deze vergadering.
De vergadering wordt van 14.58 uur tot 15.32 uur geschorst.
De voorzitter:
Ik heropen de vergadering van de vaste commissie. Wij gaan door met de beantwoording
van de vragen die in de eerste ronde door de Kamerleden zijn gesteld. Het lid Kostić
heeft mij gemeld dat ze heel even naar een andere vergadering moet, dus zij is een
halfuurtje elders, maar ze heeft haar spullen hier laten liggen, ter bevestiging van
haar terugkeer. Wij gaan luisteren naar de Staatssecretaris.
Staatssecretaris Van Bruggen:
Voorzitter, dank u wel. Dat is meteen even schakelen, want in mijn eerste mapje zitten
de vragen over gender. Zal ik dat dan maar meteen omkeren?
De voorzitter:
Dat is wel sympathiek, denk ik.
Staatssecretaris Van Bruggen:
Dat ga ik doen dan. Ik heb voldoende mapjes om het ergens tussen te schuiven.
Vandaag spreek ik voor het eerst met u over het personen- en familierecht. In aanloop
naar dit debat heb ik gemerkt, voor zover ik dat niet al wist, dat dit iedereen raakt.
Dit raakt iedereen op enig moment in zijn leven, of je het nu wilt of niet. Het heeft
hele mooie, maar ook ingewikkelde en moeilijke kanten. Ik kan u vertellen dat mijn
week begon met een telefoontje naar Frans en Ellen. Dat was een langverwacht telefoontje,
waarin excuses van het kabinet werden aangeboden aan de afstandsmoeders en de afgestanen.
De manier waarop we dat gesprek met elkaar voerden, over de manier waarop wij als
kabinet proberen om zo veel mogelijk tegemoet te komen aan wat nodig is op dit moment
en de manier waarop we dit de komende maanden verder met elkaar gaan invullen, heeft
diepe indruk op mij gemaakt; het was ontzettend persoonlijk. Daar wil ik dus mee beginnen.
Grote dank daarvoor, want zo’n proces duurt lang en het moet zorgvuldig gebeuren,
maar we zitten allemaal op dezelfde pagina wat dat betreft.
In het verlengde daarvan kan ik het volgende zeggen. Dit is mijn zesde week, maar
vóór mij hebben heel veel mensen ontzettend veel werk verricht en gevochten voor het
moment waar we nu zijn, niet in de laatste plaats enkele Kamerleden. Daar wil ik ook
mijn dank en respect voor uitspreken, want daardoor is dit onderwerp boven op mijn
stapel terechtgekomen.
Goed. Er zijn meer onderwerpen waar we het vandaag met elkaar over gaan hebben. Je
afkomst is allesbepalend voor wie je bent, dus informatie daarover is belangrijk.
Daarnaast gaat het personen- en familierecht ook over familiebanden en levensgebeurtenissen,
zoals het ontstaan van gezinnen, in de verschillende vormen die er vandaag de dag
bestaan, maar ook het uiteenvallen daarvan. Dat zijn levensgebeurtenissen met veel
impact op ouders en kinderen. Er zijn de afgelopen jaren veel ontwikkelingen geweest
in het personen- en familierecht. Het is geen rustige periode geweest. Soms is dat
noodzakelijk, omdat je dingen in de wet moet vastleggen. Soms zijn het besluiten waarvan
we nu zeggen: kijk daar nog eens goed naar. Interlandelijke adoptie wordt bijvoorbeeld
afgebouwd. Er ligt een indringend rapport van de commissie-De Winter over binnenlandse
adoptie en afstand. Over al deze onderwerpen spreek ik u vandaag, evenals over andere
ontwikkelingen, zoals het naamrecht, waar ook vragen over gesteld zijn, en de aanpak
van complexe scheidingen.
Ik zal ingaan op de vragen die door de Kamer zijn gesteld. Ik heb daar maar liefst
tien mapjes voor. Ik zal de onderwerpen noemen, zodat u weet wanneer uw vraag ongeveer
beantwoord gaat worden. Ik begin dus niet met gender, maar met binnenlandse afstand
en adoptie. Dan ga ik naar het wetsvoorstel Afbouw interlandelijke adoptie, de adoptiedossiers,
gender, het naamrecht, de complexe scheidingen, de internationale kinderontvoeringen,
het draagmoederschap en nog twee overige vragen.
De voorzitter:
Dan tel ik er negen, maar ik begrijp nu dat er twee blokjes overig zijn, of één blokje
overig met daarin twee vragen. Heel goed. Ik telde er negen, maar ik schreef heel
snel mee, dus het zullen er tien zijn. Genoeg te doen, in ieder geval.
Staatssecretaris Van Bruggen:
Ja, genoeg te bespreken. Ik begin met binnenlandse afstand en adoptie. Daarover is
een vraag gesteld door mevrouw Mutluer van PRO. Zij stelde voorop dat het een mijlpaal
is dat excuses zijn aangeboden en vroeg: bent u bereid om te komen met concrete maatregelen,
ook gericht op het inzien van dossiers en het zoeken naar familie, om nieuwe misstanden
te voorkomen? Ja, dat ben ik. Na ontvangst van het rapport Schade door schande hebben
gesprekken plaatsgevonden met een aantal getroffenen, onder meer over de behoefte
aan maatregelen die kunnen bijdragen aan erkenning en herstel. Die behoeften zijn
zeer uiteenlopend. Dat moet ik ook zeggen. Ik kan daar waarschijnlijk niet volledig
aan tegemoetkomen. Daar moeten we het ook met elkaar over hebben. Er moeten wel keuzes
gemaakt worden. Ik begrijp dat de getroffenen heel graag duidelijkheid willen en ik
wil ook tot een zorgvuldig besluitvormingsproces komen. Ik zal uw Kamer voor de zomer
nader informeren over de resultaten van het reflectietraject, de opvolging van de
aanbevelingen en de verdere maatregelen. Ik doe dat de komende periode samen met die
getroffenen, zodat we ook daadwerkelijk bijdragen aan het herstel.
Dan de vraag van mevrouw Wendel: wanneer ontvangt de Kamer de uitkomsten van de reflectie
op de gebeurtenissen rondom afstand en adoptie? Zoals ik zei, komt er voor de zomer
een brief naar uw Kamer. Daar zal ik ook die uitkomsten van de reflectiebijeenkomst
in meenemen.
Dan ga ik naar binnenlandse afstand en adoptie. Mevrouw Straatman vroeg hoe de afstandsmoeders
en afgestanen bij het proces richting excuses betrokken worden. Zoals ik u net al
zei, wil ik dat graag zorgvuldig doen. Ik doe dat ook heel graag samen. Over herstelmaatregelen
hebben we nog een gesprek te voeren met elkaar: «Wat is toereikend? Wat is haalbaar?
Hoe komen we nader tot elkaar?» We hebben wel met elkaar afgesproken dat dit allemaal
voor de zomer plaatsvindt. Ik voel ook een grote urgentie om dit goed en zorgvuldig,
maar ook snel met elkaar op te lossen. Ik heb ook een enorme bereidheid gevoeld bij
de getroffenen om dat gesprek met ons te blijven voeren, zeker ook als het gaat over
hoe je excuses maakt. De waarheid kan ik natuurlijk niet alleen maar zelf verzinnen.
Het gaat er ook om hoe excuses ontvangen worden, welke woorden echt iets betekenen
en hoe we die betekenis er voldoende aan kunnen toevoegen. Daar ben ik en daar ga
ik de komende maanden met de getroffenen over in gesprek.
Dan de vraag van mevrouw Straatman over het gebruik van de afstandsverklaringen. Dat
is een belangrijk onderwerp, waar volgens mij een aantal van u een vraag over gesteld
hebben. Het is onderdeel van het protocol Afstand ter adoptie. In dit protocol zijn
de samenwerkingsafspraken vastgelegd tussen alle organisaties die op dit terrein werken.
Naar aanleiding van het rapport van commissie-De Winter is per begin 2026 besloten
om de term «afstandsverklaring» te wijzigen in «verzoek tot voortzetten van de afstandsprocedure».
Met het ondertekenen van dit document verzoekt een moeder instanties om de afstandsprocedure
voort te zetten. Het document had en heeft echter geen juridische status. Ik begrijp
dat überhaupt het ondertekenen van een document echt als heel vervelend of zelfs heel
dwingend kan worden ervaren, terwijl dat juist niet de bedoeling is. De Raad voor
de Kinderbescherming gaat daarom samen met de andere protocolpartners op zoek naar
alternatieven voor het gebruik van een document en het zetten van een handtekening.
Ik vind dit een goede ontwikkeling. Ik denk dat het passend en verstandig is.
Mevrouw Straatman (CDA):
Goed dat daar onderzoek naar wordt gedaan en verder naar gekeken wordt. Tegelijkertijd
zou ik ervoor willen waken dat we het beestje dadelijk een andere naam gaan geven
en het vervolgens precies dezelfde impact heeft, want als ik de antwoorden op de Kamervragen
lees, dan erkent de Staatssecretaris ook dat de handtekening een louter symbolische
waarde heeft, terwijl het wel een veel meer dan symbolische impact heeft. Het heeft
geen enkele juridische betekenis, maar het vergt wel iets om daar later van terug
te komen, zeker als iemand de Nederlandse taal of de Nederlandse gebruiken veel minder
machtig is. Zou de Staatssecretaris dus in die gesprekken, ook met de Raad voor de
Kinderbescherming, willen meenemen dat het niet alleen om het veranderen van de naam
gaat, maar dat we eigenlijk zouden moeten stoppen met het hele gebruik van zo’n document
of het wettelijk moeten inregelen? Het is een van beide.
Staatssecretaris Van Bruggen:
Ja, dat klopt. Dat is ook precies het gesprek dat ik voer met de Raad voor de Kinderbescherming.
Zij voeren dat gesprek ook weer met hun partners. Dan gaat het over het zoeken naar
alternatieven voor überhaupt het gebruik van het document en het zetten van de handtekening.
Dan een vraag van mevrouw Bikker die eigenlijk in het verlengde ligt van de voorgaande
vragen: wat is dan het zorgvuldige proces naar de excuses die voor de zomer gemaakt
worden? Zoals ik net zei, ben ik daar natuurlijk heel graag over in gesprek met de
getroffenen, over wie we eerder ook al het gesprek hebben gevoerd, en de belangenorganisaties
die opkomen voor de belangen van de getroffenen. We zoeken naar hoe je zo veel mogelijk
tegemoet kunt komen aan wat nodig is om de excuses te laten landen in de woorden die
daar het beste bij passen. Dat is een opmaat naar de zomer. Ik zal u daar voor de
zomer over informeren, zeker ook in lijn met de herstelmaatregelen.
Mevrouw Bikker (ChristenUnie):
Ik ben blij met die toezegging. Dank daarvoor. Het is heel goed dat de Staatssecretaris
dat zo doet. Kan zij nog iets meer zeggen over hoe zij, richting de zomer, de getroffenen
zelf hierbij betrekt en welke invloed zij hebben op de inhoud en de vorm?
Staatssecretaris Van Bruggen:
We zijn nu in overleg en willen het gesprek voeren over herstelmaatregelen en wat
een tegemoetkoming kan zijn die nu nodig is en ook voor toekomstige generaties. Het
intergenerationele gedeelte heeft namelijk ook schade veroorzaakt. Denk aan dossierinzage,
psychosociale ondersteuning, DNA-kits en de belangrijke aspecten die in eerdere fasen
zijn genoemd door deze groep getroffenen. Wij moeten goed beoordelen en kunnen kijken
wat haalbaar en betaalbaar is. Voor ons is dat natuurlijk een belangrijke afweging.
Tegelijkertijd mag die nooit leidend zijn. Dat wil ik ten eerste zeggen over de herstelmaatregelen.
In tweede instantie, misschien ook wel voorafgaand daaraan, vraag ik mij af welke
woorden we samen waardevol genoeg vinden op het moment dat we excuses aanbieden. Dat
doe ik graag met de collega van VWS, mevrouw Hermans. Dat heeft u ook gezien. Zij
heeft met mij en de getroffenen een gesprek gevoerd en is hier nauw bij betrokken
geweest in de afgelopen anderhalve week, waarin dit allemaal op een snelle en zorgvuldige
manier heeft plaatsgevonden. Dat zal ook het geval zijn in het vervolg, bij het goed
en juist kiezen van de woorden die nodig zijn om echt tegemoet te komen aan wat excuses
voor deze groep betekenen.
De voorzitter:
U kunt vervolgen.
