Verslag van een commissiedebat : Verslag van een commissiedebat, gehouden op 9 april 2026, over verward/onbegrepen gedrag en veiligheid
25 424 Geestelijke gezondheidszorg
Nr. 801
VERSLAG VAN EEN COMMISSIEDEBAT
Vastgesteld 24 juni 2026
De vaste commissie voor Justitie en Veiligheid, de vaste commissie voor Volksgezondheid,
Welzijn en Sport en de vaste commissie voor Binnenlandse Zaken hebben op 9 april 2026
overleg gevoerd met de heer Heerma, Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties,
mevrouw Hermans, Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, mevrouw Sterk, Minister
van Langdurige Zorg, Jeugd en Sport, en de heer Van Weel, Minister van Justitie en
Veiligheid, over:
− de brief van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties d.d. 11 december
2025 inzake voortgang aanpak verward/onbegrepen gedrag (Kamerstuk 25 424, nr. 772);
− de brief van de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid d.d. 15 december 2025
inzake voortgang Werkagenda Aansluiting forensische zorg en reguliere zorg (Kamerstuk
33 628, nr. 112);
− de brief van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties d.d. 16 december
2025 inzake rapport «Klem in het systeem» van het Toezicht Sociaal Domein (Kamerstuk
34 477, nr. 93);
− de brief van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties d.d. 2 april
2026 inzake kabinetsreactie op rapport «Klem in het systeem» van het Toezicht Sociaal
Domein (Kamerstuk 34 477, nr. 94).
Van dit overleg brengen de commissies bijgaand geredigeerd woordelijk verslag uit.
De voorzitter van de vaste commissie voor Justitie en Veiligheid, Eerdmans
De voorzitter van de vaste commissie voor Volksgezondheid, Welzijn en Sport, Mohandis
De voorzitter van de vaste commissie voor Binnenlandse Zaken, Kisteman
De griffier van de vaste commissie voor Justitie en Veiligheid, Van Tilburg
Voorzitter: Van der Plas
Griffier: Van Tilburg
Aanwezig zijn negen leden der Kamer, te weten: Coenradie, Diederik van Dijk, Ten Hove,
Mathlouti, Van der Plas, Straatman, Struijs, Wendel en Westerveld,
en de heer Heerma, Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, mevrouw
Hermans, Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, mevrouw Sterk, Minister van
Langdurige Zorg, Jeugd en Sport, en de heer Van Weel, Minister van Justitie en Veiligheid.
Aanvang 10.00 uur.
De voorzitter:
Goedemorgen allemaal, en welkom bij dit commissiedebat over verward en onbegrepen
gedrag. Ik wil de bewindspersonen van harte welkom heten. We hebben maar liefst vier
bewindspersonen in deze Kamer vandaag. Dat is best wel uniek, maar dat komt ook doordat
dit een onderwerp is dat veel domeinen raakt. Ik wil de Minister van Binnenlandse
Zaken, de heer Heerma, de Minister van Volksgezondheid, mevrouw Hermans, de Minister
van Langdurige Zorg, mevrouw Sterk, en de Minister van Justitie en Veiligheid, de
heer Van Weel, van harte welkom heten bij dit debat. We hebben tot 13.00 uur vanmiddag.
Dat zijn drie uurtjes. Welkom ook aan de leden: mevrouw Westerveld namens GroenLinks,
mevrouw Coenradie namens JA21, mevrouw Straatman namens het CDA, mevrouw Wendel namens
de VVD, mevrouw Ten Hove namens de Groep Markuszower, de heer Struijs namens 50PLUS,
de heer Van Dijk namens de SGP en de heer – sorry, ik moet heel even kijken – Mathlouti
namens D66. We hebben elkaar al vaker gezien, maar het is altijd nog even wennen met
de nieuwe gezichten.
Het is vandaag 9 april. Ik wil toch even kort in herinnering brengen dat het vandaag
precies vijftien jaar geleden is dat er in winkelcentrum De Ridderhof een afschuwelijke
schietpartij was waarbij er zeven mensen omkwamen, onder wie de dader. Ik wil van
de gelegenheid gebruikmaken om de nabestaanden en de slachtoffers heel veel sterkte
te wensen op deze dag, want het heeft diepe sporen achtergelaten en dat doet het nog
steeds.
Dat gezegd hebbende: we hebben vier minuten spreektijd. Omdat we kort de tijd hebben,
wil ik de interrupties in de eerste termijn van de Kamer beperken tot twee. We willen
namelijk ook graag een debat voeren met de bewindspersonen. Mochten we goed in de
tijd zitten, dan kan ik altijd coulant zijn als u echt nog een hele prangende vraag
aan elkaar heeft.
Ik wil ook de mensen op de tribune van harte welkom heten en de mensen thuis die het
debat via de livestream volgen. Ik geef graag het woord aan mevrouw Westerveld namens
GroenLinks.
Mevrouw Westerveld (GroenLinks-PvdA):
Dank u wel, voorzitter. Eens in de zoveel tijd – u refereerde er al aan – worden we
opgeschrikt door afschuwelijke gebeurtenissen: een man die met het hoofd van zijn
moeder in de kofferbak rijdt, iemand die zijn partner doodsteekt, of kijk naar de
documentaire De Instagram moord over de 21-jarige Bouchra die in een psychose haar
zus om het leven bracht. Dat zijn allemaal nare situaties met immens leed voor de
nabestaanden en voor mensen zelf, ook voordat het misgaat. Ik had niet zo heel lang
geleden een jongeman van in de twintig aan de telefoon, een student nog, die zich
enorme zorgen maakte over zijn broer. Hij zei tegen mij: mijn broer gaat mijn vader
of mijn moeder wat aandoen en dan grijpt er helemaal niemand in totdat het misgaat.
Dat is symptomatisch voor hoe het gebeurt. Want bij incidenten staan we allemaal te
roepen, soms aan de interruptiemicrofoon: we vinden het allemaal heel erg. Maar daarna
is het vaak stil en krijgt het onderwerp nauwelijks aandacht. Mijn belangrijkste vraag
vandaag is waarom we allemaal zien dat het steeds slechter gaat en dat ingrijpen nodig
is, maar dat niet gebeurt.
We weten dat er een enorme, groeiende groep mensen is met meerdere problemen, mensen
die niet bij de opvang passen, niet bij beschermd wonen en vaak ook niet bij de reguliere
zorg. Wat begint als een zorgvraag, eindigt dan vaak als een veiligheidsvraagstuk.
De politie kreeg vorig jaar 150.000 meldingen. Zo’n melding deed ik ook eens. Het
was na een laat Kamerdebat. Een man die overduidelijk verward was, zat in de stromende
regen in een rolstoel in Nijmegen. Toen belde ik de politie. De politie belde de ggz,
maar daar was geen plek. Dan zit je wel met elkaar met een groot probleem. Het erge
is: dit komt natuurlijk niet uit de lucht vallen. Collega’s Mutluer en Michon hebben
in juli 2024 een parlementaire verkenning uitgevoerd. Daaruit kwam een rapport met
een aantal glasheldere aanbevelingen. In diezelfde maand steunde de volledige Kamer
onze motie met het verzoek om een noodplan te maken voor mensen met ggz-problematiek
die niet passen in de reguliere maatschappelijke opvang. Een Kamermeerderheid steunde
ook de motie-Mutluer c.s. waarmee werd gezegd: «Zorg moet leidend zijn en de politie
moet worden ontlast. Agenten zouden het allerlaatste vangnet moeten zijn als het echt
niet anders kan.»
Voorzitter. Mijn vragen. Hoeveel prioriteit krijgt het aanpakken van de aanbevelingen
uit het rapport van dit kabinet? In het regeerakkoord lees ik dat de aanbevelingen
uit de verkenning worden meegenomen. Ik lees dus weer dat er gefocust wordt op veiligheid.
Maar waarom staat hier niet dat de aanbevelingen worden uitgevoerd? Waarom ligt de
focus niet op zorg in plaats van op veiligheid? Waarom lees ik te weinig over passende
woonplekken voor deze groep, zoals ook onze motie van twee jaar geleden vraagt? Wat
is precies de ambitie? Hoe gaat de regering bemoeizorg meer inzetten als er tegelijkertijd
wordt bezuinigd op de zorg? Waarom denkt ook dit kabinet dat we het afkunnen met een
jaarlijkse rapportage in plaats van een halfjaarlijkse rapportage, waar de Kamer eerst
om vroeg? Pakt het Ministerie van Binnenlandse Zaken nu echt de regierol, zoals we
vragen? Wat zijn precies de plannen? Waarom is er nog steeds geen landelijke structurele
financiering voor de Levensloopaanpak voor de relatief kleine groep – het gaat om
1.500 mensen – met ernstig en risicovol gedrag?
Voorzitter. Dit was een heel kritische inbreng, maar er is ook goed nieuws. Want met
voldoende politieke wil kan er worden geïnvesteerd in preventie en in bemoeizorg.
Een paar weken geleden was ik met collega Mutluer op bezoek bij de hier vlakbij. We
hadden een ongelofelijk indrukwekkend gesprek met cliënten die te maken hebben met
een psychose en met hun behandelaren. Die cliënten vertelden ons dat ze soms jarenlang
niet naar buiten durfden, dat ze allerlei signalen en opdrachten kregen via stemmen
in hun hoofd, maar soms ook via de tv. Ze vertelden ook hoe vroegtijdige hulp door
gespecialiseerde behandelaren voor hen levensreddend is in de brede zin van het woord.
Mijn laatste vraag aan het kabinet gaat hierover: zijn ze ook bereid om specifiek
te investeren in psychosezorg? Want goede en tijdige hulp redt mensenlevens.
De voorzitter:
Dank u wel. Ik zie geen interrupties. Dan geef ik het woord aan mevrouw Coenradie
namens JA21.
Mevrouw Coenradie (JA21):
Voorzitter. Op tal van plekken in ons land verloedert het straatbeeld in rap tempo.
Afgelopen maand spraken we al over jongeren die intimideren, dealen en explosieven
afsteken. Vandaag hebben we het over een andere groep die gemeenten met de handen
in het haar laat zitten: verwarde personen die rondzwerven in onze steden en dorpen.
Ik denk dat iedereen het erover eens is dat deze personen van de straat moeten worden
gehaald en passende hulp nodig hebben. Verwarde personen zorgen namelijk voor onvoorspelbare
situaties in het straatbeeld en daarmee voor onveiligheid. Die gevoelens van onveiligheid,
vaak niet meetbaar in objectieve cijfers, moeten serieus worden erkend door de politiek
en door dit kabinet. Wat JA21 betreft is de veiligheid op straat altijd het uitgangspunt,
en pas daarna de persoon met verward gedrag. Dat betekent dat verwarde personen in
het belang van de samenleving soms niet direct terug op straat moeten worden gezet
nadat ze zijn opgepakt. Vaak is dit ook in het belang van de verwarde persoon zelf.
Voorzitter. De situatie is op dit moment te vaak dat een agent een verwarde persoon
oppakt en vervolgens niet weet wat hij of zij ermee moet. De politiecel is een oplossing
voor een nachtje en de ggz zit propvol, maar er is niet iets strafrechtelijks voorgevallen
waardoor het strafrecht in beeld komt. De agent voelt in ieder geval in iedere vezel
dat het een kwestie van tijd is voordat het echt misgaat: een potentiële tijdbom voor
de samenleving en de persoon zelf. We staan erbij en kijken ernaar, want «de regels».
Dat brengt mij bij een fundamenteler probleem: wie heeft hier eigenlijk de regie?
We zien versnippering over ministeries, wetten en verantwoordelijkheden, maar geen
duidelijke aansturing. Kan het kabinet vandaag helder maken wie echt over de gehele
linie eindverantwoordelijk is voor deze aanpak en wie knopen doorhakt als het vastloopt?
Wat is het perspectief voor de agent en voor de samenleving als geheel? Welke oplossingen
gaat het kabinet met spoed in gang zetten?
Het is goed dat er wordt gewerkt aan aanpassingen aan de Wet verplichte ggz en de
Wet zorg en dwang, maar we horen vooral dat er wordt verkend en uitgewerkt en dat
dingen worden doorgeschoven naar de volgende brief. Wanneer zien we nu daadwerkelijk
concrete resultaten? Wat is het harde tijdpad voor het echt oplossen van deze knelpunten?
Een belangrijk onderdeel van het probleem blijft onderbelicht: informatie wordt simpelweg
niet gedeeld. Professionals weten niet wat wel en niet mag, wetten lopen achter en
de praktijk zit klem. Wat gaat het kabinet op korte termijn doen om ervoor te zorgen
dat informatie wel gedeeld kan worden, zodat eerder kan worden ingegrepen?
Het is echt onbegrijpelijk dat het kabinet het plan heeft om te bezuinigen op ggz-wonen.
In de brief van 15 december van het vorige kabinet wordt juist gezegd dat er al een
gebrek aan passende woonplekken is. Hoe valt dit uit te leggen? Hoeveel geld wordt
er exact bezuinigd op ggz-wonen? Waar landt deze bezuiniging concreet? Zal deze bezuiniging
niet leiden tot nog meer incidenten in het kader van verward gedrag, en erger: tot
meer belasting van de strafrechtketen, van politiecel tot detentie?
In het verlengde daarvan: de ggz light. We hebben natuurlijk de Rotterdamse pilot
die nu wordt voorbereid naar aanleiding van onze aangenomen motie. Zijn er al andere
grote of kleine gemeenten die zich bij de Minister hebben gemeld om dit uit te rollen?
Voorzitter. Tot slot het huishoudboekje rondom de aanpak van verwarde personen. De
Kamer heeft halverwege vorig jaar om een volledig overzicht van de financiering gevraagd,
maar dat is er nog steeds niet. Dit zorgt voor een versnipperd beeld. Zo kunnen we
ons werk niet goed doen. Wanneer krijgt de Kamer nou eindelijk een compleet en controleerbaar
overzicht van alle middelen?
Tot zover.
De voorzitter:
Dank u wel, mevrouw Coenradie. We horen op dit moment de startbel van de dag. Om 10.15
uur begint namelijk het debat in de plenaire zaal. Deze bel duurt altijd n minuut
en zorgt ervoor dat mensen uit alle hoeken en gaten van dit grote gebouw op tijd in
de plenaire zaal kunnen zijn. Niemand kan deze bel missen. Dat zeg ik even ter toelichting.
Ik zie geen interrupties, dus ik geef het woord aan mevrouw Straatman van het CDA.
Mevrouw Straatman (CDA):
Dank u wel, voorzitter, ook voor het volpraten van de Kamerbel. De Kamer spreekt al
jaren over de aanpak van personen met onbegrepen gedrag. Het is een van de meest complexe
vraagstukken van dit moment, onder andere door de veelheid aan betrokken partijen
en de versnippering van het stelsel. Dat blijkt ook wel uit het aantal bewindspersonen
dat vandaag aanwezig is. Het raakt bijna elk beleidsterrein, maar niemand kan het
alleen oplossen. Onlangs liep ik mee met de politie in Groningen. Bij zorgmeldingen
rijdt daar geen tweede politieagent mee, maar een sociaalpsychiatrisch verpleegkundige.