Staatssecretaris Van Bruggen:
Dan had ik nog een vraag van mevrouw Straatman over de groep vrouwen die als arbeidsmigranten
in Nederland werken. Zij vroeg of ik die groep goed genoeg in beeld heb en of ik signalen
ontvang over zorgen die we over deze groep hebben. De signalen over de groep vrouwen
zijn bij mij bekend. Helaas bestaan er geen snelle en makkelijke oplossingen. Het
kabinet moet en wil hier juist in de breedte heel goed naar kijken. De Ministeries
van JenV, van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en van VWS zijn hierover al met elkaar
in contact en zijn ook in gesprek met veldpartijen. Samen zijn wij aan het verkennen
wat er nodig is om bestaande hulp en ondersteuning beter te laten aansluiten bij de
behoeften van de zwangere arbeidsmigrant. Wat gebeurt er dan heel feitelijk? Fiom
biedt informatie over keuzeopties en biedt in Nederland ondersteuning in diverse talen.
Er worden tolken ingeschakeld bij keuzehulptrajecten. Fiom heeft speciaal voor arbeidsmigranten
een routekaart ontwikkeld, waarin de keuzeopties, ondersteuning en hun rechten worden
toegelicht. Daarnaast organiseerde Fiom onlangs voor de hulpverleners en contactpersonen
van arbeidsmigranten bij stichting Barka een kennissessie over onbedoelde zwangerschap.
Dan ben ik door het eerste blokje over binnenlandse afstand en adoptie heen. Ik ga
naar het tweede blokje. Dat gaat over het wetsvoorstel Afbouw adoptie.
De voorzitter:
Voordat u dat doet, heeft u nog een vraag van mevrouw Straatman.
Mevrouw Straatman (CDA):
Ik heb een vraag over het punt van de arbeidsmigranten. Ik ben bekend met de verschillende
routes die Fiom heeft. Tegelijkertijd was het ook Fiom die de noodklok luidde in het
NRC-artikel over arbeidsmigranten. Zij zeiden dat zij de situatie eigenlijk onvoldoende
in beeld hebben en dat er een situatie dreigt die we uit het verleden kennen en zeker
nooit meer willen laten voorkomen. Wat kunnen we dus meer doen dan we nu doen? En
moeten we daar geen spoed mee maken? We hebben immers uit het verleden geleerd wat
voor ellende dat met zich meebrengt.
Staatssecretaris Van Bruggen:
Het is absoluut terecht dat u hier nog even extra de vinger bij legt. Het gaat erom
dat we in de breedte kijken naar de omstandigheden van arbeidsmigranten. Als die omstandigheden
zo penibel zijn dat zwangere vrouwen zich op een of andere manier onder druk gezet
voelen om hun kinderen af te staan, dan is dat een uitvloeisel van het feit dat we
het in beginsel al onvoldoende goed geregeld hebben voor arbeidsmigranten. Dat is
het gesprek dat we voeren met Sociale Zaken en met VWS. Tegelijkertijd is het mijn
rol om juist daar aan tafel te zeggen: «Doordat al die omstandigheden niet goed geregeld
zijn, komen deze vrouwen in precies dezelfde situatie terecht. Daardoor krijgen we
een herhaling van zetten ten opzichte van het verleden.» Dit onderwerp moeten we dus
zeker daar aan tafel constant bespreekbaar maken. Ik kan niet veel meer doen dan de
maatregelen bij Fiom die ik nu net noem. Weet wel, om u gerust te stellen, dat dit
een onderwerp is dat mijn aandacht heeft aan die tafel met VWS en SZW. Het is namelijk
juist belangrijk om zo’n kwetsbare groep, binnen een kwetsbare groep van arbeidsmigranten,
extra goed in de gaten te houden.
De voorzitter:
Vervolgt u uw betoog.
Staatssecretaris Van Bruggen:
Voorzitter. Dan een vraag van mevrouw Wendel over het wetsvoorstel over afbouw van
adoptie. Het wetsvoorstel Afbouw interlandelijke adoptie en vereenvoudiging identiteitsherstel
is tot 6 april in internetconsultatie geweest. Wanneer stuurt u dit naar de Raad van
State, vroeg zij. Het klopt dat de internetconsultatie vorige week is geëindigd. Er
zijn 240 reacties op binnengekomen, 186 openbare en 54 niet-openbare. Ik ga hier even
wat uitgebreider op in dan normaal gesproken. De keuze voor het maken van een openbare
of niet-openbare reactie kan door de indiener van de reactie zelf worden gemaakt.
Die keuze wordt dus niet door de ontvanger, door ons, gemaakt. Daarnaast zijn een
paar reacties die openbaar waren ingediend niet langer meer openbaar omdat daarin
persoonsgegevens van derden zijn vermeld. Het zou onverstandig zijn om die openbaar
te maken. Ook deze reacties worden uiteraard gewoon betrokken bij de verdere voorbereiding
van het wetsvoorstel, net zoals alle andere reacties. Ik streef ernaar om het wetsvoorstel
in het najaar naar de Raad van State te sturen. We zijn nu die 240 reacties aan het
bestuderen.
Dan de adoptiedossiers. Ik begin met een vraag van mevrouw Wendel en mevrouw Straatman.
Zij willen weten wie er echt die onbeperkte en volledige toegang heeft tot inzage
van dossiers. Geldt die ook voor de kinderen van de geadopteerden? Waarom is dit nog
steeds niet geregeld? Dit is een complex onderwerp – ik heb mij er ook wat langer
over moeten laten bijpraten – want het raakt aan verschillende aspecten van hoe zorgvuldig
om te gaan met persoonsgegevens. Adoptiedossiers bevatten altijd persoonsgegevens
van meerdere betrokkenen, bijvoorbeeld ook van geadopteerde broertjes en zusjes. Dat
betekent dat er voorafgaand aan de inzage van een dossier altijd een belangenafweging
moet plaatsvinden, ongeacht door wie er om inzage wordt verzocht. In het wetsvoorstel
Afbouw interlandelijke adoptie en vereenvoudiging identiteitsherstel is een wettelijk
vermoeden opgenomen dat het belang van een geadopteerde bij inzage van afstammingsgegevens
zwaarder weegt dan de belangen van de overige belanghebbenden. Desalniettemin moet
die weging nog wel worden gemaakt. Het wettelijk vermoeden geeft richting aan de belangenafweging
en draagt bij aan de inzagemogelijkheden voor geadopteerden. Ik merk in de gesprekken
met archiefbeheerders zoals het Nationaal Archief dat er aandacht en inzet is voor
het belang van een zo breed mogelijke inzage in de dossiers. In beginsel wordt er
inzage verstrekt in de afstammingsinformatie.
Dan ga ik door naar een vraag over internationale adoptie, namelijk die van mevrouw
Straatman over Chileense adoptieouders. Bij Fiom liggen er dossiers over Chileense
adopties. Fiom beslist welke informatie met de Chileense autoriteiten wordt gedeeld
in het kader van een strafrechtelijk onderzoek. Dat is voor de Chileense geadopteerden
onverteerbaar. Wat kunt u voor hen betekenen, wil mevrouw Straatman weten. Het is
mij bekend dat de Chileense autoriteiten een strafrechtelijk onderzoek zijn gestart
naar de adoptiepraktijken in het verleden. De Chileense autoriteiten zijn via de diplomatieke
weg geïnformeerd over de beschikbaarheid van dossiers over Chileense adopties bij
Fiom. Rechtshulpverzoeken verlopen via de aangewezen autoriteiten. Het is dus niet
aan Fiom om beslissingen te nemen over het delen van informatie met de Chileense autoriteiten.
De Chileense autoriteiten kunnen zich desgewenst wel in verbinding stellen met de
Nederlandse autoriteiten om die informatie op te vragen. In algemene zin worden er
geen mededelingen gedaan over individuele strafzaken, het contact daarover met buitenlandse
autoriteiten of de wijze waarop er gehandeld is.
Dan de vraag van mevrouw Wendel over inzage in relatie tot het wetsvoorstel. Zij begrijpt
dat inzage van dossiers wordt geregeld in de Adoptiewet maar vraagt mij of ik toch
niet eerder al iets kan regelen voor deze specifieke doelgroep, juist omdat de tijd
dringt. Ik zie helaas geen mogelijkheid om de inzage in dossiers nu echt anders te
laten verlopen. Ik heb wel begrip voor de vraag. Het wetgevingstraject kost gewoon
tijd. Ik zag u net al even nadenken over hoelang het allemaal precies moet duren.
Het traject vraagt ook om zorgvuldigheid. Het gebeurt zo snel mogelijk, maar natuurlijk
moet je ook heel goed kijken naar het moment dat je, voor of na de zomer, een wet
verder brengt. Dat is waar we op dit moment staan. Ik blijf in overleg met onder meer
het Nationaal Archief en Fiom over inzage in de dossiers en benadruk daarbij het belang
van de betrokkenen bij die inzage. Ik constateer daarbij gelukkig dat dit belang breed
wordt onderschreven.
Mevrouw Wendel (VVD):
U zag inderdaad mijn nadenkende gezicht. Ik zou het liefst willen zeggen: dit accepteer
ik niet; ik wil dat het morgen online is. Tegelijkertijd ... Nee, niet «online is»;
ik bedoel uiteraard «geregeld is», niet «online is». Tegelijkertijd begrijp ik natuurlijk
de realiteit waarin de Staatssecretaris zich bevindt. Ik steun uiteraard dat de Staatssecretaris
dit met zorgvuldigheid doet, maar ik wil vragen of ze kan toevoegen dat ze dat met
dezelfde bedrevenheid doet waarmee ze de afgelopen zes weken – ik geloof dat de Staatssecretaris
toen gestart is – met dit dossier aan de gang is gegaan. Ik wil dus vragen om ervoor
te zorgen dat dit niet een van de dossiers is die nog ergens bungelt, maar dat u dit
echt prioriteit blijft geven.
Staatssecretaris Van Bruggen:
Dat zeg ik met liefde toe, omdat ik ook heel goed begrijp hoe belangrijk het is om
te weten waar je vandaan komt en om inzage te krijgen waar dat nodig is. Ik begrijp
ook heel goed dat er een belangenafweging noodzakelijk kan zijn. Daarvoor geven we
dus ook alle ruimte en zo voer ik die gesprekken nu ook. Tegelijkertijd heeft het
absoluut mijn prioriteit om dit goed en snel te regelen.
Dan kom ik bij de vraag van mevrouw Wendel over de moederbrief. Dat is natuurlijk
ook best wel weer een complex onderwerp. Er ligt een Kamerbreed aangenomen motie van
collega Michon. Die heeft de regering verzocht het mogelijk te maken dat de afstandsmoeders
een brief van de moeder aan het dossier in het Nationaal Archief kunnen toevoegen,
waardoor afstandsmoeders de gelegenheid krijgen een aanvullende verklaring te verstrekken
om zo de door hen geconstateerde onjuistheden of onvolledigheden in het dossier te
corrigeren. Dat is de strekking van de motie. Zoals ik net ook al zei, ben ik mij
zeer bewust van het grote belang van inzage in het dossier in relatie tot het verleden,
de toekomst en in het kader van mogelijk contactherstel. Daar werd door enkelen van
u ook aan gerefereerd. Het is ook bekend dat er behoefte kan zijn aan de toevoeging
van een brief van een moeder aan het dossier. Mijn voorganger heeft uitvoerig gesproken
met de rijksarchivaris. Dat heeft geleid tot de volgende inzichten. Het Nationaal
Archief beheert archieven zoals deze, die zijn overgebracht door de organisatie die
het archief samenstelt. Dat zijn altijd afgesloten dossiers. Ten behoeve van de authenticiteit
en de betrouwbaarheid van een archief wordt er niets meer aan dat archief toegevoegd
of eruit verwijderd. Zo werkt dat nou eenmaal, zeg ik even heel plat. Alleen documenten
die bij een archiefvormer zijn achtergebleven en die behoren tot een eerder incompleet
overgebracht archief worden daaraan toegevoegd. Dat is dus maar een klein groepje.
Dit is in overeenstemming met de Archiefwet. Dat neemt niet weg dat ik de mogelijkheden
onderzoek van een separaat archief waarin brieven van moeders zouden kunnen worden
ondergebracht. Ik kan daar nu niet op vooruitlopen, maar ik wil dat heel graag rond
de zomer met u delen. Die verkenning loopt namelijk nu en ik realiseer me heel goed
dat het antwoord op deze vraag niet kan zijn dat het een afgesloten dossier is, dat
dat nu eenmaal in de Archiefwet staat en dat we daar dus niks meer aan doen. Juist
een separaat archief zou kunnen bijdragen aan het op een andere manier tegemoetkomen
aan de mogelijkheid om een moederbrief toe te voegen.
Mevrouw Wendel (VVD):
In alle eerlijkheid kan ik deze interruptie eigenlijk hetzelfde beginnen als mijn
vorige. Wat ik concreet zou willen vragen, is hoe de Staatssecretaris er dan voor
gaat zorgen dat het geen los archief wordt dat daar helemaal niet mee verbonden is.
Met andere woorden, komt er een goede verwijzing in te staan, zodat het laagdrempelig
te vinden is als betrokkenen in zo’n dossier kijken? Ja, dat.
Staatssecretaris Van Bruggen:
Dat is een terechte vraag. Ik ben aan het onderzoeken hoe dat separate archief eruit
zou kunnen zien. Ik ben dus ook aan het onderzoeken hoe het niet een losstaand pakketje
brieven zou kunnen zijn, maar dat het er ook daadwerkelijk onderdeel van uit kan maken
of dat het misschien een parallel dossier kan zijn, waardoor je het wel kan vinden.
Ik kom graag voor de zomer terug op de vraag hoe dat er dan uitziet. Dat is eigenlijk
de snelst mogelijke termijn zonder aan zorgvuldigheid in te boeten, laat ik het zo
zeggen.
De voorzitter:
Een aanvullende vraag van mevrouw Straatman.
Mevrouw Straatman (CDA):
Ik probeer het voor mezelf even goed te begrijpen. Betekent het nu dat de Archiefwet
het niet toestaat, omdat de definitie van «een afgesloten archief» het niet mogelijk
maakt dat er iets anders bij komt dan op basis van die ene uitzonderingsgrond die
u zojuist noemde?
Staatssecretaris Van Bruggen:
Dat klopt.
De voorzitter:
Ja. U kunt vervolgen.
Staatssecretaris Van Bruggen:
Dank u wel. Mevrouw Straatman van het CDA en mevrouw Wendel van de VVD stelden beiden
de vraag wat de stand van zaken is met betrekking tot het onderzoek naar de mogelijkheden
van een wettelijke grondslag. Dat ligt eigenlijk in het verlengde hiervan. Ik denk
dat dit antwoord hetzelfde is. Ja, dat is hetzelfde.
Dan ga ik naar de gerichte vraag van de VVD die ging over een motie die oproept om
ook de archieven van stichting Fiom over te dragen aan het Nationaal Archief. Dat
is een private organisatie en een privaat archief. Er moet zorgvuldig en terughoudend
om worden gegaan met de wettelijke grondslag die verplichte overdracht van dossiers
van private organisaties aan de overheid voorschrijft. Een dergelijke juridische grondslag
is juridisch lastig. Het houdt immers blijkbaar een vorm van onteigening in. Het is
wel een beetje een juridische rabbit hole waar je dan in terechtkomt, maar goed, daar
zijn we zelf natuurlijk bij. In het wetsvoorstel Afbouw interlandelijke adoptie en
vereenvoudiging identiteitsherstel wordt voorzien in een wettelijke grondslag voor
vrijwillige overdracht van dossiers van private organisaties aan het Ministerie van
Justitie en Veiligheid. Daarmee kunnen de dossiers overgedragen worden aan het Nationaal
Archief. Het verschil zit tussen het vrijwillig overdragen en het niet-vrijwillig
overdragen. Voor Fiom geldt dat er sprake is van duurzame archivering van de dossiers.
Fiom verleent op verzoek ook de inzage. Dat maakt dat ik op dit moment ook geen noodzaak
zie om Fiom te verplichten die dossiers over te dragen. Ik kijk even naast mij, maar
ik ga ervan uit dat dus ook gewoon gebeurt. Is er een vraag?
Mevrouw Straatman (CDA):
Toch nog over die dossiers. Het wordt nu natuurlijk wel een heel doolhof voor moeder
en kind. Je wilt gewoon één loket waar alles samenkomt, omdat het ook het beginpunt
is waar moeder en kind samenkomen. Als de wet het onmogelijk maakt er een brief bij
te voegen, dan moeten we kijken hoe we daar op een andere manier mee omgaan. Het is
natuurlijk wel absurd dat dit soort wettelijke bepalingen, die toch wel heel bureaucratisch
lezen, het hersteld contact gewoon in de weg zitten. Voor zover er überhaupt al contact
is, is dat natuurlijk vaak heel broos. Mensen gaan dan geen heel doolhof aan dossiers
opentrekken om toch maar te vinden wat ooit de gedachte van de moeder was bij een
dossier dat de kinderen nu lezen. Ergens snap ik inderdaad dat we met wettelijke problemen
te maken hebben, maar aan de andere kant kunnen we hier ook op een pragmatische manier
mee omgaan voor deze specifieke gevallen.
Staatssecretaris Van Bruggen:
Aan het begin van dit kopje zei ik ook dat ik me hier zelf iets langer over heb moeten
laten informeren, want het is nu absoluut niet pragmatisch; laat dat duidelijk zijn.
Het is ook heel erg belangrijk dat we het zo eenvoudig mogelijk maken om inzage in
dossiers toe te staan. We hebben alleen wel te maken met wat belangrijke wetgeving,
waarin a bijvoorbeeld een belangenafweging gemaakt wordt of waarin we b binnen een
archiefwet nou eenmaal spreken over afgesloten dossiers, of c de variant die ik net
noemde. Je ziet dus dat het hele kader ons eigenlijk dwingt om dit heel netjes en
zorgvuldig te doen. Dat is ook niet over één nacht ijs gegaan, moeten we heel eerlijk
zeggen.
Ik ben het wel absoluut eens met de vraag van mevrouw Straatman of we dit kunnen versimpelen
en mogelijk kunnen maken dat mensen actief geïnformeerd worden, net zoals dat nu bijvoorbeeld
gebeurt als een dossier wordt toegevoegd bij het Nationaal Archief. Kunnen we zorgen
dat het eenvoudig is, dat ze makkelijk doorverwezen kunnen worden? Kunnen we daar
zorg voor dragen? Ik zie dat eigenlijk in het verlengde van de vraag over de moederbrief,
waar ik voor de zomer een bericht over wil sturen: hoe zorgen we nou dat als we informatie
verzamelen op verschillende plekken, het niet alleen maar een kwestie is van door
blijven zoeken en verrast worden dat er nog meer informatie op een andere plek staat,
maar dat we dat ook daadwerkelijk als een pakket kunnen zien en dat we het zoeken
en het vinden van informatie over waar je vandaan komt, ook eenvoudig maken? Ik wil
daar de toezegging op doen dat ik wat betreft de moederbrief in zijn algemeenheid
kijk naar hoe we die archivering nu hebben geregeld.
Mevrouw Wendel (VVD):
Mijn conclusie is dat dit allemaal juridisch geneuzel is. Ik denk te zien dat de Staatssecretaris
zich daar net zo aan ergert als ik. Ik heb er dus ook vertrouwen in dat de Staatssecretaris
dit met passie zal oppakken en zal kijken hoe we dit binnen de mogelijkheden die er
zijn, kunnen oplossen. Ik wil de Staatssecretaris ook vragen: als we daar wél wetten
voor moeten wijzigen, binnen de grenzen van het redelijke uiteraard, kan ik er dan
van uitgaan dat de Staatssecretaris met voorstellen daartoe komt?
Ten slotte: de Staatssecretaris sprak erover dat dossiers eigenlijk bezit zijn van
Fiom, of we die dan gaan onteigenen en hoe je daarmee omgaat. Kan ik daaruit lezen
dat de Staatssecretaris Fiom wel echt met klem zal verzoeken om die dossiers over
te dragen?
Staatssecretaris Van Bruggen:
Ik hou van de wet; laat ik dat even vooropstellen. Het is dus niet zo dat ik denk
dat het allemaal geneuzel is, want het dient ook absoluut een doel dat we dingen met
elkaar heel goed en zorgvuldig hebben vastgelegd. We hebben het onszelf alleen soms
ook wel heel erg ingewikkeld gemaakt en daar moeten we goed naar kijken. Wees er dus
gerust op dat ik dat absoluut ga doen. Wat betreft Fiom verplichten: het is een collegiale
organisatie waarmee het gesprek wordt gevoerd, zodat zij daar absoluut niet moeilijker
over doen dan strikt noodzakelijk. Ik merk daar ook geen terughoudendheid, dus ik
heb ook geen aanleiding om ze te verplichten of ze iets anders op te leggen. Weet
dat dit bovenaan mijn lijstje staat van belangrijke onderwerpen en gespreksonderwerpen
met Fiom.
Dan had ik een vraag van mevrouw Bikker over de adoptiezaak van mevrouw Butink. Zij
vroeg: hoe vindt de Staatssecretaris de geconstateerde ernstige misstanden en excuses
rijmen met geen herstel van overheidswege in de casus-Butink? Ik heb het gelezen.
Mevrouw Butink heeft bij de rechter een schadevergoeding gevorderd van de Staat, in
verband met haar adoptie uit Sri Lanka in 1992. Deze vordering is uiteindelijk afgewezen.
Het gerechtshof van Amsterdam heeft geoordeeld dat de Staat destijds niet onrechtmatig
heeft gehandeld. De impact van die procedure en de redenen waarom die is ingesteld,
is heel groot geweest voor mevrouw Butink. Mijn voorgangers en ik hebben dat heel
goed begrepen. Mevrouw Butink heeft een voortrekkersrol op zich genomen met deze procedure.
Naar aanleiding van het destijds door de Staat ingestelde cassatieberoep heeft zij
in december 2022 een gesprek gehad met de toenmalige Minister, de heer Weerwind. Er
zijn afspraken met haar gemaakt over een tegemoetkoming in bepaalde kosten. Over de
concrete inhoud van de afspraken kan ik geen uitspraken doen, maar dit is wel wat
er toen is afgesproken.
De voorzitter:
Dit roept een vraag op bij mevrouw Mutluer.
Mevrouw Mutluer (GroenLinks-PvdA):
Ik heb mevrouw Butink afgelopen zondag mogen spreken. Ik denk dat mevrouw Butink niet
alleen voor zichzelf vecht, maar voor heel veel andere jonge vrouwen en mannen die
geadopteerd zijn, waarbij misstanden zijn geconstateerd waar excuses voor zijn aangeboden.
Er wordt terecht gezegd: hoe kan het dat de Staat niet bijdraagt aan identiteitsherstel,
ondersteuning bij waarheidsvinding en structurele psychologische hulp? Mevrouw Butink
strijdt dus voor veel meer. Ik kan het gewoon niet rijmen dat er enerzijds excuses
worden gemaakt en er anderzijds wordt gezegd dat de rechter anders heeft beslist en
dat ze compensatie heeft gekregen van de vorige bewindspersoon. Dat rijmt gewoon niet.
Graag even een reactie daarop.
Staatssecretaris Van Bruggen:
Ik begrijp goed dat dit vragen oproept. Uiteindelijk ga ik niet op de stoel van het
gerechtshof zitten. In deze casus is uiteindelijk geoordeeld dat de Staat niet onrechtmatig
gehandeld heeft. Ik denk dat dat juridisch in ieder geval een belangrijke constatering
is. Tegelijkertijd vraag je je bij de situatie die hier speelde, af wat het maken
van excuses dan inhoudt. De algemene herstelmaatregelen die u net kort noemde – ik
heb geen gesprek gehad met mevrouw Butink – zien natuurlijk ook op de activiteiten
die INEA nu in zijn algemeenheid voor zijn rekening neemt. Ik ga ervan uit dat dat
in heel veel gevallen toereikend is. Als dat niet het geval is, is het natuurlijk
belangrijk daar het gesprek over aan te gaan. We hebben juist met elkaar afgesproken
dat INEA de organisatie is die er zorg voor draagt dat deze mensen in hun herstel
nog wel hun heil kunnen halen. Volgens mij is dat een belangrijke constatering. Ik
begrijp ook heel goed dat deze groep, zeker vanuit die voortrekkersrol, teleurgesteld
is dat het gerechtshof op deze manier geoordeeld heeft. Nogmaals, dat is daar. Ik
denk dat daar juridische afwegingen zijn gemaakt die ook belangrijk zijn.
De voorzitter:
U kunt vervolgen.