Dat werkt. Waar de politie eerst zes tot acht uur kwijt was aan één casus, is dat
nu ongeveer tweeënhalf uur. Dat laat ook zien wat deze problematiek vraagt van de
politiecapaciteit. Tegelijkertijd staat deze succesvolle pilot op de tocht door tijdelijke
financiering. Dat speelt niet alleen in Groningen, maar door heel het land. Telkens
moet het ei van Columbus opnieuw worden uitgevonden. Dat roept de vraag op hoe het
succes van pilots wordt gemonitord en wat het stappenplan is na een succesvolle pilot.
De wildgroei aan pilots maakt nog iets anders duidelijk: er is veel behoefte aan structurele
financiering, regie en stabiliteit. Dat volgde ook uit de aanbevelingen van de parlementaire
verkenning. Toch worden daarin nog steeds te weinig stappen gezet. Waarom, vraag ik
de bewindspersonen. Waarom is er bijvoorbeeld nog steeds geen duidelijkheid over structurele
financiering van de succesvolle Levensloopaanpak en de Zorg- en Veiligheidshuizen?
Voorzitter. De beperkte spreektijd dwingt mij om me vandaag te beperken tot drie andere
punten. Allereerst de informatiedeling. Door de versnippering is goede gegevensuitwisseling
cruciaal. Onduidelijkheid over privacywetgeving leidt tot handelingsverlegenheid,
terwijl het vroegtijdig delen van signalen juist escalatie kan voorkomen. Daarom heb
ik de volgende vragen aan de Ministers van JenV en VWS.
Allereerst over de Wams. Het is goed dat dit wetgevingstraject loopt en dat er een
compromis is bereikt over het delen van persoonsgegevens door partijen met een wettelijk
beroepsgeheim. Verschillende ketenpartners hebben echter de zorg uitgesproken dat
dit nieuwe wetsvoorstel nog niet alle knelpunten wegneemt. Zij komen daarom met het
voorstel om een meldrecht op te nemen voor zorgverleners, te gebruiken in heel bijzondere
situaties. Hoe kijken de bewindspersonen naar het voorstel van een meldrecht?
Ten tweede de Wgs. Een aantal belangrijke partijen ontbreekt nog in dit samenwerkingsverband,
zoals de gehandicaptenzorg en de woningbouwverenigingen. Welke tijdelijke oplossingen
zien de bewindspersonen op dit moment om gegevensdeling met deze partijen binnen de
Zorg- en Veiligheidshuizen te verbeteren vóór evaluatie van de Wgs?
Ten derde zie je de problemen rondom gegevensdeling ook bij crisisplaatsingen buiten
de eigen gemeente. Daar ontbreekt het vaak aan terugkoppeling. Welke verbeterpunten
zien de bewindspersonen om dit op te lossen?
Voorzitter. Dan bemoeizorg. Er zit nu een gat tussen enerzijds autonomie en anderzijds
gedwongen opname. Het CDA gelooft dat bemoeizorg dit gat deels kan dichten. Mijn collega
Tijmstra vroeg eerder, in het ggz-debat, om een concreet plan van aanpak om bemoeizorg
in alle gemeenten in te regelen. Kan de Minister van VWS hier nogmaals op ingaan en
toezeggen met een concreet plan te komen?
Tot slot over de plaatsingsproblematiek, de tekorten aan passende prikkelarme woonvormen
en de slechte doorstroming in de keten van beschermd wonen. Door maatschappelijke
weerstand duren trajecten voor beschermd wonen of de Skaeve Huse lang. Van de noodzakelijke
1.150 woningen zijn bijvoorbeeld nog maar 150 Skaeve Huse gerealiseerd. Dat is zorgelijk,
want we moeten blijven zoeken naar creatieve oplossingen om de doorstroom te bewerkstelligen.
Daarom mijn volgende vragen, initieel aan de Minister van VRO, maar in haar afwezigheid
stel ik die aan de Minister van Binnenlandse Zaken als procesregisseur. Hoe wil de
Minister landelijk regie nemen op het huisvestingsvraagstuk voor deze doelgroep? Welke
aanvullende stappen zijn er nodig naast de Wet versterking regie volkshuisvesting?
Welke mogelijkheden ziet de Minister voor tijdelijke huisvesting op locaties in handen
van het Rijksvastgoedbedrijf?
Tot slot. Op ggz-instellingsterreinen lijkt soms ruimte voor uitbreiding van Skaeve
Huse. Is de Minister in gesprek met ggz-aanbieders om die mogelijkheden te benutten?
Zo niet, hoe kijkt hij hiertegen aan?
Tot zover, voorzitter.
De voorzitter:
Dank u wel. Er is een interruptie van mevrouw Ten Hove.
Mevrouw Ten Hove (Groep Markuszower):
Ik hoor het CDA vragen stellen over de Zorg- en Veiligheidshuizen, de pilots en een
plan van aanpak, en het structurele geld daarvoor. Dat kost allemaal geld. De Groep
Markuszower wil liever kijken naar de preventieve kant. Dan kom ik toch op de bezuinigingen
op de zorg en de ggz. Ik hoor u over geld praten. Als ik met een motie kom om daar
structureel geld voor vrij te maken en de bezuinigingen te stoppen, vind ik het CDA
dan aan mijn kant?
Mevrouw Straatman (CDA):
Dat is, denk ik, te platgeslagen. We hebben vorige week een uitgebreid ggz-debat gehad.
Mijn collega was daarbij en heeft duidelijk uitgelegd hoe wij naar het vraagstuk kijken.
Hij heeft aangegeven dat we de zorg op de lange termijn betaalbaar moeten houden en
dat we op verschillende terreinen moeten kijken hoe we dat voor elkaar krijgen. Wat
ik terugkrijg uit het veld – daar valt wat mij betreft een efficiëntieslag te maken
– is dat er heel veel met pilots wordt gewerkt. Er zijn ook een aantal heel succesvolle
pilots, bijvoorbeeld in Groningen en in Gouda, waarin er een ggz-lightsituatie gecreëerd
wordt – dat is eigenlijk het voorbeeld van mevrouw Coenradie – en de processen veel
efficiënter ingericht worden. Maar men loopt ertegen aan dat het telkens tijdelijke
potjes geld zijn. Die stoppen dan en vervolgens wordt elders precies hetzelfde plan
uitgedacht met hetzelfde tijdelijke potje geld. Ik denk dat dat niet efficiënt is.
Met diezelfde hoop geld kunnen we onze middelen veel efficiënter inzetten. Dat is
dus mijn vraag: hoe kunnen we dat veel efficiënter inrichten? Tegelijkertijd is de
vraag, die zojuist ook werd gesteld door mevrouw Coenradie, hoe we inzichtelijk kunnen
maken hoe we de huidige financiële middelen inzetten. Dat is nog veel te onoverzichtelijk.
Zo kunnen we ook moeilijk sturen als Kamer. Ik wil graag eerst inzicht en dan kijken
waar we het beste op kunnen inzetten om het vooral efficiënt in te regelen.
De heer Struijs (50PLUS):
Ik heb een vervolgvraag. Ik deel de mening van de Groep Markuszower dat het allemaal
beter kan, maar bij dat inzicht hoort ook de return on investment. Over die goede
pilots in Rotterdam en Groningen zegt de politie: dit gaat ons zo veel werk schelen
en dat verdienen we dus ook terug. Bent u van mening dat als wij nog eens een goed
doordacht overzicht hebben, we dit daarin mee moeten nemen? Bent u van mening dat
investeren in de ambulante zorg bij de ggz ontzettend veel oplevert bij politie en
justitie en in het voorkomen van dingen? Ik wil het CDA ertoe bewegen dat we het geheel
blijven zien en niet op één sector gas gaan geven.
De voorzitter:
Graag via de voorzitter, want de voorzitter heeft geen mening op dit moment.
De heer Struijs (50PLUS):
Via de voorzitter.
De voorzitter:
«Is mevrouw Straatman van mening ...»
Mevrouw Straatman (CDA):
Mevrouw Straatman begrijpt heel goed wat de heer Struijs zegt. Je moet dit in het
geheel bekijken. De situatie bij de politie is voor een groot deel ontstaan omdat
het zorgstelsel niet op orde is. Daardoor komen er veel te veel zorgvragen bij de
politie terecht. Dat betekent dat we ons ggz-stelsel niet goed hebben ingericht. Daar
zullen we naar moeten kijken. Betekent dat meteen dat er geld bij moet? Ik denk niet
dat dat een-op-een zo is. Ik denk dat we het stelsel gewoon veel efficiënter moeten
inregelen. Ik heb zojuist het voorbeeld van de pilots genoemd. Denk ook aan het wettelijk
inregelen van bemoeizorg. Het begint bij inzicht krijgen in waar welk geld naartoe
gaat en waar de prioriteiten liggen, vandaar mijn vraag en de eerder gestelde vragen.
De voorzitter:
Dank u wel. Dan geef ik het woord aan mevrouw Wendel namens de VVD.
Mevrouw Wendel (VVD):
Dank, voorzitter. Voordat ik in oktober Kamerlid werd, werkte ik in de openbare orde
en veiligheid. Ik wilde dit werk doen omdat ik de georganiseerde misdaad wilde aanpakken,
omdat ik drugshandel wilde tegengaan, omdat ik er simpelweg voor wilde zorgen dat
we ons allemaal veilig kunnen voelen, zowel thuis als achter de voordeur. Deze verwachting
werd deels waargemaakt, maar al gauw merkte ik dat ik heel veel tijd kwijt was aan
mensen met onbegrepen gedrag, in plaats van aan het tegengaan van de georganiseerde
misdaad. Dit geldt in nog veel grotere mate voor onze politieagenten. Het is eerder
regel dan uitzondering dat de politie vier keer op een avond bij dezelfde persoon
voor de deur staat, bij iemand die volledig in de knoop zit, in een woonwijk waar
ouders hun kinderen niet meer alleen naar buiten durven te laten gaan en de een na
de ander gaat verhuizen omdat het er simpelweg niet meer leefbaar is, omdat het veiligheidsgevoel
van mensen volledig verdwenen is. Die tijd kan de politie niet besteden aan het aanpakken
van de georganiseerde misdaad of het pakken van winkeldieven.
Voorzitter. Het is van belang dat we aan de slag gaan met mensen met onbegrepen gedrag.
Daarmee helpen we in de eerste plaats de mensen die deze hulp heel hard nodig hebben.
Tegelijkertijd ontlasten we de politie en herstellen we de leefbaarheid in de wijken.
Zoals u weet, ondersteunt de VVD alle aanbevelingen uit de parlementaire verkenning.
Mijn partij zal het kabinet ook aan deze afspraken houden. Vandaag wil ik stilstaan
bij drie specifieke punten, namelijk goede coördinatie, het splitsen van E33-meldingen
bij de politie en tot slot het vaker inzetten van bemoeizorg.
Allereerst de goede coördinatie en structuur. Verantwoordelijkheid voor personen met
onbegrepen gedrag is versnipperd tussen lokale, regionale en landelijke bevoegdheden.
Goede regie is essentieel. Dat is trouwens ook een van de hoofdaanbevelingen van de
parlementaire verkenning. Vorig jaar is naar aanleiding van deze verkenning gesproken
over de mogelijkheid om de Minister van BZK probleemeigenaar te maken vanuit het kabinet.
Welke stappen zijn hier sindsdien op gezet en welke verbeteringen heeft dit opgeleverd
in de landelijke aansturing?
Dan de meldingen bij de politie. Door het splitsen van de E33-meldingen zorgen we
voor beter inzicht in wanneer de politie daadwerkelijk nodig is en wanneer andere
vormen van hulp passender zijn. Begin 2026 zou er meer duidelijkheid komen over de
mogelijkheden van nieuwe werkafspraken hieromtrent. Kan de Minister hier al meer duidelijkheid
over geven? Zo niet, wanneer kunnen we de resultaten dan wel verwachten?
Voorzitter. Dan bemoeizorg. De VVD is van mening dat mensen met onbegrepen gedrag
veel te veel politiecapaciteit kosten. Het liefst zorgen we natuurlijk dat we mensen
op vrijwillige basis kunnen helpen, maar wanneer dit niet lukt, moet wat ons betreft
vaker bemoeizorg worden toegepast. De VVD wil voorkomen dat mensen eerst een strafrechtelijke
overtreding moeten begaan voordat ze onder dwang geholpen kunnen worden. Daarnaast
wil de VVD verkennen welke mogelijkheden er zijn tot het opleggen van gedragsaanwijzingen
door de burgemeester. Welke drempels zijn er om deze daadwerkelijk in te zetten, en
hoe kunnen deze drempels weggenomen worden, vraag ik aan de Minister.
Voorzitter, tot slot. Mensen met onbegrepen gedrag moeten passende hulp krijgen. Zo
helpen we die persoon, ontlasten we de politie en herstellen we het veiligheidsgevoel
van al onze inwoners in die wijken. Ik wil de Minister vragen om een tijdlijn. Wanneer
kunnen we uitvoering van welke aanbeveling van de parlementaire verkenning verwachten?
Ik wil de Minister toch nogmaals vragen hierover halfjaarlijks, en niet jaarlijks,
te rapporteren. Zo kunnen wij als Kamer actief onze controlerende taak vervullen en
zorgen we voor een veiliger Nederland.
Dank u wel.
De voorzitter:
Dank u wel, mevrouw Wendel. Ik zie geen interrupties. O, mevrouw Westerveld heeft
wel een interruptie.
Mevrouw Westerveld (GroenLinks-PvdA):
Ook hier is eigenlijk de vraag: hoe dan? Ik ben het helemaal eens met meer bemoeizorg
en meer passende zorg. Dat is allemaal hartstikke goed; dat moeten we vooral doen.
In het coalitieakkoord staat ook dat de aanbevelingen van de parlementaire verkenning
worden meegenomen, maar ik lees nergens hoe dan. Dat staat niet in het coalitieakkoord
en ook niet in de financiële doorrekening daarvan. Er wordt bezuinigd op de ggz. Wat
gaat de VVD dan doen om te zorgen dat de aanbevelingen van de verkenning worden nageleefd?
Mevrouw Wendel (VVD):
Er zitten hier vandaag vier bewindspersonen die zich hiermee bezighouden. Dat laat
volgens mij de betrokkenheid zien, maar ook hoe versnipperd het is over de verschillende
ministeries. Daarom ben ik in mijn spreektekst ingegaan op de regie die mijn fractie
verwacht van de Minister van BZK. Dat geldt wat mij betreft niet alleen voor het proces.
Dat geldt ook voor de vraag: welk geld is waarvoor en hoe zetten we dat zo effectief
en efficiënt mogelijk in om mensen met onbegrepen gedrag, en dus ook hun omgeving,
te helpen?
De voorzitter:
Mevrouw Westerveld, uw laatste interruptie.
Mevrouw Westerveld (GroenLinks-PvdA):
Welk geld is waarvoor? De vraag is: welk geld? Dat geld is er namelijk niet. Dat is
niet geregeld. Sterker nog, er wordt fors bezuinigd op de ggz. Ik zie bijvoorbeeld
ook geen extra geld voor daklozenopvang. De vraag is hoe de VVD dan gaat zorgen dat
de aanbevelingen worden nagekomen. Dat is namelijk wel wat ik mevrouw Wendel hoorde
zeggen. Ik hoorde haar allemaal goede dingen zeggen over bemoeizorg, passende zorg,
enzovoort, maar de vraag is echt: hoe dan? Volgens mij is dat het grote probleem.