Staatssecretaris Van Bruggen:
Dan ga ik naar de vraag van mevrouw Bikker over de lessen van de commissie-Joustra:
welke lessen trekt het kabinet uit het verleden voor het huidige beleid en de mogelijke
nieuwe initiatieven? Het rapport van de commissie-Joustra heeft, naast belangrijke
uitgangspunten met betrekking tot het belang van het kind, de kwetsbaarheden in het
systeem heel goed weergegeven. De zorgvuldige afbouw van interlandelijke adoptie,
die is ingezet in het wetsvoorstel – beter gezegd: het wetsvoorstel is daarvoor de
juridische basis – is het gevolg van de lessen die in het verleden uit interlandelijke
adoptie zijn getrokken. Het rapport van de commissie-Joustra heeft ook een bredere
betekenis. Ook in andere dossiers is er oog voor de belangen van kinderen en mogelijke
kwetsbaarheden in het systeem. Dit is dus de les die we daar in zijn algemeenheid
en in bredere zin uit trekken.
Dat was mijn kopje over de adoptiedossiers. Ik zag dat lid Kostić ook weer terug is
en dat we dus naar het onderwerp gender kunnen.
De voorzitter:
Het vorige blokje over adoptiedossiers roept nog twee vragen op. De heer Sneller mag
eerst, daarna mevrouw Bikker.
De heer Sneller (D66):
Ik had meer in algemene zin een vraag gesteld onder dit kopje, over het recht om je
ontstaansgeschiedenis te kennen. Gaan we daar meer over teruglezen in de brief die
voor de zomer komt?
Staatssecretaris Van Bruggen:
Het is goed dat u dat aanvult en een terechte opmerking. Zeker, dat kunt u ook daarin
lezen. Dank u wel.
Mevrouw Bikker (ChristenUnie):
Ik had in het licht van het rapport-Joustra ook gevraagd welke impact het heeft op
het wetsvoorstel over draagmoederschap. Komt de Staatssecretaris daar ook later op
terug?
Staatssecretaris Van Bruggen:
Daar moet ik dan in de tweede termijn even op terugkomen.
Mevrouw Straatman (CDA):
Dit is tegelijkertijd mijn laatste vraag, voorzitter. Ik had ook nog een vraag over
de digitale inzage van dossiers. Komt de Staatssecretaris daar in «overig» nog op
terug, of nu?
Staatssecretaris Van Bruggen:
Ook in tweede termijn. Ik heb er in deze mappen wel iets over gelezen, maar ik wil
de vraag zorgvuldig beantwoorden. Graag in de tweede termijn.
De voorzitter:
Ik wil de commissie voorstellen om het bij maximaal vijf interrupties te houden. Daar
sloot mevrouw Straatman ook net mee af en dat leek mij een goede norm, de Straatmannorm.
Misschien komen we daar een heel eind mee, als het zo kan. We hebben namelijk tot
17.00 uur. Dan gaan we door met blokje vier, gender.
Staatssecretaris Van Bruggen:
Ik doe mijn best. Over de Transgenderwet zijn veel vragen gesteld. Ik begin bij lid
Kostić en de heer Clemminck. Zij vroegen beiden: in het coalitieakkoord is opgenomen
dat u blijft werken aan acceptatie, veiligheid en emancipatie van de lhbtiqa+-gemeenschap
conform het Regenboogakkoord; wanneer gaat de Transgenderwet opnieuw worden ingediend?
Ik hecht heel veel waarde aan de acceptatie, de veiligheid en de emancipatie van deze
gemeenschap. Ik vind de woorden die gekozen zijn in het coalitieakkoord ook heel passend
en mooi, namelijk: er zijn wetsvoorstellen ingediend die stil zijn komen te liggen,
er zijn wetsvoorstellen die zijn ingetrokken, en we gaan alles wat bijdraagt aan de
uitvoering van dat Regenboogakkoord in deze periode verder brengen.
Hoe gaan we dat doen? Dat is een mooie aanvulling op de vraag die mevrouw Wendel heeft
gesteld. We hebben ook een eerste termijn in de Kamer ervaren over de Transgenderwet.
Ik ken ook de samenstelling van deze Kamer, dus we moeten goed kijken hoe we zorgen
dat we invulling en uitvoering kunnen geven aan die Transgenderwet. Het is een hele
belangrijke wet, maar tegelijkertijd ook een die we echt zorgvuldig moeten aanpakken.
Dat is waar ik de komende periode mee bezig ben. U kunt ervan op aan dat we uitvoering
geven aan wat er in het coalitieakkoord staat. Het moment en de manier waarop we dat
doen, bepaal ik heel graag met de Kamer samen. Wat dat betreft is dit een uitnodigende
hand naar u om hierover het gesprek met mij te blijven voeren.
De voorzitter:
Dat roept een vraag op bij het lid Kostić.
Kamerlid Kostić (PvdD):
Ik kies mijn vragen ook heel graag zorgvuldig uit; mijn concrete vraag was of de Staatssecretaris
wil toezeggen dat ze met een tijdlijn komt voor de gemoderniseerde Transgenderwet
en of ze met die tijdlijn wil komen voor het emancipatiedebat. Dat is voor ons echt
fundamenteel. Daarnaast had ik ook nog gevraagd of ze op korte termijn in gesprek
wil gaan met de gemeenschap die het betreft en de organisaties die die gemeenschap
vertegenwoordigen, en daarover op korte termijn wil terugkoppelen naar de Kamer.
Staatssecretaris Van Bruggen:
Om met dat tweede te beginnen: heel graag zelfs. Ik heb daar ook heel mooie brieven
van ontvangen. Het is belangrijk dat zij zich ook gezien voelen door dit coalitieakkoord
en dat ik ook ervaar hoe belangrijk de onderwerpen, niet alleen ten aanzien van de
x maar ook van de Transgenderwet nog zijn voor deze groepen mensen. Wij zijn allemaal
mensen, en als we dan uiteindelijk kijken naar hoe we elkaar mogen leren kennen en
identificeren, zijn dit hele belangrijke stappen om jezelf te kunnen zijn in Nederland.
Dat is precies wat het coalitieakkoord beoogt en dat is ook precies wat je juist met
dit soort wetten vorm wilt geven. Tegelijkertijd moet dat zorgvuldig, zoals ik zei.
Ik ga heel graag het gesprek aan, ook om mee te nemen wat nou het belang en de urgentie
ervan is. Ik weet ook dat een wet een aanlooptijd en een uitvoeringstijd heeft, maar
we hebben vier jaar, dus we gaan dit natuurlijk gewoon doen met elkaar. Tegelijkertijd
is het absoluut belangrijk om dit heel zorgvuldig te doen. Die tijdlijn, voor het
emancipatiedebat, wordt wel krap, maar laat ik toezeggen dat ik mijn uiterste best
ga doen om u in ieder geval op dit onderwerp een beeld te kunnen geven van hoe de
toekomst eruitziet. Dat wordt natuurlijk door mijn collega, de Staatssecretaris van
OCW, gedaan, want daar valt het emancipatiedebat onder.
Kamerlid Kostić (PvdD):
Dank voor de toezegging over de tijdlijn. Over de zorgvuldigheid wil ik het volgende
meegeven aan de Staatssecretaris. Laat daar geen misverstanden over bestaan: de politiek
heeft daarover nagedacht. Er is een uitgebreide evaluatie geweest en we hebben input
gekregen van mensen uit het zorgveld, mensenrechtenorganisaties, vrouwenrechtenorganisaties,
die allemaal zeggen: zet nou door met deze wet. We weten al dat het zorgvuldig is.
Mensen wachten er al sinds minstens 2019 op, toen voor het eerst die belofte werd
gedaan. Er is een Regenboogakkoord en er is een meerderheid in deze Kamer om dat zo
snel mogelijk door te zetten. Ik wil de Staatssecretaris ook meegeven om dat mee te
nemen in de planning die ze voor het emancipatiedebat gaat versturen.
Staatssecretaris Van Bruggen:
Daar ben ik me zeer van bewust. Absoluut.
De heer Clemminck (JA21):
Het coalitieakkoord refereert inderdaad aan het Regenboogakkoord en aan het op een
zorgvuldige manier verder brengen van dat akkoord. Nu zitten er in het Regenboogakkoord
zelf nog wat nuances als het gaat om de stellingname van politieke partijen, ook partijen
die behoren tot de coalitie. Ik vroeg dus eigenlijk naar een politieke duiding. U
refereert in het coalitieakkoord aan het Regenboogakkoord, maar in het Regenboogakkoord
zitten dus nuances van deelnemers. Wat is dan de politieke duiding van de zinsnede
in het coalitieakkoord?
Staatssecretaris Van Bruggen:
Die is heel veel waard; dat vooropgesteld. Ten tweede heb ik het Regenboogakkoord
natuurlijk ook gelezen en zie ik de nuancering die daar wordt aangebracht. Daarom
is er ook de zorgvuldigheid in dit traject. Ik wil namelijk niet dat we met een wat
ons betreft goed doordachte en goed gewogen wet komen, die uiteindelijk sneuvelt omdat
we het niet zorgvuldig hebben aangepakt. Het allerbelangrijkste is dat als we dit
met elkaar gaan doen, we het dus ook op een goede manier doen. Dat is het gesprek
dat we nu met elkaar moeten voeren. Ik ben ook blij om van u te horen hoe we er vandaag
de dag in staan. Dat neem ik mee. Wees er gerust op dat ik dit heel serieus neem en
dat ik hier absoluut geen vertraging duld. Maar zorgvuldigheid vraagt tijd. Dat is
waar ik op dit moment absoluut mee bezig ben.
De heer Diederik van Dijk (SGP):
Heel kort en misschien is dit bijna ten overvloede, maar ik hoor een dikke streep
onder het woord «zorgvuldig». Daaruit leid ik af dat ook alle recente ontwikkelingen
onder dat begrip «zorgvuldigheid» passen. Het is namelijk een trein die echt niet
stilstaat. Ik heb in mijn bijdrage ook al verwezen naar de toenemende kritiek van
medische wetenschappers, ook internationaal, die juist oproepen tot terughoudendheid.
Ik ga er dus van uit dat de Staatssecretaris die recente ontwikkelingen meeneemt,
zeker als het gaat over de belangen van jongeren.
Staatssecretaris Van Bruggen:
Uiteraard worden alle inzichten meegenomen. Dat kan ik zeker zeggen. Ik wil wel even
terugkomen op uw vraag over de deskundigenverklaring. Ik denk dat het goed is om daar
reëel over te zijn. Het belangrijkste is dat het EHRM daar een opvatting over heeft
geuit, niet zozeer in de zin van «je moet», maar meer in de zin van «weeg dat goed,
je kan». Ik denk dat we daar eerlijk over moeten zijn. We kiezen er natuurlijk voor
om niet te zeggen dat het per se móét, maar juist dat het kán. Dat is ook hoe de Transgenderwet
in het verleden is vormgegeven.
De voorzitter:
U kunt vervolgen.
Staatssecretaris Van Bruggen:
Dan ga ik naar de vraag van mevrouw Wendel. Zij vroeg of ik goed kan kijken naar de
eerste termijn van de Kamer. Dat kan ik zeker. Die neem ik daar absoluut in mee.
Dan kom ik op de vragen die gesteld zijn over non-binariteit. Dat is ook een belangrijke
in het Regenboogakkoord. Het lid Kostić heeft gevraagd of ik bereid ben om gesprekken
aan te gaan. Dat ben ik zeker. Ik ga ook absoluut in gesprek met de Staatssecretaris
van Onderwijs en Emancipatie. Ik ga ook graag in gesprek met de belangenorganisaties.
In het verlengde daarvan is er ook nog een vraag gesteld over – ik zeg het maar even
zo – de mogelijkheid om een x te laten registreren op de geboorteakte. Daarvoor is
eerder in de Kamer een initiatief genomen. Op dat moment is er bij dat initiatiefvoorstel
ook ambtelijke ondersteuning verleend. Dat is in 2023 stil komen te liggen. Ik nodig
u van harte uit om daar ook weer de eerste stappen in te zetten. Ik bied ook heel
graag de ambtelijke ondersteuning daarbij aan, omdat het eigenlijk samenloopt met
hoe we het Regenboogakkoord vorm zouden willen geven.
Kamerlid Kostić (PvdD):
Ten eerste wil ik heel graag weten op welke termijn de Staatssecretaris ongeveer met
de belanghebbenden in gesprek zal gaan en daarover naar de Kamer zal terugkoppelen.
Belangrijker is nog dat ze met wat ze nu zegt de bal als het om dit vraagstuk gaat
eigenlijk weer terug naar de Kamer kaatst. Er zou namelijk een wetsvoorstel liggen.