We zien allemaal dat er iets moet gebeuren, maar als puntje bij paaltje komt, wordt
het niet concreet.
Mevrouw Wendel (VVD):
Ik deel met mevrouw Westerveld dat het concreter moet worden hoe die financiering
wordt ingericht. Daarom vraag ik de Minister van BZK hoe het zit met al die verschillende
potjes en hoe het bij elkaar komt tot één integrale aanpak. Om specifiek in te gaan
op de ggz, zeg ik het volgende. Ik heb met onder anderen mevrouw Westerveld vorige
week uitgebreid het debat hierover gevoerd. Toen hebben we ook onze ideeën gedeeld
over hoe wij willen zorgen voor een verbetering ten aanzien van de steeds maar stijgende
kosten van de ggz, die juist niet leiden tot verbetering, terwijl er nog steeds enorme
wachtlijsten zijn. Ik denk niet dat we dat opnieuw moeten doen.
Daar wil ik het graag bij laten.
De voorzitter:
Dank u wel. Dan geef ik het woord aan mevrouw Ten Hove van de Groep Markuszower.
Mevrouw Ten Hove (Groep Markuszower):
Dank, voorzitter. Vandaag bespreken we een veelkoppig monster, een probleem van ons
allemaal. De brede afvaardiging hier laat zien dat dit eindelijk ook wordt erkend.
Verward en onbegrepen gedrag vraagt namelijk om een gezamenlijke interdepartementale
aanpak. Groep Markuszower vindt dat politie en hulpverleners ontlast moeten worden,
zodat ze zich op andere taken kunnen richten. Veel verward gedrag komt voort uit oorzaken
elders, zoals huisvesting. Het kabinet schrijft zelf dat de keten van woningen en
zorgplekken vastzit en dat initiatieven zoals de Skaeve Huse maar mondjesmaat van
de grond komen. Hetzelfde geldt voor passende woonvormen voor jongvolwassenen die
uit de beschermde jeugdzorg uitstromen vanwege het bereiken van de volwassen leeftijd.
Welke oplossing heeft dit kabinet om het aantal passende plekken te vergroten? Huisvesting
mag dan wel een lokale verantwoordelijkheid zijn, gemeenten krijgen die verantwoordelijkheden.
Zij krijgen de sleutel terwijl alles letterlijk op slot zit: te weinig financiële
middelen, stikstofregels en de Spreidingswet die hen ondertussen tot extra taken dwingt.
Gemeenten zitten klem. Hoe moeten ze deze onmogelijke taak uitvoeren?
In de Wzd, de Wet zorg en dwang, en de Wvggz, de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg,
staat dat dwang in de zorg niet mag, behalve als het echt nodig is. De wet is in de
dagelijkse praktijk moeilijk uitvoerbaar voor professionals. Veel zorgorganisaties
worstelen met het opendeurenbeleid. Welk risico is hierbij acceptabel? Welke rol speelt
deze wet in het verward en onbegrepen gedrag op straat? De beroepsgroepen juichen
van harte toe dat deze twee wetten meer op elkaar worden afgestemd, specifiek de crisismaatregel
en de ibs. Dit zijn de twee manieren waarop een verward persoon in een instelling
opgenomen zou kunnen worden. Op dit moment bepaalt de voorliggende ziekte, bijvoorbeeld
psychiatrie of dementie, welke wet voorliggend is. In de praktijk is dat soms echt
giswerk, want dit vergt gedegen onderzoeken. Een patiënt met een Wvggz-maatregel mag
niet in een Wzd-instelling en vice versa. Ook de procedures verschillen sterk. Daarbij
is een crisismaatregel een stuk complexer dan een ibs. Verenso, de vereniging van
specialisten ouderengeneeskunde, heeft mooie suggesties opgesteld voor hoe dit beter
kan. Is de Minister op de hoogte van deze suggesties? Neemt ze die mee in de uitvoering?
Onlangs heb ik in het commissiedebat over ggz en suïcide gevraagd naar de impact van
asielzoekers, statushouders en mensen uit Oekraïne op de wachtlijsten en überhaupt
op de ggz. Deze vraag is niet beantwoord en ik ben oprecht benieuwd welk effect deze
groepen hebben op de ggz en de wachtlijsten. Weten we het niet of willen we het niet
weten? Vandaag krijg ik hierop graag een antwoord.
In Nederland verblijven daarnaast nog steeds illegalen die tbs-plekken bezet houden.
Om hoeveel van deze plekken gaat dit landelijk? Wat wordt eraan gedaan om dit te stoppen?
Is het kabinet het met mij eens dat dit ook een van de oorzaken is voor de verstopping
van de ggz-keten? Indien dat niet het geval is, krijg ik daar graag een uitleg bij.
Nergens in de beleidsstukken wordt er gerept over de nieuwkomers in ons land en de
ellende en trauma’s die zij mogelijk meenemen de straat op. Ook over drugsproblematiek
wordt nauwelijks gerept, terwijl deze wel degelijk bijdraagt aan de onrust op straat.
Afgelopen week was er sprake van een dieptepunt: voor het eerst in de geschiedenis
wordt de Nederlandse Staat aansprakelijk gesteld voor de wachtlijsten in de ggz. Graag
een reactie van het kabinet.
Groep Markuszower vindt dat we moeten stoppen met symptoombestrijding en dat we het
probleem moeten aanpakken bij de bron.
Dank u.
De voorzitter:
Dank u wel. Ik zie geen interrupties. Dan geef ik het woord aan de heer Struijs van
50PLUS.
De heer Struijs (50PLUS):
Dank u, voorzitter. Ik neem u even mee in de casus van de moord op Rens. Rens werd
in zijn woning doodgestoken en zijn huisgenoot raakte zwaargewond. De dader – ik baseer
mij op openbare bronnen, zeg ik er voor de duidelijkheid bij – was zeer bekend bij
niet alleen de politie, maar ook de GGD, de reclassering, Veilig Thuis en de woningcorporatie.
Hij had een strafblad, had psychische problemen en kreeg vlak voor de moord steeds
meer waangedachten. In het laatste jaar waren er meer dan 70 meldingen over hem. Elke
keer was het hetzelfde: de politie kwam en nam hem mee, de ggz zei «we hebben niks»
en dan ging hij weer de straat op. Uiteindelijk leidde dat tot dit verschrikkelijke
misdrijf in Amsterdam-West. Deze hele zaak – ik heb ’m op openbare bronnen bekeken
– laat zien waar we nu middenin zitten. Het zijn niet alleen de excessen die we hier
bespreken. Het is een heel falend systeem, waarin iedereen toch een beetje langs elkaar
heen werkt, met zeer goede intenties; dat wil ik wel gezegd hebben. Bij verward gedrag
zie ik zorgmijding, gebrekkige gegevensdeling en gebrek aan regie in heel veel rapporten
terugkomen, niet alleen in de zaak van Rens, maar in alle inspectierapporten.
Ondertussen wordt het probleem groter. Mensen in de ambulance en bij de politie melden
mij dat de toename echt verschrikkelijk is, omdat er steeds meer wordt bezuinigd,
maar ook omdat er nieuwe gevallen van verward gedrag zijn. Mag ik u wijzen op mensen
met dementie of alzheimer, die langer thuis worden verzorgd? Hierdoor hebben we nu
de eerste drie doodslagen, omdat directe zorg af en toe niet geleverd kon worden.
In zijn dementie heeft een man zijn partner vermoord in een recente zaak in de buurt
van Utrecht. Daarbij deed de rechter nogmaals een appel op ons allen hier: hier moeten
we aan de voorkant iets mee doen. Ik ga geen opsomming van alles geven, maar dat komt
er ook nog bij: door een tekort aan zorg geven we mensen langer thuis zorg, waardoor
er ook excessen ontstaan. De afbouw van ambulante ggz-zorg bestrijkt dus een heel
breed palet. Er is een opeenstapeling.
De Woningwet is nog steeds niet op orde. Woningcorporaties geven aan dat ze van Groningen
tot Rotterdam tot Heerlen mensen met verward gedrag in een sociale huurwoning hebben,
die de buurt terroriseren. Elke keer komt de politie om het maar weer te sussen. De
ggz, als die er al is, zegt: we hebben geen plek, dus laat ’m hier maar wonen. Zo
escaleert het door. De onveiligheid van de omwonenden is enorm toegenomen, meldt de
politie mij. Met die 150.000-plus meldingen – dat aantal loopt namelijk op – gaan
we volgend jaar weer naar een nieuw record, volgens de politie. Ik zou heel graag
met geïntegreerd beleid een ombuiging willen zien. Maar terug naar de Woningwet: wanneer
kan de Kamer een wijziging van de Woningwet tegemoetzien, zodat woningcorporaties
wel degelijk informatie kunnen uitwisselen met diverse instanties om tot adequate
interventies te komen?
Er is structurele overbelasting bij de politie. De politie zegt: als je meer investeert
in ggz, zoals in de pilots in Rotterdam en Den Haag, ontlast ons dat. Neem dat mee
in al die berekeningen, want het wordt nog weleens te mathematisch aangepakt. We zien
dat er een stapeling is van losstaande, goedwillende initiatieven. Ik vond het echt
een hele sterke stand-van-zakenaanbeveling van de parlementaire verkenning, maar ik
sluit me aan bij degenen die vragen: hoe dan? Elke investering in geld die je hierin
doet, betaalt zich aan de achterkant uit. Durven wij te investeren?
Een tweede punt is, en dat geldt ook hier: wie voert nou de regie vanuit de ministeries?
Wat ons betreft is dat BZK, maar we hebben een doortastende Minister met mandaat nodig
die namens de regering op alle terreinen gas gaat geven, en wel zo snel mogelijk.
Hier laat ik het even bij, voorzitter.
De voorzitter:
Dank u wel. Ik zie ook geen interrupties op uw betoog. Dan geef ik het woord aan de
heer Van Dijk van de SGP.
De heer Diederik van Dijk (SGP):
Dank u wel, voorzitter. Ik doe mijn bijdrage mede namens de ChristenUnie.
Voorzitter. De wereld waarin we leven is complex en kent een hoop misère. Zelfs mensen
zonder breekbare psyche kunnen hierdoor worden overweldigd; dat is niet vreemd. Voor
de SGP en de ChristenUnie geldt dat we kwetsbare mensen niet laten vallen en dat we
verantwoordelijkheid dragen voor de veiligheid en leefbaarheid in onze wijken. Als
we terugkijken, zien we dat verregaande ambulantisering en extramuralisering van de
ggz, met de forse afbouw van het aantal klinische bedden vanaf 2025, niet alleen de
zorg dichter bij huis heeft gebracht, maar ook kwetsbaarheden in het systeem heeft
blootgelegd. Wat begint als zorgvraag, eindigt te vaak als veiligheidsvraagstuk.
Twee punten zijn cruciaal: stevige landelijke regie en voldoende woonvoorzieningen
voor beschermd wonen en intensieve woonzorg. Gemeenten, zorgaanbieders, politie en
woningcorporaties leveren een gezamenlijke inzet, maar de aanpak loopt vaak vast in
een lappendeken aan regels, loketten en financieringsstromen. Burgemeesters geven
aan dat zij te vaak onvoldoende doorzettingsmacht hebben. Professionals weten wat
nodig is, maar dat verzandt in een opeenstapeling van privacyregels, schotten in budgetten
en onduidelijke verantwoordelijkheden. Nemen de Ministers de oproepen van de VNG en
het Leger des Heils ter harte? Zij zeggen: richt niet nog een overlegtafel in, maar
maak duidelijke keuzes; zorg voor meer landelijke regie, met lokale uitwerking; zorg
voor structurele in plaats van tijdelijke financiering; en creëer wetgeving die samenwerking
mogelijk maakt in plaats van belemmert.
Voorzitter. Landelijke regie moet leiden tot heldere kaders voor samenwerking tussen
zorg en veiligheid, duidelijke regie bij vastlopende casussen en stabiele meerjarige
financiering. Daarnaast vraag ik, net als collega’s eerder deden, aandacht voor gegevensuitwisseling
tussen het zorg- en veiligheidsdomein, want anders blijft integrale hulp een papieren
ideaal.
Voorzitter. In het licht van het voorgaande vraag ik aandacht voor een belangrijke
partner, gefinancierd door ZonMw. In de regio Hollands Midden is in november 2025
een pilot Maatschappelijke Eerste Hulp, MEH, gestart. Die pilot vult een gat in de
acute zorgketen op. Als de politie, ambulance of psychiatrische eerste hulp te maken
heeft met mensen met onbegrepen gedrag die ze zelf niet kunnen helpen, is er de MEH.
Ggz, politie en ambulance zijn positief over de pilot, al is deze nog onrendabel.
Kennen de Ministers deze pilot? Is een voorziening als deze schaalbaar? Als blijkt
dat deze MEH een succes is, zijn de Ministers dan bereid om duurzame financiering,
of in ieder geval financiering voor langer dan een jaar, te stimuleren?
Voorzitter. De groep mensen met een combinatie van psychiatrische problematiek, verslaving,
licht verstandelijke beperking en soms agressief gedrag groeit. Ze kunnen niet zelfstandig
wonen, maar passen ook niet in de reguliere opvang. Zonder geschikte woonplek blijven
ze te lang in de wijk of in een crisisopvang, of belanden ze in een politiecel. Ik
vraag dit kabinet om onder meer de noodkreet van het Leger des Heils serieus te nemen.
De problematiek in de opvang wordt zwaarder, trajecten duren langer en de doorstroom
stokt door een gebrek aan vervolgplekken. Steeds meer mensen vallen tussen wal en
schip. De brieven van gemeenten en Zorg- en Veiligheidshuizen onderstrepen dit beeld.
Er is een tekort aan passende woon- en verblijfsvoorzieningen, inclusief intensieve
en beveiligde varianten. Zolang die plekken ontbreken, blijft de druk op politie,
spoedzorg en buurten toenemen.
Daarom doe ik tot slot de oproep: breng in kaart hoeveel plekken voor beschermd wonen
en intensieve woonzorg landelijk nodig zijn, werk toe naar landelijke richtgetallen,
zodat ook de regio’s weten waar ze naartoe werken, en organiseer de bekostiging zo,
dat aanbieders ook de meest complexe groepen kunnen helpen zonder te worden afgerekend
op doelmatigheidsprikkels, die juist uitsluiten.
Dank u, voorzitter.
De voorzitter:
Dank u wel. Mooi dat u de inbreng ook namens de ChristenUnie doet en dat kleine fracties
elkaar op deze manier helpen. Ik geef het woord aan de heer Mathlouti van D66.
De heer Mathlouti (D66):
Voorzitter, dank. We spreken vandaag over een groep personen die helaas vooral bekendstaat
om overlast en onveiligheid, een groep die als last wordt gezien, door de buurt, door
de hulpverleners, maar soms ook door de politiek, terwijl het vaak gaat om iemand
die zijn medicijnen is vergeten in te nemen, iemand met een trauma die vlucht in alcohol
of drugs, of iemand die graag hulp wil, maar niet weet waar hij terechtkan of geen
hulp durft te vragen. Dat heeft steeds vaker verward gedrag op straat tot gevolg.
Juist daar wringt het, want zolang wij deze mensen pas zien op het moment dat het
misgaat, blijven we achter de feiten aanlopen. Dan reageren we op incidenten, in plaats
van dat we ze voorkomen.