Zegt ze nou dat de Kamer zelf met een wetsvoorstel moet komen, omdat ze zelf niks
gaat doen? Of gaat de Staatssecretaris dit zelf voortvarend oppakken? Volgens mij
hoor ik namelijk net dat D66 het liefst wil dat de Staatssecretaris dit snel oppakt.
Staatssecretaris Van Bruggen:
Dit vraagt ook wel zorgvuldigheid. Ik denk dat dat dus ook is waar we staan. In het
formele proces ligt hierover nog een voorstel in de Kamer. Ik wil dus ook niet door
dingen heen lopen. Natuurlijk kunnen we met elkaar het gesprek voeren over hoe we
dit vorm gaan geven. Volgens mij is dat waar we nu staan. Ik kan in ieder geval ambtelijke
ondersteuning aanbieden bij het initiatiefwetsvoorstel. Laten we elkaar spreken over
wat daar nog meer bij nodig is. Het raakt allemaal aan het uitwerking geven aan het
Regenboogakkoord, zoals het ook in het coalitieakkoord is omschreven.
Kamerlid Kostić (PvdD):
Misschien kan D66 dan precies toelichten hoe ze het bedoelen. Ik snap zeker dat de
Staatssecretaris de Kamer niet in de weg wil zitten. Het gaat ons vooral om de snelheid.
Volgens mij heb ik voldoende benadrukt hoe urgent het voor heel veel mensen is en
hoelang dit al wordt beloofd. We zien in Europa steeds meer landen die dit gewoon
al wettelijk hebben geregeld. We kunnen dus heel snel aan de slag gaan. Het maakt
me niet uit hoe het gebeurt, maar laten we snel aan de slag gaan. Ik heb het kabinet
daarbij heel graag aan onze zijde.
Staatssecretaris Van Bruggen:
Ik sta daarbij absoluut aan uw zijde.
De heer Sneller (D66):
Ik zeg even via de voorzitter tegen de Staatssecretaris dat ik collega Kostić binnenkort
even zal opzoeken om te kijken hoe we dit goed kunnen doen.
De voorzitter:
De Staatssecretaris kan vervolgen.
Staatssecretaris Van Bruggen:
Dank u wel, voorzitter. Ik kom bij het naamrechtdossier. Ik heb daar best een uitgebreide
inleidende spreektekst voor. Ik ga dat gewoon doen, want we hebben nog wel even. Er
zijn ook veel vragen over gesteld.
Uit de beleidsdoorlichting blijkt dat de naam in onze tijd minder een puur administratief
herkenningsteken is en juist meer uitdrukking geeft aan wie je bent en met wie je
je verbonden voelt. Tegelijkertijd wordt in de beleidsdoorlichting geconstateerd dat
er in de praktijk knelpunten worden ervaren, juist op het gebied van gronden, kosten
en termijnen. Op basis van die inzichten heb ik een voorstel uitgewerkt voor de vereenvoudiging
van de gronden en de bewijslast van de naamswijziging. In het voorstel krijgt elke
Nederlander eenmalig de kans om zijn voor- en/of achternaam bij de gemeente te laten
wijzigen zonder opgave van reden. Dit maakt naamswijziging niet alleen eenvoudiger,
maar ook goedkoper. Zo willen we de drempels verlagen zonder in te leveren op zorgvuldigheid
en gelijke behandeling.
Uw Kamer heeft daarnaast aandacht gevraagd voor de vangnetvorm. Dat is een belangrijke,
zo hebben we vandaag ook allemaal in de Volkskrant kunnen lezen. De vangnetnorm bepaalt
welke achternaam een kind krijgt als ouders er samen niet uit komen. Zo krijgt een
kind binnen het huwelijk of geregistreerd partnerschap de achternaam van de vader
van het kind. Recent heeft een rondetafelgesprek plaatsgevonden, op aangeven van mevrouw
Mutluer. Daar hoorden we complimenten over. Volgens mij is het een buitengewoon interessante
bijeenkomst geweest, waarin moeders en organisaties hun zorgen hebben geuit over de
vraag of dit systeem in Nederland nog van deze tijd is, gezien er onderscheid gemaakt
wordt tussen de man en de vrouw.
Als vrouw en als mens ben ik wel gevoelig voor de oproep om te komen tot een aanpassing,
die ik verschillende leden hier vandaag heb horen doen. De planning is om dit onderwerp
mee te nemen in de lopende evaluatie van de Wigg. Het ingewikkelde is natuurlijk dat
die al naar voren gehaald is, naar januari 2027. Nu ga ik toch weer het woord «zorgvuldig»
gebruiken. Ik wil de uitkomsten van de prejudiciële vragen die door de rechtbank Zeeland–West-Brabant
aan de Hoge Raad zijn gesteld, meenemen in die evaluatie. Dat kost tijd. Voor je het
weet is het januari ’27. Op het moment dat ik door uw Kamer ertoe wordt opgeroepen
om dit onderdeel naar voren te halen, zal ik daar zeker gehoor aan geven.
Mevrouw Mutluer (GroenLinks-PvdA):
Ik ben heel blij met het feit dat de Staatssecretaris dit als vrouw en als mens onderschrijft.
Dat is gewoon heel prettig. Aan de andere kant is het nu natuurlijk nog wel heel vaag.
Het is onzeker wanneer de antwoorden op de prejudiciële vragen gaan komen. Dat kan
een jaar duren, maar misschien ook wel anderhalf of twee jaar. We weten uit ervaring
ook dat het afronden van de evaluatie wat tijd in beslag neemt. Dan moet er eerst
een reactie op komen en dan ga je nadenken over hoe je dat eventueel in de wet kunt
aanpassen. Een wetsaanpassing gaat nog een jaar duren. Dan moet die naar de Raad van
State. Ik ben even aan het schetsen hoelang dat kan duren. Ondertussen hebben we te
maken met onwijs veel vrouwen in heel veel situaties die hiermee van doen hebben,
op een hele negatieve manier. Wat heeft de Staatssecretaris van ons nodig? Ik kan
me namelijk best voorstellen dat we haar een handje helpen en zelf met een wetsvoorstel
voor wetsaanpassing komen, om zo de boel te versnellen en daarbij al die dingen wel
mee te nemen. Ik ben dus even aan het zoeken. Kunnen we ergens samenwerken?
Staatssecretaris Van Bruggen:
In dit proces is er natuurlijk niet voor niks gekozen voor een evaluatie op de Wigg,
de wet waar dit een onderdeel van is. In zijn totaliteit betekent het dus dat je daar
iets uithaalt en dat al gaat aanpassen. Ik zeg u eerlijk dat ik daar voorzichtig mee
zou willen zijn. Je moet het dus in zijn totaliteit bezien. De evaluatie is naar voren
gehaald. Het heeft zeker mijn voorkeur om die af te wachten. Ik begrijp ook wat mevrouw
Mutluer zegt, namelijk dat zo’n proces ook weer tijd kost. Tegelijkertijd zijn we
er zelf bij wat betreft een evaluatie en de vragen hoe we het gaan inrichten, hoelang
dat moet duren, wanneer we de resultaten willen zien en wanneer we de wet willen aanpassen.
Op beide manieren kost het tijd. Als we het nu zouden doen, kost het tijd. Als we
over een halfjaar met de evaluatie starten, het dan in de breedte bezien en het dan
zouden doen, kost het ook tijd. Weet dat ik het belangrijk vind. Weet ook dat als
ik er door uw Kamer toe opgeroepen wordt om dit eruit te halen en naar voren te halen,
dat ik dat dan zal doen. Tegelijkertijd wil ik wijzen op het risico dat het met zich
meebrengt als je dit onderdeeltje eruit trekt.
Daarbij wil ik nog even iets zeggen over wat ik vandaag vernam en wat ik ook een inzicht
voor mezelf vond. Ja, het klopt dat de man een veto heeft, maar dat heeft de vrouw
ook. Door de vrouw wordt het alleen niet zo vaak ingezet. In die zin is er dus sprake
van gelijkwaardigheid. Tegelijkertijd zie je dat de uitwerking anders uitpakt.
Mevrouw Mutluer (GroenLinks-PvdA):
Volgens mij is tijdens het rondetafelgesprek met uw commissie, voorzitter, uitgelegd
dat het niet zo werkt. Ik moet het even goed zeggen. In dit soort gevallen is de man
in familierechtelijke zin vaak totaal niet betrokken bij de vrouw. We hebben hier
te maken met een partner die soms samen met een vrouw een kind opvoedt, maar soms
niet eens aanwezig is in het leven van het kind. Toch moet die nog steeds de toestemming
verlenen. Ik vind dat je die twee niet met elkaar kan vergelijken. De toenmalige Minister
heeft dat tijdens het debat ook gedaan. Dat lijkt mij echt geen recht doen aan de
situatie nu.
Mijn vraag aan de Staatssecretaris is de volgende. Ik zie wel wat mogelijkheden om
dit uit te lichten. Ik hoor de risico’s, maar het is niet onmogelijk. Wij gaan daar
dus wel even over nadenken. We gaan ook nadenken over de vraag of dit met terugwerkende
kracht kan, zodat alle vrouwen die die mogelijkheid nu niet hebben gekregen of te
laat waren toen de overgangsregeling in het leven werd geroepen, hier straks toch
een beroep op kunnen doen. Wij gaan daar dus mee aan de slag.
De voorzitter:
De Staatssecretaris vervolgt.
Staatssecretaris Van Bruggen:
Hartelijk dank, voorzitter. Ik heb nog een vraag gekregen van de heer Van Dijk over
het algemeen recht op eenmalige naamswijziging. Dat was eigenlijk het eerste gedeelte
waar ik net op terugkwam. U krijgt toch een beetje het antwoord dat dat uit de consultatiefase
moet blijken. Op 6 april is de consultatiefase van de Wet afbouw interlandelijke adoptie
en vereenvoudiging identiteitsherstel afgerond. Er zijn veel reacties op die consultatie
binnengekomen. Uit een eerste analyse van de consultatie blijkt dat er veel behoefte
is aan eenvoudige vorm van naamswijziging, in het bijzonder onder geadopteerden. Ik
beraad me op de uitkomsten en de vervolgstappen ten aanzien van dit wetsvoorstel.
De heer Diederik van Dijk (SGP):
Ik wil aanhaken bij het punt over het voorstel om iedereen het recht te geven om een
keer in zijn leven van achternaam te kunnen veranderen. Vereenvoudiging et cetera
is allemaal uitstekend, maar het lijkt me echt een doorgeslagen wetsvoorstel, een
doorgeslagen vorm van gelijkheid om iedereen zo’n recht te geven. Wat ik vooral mis
– dat is een politieke opvatting – is het volgende. Tegen welke achtergrond, tegen
welke visie moet je dit afzetten? Hoe kijken wij aan tegen de functie van achternamen?
Zouden we het daar niet eerst een keer fundamenteel over moeten hebben, zoals bijvoorbeeld
het Anderssonrapport opwierp? Dat lijkt me beter, voordat we weer met allemaal nieuwe
initiatieven aan komen zetten waar heel veel tijd in gaat zitten en waarvan we ons
echt kunnen afvragen of die nou onze prioriteit moeten zijn.
Staatssecretaris Van Bruggen:
Het heeft mijn prioriteit omdat ik merk dat het ontzettend belangrijk is voor een
hele grote groep mensen. We komen met dit wetsvoorstel blijkbaar ook tegemoet aan
die vraag. Ik denk dat het goed is om dat in zijn totaliteit te wegen. Dat is wat
de consultatiefase nu met zich meebrengt. Dat is wat we de komende periode gaan doen.
De voorzitter:
De Staatssecretaris vervolgt.
Staatssecretaris Van Bruggen:
Hartelijk dank. Ik kom al bij het volgende blokje. Ik wil internationale kinderontvoering
en draagmoederschap, wat ook belangrijke onderwerpen zijn, ook graag de tijd geven.
Dit is het mapje complexe scheidingen. Ik heb daar twee vragen over gekregen. De eerste
is van de heer Sneller: welke mogelijkheden ziet de Staatssecretaris om echtscheidingen
via het notariaat te laten verlopen? Dat is een interessante gedachte. Ik laat dit
onderzoeken door het WODC. Zij onderzoeken wat de verwachte voor- en nadelen zijn
van een scheiding van paren zonder minderjarige kinderen zonder tussenkomst van de
rechter. Ik betrek daarbij ook de rol van de notarissen. Ik verwacht in mei 2026,
over dik een maand, het rapport aan uw Kamer te kunnen zenden. Rond de zomer komt
mijn reactie daarop.