Gelukkig zien we dat het anders kan. In Nederland zien we steeds meer voorbeelden
waarin het perspectief verschuift: van overlast naar ondersteuning, van escalatie
naar vroegtijdig handelen. Ook zien we initiatieven waarin niet het systeem, maar
de mens centraal staat en waarin samenwerking ondanks beperkingen op het gebied van
bijvoorbeeld privacy, wel van de grond komt. Zo laat de gemeente Utrecht zien, met
het programma Samen eropaf, dat het kan. Verschillende partijen op het gebied van
zorg, wonen, veiligheid en het sociaal domein werken samen, brengen risicogroepen
in beeld en handelen voordat het escaleert. Dat is, denk ik, precies de richting die
we op moeten.
Tegelijkertijd hoor je daar ook het eerlijke verhaal. Soms loopt de samenwerking vast
op onduidelijkheid over gegevensdeling. Professionals willen wel, maar durven niet,
uit angst om de privacyregels te overtreden. Het Leger des Heils bracht dit namens
verschillende partijen dan ook terecht nog een keer onder de aandacht. Daarom vraag
ik de Minister wat hij op korte termijn gaat doen om die handelingsverlegenheid weg
te nemen. Wanneer krijgen professionals heldere kaders voor wat er wel mag? Als die
ruimte er onvoldoende is, is de Minister dan bereid om die regels aan te passen?
Voorzitter. Dat brengt mij bij de praktijk, want uiteindelijk gaat het niet alleen
om systemen, maar vooral om wat er gebeurt op straat, op stations en in de wijk. Verwarde
personen vragen vaak niet om een politieagent, maar veel vaker om hulp en aandacht.
Een mooi initiatief zie ik bij de NS. Daar zijn speciale medewerkers die niet in uniform,
maar in spijkerbroek op verwarde personen aflopen en die de tijd hebben om eens wat
langer naast iemand te zitten en te vragen: hoe gaat het, heb je hulp nodig? Dat soort
initiatieven werpen hun vruchten af. Personen met verward gedrag of met het risico
op verward gedrag bouwen een vertrouwensband op met bekende gezichten op het station.
Ze worden vaker doorverwezen naar de juiste zorg. Dit is een voorbeeld van een makkelijke
maatregel die een groot verschil kan maken. Ik ben benieuwd hoe de Minister naar specifiek
dit initiatief en ook naar vergelijkbare initiatieven kijkt. Kan de Minister aangeven
of deze werkwijze kan worden uitgerold naar andere stations en plekken waar veel overlast
voorkomt?
Voorzitter. Tot slot de parlementaire verkenning. Veel aanbevelingen lopen, maar vaak
gaat het alleen nog maar over gesprekken of voorbereidingen. Een aantal keuzes zijn
doorgeschoven. Hoeveel van de aanbevelingen zijn nu daadwerkelijk geïmplementeerd?
Hoe maken we de omslag van voorbereidingen en verkenningen naar concrete resultaten?
Ik vraag de Minister om ons daarin nadrukkelijk mee te nemen. Dat geldt ook voor het
overzicht van financiële middelen, waar veel van mijn voorgangers ook terecht aandacht
voor hebben gevraagd. Er zijn veel financieringsstromen en dat maakt het voor de Kamer
onduidelijk. Ik vraag de Ministers of het beloofde overzicht van alle beschikbare
middelen ons nog voor de zomer kan worden toegestuurd.
Veel dank.
De voorzitter:
Dank u wel. Ik gaf net aan dat de voorzitter geen mening heeft en dat is ook zo, maar
mevrouw Van der Plas heeft wel een mening en ... Sorry, u heeft nog een interruptie?
Dan ga ik zo meteen verder met mijn toelichting.
Mevrouw Ten Hove (Groep Markuszower):
Sorry, voorzitter, maar ik wil D66 een vergelijkbare vraag stellen als die ik het
CDA heb gesteld. U heeft het ook over financiering, maar ik heb hier onder andere
de brief van VWS over de geestelijke gezondheidszorg en de reactie op de parlementaire
verkenning Verward/onbegrepen gedrag en veiligheid. Daar staat gewoon in dat mensen,
als hun bestaanszekerheid onder druk staat, een groot risico lopen om de grip op hun
leven te verliezen, met alle ellende van dien: armoede, geen werk, schulden, allerlei
problematiek. We tuigen weer programma’s op, met subsidies erbij die tegen het plafond
aan klotsen, terwijl de oorzaak niet wordt aangepakt. Waarom zorgt D66 niet voor meer
geld in de portemonnee en voor bestaanszekerheid? De zorg wordt kapotbezuinigd. U
zit aan de knoppen; u kunt daar wat aan doen.
De voorzitter:
Ik zit niet aan de knoppen, maar de heer Mathlouti zit aan de knoppen.
De heer Mathlouti (D66):
Ik denk dat de collega van Groep Markuszower heel veel dingen door elkaar haalt. Ze
heeft het onder andere over bestaanszekerheid, en daarvoor zijn de gemeenten via de
verschillende gedecentraliseerde dingen aan zet. Daarbij gaat het over werk, inkomen
en schulden. We hebben het hier over mensen met verward gedrag die problemen ervaren
op het gebied van zorg, wonen en allerlei andere dingen die vandaag zijn genoemd.
Er is sprake van verschillende financieringsstromen. Door mijn voorgangers is, volgens
mij terecht, gevraagd om duidelijkheid over hoe die stromen lopen. Als we die duidelijkheid
hebben en weten om hoeveel geld het gaat, kunnen we pas zeggen of iets genoeg is of
niet. De collega van Groep Markuszower heeft haar punt nu via verschillende interrupties
gemaakt. Ik denk dat dat duidelijk is. Laten we vooral ook even luisteren naar wat
het kabinet hierop te zeggen heeft en laten we dan kijken wat er nodig is.
De voorzitter:
Ik was gebleven bij de mededeling dat mevrouw Van der Plas wel een mening heeft. Dat
is de reden dat ik nu even het voorzitterschap ga overdragen aan mevrouw Westerveld,
zodat ik namens de BBB mijn inbreng in dit debat kan doen.
Voorzitter: Westerveld
De voorzitter:
Mevrouw Van der Plas, u heeft het woord.
Mevrouw Van der Plas (BBB):
Dank u wel. Voorzitter. Mensen met verward of onbegrepen gedrag moeten de hulp krijgen
die ze nodig hebben, zeker in een rijk en sociaal land als Nederland. Het kan iedereen
overkomen, door een psychische ziekte, een verslaving of een ingrijpende gebeurtenis.
Juist daarom is het onacceptabel dat deze mensen nog te vaak tussen wal en schip vallen,
maar dat is wel wat er nog altijd gebeurt. Het inspectierapport van december 2025,
Klem in het systeem, is daar keihard over. Het schetst een verontrustend beeld van
de zorg voor en de ondersteuning van mensen met verward gedrag. Dat zijn niet mijn
woorden, voorzitter; het staat gewoon letterlijk in het rapport. Dit ondanks de grote
betrokkenheid van professionals en naasten die zich dagelijks inzetten voor mensen
met onbegrepen en verward gedrag. Dat wil ik toch nog even gezegd hebben.
Voorzitter. In het inspectierapport staat ook een noodkreet: er is geen tijd meer
voor langlopende agenda’s en pilots. De urgentie voor een duurzame oplossing is groot.
Met die noodkreet in het achterhoofd vraag ik mij oprecht af waarom een kabinetsreactie
dan drie maanden op zich heeft laten wachten. En wat lezen we dan in de reactie? «We
verkennen.» Vandaar mijn vraag aan de Minister: wanneer stopt het kabinet met verkennen
en wanneer gaat het uitvoeren? Wat wordt er nu concreet geregeld en per wanneer?
Voorzitter. De politie kreeg vorig jaar zo’n 150.000 meldingen van verward gedrag.
Agenten komen ter plaatse, bellen de crisisdienst en wachten vervolgens soms een uur
tot die komt, als die al komt. Als iemand tegen die tijd wat rustiger is, is het ineens
geen crisis meer en gebeurt er niks. De politie is geen oppas. Daarom moet het anders.
Er moeten voldoende crisisbedden en opvangplekken komen, zodat mensen direct geholpen
kunnen worden en de politie ook weer sneller door kan. Mensen met psychische problemen
of een verslaving die hulp nodig hebben, worden soms ook door de politie naar de spoedeisende
hulp gebracht. Daar worden ze verzorgd, kunnen ze uitrusten, worden ze gezien door
een arts, krijgen ze een kop thee en wat te eten, maar vaak is er geen reden om ze
medisch te behandelen of in het ziekenhuis op te nemen. De spoedeisende hulp stuurt
deze mensen dan ook weer weg.
Intussen houden deze mensen, hoe schrijnend hun situatie ook is, wel een bed bezet
op de spoedeisende hulp, terwijl ze daar eigenlijk niet thuishoren. De druk op de
spoedeisendehulpposten, vooral in de grote steden, neemt daardoor toe. Mijn vraag
is dus: wat gaat de Minister concreet doen om ervoor te zorgen dat de juiste hulp
op tijd aanwezig is en de politie niet structureel deze rol moet overnemen? De Minister
heeft eerder toegezegd met gemeenten in gesprek te gaan om te kijken of er bereidwilligheid
is om dit soort opvangplekken te realiseren. Kan de Minister daar iets over vertellen?
Voorzitter. Dan wil ik een kleine zijsprong maken. In de kabinetsreactie lezen we
dat het kabinet rekening wil houden met het absorptievermogen van een wijk bij de
opvang van mensen met verward gedrag. Dat is ook voor BBB een belangrijk uitgangspunt.
Maar mijn zijsprongetje gaat over het volgende. Is het kabinet van mening dat dit
principe dan ook moet gelden bij de opvang van asielzoekers en statushouders? Velen
van hen kampen namelijk ook met grote trauma’s en geven daardoor ook overlast.
Voorzitter, tot slot. Wij hebben geconstateerd dat we inmiddels alleen nog maar mogen
spreken over «onbegrepen gedrag». Dit wordt gezegd omdat we niet stigmatiserend willen
zijn. Maar ik denk wel dat we moeten stoppen met alles te verbloemen en in zachtere
taal te spreken, want ik denk dat de mensen met verward en onbegrepen gedrag daar
niet mee geholpen zijn. Mensen die verslaafd zijn, mensen met een psychische aandoening
en alcoholisten die op straat rondzwerven, zijn niet gebaat bij wollige taal. We moeten
het benoemen zoals het is en niet iedereen op een hoop gooien. Zorg ervoor dat deze
mensen terechtkomen bij de instanties waar ze echt geholpen kunnen worden.
Dank u wel. Tot zover.
De voorzitter:
Dank u wel. Ik zie geen interrupties, dus ik geef u het voorzitterschap terug.
Voorzitter: Van der Plas
De voorzitter:
Dank u wel. Dan zijn we aan het einde van de eerste termijn van de Kamer gekomen.
Het is nu bijna 10.50 uur. Ik wilde voorstellen om een halfuur te schorsen, als de
bewindspersonen dat ook oké vinden. Er zijn ook heel veel vragen gesteld over huisvesting.
De Minister van Volkshuisvesting heeft zich afgemeld; zij is verhinderd vanwege een
plenair debat. Ik ga ervan uit dat de beantwoording door de Minister van Binnenlandse
Zaken gedaan kan worden.
Minister Heerma:
Ik weet dat er in eerdere debatten weleens iets is gezegd over de afwezigheid van
de Minister van Volkshuisvesting. Zij zou hierbij geweest zijn als zij niet nu plenair
een wetsvoorstel had moeten verdedigen.
De voorzitter:
Exact.
De vergadering wordt van 10.49 uur tot 11.20 uur geschorst.
De voorzitter:
Goedemiddag, allemaal. Welkom bij de hervatting van het debat Verward/onbegrepen gedrag
en veiligheid. Aan de orde zijn nu de antwoorden van de Ministers. De coördinerend
Minister, Minister Heerma, zal van start gaan. Hij zal ook een inleiding verzorgen.
Het voorstel is om vier interrupties toe te laten. Hou ze kort en bondig, want ik
ga streng zijn als we uit de tijd gaan lopen. Graag de interrupties na ieder blokje,
dus niet in het blokje zelf, zodat de Minister zijn of haar verhaal kan afmaken. Dan
geef ik nu het woord aan de Minister van Binnenlandse Zaken.
Minister Heerma:
Dank u wel, voorzitter. Dank ook voor de uitnodiging om hier vandaag met uw Kamer
in debat te kunnen gaan over de aanpak van personen met verward en onbegrepen gedrag.
Het is goed dat wij met elkaar serieus aandacht besteden aan dit urgente probleem.
Zoals door verschillende woordvoerders ook in het debat is aangegeven, is dit een
steeds urgenter wordend vraagstuk. Ik zal als procesregisseur van de brede aanpak
van verward gedrag inderdaad beginnen met een algemene inleiding, mede namens de bewindspersonen
die hier aanwezig zijn. Daarna zal ik ingaan op de algemene vragen die meer gesteld
zijn in de coördinerende rol. Ik zal mijn best doen om de vragen die gesteld zijn
aan de Minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening ook mee te nemen. Daarna
gaan de bewindspersonen, in de volgorde zoals ze hier zitten, in op de vragen die
op hun terrein gesteld zijn.
Laat ik beginnen met een voorbeeld uit de praktijk, waar verschillende woordvoerders
ook mee zijn begonnen. Ik heb vorige week een brief ontvangen van de burgemeester
van Apeldoorn over een tragisch incident dat plaatsvond in juli 2025, waarbij een
inwoner om het leven kwam. De betrokkenen bevonden zich in een kwetsbare positie en
waren bekend bij de zorg- en veiligheidsketen. De burgemeester schrijft dat naar aanleiding
daarvan nu lokaal en regionaal aanbevelingen worden opgepakt, maar dat het onderzoek
ook duidelijk maakt dat dit niet genoeg is. De vraag is hoe wij vreselijke gebeurtenissen
zoals deze zo veel mogelijk weten te voorkomen en voor structurele verbeteringen landelijke
keuzes maken. Die oproep hebben wij gehoord. Dit vraagt om actie, lokaal en landelijk,
in afstemming en gezamenlijkheid. De deze week aan uw Kamer aangeboden petitie Samen
voor begrip, van een groot aantal belangrijke spelers in dit werkveld, onderstreept
dit ook volledig. Het kabinet erkent deze urgente oproep en ook de keuzes die daarin
worden voorgelegd. Die uitnodiging vanuit het veld nemen wij graag aan. De thema’s
in de aangeboden petitie komen ook overeen met de prioriteiten in de voortgangsbrief
die het vorige kabinet in december naar uw Kamer gestuurd heeft naar aanleiding van
de parlementaire verkenning. Ik zal daar zo meer over zeggen.
De praktijk is buitengewoon complex, weerbarstig en versnipperd. Het is een gelaagd
probleem zonder één eenvoudige oplossing, want als we spreken over personen met verward
en onbegrepen gedrag, dan hebben we het niet over één duidelijke groep. Mevrouw Van
der Plas had het daar in haar bijdrage ook al over. Psychische kwetsbaarheid, verslaving,
verstandelijke beperking, trauma’s, schulden en dakloosheid kunnen allemaal een rol
spelen in een groep die niet homogeen en onder één noemer te brengen is. Ons stelsel
van wet- en regelgeving heeft geprobeerd dat te ordenen, maar voor mensen met al deze
problemen tegelijkertijd en de hen omringende professionals werkt die ordening onvoldoende
ondersteunend. Er is meer nodig. De problematiek is complex en voelt zwaar voor de
mensen zelf, voor hun naasten, maar ook voor de omgeving. Mensen hebben passende zorg
en ondersteuning nodig, die zorgvuldig dient te worden afgestemd op hun kenmerken
en behoeften, maar die zijn niet altijd beschikbaar. De problematiek kan daardoor
verergeren en kan leiden tot overlast en gevoelens van onveiligheid in de wijk. Juist
op dat moment is het voor velen moeilijk om nog de mens achter het gedrag te blijven
zien.
Verschillende woordvoerders gaven het ook al aan: er wordt al ruim tien jaar gewerkt
aan een landelijke aanpak op dit onderwerp. Via het programma Grip op Onbegrip, in
uitvoering door ZonMw, ondersteunen de Ministeries van VWS en JenV regio’s bij het
versterken van samenwerking, kennisdeling, professionalisering en vroegsignalering.
Dat werkte niet voldoende; dat hebben meerdere woordvoerders ook aangeven. Daarom
is bijna twee jaar geleden de parlementaire verkenning gedaan. Die heeft ertoe geleid
dat medio vorig jaar een voorstel is gedaan – dat was het voorstel van het vorige
kabinet – om op basis daarvan een verbreding te doen met onderwerpen als wonen en
bestaanszekerheid. De maatregelen van procesregie, via de rol die ik vervul, zijn
gericht op meer samenhang in het beleid en uitvoering vanuit het perspectief van de
groep mensen met verward en onbegrepen gedrag en de professionals die daarin een cruciale
rol spelen. Voor mensen met een verhoogd veiligheidsrisico is bovendien de werkagenda
voor aansluiting tussen forensische en reguliere zorg gelanceerd.
Voorzitter. Dit onderwerp vraagt blijvende politieke aandacht en meer landelijke regie.
De problematiek is urgent en weerbarstig en de dilemma’s zijn hardnekkig. Gemeenten
en andere betrokken partijen in de keten, zoals professionals, hebben het Rijk nodig
om randvoorwaarden te creëren waarmee zij verder kunnen bouwen op wat in de afgelopen
jaren is ontwikkeld. Ik gaf in het begin al aan dat verschillende woordvoerders ook
signaleren en uit het veld horen dat de urgentie van de problematiek steeds meer toeneemt.
Dat blijkt ook uit de petitie die deze week ontvangen is. Wij horen het ook van politie,
burgemeesters en professionals en uit de wijken. De problematiek wordt naast urgenter
ook complexer, bijvoorbeeld door de toename van en een grotere diversiteit aan verslavende
middelen. De Nationaal Rapporteur Verslavingen heeft hier ook een brief over gestuurd.
Tegelijkertijd neemt de druk op de zorg toe, groeit het tekort aan passende woonplekken
en stijgt het aantal meldingen bij de politie. Hulpverleners zien zwaardere casuïstiek
en ook woningcorporaties signaleren een toename van huurders met complexe problematiek
en een gevoel van overlast bij omwonenden. Daarbij past natuurlijk nadrukkelijk de
waardering voor alle bestuurders, professionals en vrijwilligers die zich dagelijks
inzetten en die dit doen onder heel moeilijke omstandigheden. Incidenten zullen nooit
volledig te voorkomen zijn, maar dat ontslaat ons zeker niet van de verantwoordelijkheid
om de aanpak te verbeteren.
De signalen dat het wachten is tot het misgaat, waar verschillende woordvoerders het
ook over hadden, kunnen we niet negeren. Dat brengt mij tot de inzet van het huidige
kabinet, die eigenlijk volgt op wat het vorige kabinet gestart is met de reactie op
de parlementaire verkenning. Het kabinet, zoals wij hier zitten met elkaar, deelt
volledig de urgentie en het belang van werken aan versterking van de aanpak. In het
opvolgen van de aanbevelingen aan uw Kamer zien wij vier grote prioritaire opgaven.
Die zijn ook benoemd in de brief die in december door het vorige kabinet gestuurd
is, waar verschillende woordvoerders ook aan gerefereerd hebben. Ik zal ze kort langslopen.
Ze komen vrijwel overeen met de petitie die u deze week in ontvangst genomen heeft.
Deze vier onderwerpen komen eigenlijk ook terug in alle brieven die vanuit verschillende
organisaties richting dit debat aan uw Kamer gestuurd zijn.
De voorzitter:
Sorry dat ik u heel even onderbreek. Gaat u die vier onderwerpen in blokjes doen?
Minister Heerma:
Nee, want ...
De voorzitter:
Of zegt u: ik ga dit helemaal in één keer afronden?
Minister Heerma:
Ik kan het u schetsen. Ik wilde de vier blokjes even kort aanstippen, want er zitten
allerlei vragen in die weer heel erg betrekking hebben en ook gericht zijn op de bewindspersonen.
Daarna wilde ik een paar blokjes langslopen met vragen die specifiek aan mij gericht
zijn. Dat zit op de vraagstukken rondom regie, de vragen rondom financiën, de vragen
rondom gegevensdeling en burgemeestersbevoegdheden, en daarna het blokje volkshuisvesting.
Dat is wat ik ga doen. Dat is een aanzienlijk deel, maar er zijn ook vrij veel vragen
gesteld aan de Minister van VWS en wat minder aan de Minister van JenV. Zij pakken
die zelf op. Die raken wel weer aan de vier hoofdthema’s. Ik ga dus niet alle vier
hoofdthema’s helemaal langslopen; ik stip ze alleen aan.
De voorzitter:
Oké. U stipt ze nu aan, dus als u daarmee klaar bent, wil ik de leden wel even de
gelegenheid geven om daar eventueel vragen over te stellen. Daarna gaan we de blokjes
af, per blok dat u net noemde, en daarna weer de leden. Akkoord?
Minister Heerma:
Vanzelfsprekend. U gaat over de orde.
De voorzitter:
Ja, u heeft het er maar mee te doen!
Minister Hermans:
Voorzitter, helpt het u als wij nog even aangeven wat wij beantwoorden? Dan heeft
iedereen het volledige overzicht.
De voorzitter:
Ja, zeker.
Minister Hermans:
Ik zal een aantal algemene vragen beantwoorden die zijn gesteld over de ggz en ook
over de Wet zorg en dwang en de verplichte ggz, en de vragen die zijn gesteld over
de pilot en de structurele financiering daarvan.
De voorzitter:
De Minister van Langdurige Zorg.
Minister Sterk:
Voorzitter. Ik zal een aantal vragen over bemoeizorg beantwoorden, over de financiën
van Wlz-ggz-wonen, waar door een aantal mensen ook vragen over zijn gesteld, en ook
in bredere zin over het beschikbare aantal woonplekken voor mensen met een zorgvraag.
De voorzitter:
De Minister van Justitie en Veiligheid.
Minister Van Weel:
Ik doe het mapje overige belangrijke vragen.
(Hilariteit)
Minister Van Weel:
Dat zijn er zo’n drie, maar die hebben met name betrekking op de politie.
De voorzitter:
Prima. De Minister van Binnenlandse Zaken.
Minister Heerma:
Dank u wel, voorzitter. De eerste opgave is een tekort aan passende woningen en woonzorgvoorzieningen.
De keten zit vast. Zonder een stabiele woonplek is er geen rust en zonder rust is
er geen effectieve zorg of veiligheid. Het probleem is niet alleen geld of personeel,
maar ook maatschappelijke weerstand. Lokale initiatieven lopen vaak vast in langdurige
procedures via het bekende not-in-my-backyardeffect. Het zorgen voor passende woon-zorgplekken
op maat voor deze doelgroep is een belangrijke randvoorwaarde. Wij gaan daar als kabinet
op acteren. Ik heb daar deze week met de Minister van VRO over gesproken. Dit zal
ook worden meegenomen in de Taskforce Versnelling Woningbouw. Daar zal specifiek worden
ingegaan op deze doelgroep.
De tweede opgave betreft gegevensdeling. Professionals willen eerder en beter kunnen
handelen en gemeenten willen regie kunnen nemen, maar zij werken vanuit verschillende
wettelijke kaders, die niet goed op elkaar aansluiten. De spanning tussen privacybescherming
in de zorg, het zo goed mogelijk ondersteunen van mensen vanuit het sociaal domein
en ook het gericht waarborgen van veiligheid in de samenleving is in de praktijk voelbaar
en vraagt om opheldering van kaders, en daarmee handelingsperspectief voor professionals
in het gezamenlijk optrekken.
De derde opgave is de noodzaak om landelijk duidelijker te bepalen wat minimaal op
orde moet zijn in de aanpak. Zonder die duidelijkheid blijft er te veel een risico
op «laat duizend bloemen bloeien», versnipperd en projectmatig, waar verschillende
woordvoerders het ook over gehad hebben. We moeten keuzes maken over wat overal beschikbaar
moet zijn, zoals bemoeizorg, en wat dat vraagt van betrokken partijen op regionaal
en lokaal niveau aan gezamenlijk optrekken. Daarbij bouwen we voort op de ervaringen
van het ZonMw-actieprogramma Grip on Onbegrip, de rodedradeninventarisatie van de
politie, en de kenniswerkplaatsen en de praktijktafels.
De vierde opgave is meer structurele, voorspelbare financiering, waar volgens mij
alle woordvoerders in dit debat het over gehad hebben. Het gaat niet zozeer om meer
geld, maar om meer samenhang en flexibiliteit in de inzet van middelen. Middelen zijn
nu vaak versnipperd, terwijl acute situaties juist om een gezamenlijke inzet en maatwerk
vragen. Tot 2027 is via het actieprogramma Grip op Onbegrip subsidie beschikbaar voor
domeinoverstijgende projecten en samenwerkingsverbanden. Voor het eind van dit jaar
moet een besluit genomen worden over hoe dit structureel ingericht gaat worden. Het
huidige programma loopt tot 2027. We zullen dus voor het einde van het jaar besluiten
hoe we dit structureel gaan invullen.
Er zijn ook vragen gesteld over snelheid en hoe de Kamer de vinger aan de pols houdt.
Er is gevraagd waarom dat niet twee keer per jaar is, zoals de Kamer vraagt, maar
één keer per jaar. Daar zal ik zo op ingaan, maar eerst nog iets over de rol van de
Minister van Binnenlandse Zaken als procesregisseur, als coördinerend bewindspersoon.
Het Ministerie van Binnenlandse Zaken kent traditioneel op veel complexe vraagstukken
een coördinerende rol. Dat is niet altijd makkelijk, maar het is wel belangrijk. Het
is ook de beste manier om niet alleen verticaal te denken aan oplossingen, maar juist
horizontaal te sturen. Dat is een werkwijze die in de huidige coalitie, in het huidige
kabinet, ook in de taskforces wordt gekozen. Daar is vaak één bewindspersoon coördinerend
verantwoordelijk en zeggen de anderen niet «dat is jouw probleem», maar gaan ze gezamenlijk
aan tafel om te kijken: hoe kunnen we met elkaar helpen om met horizontale sturing
in plaats van het traditionele verticale denken verder te komen? De invulling die
door het vorige kabinet is gekozen, met de invulling van de werkwijze die we hier
nu met elkaar hanteren, heeft eigenlijk zijn schaduw vooruitgeworpen, want die past
bij de werkwijze die nu ook bij de taskforces gekozen is.
Verschillende woordvoerders gaven ook aan: niemand kan dit alleen. De woordvoerder
van Groep Markuszower was er het meest expliciet over dat het goed is dat er nu interdepartementaal
samengewerkt gaat worden. Ook de woordvoerder van het CDA verwees hiernaar. Het vraagt
van ons als kabinet om over grenzen heen samen te werken en niet naar elkaar te wijzen.
Wij hebben dus de intentie om dat laatste niet te doen en gezamenlijk afspraken te
maken met veldpartijen. Dat vraagt – en dat is een soort bruggetje naar de rapportage
– dus veel spreken met elkaar, maar ook gezamenlijk met het veld spreken. Dat veld
is groot. De belangen zijn ook divers. Daar lag het oorspronkelijke vraagstuk in.
Dat kost veel tijd. Als je te veel rapportages gaat doen, gaat op een gegeven moment
het werk in de rapportages zitten in plaats van in daadwerkelijk voortgang boeken.
Tegelijkertijd heb ik goed gehoord wat de Kamer hier vraagt, dus ik zou in antwoord
daarop het volgende voorstel willen doen. In de brief die het kabinet gestuurd heeft,
is gezegd dat we naar een jaarlijkse in plaats van een halfjaarlijkse rapportage willen.
Verschillende woordvoerders vroegen: kan het niet toch halfjaarlijks? Ik wil voorkomen
dat we, zoals ik zei, meer tijd besteden aan rapporteren en minder aan daadwerkelijk
problemen oplossen. Tegelijkertijd wil ik de Kamer tegemoetkomen. De volledige rapportage
over alle thema’s uit de parlementaire verkenning volgt aan het einde van het jaar,
maar ik wil toezeggen dat we voor de zomer, rond de zomer – ik weet niet of we voor
de zomer helemaal gaan redden – komen met een rapportage, specifiek gericht op de
vier prioritaire thema’s die benoemd zijn, waarover we dus overleg hebben met het
veld en met elkaar. Dan kunnen we de stand van zaken geven op de vier prioritaire
thema’s en ook aanbevelingen en oplossingsrichtingen op deze vier thema’s. Ik heb
uw Kamer namelijk goed gehoord, dus dit is een voorstel als middenweg tussen wat het
kabinet aanvankelijk wilde en de vragen vanuit de Kamer om het toch halfjaarlijks
te doen. Effectief zijn het dus twee rapportages, waarvan de een over het geheel en
de ander over de prioritaire thema’s gaat.
De voorzitter:
Dank u wel.
Mevrouw Coenradie (JA21):
Ik kan me daarin wel vinden. Ik denk dat rond de zomer hartstikke goed is. Tegelijkertijd
zou ik graag willen voorstellen om in die rapportage niet alleen de voortgang te benoemen,
maar ook concrete KPI’s met een tijdpad, zodat we weten welk ministerie wat gaat doen
en aan welke afspraken zij zich conformeren. Zoals de Minister ook al aangaf, bestaat
er namelijk een werkagenda. Toch heb ik, in ieder geval vanuit mijn oude rol, altijd
ervaren dat het vooral een probleem was van Justitie en Veiligheid en niet zozeer
van VWS. De urgentie was vooral heel erg voelbaar bij Justitie en Veiligheid. In mijn
ideale wereld zitten wij hier de volgende keer niet met de Minister van Justitie en
Veiligheid, en niet omwille van deze Minister, maar om het gegeven dat verwarde mensen
niet in de strafrechtketen thuishoren. Ik zou dus omwille van dat gegeven in de rapportage
graag duidelijke KPI’s terug willen zien, met heel concrete tijdspaden, waar we als
Kamer deze Minister en de andere Ministers ook aan kunnen houden.
De voorzitter:
Dank u wel. KPI’s zijn kritieke prestatie-indicatoren.