De tweede vraag die werd gesteld over scheidingen is van mevrouw Bikker: wat is de
ambitie van de Staatssecretaris op het gebied van complexe scheidingen? In de afgelopen
jaren is gewerkt aan een gerichte werkwijze om ouders te begeleiden met hulp en ondersteuning
voor gezinnen die dat nodig hebben en die zelf niet meer uit de situatie van een complexe
scheiding komen. Dat project is recent afgerond. De Minister van Langdurige Zorg,
Jeugd en Sport, mevrouw Sterk, organiseert bijeenkomsten met gemeenten om het te hebben
over de methode die zou werken – die wordt ook wel de «Haaglandenmethode» genoemd
– zodat regio’s van elkaar kunnen leren. We ondersteunen de gemeenten en de professionals
om deze werkwijze en de scheidingsexpertise te verwerken in een eigen lokale aanpak.
Steeds meer gemeenten zetten in op de aanpak van scheidingen. Daarnaast werk ik momenteel
samen met de juridische partners in de rechtspraak, de advocatuur, de Raad voor de
Kinderbescherming en Villa Pinedo aan een rapport over kindvriendelijke juridische
procedures bij scheidingen. Hier wordt ook het onderwerp contactverlies in meegenomen.
De planning is dat het rapport rond de zomer naar u toegestuurd wordt.
Mevrouw Bikker (ChristenUnie):
Dank daarvoor. Ook dank voor de inzet op de agenda die ontwikkeld wordt mede naar
aanleiding van de motie van collega Ceder. Als het gaat om complexe scheidingen, dan
valt mij telkens op hoe groot de gevolgen zijn en hoelang die nog een effect hebben,
ook op de levens van kinderen. Daarom wil ik niets liever dan dat we dit verbeteren.
Ik ben benieuwd wat de Staatssecretaris in de zomer gaat teruggeven aan de commissie,
maar ik ben ook benieuwd hoe we het kunnen voorkomen. Wat kunnen we doen om relaties,
waar mogelijk, nieuw leven in te blazen of om er op een eerder moment bij te zijn?
Ik besef heel goed dat dat niet allemaal aan de overheid is, maar ik denk wel dat
we de enorme gevolgen onder ogen moeten zien. Kan de Staatssecretaris toezeggen dat
ze in dat rapport niet alleen kijkt naar de eindsituatie, maar ook naar wat beter
kan in het traject daarvoor, zowel vanuit de samenleving als op sommige punten vanuit
de overheid?
Staatssecretaris Van Bruggen:
Zeker. Het gaat er natuurlijk wel heel erg om in hoeverre je je als overheid bemoeit
met mensen die in een situatie komen waarin ze de bewuste keuze maken om uit elkaar
te gaan. Maar als de gevolgen zo ingrijpend zijn, zeker voor kinderen, dan heb je
wel een belangrijke rol. Dat is eigenlijk ook wat de Haaglandenmethode doet. Je zegt
juist: hoe kunnen we in de gemeenten het gesprek faciliteren? We zien namelijk dat
het effect op het gezin breder is en niet alleen de ouders aangaat. Het heeft echt
effect op kinderen. We zullen het rapport in de zomer zien, maar ik weet dat het daarin
ook gaat over hoe je binnen de rechtspraak kindgesprekken voert. Zij komen vaak in
een situatie terecht waarin ze niet de keuze hebben of hun ouders wel of niet bij
elkaar blijven. Ze worden binnen een klein halfuur gehoord door een rechter, wat best
indrukwekkend is. Hoe kun je zo’n omgeving vormgeven, bijvoorbeeld door de kamer een
beetje kindvriendelijk te maken? Hoe kun je de rechtspraak daarin faciliteren? Denk
bijvoorbeeld aan de tijd die nodig is om dat gesprek goed te voeren. Er zijn allerlei
omstandigheden waarvan je als overheid zou kunnen zeggen: hier hebben wij best wel
een rol in. Ik wil niet vooruitlopen op het rapport, maar ik weet wel dat dit soort
gesprekken daar deel van uitmaken. Als we het rapport hebben, is het goed om te kijken
of er nog losse eindjes zijn, bijvoorbeeld zaken die we nog onvoldoende faciliteren.
De voorzitter:
U kunt vervolgen.
Staatssecretaris Van Bruggen:
Hartelijk dank, voorzitter. Ik heb nog het blokje internationale kinderontvoeringen.
Ik begin met de vraag die door mevrouw Mutluer en de heer Clemminck is gesteld over
de reflectie op de ontvoering van het meisje Insiya. Een aantal van u hebben waarschijnlijk
gisteren de moeder van Insiya gezien bij het programma Eva. Ik heb het zelf ook teruggekeken.
Dat maakt indruk. Gisteren heeft de premier een gesprek gevoerd met de moeder van
Insiya om te kijken wat je kunt doen in deze situatie, waarin er 22 vonnissen liggen
en waarin er zo veel duidelijkheid is over wat de uitkomst zou moeten zijn. Het contact
zou op z’n minst hersteld moeten worden, maar je staat als overheid met de handen
op de rug. Dat gesprek is van belang, net als het kiezen van een brede aanpak hierin
als kabinet. We moeten er op alle mogelijke manier voor zorgen dat we de invloed uitoefenen
die we kunnen uitoefenen. Dat doen we. De Minister van Buitenlandse Zaken en de Staatssecretaris,
ik, stemmen de acties strak op elkaar af, samen met onze diplomatieke posten. Gisteren
heeft de Minister ook nog gesproken met de moeder van Insiya. We blijven richting
India herhalen dat de Nederlandse rechter onomwonden heeft vastgesteld dat de moeder
het eenhoofdig gezag heeft. We benadrukken het urgente belang van onmiddellijk contactherstel
tussen moeder en dochter. Een ander aspect is het genoemde handelsakkoord. Daar wil
ik ook wel even inhoudelijk op terugkomen. Dat staat los van deze zaak. Ik begrijp
ook wel dat u de vraag opwerpt. Dat akkoord wordt echter gesloten door Europa en niet
door Nederland. Wij kunnen dus niet niet ondertekenen. Zoals ik net zei, blijven we
wel met de diplomatieke partners het gesprek voeren en blijven we druk uitoefenen
op India om ervoor te zorgen dat er juist wel ervaren en gevoeld wordt dat het nu
echt genoeg geweest is.
De voorzitter:
Wie was er het eerst? Mevrouw Mutluer, en daarna de heer Clemminck.
Mevrouw Mutluer (GroenLinks-PvdA):
Ik begrijp dat Nederland niet eenzijdig een handelsakkoord kan opzeggen. Dat gaat
niet. Aan de andere kant heb ik ook de brief van Buitenlandse Zaken gelezen. Daar
staat letterlijk in dat het akkoord geen inhoudelijke of juridische aanknopingspunten
bevat voor deze zaak en nog breder voor de samenwerking in kinderontvoeringszaken.
Daar zijn wij het gewoon niet mee eens. Waarom, zult u zeggen? Omdat in het handelsakkoord
ook een clausule staat over mensenrechten en democratie. In onze beleving zijn kinderrechten
mensenrechten en hebben we daarmee dus ook een heel duidelijk aanknopingspunt om dit
als Nederland in ieder geval aan te zwengelen in EU-verband. Als de premier dit echt
meent – we kennen de premier; die gaat niet zomaar dit gesprek voeren, dus hij meent
het – dan moeten we hier in mijn beleving de politieke en diplomatieke druk maximaal
blijven opvoeren, want ik zie een aanknopingspunt. Wilt u dat als Staatssecretaris
ook overbrengen, vraag ik via de voorzitter. Anders gaan we dat doen via een motie
met onder anderen collega Coenradie, denk ik. Ik krijg hier graag een reflectie op.
Staatssecretaris Van Bruggen:
Weet zeker dat de Minister-President, de Minister van Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking
en ik dit met elkaar bespreken, de urgentie zien en ook heel goed kijken naar alle
middelen die ingezet kunnen worden. Als je het bijvoorbeeld hebt over zo’n handelsakkoord,
vereist de diplomatieke weg ook een bepaalde druk. Daar zijn we als kabinet eensluidend
over. Die oproep wil ik herhalen. Die herhaal ik hier en die herhaal ik aan de tafel
met de Minister. Maar ik geef u ook mee dat het zeker ook aan uw Kamer is om een uitspraak
te doen over alles wat helpt in dat gesprek.
De voorzitter:
Dan nog een vraag van de heer Clemminck.
De heer Clemminck (JA21):
Ja, het begint allebei met een C, maar verder houdt de vergelijking met mijn collega
Coenradie wel op. Ik kan er van alles over zeggen, maar ik laat het toch maar even
gaan. Ik begrijp het. Ik zou het kabinet het volgende willen vragen. Dat handelsverdrag
is een proces waarin Nederland op verschillende momenten juist ook met de Europese
partners – hier komt een soort van pro-Europese uitspraak van JA21 – de druk kan opvoeren.
Ik hoop dan ook dat het kabinet zijn Europese partners achter deze zaak gaat krijgen,
zodat Nederland niet alleen staat tegenover India, maar we een blok kunnen vormen
tegenover India in deze kwestie.
Staatssecretaris Van Bruggen:
Absoluut. Wij hebben Europese partners. U ook. U heeft ook politieke partners in Europa.
Zorg ervoor dat deze boodschap daar ook steeds weer op tafel ligt. Dat zou ik dan
graag terug willen geven.
De voorzitter:
Dat roept een vraag op van mevrouw Bikker.
Mevrouw Bikker (ChristenUnie):
Maar laten we wel wezen: het is veel krachtiger als een kabinet zich met andere regeringen
inzet. Ik wil niet spreken voor JA21 en uw politieke partners in Europa, maar voor
een partij als de ChristenUnie betekent dat in Europa dat we met zes parlementariërs
aan de slag zijn. Dat is toch anders dan dat de regering zich erachter schaart. Ik
zou dus echt aan het kabinet willen vragen om ieder evenement waar het maar mogelijk
is ook te gebruiken. We weten immers allemaal dat dit meisje allang terug in Nederland
had moeten zijn.
Staatssecretaris Van Bruggen:
Daar kunt van op aan.
De voorzitter:
U kunt vervolgen.
Staatssecretaris Van Bruggen:
Dank u wel. Er is nog een vraag gesteld door mevrouw Mutluer van PRO. Zij vraagt mij
om aandacht te hebben voor de noden van de achtergebleven ouders, die zitten met de
ellende dat hun kind weg is en die langdurige juridische procedures moeten voeren.
Daar is uiteraard oog voor. In elke zaak spannen we ons maximaal in om te doen wat
in het belang is van het kind en wat het Haags Kinderontvoeringsverdrag van ons vraagt.
Het Centrum Internationale Kinderontvoering biedt gratis juridisch advies, voorlichting
en mediation aan iedereen die in een persoonlijke of professionele omgeving te maken
krijgt met dreigende internationale kinderontvoeringen. De achtergebleven ouder kan
een verzoek tot teruggeleiding indienen bij de Centrale autoriteit Internationale
Kinderaangelegenheden. De Centrale autoriteit ondersteunt de achtergebleven ouder
juridisch in de teruggeleidingsprocedure, ook in het geval van ontvoeringen naar niet-verdragslanden.
In dat geval wordt via de diplomatieke kanalen aandacht gevraagd voor de zaak. Twee
jaar geleden is naar aanleiding van een motie van Kamerlid Van Nispen van de SP onderzocht
waar achtergebleven ouders behoefte aan hebben. Die aanbevelingen uit het onderzoek
zijn inmiddels opgevolgd.
Dan heb ik nog twee mapjes. Ik kom nu bij het mapje draagmoederschap en daarna bij
overig.
De voorzitter:
Sorry. Gaat dit nog over het blokje ontvoering?
Mevrouw Mutluer (GroenLinks-PvdA):
Dan gebruik ik mijn laatste interruptie, voorzitter, waarvoor dank trouwens. U bent
best coulant. Fijn.
De motie-Van Nispen is inderdaad uitgevoerd, maar er zijn meer wensen van ouders wier
kinderen zijn ontvoerd. Dat kan soms de wens zijn om als lotgenoten bij elkaar te
zitten en daarbij ondersteuning te krijgen, soms ook psychische ondersteuning, om
dit leed te boven te kunnen komen. Er is ook behoefte aan advocaten die zich hiermee
bezighouden of mediators waar ouders naartoe kunnen worden verwezen. De behoefte van
ouders wier kinderen zijn ontvoerd, is breder. Is de Staatssecretaris bereid om daar
met een frisse blik naar te kijken en met de betrokken organisaties het gesprek te
voeren om na te gaan wat er nog extra gedaan kan worden?