Minister Heerma:
Wat we kunnen doen, is langs die vier thema’s zo concreet mogelijk worden en namen
en rugnummers noemen. Er is, om een voorbeeld te noemen, gevraagd of er rondom de
woonplekken niet gekwantificeerd kan worden. Die dingen proberen we daarin te doen.
Er is ook gevraagd wanneer het overzicht van de financiering komt. Er is eerder een
brief gestuurd, volgens mij in maart vorig jaar, die de aanleiding was voor de Kamer
om te zeggen: dit is niet goed genoeg. Dat zal dus ook meegenomen worden. Er zal gekeken
worden hoe we dat kunnen concretiseren tegen de achtergrond van hoe ingewikkeld dat
is in het versnipperde werkveld. Als ik heel eerlijk ben, weet ik niet of we daar
KPI’s in hebben staan, maar het zullen namen en rugnummers zijn. Het zal zo concreet
mogelijk gemaakt worden. Dat biedt de Kamer dan ook weer de kans om op dat moment
te zeggen of ze het een stap in de goede richting vindt of dat het niet goed genoeg
is.
Mevrouw Coenradie (JA21):
We willen zeker concrete informatie, want dat is ook het meest helder voor de Kamer,
in ieder geval voor mij. Maar wat ik vooral bedoel met KPI’s, is dat we bedrijfsmatig
naar dit hele verhaal gaan kijken en dat we als Kamer en als hele maatschappij ook
kunnen zeggen: wanneer kunnen we nou eigenlijk wat verwachten? Wanneer zien wij een
resultaat van iets? Wanneer wordt dit initiatief genomen? Of wanneer wordt dit afgerond?
Of wanneer voelen burgemeesters, of de politie of welke instantie dan ook, dat er
concreet iets gebeurt in hun gemeente? Wanneer? Ik moet elke keer ... Het is in ieder
geval mijn wens dat ik in de brief terugzie: wanneer gaat er wat gebeuren? Als we
dat met elkaar kunnen afspreken, dan zou ik in ieder geval een heel erg tevreden Kamerlid
zijn op dit terrein.
Minister Heerma:
Ik had het over namen en rugnummers. U zegt dat u daar ook tijdspaden bij wilt. Dat
is dan de invulling van de KPI’s. We zetten in op namen en rugnummers en op tijdspaden.
Dank. Dan de heer Struijs? Ja, sorry.
De voorzitter:
Volgens mij was de heer Mathlouti eerst, daarna de heer Struijs en daarna mevrouw
Wendel.
De heer Mathlouti (D66):
Klopt, maar mevrouw Coenradie stelde al een terechte vraag. Volgens mij is het antwoord
van de Minister heel duidelijk: inderdaad, namen en rugnummers. Ik moet er ook eerlijk
iets bij zeggen, en dat bedoel ik niet flauw. Ik heb als nieuweling heel veel stukken
gelezen over dit onderwerp, heel veel oude stukken. Wat mij ook opvalt, is dat we
al heel lang over hetzelfde spreken en dat er ook al heel lang dezelfde soort inhoud
in die stukken staat met betrekking tot dit onderwerp. Het is dus volgens mij een
heel terechte vraag van de collega voor mij.
De voorzitter:
Minister, wilt u hierop reageren?
Minister Heerma:
Hoewel het maar half een vraag is, ga ik er toch op reageren. De toezegging aan mevrouw
Coenradie is gedaan. Ik wil toch beginnen met: het is heel weerbarstig. Sommige woordvoerders
hebben het al aangegeven. Dit is een van de meest weerbarstige vraagstukken van deze
tijd en de gedachte dat alles wordt opgelost als één iemand doorzettingsmacht heeft,
is niet terecht. Dat is de reden waarom ik refereerde aan BZK, dat een traditie heeft
in coördineren op moeilijke thema’s. Dat werkt toch het beste met die horizontale
sturing. De reden waarom de parlementaire verkenning is uitgevoerd, is omdat de constatering
was: we zijn al tien jaar aan het praten hierover, we zien te veel versnippering en
we zien allerlei inzet, maar we zien het probleem groter worden. Daarom zitten wij
hier als nieuwe ploeg deels ook om invulling te geven aan een probleem dat al geconstateerd
is in de parlementaire enquête of, nee – nu zeg ik het zelf – in de parlementaire
verkenning. Dat gebeurt dan, hè. Als één iemand het doet, dan gaat iemand anders ook.
Het vorige kabinet heeft dat dus erkend en heeft invulling gegeven aan die vier prioritaire
thema’s die we in alles terugzien, ook vanuit het veld. Wij bouwen daar nu met elkaar
op voort met de intentie – die proef ik echt bij alle collega’s – om het met deze
werkwijze, gezien wat er in het verleden geprobeerd is, maar waar niet voldoende sturing
op zat, met elkaar meer vorm te geven en om te voorkomen – dat geef ik ook nog mee
– dat aan het einde van het vraagstuk de problemen alleen bij JenV liggen. Dat was
het beeld dat mevrouw Coenradie schetste. Ik wil daarbij aangeven, los van het feit
dat ik de Minister van JenV er persoonlijk graag bij wil hebben, dat ik denk dat het
goed is om het in die breedte te doen, want het is een vraagstuk dat ook die kant
kent. Ik wil dat er wel bij houden. Ik snap de intentie die mevrouw Coenradie uitspreekt
zeer. We zijn ons daarvan bewust en we willen dus doorgaan met de al ingezette werkwijze
om te voorkomen dat over een paar jaar het gevoel nog steeds hetzelfde is.
De heer Struijs (50PLUS):
Even een vraag aan de Minister. Ik sluit me aan bij mevrouw Coenradie. Wij hebben
het voor onze controlerende functie echt nodig dat we de daadkracht en de snelheid
terugzien in de stukken en zo concreet mogelijk, maar ik wil ook een risicoparagraaf.
Die risicoparagraaf beschrijft wat er even niet lukt, wat er uitgesteld wordt of wat
voor hobbels er zijn. Wij moeten te veel het veld in – dat doe ik graag – om elke
keer op te halen wat er misgaat. Benoemd dat ook gewoon. Ik zoek een beetje naar een
vorm waarin we heel veel concreetheid krijgen en daadkracht krijgen, maar we het ook
zien als het even tegenzit. Daar wil ik een advies aan koppelen. Ik heb in alle stukken
en hier ook weer in de woorden veel gehoord over coördinatie en beleidsvoornemens.
Ik wil terug naar het evenwicht. We hebben beleidsvoornemens en we hebben daadkracht.
Daar zoek ik naar, met een risicoparagraaf.
Dank u, voorzitter.
De voorzitter:
Ja, dank u wel. De vragen mogen wat korter en de antwoorden mogen ook iets korter
als we binnen de tijd willen blijven.
Minister Heerma:
Op de risicoparagraaf kom ik in tweede termijn even terug. Dat is voor nu kort. Dus
die schrijven we op voor de tweede termijn.
Mevrouw Wendel (VVD):
De Minister heeft de toezegging gedaan aan mevrouw Coenradie om concreter te worden
op die vier prioriteiten. Dat is een mooi begin, maar voor mij gaat het niet ver genoeg.
We hebben die parlementaire verkenning, met veel concrete punten. Als het dan één
keer per jaar over die volledige verkenning concreter wordt en halfjaarlijks over
die vier prioriteiten, kan ik me daar nog bij neerleggen. Ik wil de Minister dan wel
specifiek vragen om ervoor te zorgen dat in dat jaarlijkse verslag op al die punten
concreet wordt ingegaan. Ik zou daarbij, tot slot, heel graag willen dat we dan geen
brieven meer krijgen met toch weer verwijzingen naar andere bewindspersonen. De coördinerend
Minister van BZK zit er juist om alles bij elkaar te brengen. Als ik dan weer brieven
zie met: nou, en de rest kunt u lezen bij VWS en de rest ... Ik wil dat allemaal in
één brief. Dat wil ik vragen.
Minister Heerma:
Tweeledig. Het eerste is: dank voor deze vraag. Daar is kennelijk onduidelijkheid
over. Alle prioriteiten uit de parlementaire verkenning komen in de jaarlijkse brief.
Dat is dus de intentie, als ik daar onduidelijk over ben geweest. Dat is dus de brief
die aan het einde van Q4 zal komen. Daarnaast is een aanvullende toezegging gegeven
op de vragen die door onder andere de VVD gesteld zijn: we vinden dat niet genoeg;
we willen het eigenlijk tweejaarlijks. Daarnaast doen we het voor de vier prioriteiten
een keer extra. Er komen er dus twee – dat was de vraag – alleen is er één over alle
doelstellingen en één specifiek op de vier prioriteiten.
Dan het coördineren en verwijzen. Je ontkomt er niet aan, ook als je tijdpaden wil,
dat je in iets wat zo veel departementen raakt op een gegeven moment ook moet verwijzen
naar dingen die vanuit verschillende departementen nog gaan komen. Ik weet niet of
de vraag was of we dat kunnen voorkomen. Dat is niet te voorkomen. Anders wekken we
de illusie dat er een Ministerie van alle zaken is, en dat is er niet. We willen dus
zo veel mogelijk alles bij elkaar brengen, maar in zo’n tijdlijn zal soms ook verwezen
moeten worden naar een wetsvoorstel dat nog vanuit een van de bewindspersonen gaat
komen. Ik weet niet of de vraag is of dat niet kan, maar ik denk dat dat onontkoombaar
is.
Mevrouw Wendel (VVD):
Ik denk dat de Minister gelijk heeft dat we niet bijvoorbeeld weken of maanden moeten
wachten om een brief te versturen totdat dat er ook in zit. Ik wil alleen wel vragen
om geen brief te versturen als er dan drie dagen later van een andere Minister weer
een andere brief komt. Volgens mij kunnen we dan wel van het kabinet vragen om daarin
gezamenlijk op te trekken. Als dat kan, dan heel graag. Over die jaarlijkse brief:
kan ik dit dan ook interpreteren als toezegging om ook die jaarlijkse brief heel concreet
te maken?
Minister Heerma:
Dank voor uw toelichting in de tweede termijn. Dan begreep ik de vraag van het lid
Wendel in eerste instantie niet goed. De vraag is of wij ervoor kunnen zorgen dat
als die gezamenlijke brief er is, er niet drie dagen later van een van de aanwezigen
een brief komt die eigenlijk daarin vermeld had kunnen worden. Dat vind ik een terechte
vraag en als de beleving is dat dat de vorige keer is gebeurd, dan moeten wij erop
inzetten dat dat wordt voorkomen. We zullen ook zo concreet mogelijk worden. Namen,
rugnummers en tijdpaden komen in de brief over het geheel.
Mevrouw Westerveld (GroenLinks-PvdA):
Ik hoor heel goed wat de Minister zegt. Tegelijkertijd zit daar ook wel ongemak. Wat
ik hoor, zie ik niet terug in het coalitieakkoord. Ik zal er even een paar dingen
uit halen. Het Nationaal Actieplan Dakloosheid staat bijvoorbeeld niet in het coalitieakkoord.
We weten dat die doelstellingen heel moeilijk worden behaald. Op de ggz wordt bezuinigd,
terwijl we weten dat de wachtlijsten langer worden. Ons verzoek was om voor meer plekken
te zorgen voor mensen met een Wlz-ggz-indicatie, dus mensen die niet thuishoren in
de opvang. We weten dat daar ook meer voor moet gebeuren. Mijn vraag aan de Minister
is of hij, als dat nodig is, meer ruimte kan pakken dan ik nu terugzie in het coalitieakkoord
en de bijbehorende begrotingen.
Minister Heerma:
Er worden nu een aantal vragen gesteld aan de Minister van Binnenlandse Zaken. Ik
snap de vraag heel goed; ik hoop dat u het antwoord ook snapt. Ik kan hier niet de
begrotingsbehandelingen van andere departementen gaan doen. Er worden specifiek een
aantal vragen gesteld die ook in de blokjes zitten die de collega’s gaan doen. Als
het gaat over de coördinerende rol geldt dat ik me bewust ben van de omvang van dit
vraagstuk en waarom we opvolging geven aan de toezegging van het vorige kabinet om
zo nadrukkelijk invulling te geven aan de wensen van de parlementaire verkenning.
Dat geldt op al deze terreinen. Dat maakt niet dat ik hier nu begrotingen van andere
departementen kan gaan invullen. Zo werkt het niet, maar ik neem die coördinerende
rol, die ik overigens op andere terreinen ook heb, echt serieus.
De voorzitter:
Gaat u verder.
Minister Heerma:
Dat gebeurt me altijd. Ik heb een deel van de vragen over de coördinerende rol al
beantwoord in mijn enthousiasme om antwoord te geven op vragen. Eigenlijk heb ik de
vragen die zijn gesteld rondom die coördinerende rol grotendeels al beantwoord.
Misschien is het goed om als aanvulling nog te zeggen dat naar aanleiding van de start
die is gemaakt met de toezegging van het vorige kabinet, die ik al noemde, er ook
al een ambtelijk interdepartementaal programmateam is opgestart. Daarin wordt actief
de horizontale verbinding gemaakt en bewaakt. Dat is niet iets wat wij nu doen; dat
is in de vorige periode al gestart. Dat is onderdeel van de manier waarop we doorwerken.
We gaan ook kijken hoe we bijvoorbeeld gezamenlijk met het veld kunnen gaan praten.
In het verleden was het heel vaak zo dat er alleen individueel met het veld gesproken
werd, waardoor er een groter risico op versnippering was. Dat is onderdeel van het
proces om meer eenheid in de coördinatierichting in de rapportages te krijgen.
Dan ga ik door naar financiën. JA21 was daar duidelijk over. Ik heb er net al iets
over gezegd. De vraag, die volgens mij ooit volgde uit de motie-Mutluer, was om halfjaarlijks
te rapporteren, inclusief een financieel overzicht dat is gekoppeld aan de begrotingscyclus.
Vorig jaar maart is er een overzicht gestuurd van financieringsstromen bij de aanpak
van personen met onbegrepen gedrag. Daarin ging het over de specifieke budgetten van
VWS en JenV. Volgens mij is daarin ook aangegeven dat algemene middelen voor politieoptreden,
versterking van curatieve zorg, geestelijke gezondheidszorg, suïcidepreventie, de
aanpak van dak- en thuisloosheid en incidentele middelen voor huisvesting van aandachtsgroepen
allemaal bijdragen, maar dat het heel moeilijk is om daar één overzicht van te geven.
Tegelijkertijd zegt de Kamer dat wat er tot nu toe gekomen is te weinig en te summier
is. Aangezien een van die vier prioriteiten juist gaat over die structurele financiering,
wil ik toezeggen dat we voornemens zijn in de brief die er rond de zomer gaat komen
het financiële overzicht van middelen op de begroting van de verschillende departementen
beter mee te nemen dan in de vorige brief het geval was. Dat doe ik tegen de achtergrond
dat het heel complex is om dat overzicht goed te krijgen, maar ook omdat de Kamer
vond dat de eerste poging daartoe niet goed genoeg was. Als we die rapportage dan
rond de zomer sturen, kunnen we daarna met de Kamer kijken of er voldoende verbetering
is.
Dan ga ik naar gegevensdeling. Dit waren volgens mij vragen van onder andere D66 en
JA21. Wanneer krijgen professionals heldere handelingskaders over wat wel mag? Is
het kabinet bereid om, als die ruimte er onvoldoende is, de regels aan te passen?
Het kabinet erkent dat relevante gegevens tussen partijen in de keten rondom een persoon
met verward of onbegrepen gedrag in de huidige praktijk onvoldoende gedeeld worden.
Dat is simpelweg een belemmering voor het vroegtijdig met elkaar optrekken om problematiek
te reduceren. Meer specifiek heeft het kabinet vastgesteld dat bijvoorbeeld gemeenten
het aan een titel ontbreekt om tijdig geïnformeerd te worden over bewoners met een
veiligheidsrisico. Daardoor kunnen zij waar nodig niet tijdig verantwoordelijkheid
nemen. Als gemeentes signalen over inwoners met een mogelijk veiligheidsrisico missen,
kunnen zij hier niet op acteren. De mogelijkheid om de bemoeizorg door de gemeente
te intensiveren, wordt hierdoor ook beperkt. We gaan samen met ketenpartners in kaart
brengen wat er nodig is om het delen van gegevens over situaties van verward en onbegrepen
gedrag te bevorderen. In het kader hiervan zal bezien worden of en, zo ja, welke specifieke
wettelijke titel er gecreëerd dient te worden. Het streven van het kabinet is om u
in die brief, waar ik het al over had en die van de zomer komt, zo concreet mogelijk
te informeren over de stand van zaken bij die verkenning. Dit is ook een van die vier
prioriteiten. Ook gaan we kijken wat voor tijdlijn we daaraan kunnen hangen, conform
de vraag van mevrouw Coenradie.
Mevrouw Straatman (CDA):
Dank u wel Minister, voor de urgentie die hieruit spreekt. Tegelijkertijd lees ik
in veel brieven – ik neem er maar even een voorbeeld uit – over bijvoorbeeld de Wgs.
Die is al wel ingevoerd, maar er is nu al bekend dat die wet eigenlijk verouderd is.
Een aantal hele cruciale partijen, bijvoorbeeld woningbouwverenigingen, zijn daar
niet bij betrokken. Kan ik uit de urgentie van de Minister afleiden dat we niet wachten
tot die wet weer wordt geëvalueerd, maar we naar tijdelijke oplossingen zoeken om
dat nu al te herstellen?
Minister Heerma:
De Minister van Justitie en Veiligheid zal ingaan op deze specifieke vraag over dit
specifieke wetsvoorstel. Dit is ook een onderdeel ervan. Ik ga mijn best doen, ook
bij Volkshuisvesting. «Coördineren» betekent niet dat ik alles weet over alles en
overal over ga. Zo nu en dan zal ik dus bij een vraag heel even naar rechts moeten
kijken. In de samenwerking zie je dan gelukkig dat degene die erover gaat zijn hand
opsteekt.
De voorzitter:
Gaat u verder.
Minister Heerma:
Dan ga ik naar burgemeestersbevoegdheden bij dwang. Daar zijn onder andere door de
VVD vragen over gesteld. In het coalitieakkoord heeft dit kabinet aangekondigd meer
mogelijkheden voor burgemeesters te creëren om door middel van bemoeizorg in te grijpen
en meer crisisplekken te realiseren. Gemeenten en burgemeesters voelen zich vaak verantwoordelijk
voor de zorg voor hun inwoners met verward en onbegrepen gedrag en mogelijke veiligheid,
maar ervaren in die situaties nog onvoldoende positie, bevoegdheden en handelingsperspectief.
Ik verwees al naar de brief van de burgemeester van Apeldoorn, maar ook de burgemeester
van Arnhem heeft hier onlangs nog nadrukkelijk op gewezen. Gemeenten kunnen na een
melding een verkenning doen en een zorgmachtiging aanvragen, maar dat proces leent
zich minder goed voor acute situaties. De positie van gemeenten en burgemeesters maakt,
in lijn met de aanbeveling uit de parlementaire verkenning, expliciet onderdeel uit
van de verkenning die nu loopt aan de kant van het kabinet. De ambitie van het coalitieakkoord
zal hierbij worden betrokken. We zullen dus in de brief die van de zomer komt, met
de uitkomsten van de verkenning en met oplossingsrichtingen naar uw Kamer komen, want
dit is ook weer een van de prioriteiten.
Dan kom ik nu bij het stukje waar u, als u het echt leuk wil maken, heel veel vragen
over kan stellen, maar dan zal ik daarna wellicht snel moeten verwijzen naar een brief
van de Minister of de brief die nog gaat komen. Ik ga nu namelijk de vragen over volkshuisvesting
en ruimtelijke ordening beantwoorden. Ik ga het nogmaals zeggen: de Minister had hier
graag bij willen zijn. Zij ziet het belang van het onderwerp ook, maar moet nu plenair
de Wet toekomstbestendige huurcommissie verdedigen in de Tweede Kamer.
Deze opgave raakt ook aan voldoende en passende huisvesting. De Minister van VRO werkt
hard aan het realiseren van 100.000 woningen per jaar. De Taskforce Versnelling Woningbouw
is gestart om doorbraken te realiseren en versneld te komen tot meer huizen voor iedereen.
Dat is ook hard nodig voor mensen uit specifieke doelgroepen, waaronder mensen met
verward en onbegrepen gedrag. Daarom zal, zoals ik daarstraks ook heb aangegeven,
in de voortgang van deze taskforce ook specifiek aandacht besteed worden aan deze
doelgroep. Dit heeft aandacht binnen de taskforce, omdat het niet alleen gaat om puur
dat aantal van 100.000, maar ook om de vraag hoe je daarbinnen voor specifieke doelgroepen
voldoende mogelijkheden creëert.
Er zijn ook vragen gesteld over vervolgstappen. Ik ga er een aantal langslopen. In
de bestaande woningvoorraad zal samen met gemeenten en woningcorporaties gestuurd
worden op de juiste toewijzing van woningen waar de inzet van zorg mogelijk is. Met
de Wet regie, waarin mensen uit beschermd wonen, maatschappelijke opvang en ggz een
urgentiepositie krijgen als het gaat om de woonruimteverdeling bij gemeenten, zal
hierop gestuurd worden. We sturen op de realisatie van passende woonvormen in de woningbouwopgave.
Daarbij zal niet alleen op de aantallen, maar ook op de juiste woonvormen worden ingezet.
In dit geval betreft het veelal geclusterde woningen waar zorg kan worden geleverd.
Ook is in verband met de leefbaarheid van wijken de locatie binnen gemeenten van belang.
Er is echter ook een forse groep met zware problematiek, waarvoor reguliere huisvesting
geen optie is. Voor deze groep zijn ook oplossingen nodig in de zorg- en veiligheidsdomeinen.
De specifieke vragen van met name het CDA gingen onder andere over passende prikkelarme
woonvormen en slechte doorstroming in de keten beschermd wonen. De vraag is hoe de
Minister landelijk de regie wil nemen op het huisvestingsvraagstuk voor deze doelgroep.
Hierbij geldt dat het wetsvoorstel Versterking regie volkshuisvesting, dat op dit
moment in de Eerste Kamer ligt, van groot belang is. In de volkshuisvestingsprogramma’s
komt er aandacht voor de huisvesting van specifiek deze doelgroep. Ook wordt er een
verplichte urgentieregeling geïntroduceerd. Daarnaast wordt de realisatie van huisvestingsconcepten
voor personen met verward en onbegrepen gedrag op verschillende manieren gestimuleerd.
Het gaat voor de mensen die zelfstandig kunnen wonen om het realiseren van passende
en betaalbare woningen. Daarnaast worden diverse woonconcepten ingezet voor mensen
met verward en onbegrepen gedrag, zoals de Skaeve Huse en vormen van begeleid en gemengd
wonen. Zei ik dat goed? Gelukkig.
Het CDA vroeg ook: welke mogelijkheden ziet de Minister voor tijdelijke huisvesting
op locaties in handen van het Rijksvastgoedbedrijf? De Minister van VRO gaat aan de
slag met alternatieve huisvesting tussen opvang en huisvesting in. Dit doet ze om
de realisatie van 100.000 woningen per jaar te versnellen. Dit is ook relevant voor
specifiek deze groep. Daarnaast kan het Rijksvastgoedbedrijf een rol spelen in het
realiseren van aanvullende huisvesting. Daarbij wordt ook gekeken, en moet er ook
gekeken worden, of deze locaties niet meer voor hun oorspronkelijke functie worden
gebruikt, maar voor een ander doel. Daarbij moeten we kijken naar de wet- en regelgeving
die geldt voor de verkoop. Als er mogelijkheden zijn, dan worden die zeker aangegrepen,
geeft de Minister van VRO aan.
Er was specifiek een aanvullende vraag vanuit 50PLUS, van het lid Struijs: wanneer
kan de Kamer de wijziging van de Woningwet tegemoetzien, zodat er informatie-uitwisseling
kan zijn? Voor de zomer gaat het wetsvoorstel naar de Raad van State. Daarna kunt
u het zo spoedig mogelijk tegemoetzien.
De voorzitter:
Dank u wel. Ik kijk even naar de leden. Ik zie mevrouw Ten Hove en mevrouw Coenradie.
Eerst mevrouw Ten Hove.
Mevrouw Ten Hove (Groep Markuszower):
Misschien komt het nog, hoor, maar ik dacht dat het toch in dit blokje paste. De gemeenten
zitten klem en weten niet hoe ze deze onmogelijke taak moeten uitvoeren. Ik hoor de
Minister spreken over de taskforce, de 100.000 woningen die erbij moeten komen en
de versterkte regie. We gaan werken met een verplichte urgentieregeling voor deze
doelgroep, maar gemeenten zitten ook al met de Spreidingswet en stikstofregels. Als
die woningen niet gerealiseerd kunnen worden, hoe gaan we deze taak dan toch volbrengen
met z’n allen?
Minister Heerma:
In de antwoorden die ik net namens de Minister van VRO heb gegeven, werd verwezen
naar de Wet regie, die hierbij moet gaan helpen. De eerlijkheid gebiedt mij te zeggen
dat ik nu geen aanvullend antwoord heb hierop. Ik kan u toezeggen dat we ook hier
heel specifiek op ingaan in de brief die u voor de zomer krijgt, omdat voldoende woningen
een van de vier prioriteiten is. Meer dan dat heb ik op dit moment niet.
De voorzitter:
Mevrouw Coenradie en daarna mevrouw Straatman.
Mevrouw Coenradie (JA21):
Ik weet even niet of ik hem hier kan stellen of dat het nog komt, maar ik heb een
vraag over de bezuinigingen op ggz-wonen die het kabinet voornemens is. Is dat een
vraag die deze Minister kan beantwoorden? Zo nee, bij wie ligt dit dan? Dat komt nog?
Oké.
De voorzitter:
Ik beschouw dit dan even niet als een interruptie, maar als een informatieve vraag.
Mevrouw Straatman (CDA):
Ik begrijp het voorstel voor de urgentieregeling, maar dat veronderstelt natuurlijk
wel dat de woningen er al zijn. Bijvoorbeeld met betrekking tot de Skaeve Huse wordt
nu ongeveer becijferd dat je meer dan 1.000, 1.150 van die woningen nodig hebt, maar
we hebben er nog maar 150. Er ligt dus gewoon een probleem in het creëren van die
woningen, vaak ook vanwege het maatschappelijk draagvlak dat ontbreekt. Ik begrijp
heel goed dat de Minister zegt dat hij deze vragen nu niet kan beantwoorden, maar
ik zou wel willen vragen of hij dan aan de Minister van VRO een verzoek wil doorgeven.
Kan zij concreet in een brief ingaan op de stappen die worden gezet om er tijdelijk
alles aan te doen om die extra woningen te creëren en daarbij ook naar creatieve oplossingen
te zoeken, zoals toch met rijksvastgoed in gesprek gaan of kijken naar ggz-instellingsterreinen,
waar overigens ook nog wel ruimte is? Kan zij dus heel concreet op die punten ingaan?
De intentie om die woningen te creëren, delen we namelijk allemaal, maar de weg ernaartoe
is heel ingewikkeld.
Minister Heerma:
Aan een deel van de vragen die gesteld worden, heb ik net al gerefereerd. Wat betreft
het Rijksvastgoedbedrijf wordt er met creativiteit gekeken wanneer het mogelijk is.
Ik heb ook al gezegd dat hier bij de rapportage van de taskforce expliciet aandacht
voor is. In aanvulling op wat ik net al aangaf, zullen we in de brief die rond de
zomer komt heel specifiek op deze onderwerpen ingaan. Daar zal de Minister van VRO
ook haar bijdrage aan leveren.
De voorzitter:
Dank u wel. Dan bent u aan het einde van uw inbreng en beantwoording. Dan wil ik graag
de Minister van Volksgezondheid, VWS, het woord geven.
Minister Hermans:
Dank u wel, voorzitter. Ik begin met een aantal vragen over de ggz en de Wet verplichte
ggz. De eerste vraag die mevrouw Ten Hove mij stelde, was: wat is de reactie van het
kabinet op de rechtszaak die door de Stichting Recht op GGZ tegen de Staat is aangespannen?
Daar kan ik kort over zijn. Het kabinet is net als de stichting van mening dat het
van heel groot belang is dat we de wachttijden in de ggz terugdringen, zeker voor
mensen met complexe problematiek. Het verbeteren van de toegankelijkheid van de ggz,
dus zorgen dat mensen zo snel mogelijk op de voor hen juiste plek terechtkomen, is
een beleidsprioriteit van dit kabinet. Daar hebben we in het commissiedebat van twee
weken geleden ook uitgebreid bij stilgestaan. We hebben de dagvaarding van de stichting
in goede orde ontvangen. Die bestuderen wij op dit moment. Zoals mevrouw Ten Hove
weet, kan ik daar verder niet inhoudelijk op ingaan omdat dit nu een zaak onder de
rechter is, maar in algemene zin vond ik het goed om deze reactie te geven.
Dan vroeg de heer Van Dijk mij: kan je in de bekostiging van de ggz dingen anders
organiseren, om te regelen of te zorgen dat juist de mensen met een complexe problematiek
hun zorg sneller krijgen, omdat prikkels dan niet zo afgesteld staan dat men niet
bij die zorg terechtkomt? Er zijn eigenlijk drie dingen waar we nu aan werken in de
bekostiging om iets aan dit probleem te doen. Het eerste is dat we verkennen of we
budgetbekostiging kunnen invoeren in de high-intensive-care- en de intensive-home-treatmentbehandelingen
in de ggz. Ik zei in het debat van twee weken geleden dat daarvan nu een eerste verkenning
is aangekomen. Ik zie daarin echt aanknopingspunten om daarmee verder te gaan, en
dat doen we. Dat vraagt ook iets van de sector. Dat was ook mijn oproep twee weken
geleden: ga nou alsjeblieft samen snel om de tafel om dat normenkader te maken, om
de definitie van deze behandelingen scherp te krijgen. Dat hebben we heel hard nodig
als we die stap willen zetten naar budgetbekostiging. Dat is één. Het tweede is dat
we nu, naar aanleiding van een motie van ik dacht mevrouw Dobbe, kijken of je zeker
in die complexe ggz iets zou kunnen doen aan – of tegen, moet ik misschien wel zeggen
– de omzetplafonds. We hebben beloofd om daarop voor de zomer terug te komen in de
zogenaamde «routekaart passende zorg», waarin nog een aantal andere elementen terugkomen,
maar in ieder geval ook dit punt. En het derde is dat ik samen met de Minister van
Langdurige Zorg, Jeugd en Sport nog een reactie zal geven op het ibo mentale gezondheid.