Staatssecretaris Van Bruggen:
Ik heb niet de signalen dat het nu niet toereikend is, dus het is goed om dat even
aan u mee te geven. Ik zei net dat het CIKO, het Centrum Internationale Kinderontvoering,
gratis juridisch advies geeft en meedenkt over mediation. Als dat niet toereikend
is, is het belangrijk dat we dat met elkaar constateren en dat ik de signalen krijg.
Uiteraard ga ik dan ook graag in gesprek over wat nog nodig zou moeten zijn.
De voorzitter:
U kunt vervolgen.
Staatssecretaris Van Bruggen:
Het blokje draagmoederschap. Het is een ethisch en juridisch zeer complex onderwerp.
Dat maakt dat wij hier zorgvuldig mee om moeten gaan. Als je een kinderwens hebt maar
die niet langs de natuurlijke weg kunt vervullen, is dat enorm ingrijpend. Mensen
kiezen in dat geval soms voor draagmoederschap, maar deze manier om een kinderwens
in vervulling te laten gaan kent ook de nodige risico’s, die mede gelet op de vaak
internationale component niet volledig kunnen worden uitgesloten. De commissie-Joustra
naar misstanden bij de interlandelijke adoptie – daar werd ook door een aantal van
u aan gerefereerd – heeft in het verleden ook al op dit risico gewezen. Risico’s zijn
er en zullen er zijn, met en zonder regeling.
Bij uw Kamer ligt het wetsvoorstel Kind, draagmoederschap en afstamming, waarvan de
voorlopige planning is dat wij daar begin juni over komen te spreken. In het coalitieakkoord
is opgenomen dat we de behandeling van het wetsvoorstel voortzetten met respect voor
de aanbevelingen die zijn voortgekomen uit het WODC-rapport Het gedragen kind en de
aandachtspunten uit het rapport van de Commissie onderzoek interlandelijke adoptie.
Ik betrek daarbij zonder meer de wetenschapstoets. Ik zeg ook heel expliciet dat die
nu in juni op de agenda staat, want de kabinetsreactie op de wetenschapstoets heeft
u nog van mij tegoed. Ik heb natuurlijk ook wel even tijd nodig om dat goed te doen.
Een aantal van u heeft daar ook vragen over gesteld: is het belangrijk dat er bijvoorbeeld
nog een aanvullende rondetafel wordt georganiseerd? Ik zie geen aanleiding om daar
nu iets voor te organiseren binnen mijn macht. Het is vooral aan uw Kamer om goed
te kijken naar het moment van agendering. De kabinetsreactie op de wetenschapstoets
kunt u zo spoedig mogelijk ... Maar ook weer zorgvuldig, want die wetenschapstoets
heeft ook bepaalde aanbevelingen in zich – daar is vandaag door u ook wat langer over
doorgepraat – die ik goed zal moeten bestuderen.
Mevrouw Bikker (ChristenUnie):
Ik heb net een, denk ik, duidelijk signaal gegeven aan de Staatssecretaris hoe dit
voor de ChristenUnie ligt. Als ik kijk naar het wetsvoorstel en de aanbevelingen die
zijn gedaan in de wetenschapstoets maar ook op andere plekken, zoals door de commissie-Joustra,
dan kan ik me haast niet voorstellen dat de Staatssecretaris hetzelfde wetsvoorstel
wil gaan verdedigen in de Kamers, ook gezien de teksten in het coalitieakkoord. Zegt
zij hiermee ook dat het wetsvoorstel mogelijk aangepast gaat worden? Wat is het proces
dat de Staatssecretaris voor ogen heeft? Is dat enkel die brief en daarna in juni
een behandeling doen? Of hoe ziet de Staatssecretaris dat?
Staatssecretaris Van Bruggen:
Ik zie het zo dat ik het gesprek met uw Kamer ga voeren over het wetsvoorstel. Ik
denk dat het belangrijkste is om dan met elkaar de kaders en de inhoud te bespreken.
We hebben het geladen met een wetenschapstoets. Ik denk dat het belangrijk is om goed
te kijken hoe we daar als kabinet naar kijken. Alles in overweging nemende gaan we
dan met elkaar het gesprek aan over dit belangrijke wetsvoorstel.
De voorzitter:
U bent door de Straatmannorm heen, mevrouw Bikker. Gelet op de tijd wordt het nu ook
wat krap. De heer Diederik van Dijk heeft wel nog een interruptie. Gaat uw gang.
De heer Diederik van Dijk (SGP):
Ik ga toch nog eventjes hierop door. We wachten natuurlijk met belangstelling de kabinetsreactie
af, maar de Staatssecretaris sluit eigenlijk aan de voorkant al bijna uit dat het
wetsvoorstel veranderd wordt, terwijl juist de wetenschapstoets onder meer ook zegt
dat het buitenlandtraject, waar zo veel vragen over zijn, versoepeld wordt. Dat staat
eigenlijk haaks op de gedachte om zo veel mogelijk in het binnenland te regelen. Ik
kan me dus voorstellen dat dat wel degelijk tot een wijziging van het wetsvoorstel
zou leiden. Die gaan we dan als het goed is niet pas aan de orde stellen als we al
in debat zijn.
Staatssecretaris Van Bruggen:
Ik moet de mores in Den Haag misschien nog wat leren kennen, maar ik denk dat het
juist heel mooi is dat we daar met elkaar het debat over voeren en dat we dan kijken
hoe we dit wetsvoorstel nou verder moeten brengen en kijken waar we zorgen voor de
zorgvuldigheid, ook in relatie tot de andere ontwikkelingen inzake interlandelijke
adoptie. Zeker in zijn geheel, in zijn totaliteit, moeten we dat gesprek wat mij betreft
tijdens dat debat met elkaar voeren.
De voorzitter:
U kunt door, Staatssecretaris.
Staatssecretaris Van Bruggen:
Ik heb nog een vraag van de heer Van Dijk te beantwoorden. Die luidt: gaat u een advies
op de wetenschapstoets vragen aan de Nationaal Rapporteur Mensenhandel? Dat is gebeurd.
Dat advies is al opgevraagd en heeft onderdeel uitgemaakt van de consultatie van het
wetsvoorstel. Daar nu nog een keer een advies over vragen zou eigenlijk dubbelop zijn,
maar weet dat we dat in ieder geval meenemen.
Dan heb ik nog een mapje overig, met nog twee vragen daarin. Dat denk ik, althans.
Er is wat beweging om mij heen, dus ik weet het niet zeker, maar ik ga daarvan uit.
Anders hoor ik het graag van u in de tweede termijn.
Er was een vraag van de heer Sneller en de heer Van Dijk: hoe kijkt de Staatssecretaris
aan tegen de verhouding tussen algemene rechten en individuele afweging? Dat is een
vrij fundamentele vraag; misschien had ik hiermee moeten beginnen. We leven in een
tijd waarin het recht om zelf te bepalen wie je wilt zijn steeds meer aandacht krijgt.
Als het meer aandacht krijgt en de samenleving erom vraagt, dan moeten we ook kijken
welke vormen daar geschikt voor zijn. Dat is wat we hier ook met elkaar doen. We zorgen
ervoor dat als ergens een meerderheid voor is – dan bedoel ik niet de helft plus één,
maar een breed gedragen voorstel – er een wetsvoorstel komt om dat vorm te geven.
Dat is een hele goede ontwikkeling, denk ik. Ik vind het belangrijk dat we bij het
opstellen van wet- en regelgeving steeds kijken in hoeverre het algemeen belang in
de weg staat van in wetgeving ruimte geven aan het individuele belang.
De tweede vraag was van de heer Van Dijk. Die ging over het artikel De rechter als
beschermer van het ongeboren kind. Volgens dat artikel beschermt de wetgever belangen
van moeder en kind onvoldoende. Daardoor ontstaat rechtsongelijkheid aan de wieg;
ondertoezichtstelling bij het ongeboren kind. Ook het strafrecht hapert. Dit is wel
een fundamentele vraag. Ik zie naar aanleiding van het artikel geen noodzaak tot onderzoek
naar nadere wettelijke regelgeving voor ondertoezichtstelling bij ongeboren kinderen.
Volgens mij hebben we dat proces nu zorgvuldig ingericht. Het vraagt ook altijd ontzettend
veel expertise, aandacht en zorgvuldigheid op het moment dat dit soort interventies
wordt gepleegd. Ik ben er blij mee dat we natuurlijk ook een staatscommissie in het
leven hebben geroepen, die juist ook echt kijkt wanneer je nou als overheid aan het
ingrijpen bent in een gezin en op welke manier je dat doet. Dat raakt natuurlijk ook
heel erg aan die ondertoezichtstellingen. Ik vind het juist in de breedte daarvan
een belangrijk onderwerp om mee te nemen, niet specifiek naar aanleiding van dit artikel.
Dank u wel, voorzitter.
De heer Diederik van Dijk (SGP):
Ik had nog één interruptie, meen ik. Ik vrees dat dit antwoord toch wel heel kort
door de bocht is. Ik verwees niet voor niks naar het artikel van Ars Aequi, waar ik
zelf ook van schrok, waarin staat dat de wetgever eigenlijk gewoon tekortschiet als
het gaat om de positie van zwangere vrouwen en kinderen. Waar ik ook van schrok in
dat artikel, zijn de grote verschillen die we momenteel hebben tussen rechterlijke
uitspraken omdat rechters te weinig houvast hebben. Er liggen in bijna vergelijkbare
casussen soms echt verschillende uitspraken. Vergt dat dan niet toch iets meer aandacht
van de wetgever?
Staatssecretaris Van Bruggen:
Dat lijkt mij een goed onderwerp voor mijn gesprek met de Raad voor de rechtspraak.
Ik zal dat dus meenemen. Dank u wel.
De voorzitter:
Staatssecretaris, had u nog een nabrander? Ik zag dat u net iets in handen kreeg.
Staatssecretaris Van Bruggen:
Ik heb een nabrander. Dat waren de vragen die ik zei in tweede termijn te beantwoorden.
Het is een beetje wat uw voorkeur heeft: gaan we dat nu of straks doen?
De voorzitter:
Dat kan in tweede termijn.
Ik kijk naar de klok en ik kijk naar de collega’s. Ik denk dat er tijd is voor een
heel summiere tweede termijn, waarin nog even een onbeantwoorde vraag kan worden gesteld.
Wij moeten namelijk om 17.00 uur deze zaal uit, voordat het licht uitgaat. Dank aan
de Staatssecretaris. Ik ga kijken naar de leden. Het lid Kostić.
Kamerlid Kostić (PvdD):
Dank u wel. Ik vraag graag een tweeminutendebat aan. Ik heb twee vragen.
De Staatssecretaris heeft toegezegd dat over de Transgenderwet op korte termijn een
gesprek zal worden gevoerd met de gemeenschap. Daarover zou worden teruggekoppeld
naar de Kamer. Ik zou graag een kleine tijdsindicatie willen.
Mijn tweede vraag gaat over de toezegging om onder andere met Transgender Netwerk
in gesprek te gaan over de problemen waar mensen die nu al een x in hun paspoort hebben,
in de maatschappij tegenaan lopen. Daarover wil ik graag nog een verduidelijking en
bevestiging van de Staatssecretaris. Zal zij niet wachten op het wetsvoorstel dat
die x op een andere manier moet gaan regelen? Dat is immers een ander traject. Het
gaat om mensen die nu al een x in hun paspoort hebben en te maken hebben met heel
praktische zaken zoals banken en verzekeraars die zich nog niet aan die realiteit
hebben aangepast. Mijn concrete vraag was of de Staatssecretaris in gesprek wil gaan
met de belanghebbenden om na te gaan tegen welke problemen zij aan lopen en welke
acties wij daarop kunnen nemen. Kan zij dat toezeggen?
Dank.
De voorzitter:
Mevrouw Mutluer.
Mevrouw Mutluer (GroenLinks-PvdA):
Voorzitter. Ik vond het heel fijn om dit debat te voeren met deze Staatssecretaris.
Ik dank haar voor haar constructieve houding. Ik kondig wel aan dat wij sowieso met
een voorstel gaan komen, samen met de heer Clemment ... Zeg ik het niet goed?
De voorzitter:
Het is de heer Clemminck.
Mevrouw Mutluer (GroenLinks-PvdA):
Clemminck. Excuses. Ik ben niet zo van de namen.
De voorzitter:
Maar u gaat samen een voorstel doen.
Mevrouw Mutluer (GroenLinks-PvdA):
We zien toch een aanknopingspuntje om Insiya bij het handelsakkoord onder de aandacht
te brengen en gaan daarom een voorstel doen. Naar aanleiding van het debat dat we
net hebben gevoerd, ga ik ook een voorstel indienen ten aanzien van de dubbele geslachtsnaam
om er zo voor te zorgen dat de onrechtvaardige situatie, een discriminerend element
in de wet, verdwijnt.
Tot slot, voorzitter, heb ik nog één vraag en die heeft te maken met adoptie. Ik weet
dat er kinderen zijn die geadopteerd zijn nadat ze te vondeling zijn gelegd. Een van
mijn collega’s, de heer De Hoop, is er daar een van. Ik heb laatst een podcast beluisterd.
Kinderen die dat overkomt, zouden te allen tijde het recht moeten hebben om via de
politie of elders te achterhalen wie hun ouders zijn. Het sluit een beetje aan op
de discussie die we hebben gehad over adoptie in het algemeen. Is de Staatssecretaris
daartoe bereid? Eventueel kan zij daar later op terugkomen, maar ik vind dit wel een
mooi puntje om mee af te sluiten.
De voorzitter:
Zeker. Dank. Mevrouw Wendel.
Mevrouw Wendel (VVD):
Dank, voorzitter. In deze tweede termijn wil ik de Staatssecretaris toch met klem
danken voor de voortvarende aanpak van de afgelopen weken in het binnenlandse-adoptiedossier.
Ik waardeer dat echt enorm. Volgens mij is met de aankondiging van excuses een hele
belangrijke stap gezet. Tegelijkertijd druk ik de Staatssecretaris nogmaals op het
hart om met dezelfde urgentie en in hetzelfde tempo door te gaan met de rest van het
proces naar de erkenning voor deze mensen, en dan doel ik met name op de openbaarheid
van de dossiers en de «brief van je moeder».
Dank u wel.
De voorzitter:
Dank. Mevrouw Straatman.
Mevrouw Straatman (CDA):
Dank, voorzitter. Ik kan me helemaal aansluiten bij de woorden van mevrouw Wendel.
Dank voor de urgentie waarmee het traject is opgepakt, maar ik zie het wel echt als
een beginpunt van het traject naar herstel. Laten we dus met name kijken naar de toegang
tot de dossiers en de moederbrief: hoe kunnen we die op een pragmatische manier regelen?
De vraag is immers ook wat een «afgesloten dossier» nou is. Gelet op de geschiedenis
van dat dossier, kun je je ook heel erg de vraag stellen of een dossier zonder moederbrief
niet per definitie onvolledig is en of de kwalificatie «gesloten» dan wel past. Dat
is, denk ik, voor een later moment.
Misschien nog een korte toelichting op mijn vraag over de digitale inzage. Je ziet
dat met name de afstandsmoeders – dat zal ook wel gelden voor een grotere groep mensen
die op leeftijd zijn – naar het Nationaal Archief in Den Haag moeten gaan om daar
om inzage te vragen, terwijl de technische uitrusting om via DigiD inzage te krijgen,
er al is. Laten we daar dus ook op dat punt pragmatisch mee omgaan en dat gewoon faciliteren.
De voorzitter:
De heer Sneller.
De heer Sneller (D66):
Dank, voorzitter. Dank aan de Staatssecretaris voor de beantwoording en aan de collega’s
voor het mooie debat. Ik meld mij binnenkort bij collega Kostić, zoals beloofd. Voor
nu moet ik mij verontschuldigen.
Dank u wel.
De voorzitter:
De heer Diederik van Dijk.
De heer Diederik van Dijk (SGP):
Dank, voorzitter. Dank aan de Staatssecretaris voor de beantwoording. De agenda van
vandaag was in zekere zin, althans zo heb ik het gezien, toch wel een beetje een ratjetoe
van thema’s, met alle respect. Ik vind het voor een deel wel een klein beetje exemplarisch
voor de manier waarop wij omgaan met dit rechtsgebied, zeker als wij het hebben over
het naamrecht. Daar hebben we het nodige over gewisseld. Daarbij is nu toch de vraag:
gaan we nu zó ver mee in hele individuele gevoelens, en hoeveel waarde hechten wij
aan collectieve kenbaarheid en orde et cetera, wat het algemene belang zou moeten
dienen? Ik hoop dat we over dat punt, over de visie die achter het naamrecht ligt,
toch een keer een wat fundamenteler debat met elkaar kunnen hebben.
Dank u, voorzitter.
De voorzitter:
Mevrouw Bikker.
Mevrouw Bikker (ChristenUnie):
Voorzitter. Ik ben dol op fundamentele debatten, dus ik sluit mij graag aan bij collega
Diederik van Dijk. Het allermeest wil ik echter de Staatssecretaris graag een compliment
maken. Op dit immens grote terrein zes weken actief zijn en dan al met zo veel kennis
van zaken hier komen en vanuit het hart laten zien waar je betrokkenheid ligt, verdient
gewoon een groot compliment. Veel dank daarvoor.
Ik heb wat vragen gesteld over het draagmoederschap in relatie tot de commissie-Joustra,
maar ik kan me ook voorstellen dat de Staatssecretaris, in plaats van daarop in te
gaan in de tweede termijn, dat wat steviger behandelt in de brief.
Ik wil haar danken voor de toezegging rondom de complexe scheidingen en de inzet die
het kabinet op dat vlak zal plegen.
De voorzitter:
Tot slot de heer Clemminck.
De heer Clemminck (JA21):
Voorzitter. Dank aan de Staatssecretaris voor de wijziging op het gebied van de geslachtsregistratie.
Zorgvuldigheid is belangrijk, zowel in het wetgevingsproces als bij het voorstel dat
komt. Dat heeft de Staatssecretaris volgens mij heel helder gemaakt, maar dat geldt
straks ook voor de uitkomst van de procedure, voor de balans tussen aan de ene kant
de toegankelijkheid voor burgers en aan de andere kant de zorgvuldigheid. Voor mijn
partij is vooral de leeftijdsbepaling een belangrijk onderdeel daarvan. Ik kijk uit
naar de behandeling te zijner tijd.
Ik hoop dat dit meer zal zijn dan het optelt tot 76 zetels. Dat proef ik ook wel uit
de woorden van de Staatssecretaris. Juist bij dit soort vraagstukken en wetsbehandelingen
moet volgens mij naar een breed draagvlak in de Kamer gezocht worden. Ik hoop dus
dat dit uiteindelijk ook de intentie is van de Staatssecretaris.
De voorzitter:
Dank. Ik geef het woord aan de Staatssecretaris voor haar tweede termijn.
Staatssecretaris Van Bruggen:
Hartelijk dank, voorzitter. Ik begin met de vraag die mevrouw Bikker eerder heeft
gesteld over de lessen uit het rapport van de commissie-Joustra. Het is echt goed
om daarop wat zorgvuldiger en uitvoeriger terug te komen in een brief, want ik heb
hier een vrij kort en technocratisch antwoord. Ik zou het ook jammer vinden, want
anders doe ik hieraan geen recht. Als u dat goed vindt, kom ik daar dus schriftelijk
op terug.
Dan de vraag van mevrouw Straatman over de digitale inzage: kunnen dossiers gedigitaliseerd
worden? Archiefbewaarders gaan over eigen archivering. Dat is toch ook wel weer hoe
het feitelijk zit, maar ik wil heel graag het gesprek met die archiefbewaarders aangaan
om aandacht te vragen voor de mogelijkheden om hun dossiers te digitaliseren, zodat
ze inzichtelijk worden en de mensen die inloggen met hun DigiD echt een compleet dossier
bij het Nationaal Archief kunnen inzien omdat het daar inmiddels aan toegevoegd is.
Dat is de ideale situatie. Het is belangrijk om te weten dat dit niet iets is waar
ik per se vandaag wat mee kan. Het is wel waarover ik met hen het gesprek voer, want
ik realiseer mij ook dat juist die digitalisering kansen biedt.
Dan de vraag van het lid Kostić. Ik ga graag op korte termijn in gesprek met de transgender
en x-gemeenschap. Dat zou ik graag voor de zomer doen, want dat helpt mij ook om mij
dit dossier meer eigen te maken. Juist bij het personen- en familierecht heb ik dat
nodig om met de goede dingen bezig te zijn; dat heb ik nu wel ervaren in de persoonlijke
gesprekken die ik voer. Wat mij betreft wordt dat dus voor de zomer. Dat ligt ook
aan de agenda’s, maar dat zal vast goed komen.
Dan de problemen die nú worden ervaren door mensen die een x in hun paspoort hebben,
bijvoorbeeld als zij zich bij banken of gemeenten moeten identificeren. Ik zou daar
toch graag schriftelijk op terugkomen, want anders insinueer ik mogelijk iets over
hoe het nu loopt en hoe wij dat anders zouden moeten doen. Ik denk dat het goed is
dat ik daar even iets dieper induik, zodat ik schriftelijk iets meer tegemoet kan
komen aan een zorgvuldig antwoord.
De laatste vraag die ik hier nog heb liggen, is van mevrouw Mutluer en die gaat over
vondelingen, zoals collega De Hoop. Dit is al mogelijk via INEA. Dat is dus een beetje
het feitelijke antwoord. Tegelijkertijd is het absoluut een groep die we niet uit
het oog moeten verliezen. Het is niet iets waar je heel vaak in de krant over leest,
om het maar even zo te zeggen. Ik denk dat het goed is om in dit onderwerp wat dieper
te duiken en dit onderdeel te laten uitmaken van een schriftelijke terugkoppeling,
zodat u een beeld krijgt van hoe het nu werkt.
Kamerlid Kostić (PvdD):
Misschien kan ik het de Staatssecretaris makkelijker maken. Ik hou van brieven, maar
de Staatssecretaris heeft gezegd dat zij sowieso in gesprek gaat met de belanghebbenden,
onder andere met Transgender Netwerk.
Over de mensen met een x in het paspoort die tegen allerlei praktische problemen aan
lopen: mijn vraag was vooral of de Staatssecretaris dat ook kan bespreken tijdens
het gesprek dat zij voor de zomer voert met Transgender Netwerk, zodat daar kan worden
bekeken waar zich die problemen nou precies voordoen. Kan de Staatssecretaris vervolgens
terugkoppelen wat zij heeft gezien en welke oplossingen zij daarvoor ziet?
Staatssecretaris Van Bruggen:
Helder verzoek. Dat ga ik zo doen. Hartelijk dank.
De voorzitter:
Dat was uw tweede termijn?
Staatssecretaris Van Bruggen:
Dat klopt. Ik ben klaar.
De voorzitter:
Dank u zeer, Staatssecretaris en de ondersteuning, voor deze beantwoording.
Ik krijg de toezeggingen van vandaag aangereikt. Ik ga ze voorlezen.
− De Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid zegt toe de Kamer voor de zomer van
2026 te informeren over het reflectietraject in het kader van het rapport Schade door
schande en de aanbevelingen daarin, over de gesprekken met de getroffenen en over
de herstelmaatregelen en het proces daarbij.
− De Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid zegt toe de Kamer voor de zomer van
2026 te informeren over het onderzoek naar de mogelijkheden voor een separaat archief
voor moederbrieven.
− De Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid zegt toe zich ervoor in te spannen
de Kamer vóór het debat over emancipatie te informeren over de tijdlijn met betrekking
tot een nieuwe Transgenderwet en de gesprekken met de gemeenschap.
− De Staatssecretaris zegt toe dat, als in mei 2026 het WODC-rapport over het onderzoek
naar het regelen van scheidingen via de notaris, naar de Kamer wordt gestuurd, zij
de kabinetsreactie daarop in de zomer van 2026 aan de Kamer zal toezenden.
− De Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid zegt toe de kabinetsreactie op de wetenschapstoets
wetsvoorstel Wet kind, draagmoederschap en afstamming en de reflectie daarop van het
lid Diederik van Dijk, zo spoedig mogelijk naar de Kamer toe te zenden.
− De Staatssecretaris zegt toe de Kamer voor de zomer te informeren over de problematiek
die mensen ervaren met een x in hun paspoort.
Dat zijn ze.
Daarmee hebben wij de toezeggingen genoteerd. Ik dank de Kamer, de collega’s, voor
de inbreng en de Staatssecretaris voor haar beantwoording. Ik dank alle mensen die
hier op de tribune aanwezig zijn en allen die via de livestream luisteren, voor hun
aandacht.
Ik sluit de vergadering.
Sluiting 16.59 uur.
Ondertekenaars
-
Eerste ondertekenaar
B.J. Eerdmans, voorzitter van de vaste commissie voor Justitie en Veiligheid -
Mede ondertekenaar
I. van Tilburg, griffier