Daarin is door de onderzoekers ook een heel aantal aanbevelingen gedaan over hoe met
die bekostiging in de toekomst moet worden omgegaan. Daar zullen we dan ook op ingaan.
Los van deze financiële dingen lopen er natuurlijk nog heel veel maatregelen en acties
om die wachtlijsten terug te dringen: het schrappen van de exclusiecriteria, meer
inzetten op groepsbehandelingen in de lichte ggz, en nog een heel aantal acties. Het
is dus niet zo dat dit het enige is wat we doen, maar dit was de vraag die de heer
Van Dijk mij specifiek stelde.
Mevrouw Westerveld en ook mevrouw Van der Plas, de voorzitter, stelden mij vragen
over de psychosezorg: heb ik daar specifiek aandacht voor, wil ik daar apart in investeren?
In reactie op de rechtszaak zei ik al dat het voor het kabinet van groot belang is
dat mensen met een complexe psychische problematiek sneller en passend geholpen worden.
Het gaat dan ook om mensen die te maken hebben met psychoses. We hebben daarom in
het AZWA, het Aanvullend Zorg- en Welzijnsakkoord, afgesproken dat we binnen het bestaande
kader schuiven met menskracht en middelen, waarbij het zwaartepunt verschuift van
de behandeling van lichte zorgvragen naar de behandeling van complexe zorgvragen.
En we werken dus aan die routekaart passende zorg. Dat is allemaal gericht op die
groep met complexe problematiek, en daar valt ook deze groep onder. We hebben daar
dus aandacht voor, maar daar staat nu niet een specifieke investering voor gereserveerd
anders dan alles wat we doen voor die complexe gevallen.
Voorzitter. Ik kom bij de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg ...
De voorzitter:
Ja, gaat u verder.
Minister Hermans:
Mevrouw Ten Hove stelde mij de vraag: welke rol spelen de Wet verplichte ggz en de
Wet zorg en dwang nou in verward gedrag op straat, of in ieder geval bij het aanpakken
daarvan? Beide wetten maken het mogelijk dat we mensen ook tegen hun wil zorg kunnen
geven of dat zij gedwongen kunnen worden opgenomen als er sprake is van ernstig nadelig
handelen of gedrag voor zichzelf of voor iemand anders. Die wetten zijn natuurlijk
omkleed met ongelofelijk nauwkeurige zorgvuldigheidseisen, omdat je iets doet tegen
de wil van mensen in, maar soms is dat voor hun eigen veiligheid of de veiligheid
van hun omgeving natuurlijk wel van belang. Dat kun je doen in een crisissituatie.
Als bijvoorbeeld de politie zo iemand op straat tegenkomt, dan kan via de burgemeester
een crisismaatregel voor drie dagen worden afgegeven. Maar beide wetten kunnen ook
een rol spelen in het voorkomen dat het tot een crisis of tot herhaling komt. De gemeente
heeft daarin dan een signalerende rol en speelt ook een rol in de nazorg.
In het verlengde daarvan vroeg mevrouw Ten Hove mij: «De crisismaatregel is complexer
dan de ibs. Bijvoorbeeld Verenso heeft een aantal suggesties gedaan voor hoe deze
zorg beter kan. Kent de Minister deze suggesties en gaat ze hiermee aan de slag?»
Ja, ik ben daarvan op de hoogte. Wij werken op dit moment aan het verwerken van alle
consultatiereacties die zijn binnengekomen op het aangepaste wetsvoorstel Verplichte
ggz en de Wet zorg en dwang. Suggesties, ook die van Verenso, zullen we daarbij betrekken.
Het streven is dat we dit wetsvoorstel in het najaar naar de Raad van State sturen
en dat we, als het terug is, die reactie verwerken en het zo snel mogelijk zullen
indienen bij de Tweede Kamer.
Mevrouw Straatman stelde mij ook een vraag over de Wvggz. Een beetje in het verlengde
van de vraag over de burgemeestersbevoegdheden waarop de Minister van Binnenlandse
Zaken al is ingegaan, zal ik specifiek iets zeggen over hoe dat werkt in de wet. Mevrouw
Straatman stelde dat het soms ontbreekt aan terugkoppelingen; welke verbeterpunten
zien we nu hierin? Als het gaat om een crisisplaatsing, dan klopt het dat de burgemeester
daar niet standaard een terugkoppeling van krijgt. Dat is denk ik ook goed; het past
ook bij het belang dat we hechten aan privacy, dus we moeten met het delen van die
informatie voorzichtig en terughoudend zijn. Maar we zien ook – en daarbij komt dat
verbeterpunt, dat een onderdeel is van die aangepaste Wet verplichte ggz – dat we
het contact tussen ggz en de gemeente wel kunnen versterken, vooral als iemand na
een crisisplaatsing hulp van de gemeente nodig heeft om weer deel te kunnen nemen
aan de samenleving, om daar weer echt onderdeel van te kunnen zijn. Dan moet de ggz
contact opnemen met de gemeente die die hulp en ondersteuning gaat bieden.
Dan vroeg mevrouw Ten Hove mij nog naar de wachtlijsten, en hoe het zit met statushouders
en mensen uit Oekraïne op die wachtlijsten. De Inspectie Justitie en Veiligheid en
de IGJ hebben een brief aangekondigd over vreemdelingen op het snijvlak van zorg en
veiligheid. De Minister van Justitie en Veiligheid en ik zullen later dit jaar met
een reactie op die brief van beide inspecties komen. Dan zullen we ook ingaan op dit
specifieke vraagstuk.
De voorzitter:
Ik zag als eerste een interruptie van mevrouw Ten Hove. Daarna mevrouw Westerveld.
Mevrouw Ten Hove (Groep Markuszower):
Ik had nog even een vraag over die twee wetten, met name die Wet zorg en dwang. In
de voorgestelde wetswijziging staat een voorstel voor gezamenlijke crisisregeling.
Dat is op zich een mooi idee, maar die gemeenschappelijke crisisregeling lijkt sterk
op de complexe crisismaatregel van de Wvggz die er nu al is. Met name voor de specialisten
ouderengeneeskunde zorgt dat ervoor dat ze complexere procedures moeten gaan volgen,
met uiteindelijk hetzelfde resultaat. Ik wil daar graag een praktijkvoorbeeld aan
koppelen, een beetje voor de beeldvorming. Ik ben zelf ambulanceverpleegkundige geweest.
Ik heb op straat vaak met de politie echt in de clinch gelegen over de vraag: waar
is deze persoon op de beste plek? Doordat die wetten niet samenkomen, waardoor er
een onderliggend ziektebeeld is dat leidend is en waarvoor iemand ergens terecht kan,
lukt dat op straat niet, waardoor je dan ...
De voorzitter:
Wat is uw vraag?
Mevrouw Ten Hove (Groep Markuszower):
Hoe gaat de Minister ervoor zorgen dat dat wel kan, op straat? Dat het samenkomt en
dat iemand dan, ondanks dat niet duidelijk is in wat voor wet het thuishoort, altijd
ergens terecht kan?
Minister Hermans:
Ik denk dat mevrouw Ten Hove op zich een terecht knelpunt aanstipt. Hoe je hier precies
mee omgaat, was ook in de internetconsultatie een onderwerp van discussie, waarover
de meningen nogal uiteenliepen – als ik het zo mag formuleren. Wij zijn die reacties
nu aan het bekijken, en ook hoe we daarmee omgaan en hoe we dit een plek in de wet
geven. Ik ben echt nog niet zover dat ik daar nu een antwoord op kan geven. Maar daar
zal wel een antwoord op moeten komen, want we doen die aanpassingen in beide wetten
niet voor niets. Die zien op allerlei aspecten: op het contact tussen gemeenten en
ggz – dit in de richting van mevrouw Straatman – maar natuurlijk ook op de overgang
tussen die wetten. Je wil dat je, als je op straat of thuis mensen ziet of spreekt
en er iets moet gebeuren, kan handelen met de juiste instrumenten in handen.
Mevrouw Westerveld (GroenLinks-PvdA):
De Minister legt uit dat er in principe niks extra’s geïnvesteerd gaat worden in psychosezorg.
Mijn vraag is: waarom? We weten dat als specifieke gespecialiseerde behandelaars er
in een vroeg stadium bij zijn, ze heel veel leed kunnen voorkomen. Mensen leren dan
leven met psychotische klachten en het hoeft niet mis te gaan. We weten ook dat het
in de praktijk wel een aantal keer flink mis is gegaan, met enorme consequenties voor
mensen zelf en vooral voor de slachtoffers en de nabestaanden. Mijn vraag is dan:
als we dit allemaal weten, waarom gaat er dan niet extra geïnvesteerd worden in goede
psychosezorg?
Minister Hermans:
Ik deel dat volledig met mevrouw Westerveld. Zeker als je de groep mensen met deze
problematiek snel de goede zorg kan bieden, kan dat heel veel problemen in de toekomst
voorkomen. Juist daarom zet dit kabinet langs verschillende lijnen in op het ervoor
zorgen dat de mensen met een psychose, of met complexe psychische problematiek – misschien
moet ik het zo zeggen; dat is beter – zo snel mogelijk op de goede plek geholpen worden.
Dat doen we binnen het bestaande kader; dat was mijn reactie. Alle maatregelen die
we nemen om de wachtlijsten terug te dringen, zijn er echter op gericht om die complexe
situaties, waaronder mensen met psychotische problematiek, sneller te kunnen helpen,
juist ook om erger te voorkomen.
De voorzitter:
Oké, dan komt u aan het laatste blokje.
Minister Hermans:
Het tweede en laatste blokje. Dat gaat over twee van de prioriteiten die genoemd zijn
in de brief van het kabinet van december. De ene gaat over structurele financiering
en de andere over wat je nationaal doet en wat lokaal, of de spanning tussen regie
en lokale autonomie.
Voorzitter. Een heel aantal van de Kamerleden heeft mooie, goedlopende pilots als
voorbeeld genoemd; mevrouw Straatman ging in op de spv’er die meeloopt met de politie
in Groningen, de heer Van Dijk op de Maatschappelijke Eerste Hulp in Hollands Midden,
de heer ... Excuus, ik ben even uw naam vergeten; dat gaat niet nog een keer gebeuren.
De heer Mathlouti ging in op de interventiemedewerkers op Utrecht Centraal en mevrouw
Coenradie ging in op de pilot van de time-outvoorziening in Rotterdam, waar wij al
eerder met elkaar over gedebatteerd hebben. Ik denk dat dit een paar mooie voorbeelden
zijn van initiatieven, van pilots, die vanuit het programma Grip op Onbegrip van ZonMw
zijn opgestart in de afgelopen jaren. Het zijn een páár mooie voorbeelden, want er
zijn er heel veel meer in het land. Dat laat zien dat die pilots juist ook lokaal
ontwikkeld worden en ook geborgd moeten worden. Ze sluiten namelijk goed aan bij de
lokale problematiek en bij hoe de zorg lokaal georganiseerd is, hoe de zorginfrastructuur
eruitziet, om het maar even beleidsmatig te zeggen, en op welke manieren er wordt
samengewerkt. Dat verschilt gewoon per regio en ook per gemeente. Dat maakt dat je
dit soort pilots niet zomaar kan opschalen en landelijk kan uitrollen, maar we leren
er wel een heleboel van. We hebben in al die pilots de afgelopen jaren elementen gezien
die gewoon werken, als ze mensgericht zijn, herstelgericht, wijkgericht. Dat zijn
aspecten die in zo’n pilot moeten zitten om die succesvol te laten zijn.
Dan kom ik op de vraag van mevrouw Straatman wat het stappenplan nou is. Het stappenplan
dat JenV en VWS samen vanaf volgend jaar structureel geld hebben, even afgerond ongeveer
20 miljoen euro, om te zorgen dat we dit gaan borgen en we die goed werkende initiatieven
lokaal kunnen inbedden. Ik zal voor de zomer in de brief die de Minister van Binnenlandse
Zaken net heeft toegezegd, heel duidelijk maken wat de werkbare elementen van die
initiatieven nou zijn. Dan zullen we aan het einde van het jaar duidelijk maken hoe
het geld dat we beschikbaar hebben, verdeeld gaat worden. Dat zal wel leiden tot het
maken van keuzes. U zei allen terecht dat er heel veel pilots en initiatieven zijn.
We hebben niet voor al die specifieke pilots en initiatieven geld, maar ik denk dat
het maken van de keuzes wel gaat helpen om heel gericht de stap naar borging en inbedding
in de lokale structuur te kunnen maken. Daarmee heb ik ook de vraag van de heer Van
Dijk over het vervolg van de pilot in Hollands Midden beantwoord.
Mevrouw Coenradie stelde een vraag over de time-outpilot in Rotterdam. Zoals afgesproken
bij de begrotingsbehandeling, zijn we in gesprek gegaan met de gemeente Rotterdam.
Die is nu heel hard aan het werk om die pilot vorm te geven, om die lichte ggz-vragen
te kunnen beantwoorden. Professionals zijn nu met elkaar in overleg over wat nu precies
die lichte ggz-vragen zijn die zij kunnen doen. Zij willen daar voor de zomer, binnen
twee maanden, een antwoord op hebben, zodat ze daarna kunnen starten. Ik had al toegezegd
om voor de zomer een stand-van-zakenbrief te sturen. Ik stel voor dat ik dit meeneem
in die brief. Dat doe ik in het kader van het bundelen van informatie, zeg ik tegen
mevrouw Wendel.
Voorzitter. Dan de interventiemedewerkers op Utrecht Centraal. Het is echt heel mooi
dat dat soort initiatieven, waar wordt samengewerkt en waar lokale en regionale instanties
ook naar kunnen verwijzen, succesvol zijn. Ik heb begrepen dat alle nieuwe medewerkers
van de NS in de basisopleiding door middel van e-learning les krijgen in de omgang
met mensen met verward of onbegrepen gedrag. Daarmee zorgen we dat de in deze pilot
opgedane kennis wordt geborgd.
Mevrouw Westerveld vroeg hoe het staat met de structurele financiering voor de Levensloopaanpak.
Voor de levensloopcliënten met een Wlz-indicatie is er een structurele bekostiging.
Voor de overige cliënten is er voor 2026 en 2027 een subsidieregeling. We hebben ook
nog geld voor de jaren daarna. De vraag is nog even hoe we dat precies gaan invullen
en vormgeven. Daar wordt nu aan gewerkt. Daar zullen we op ingaan in de voortgangsrapportage
aan het eind van het jaar. Maar er is dus een subsidieregeling voor dit jaar en voor
volgend jaar.
Voorzitter. Daarmee heb ik mijn vragen beantwoord.
De voorzitter:
Dank u wel. Ik zie dat de heer Van Dijk een interruptie heeft.
De heer Diederik van Dijk (SGP):
Dank aan de Minister voor de hele heldere woorden over de pilots. Ik proef de ambitie
om niet te laten vallen wat goed loopt. Het is ontzettend mooi om dat te horen. Ik
begrijp heel goed dat de Minister zegt dat er gekozen zal moeten worden welke pilots
wel en niet doorgaan. Er loopt namelijk heel veel. Kan ze wel iets zeggen over de
ijkpunten? In hoeverre is het bijvoorbeeld financieel gedreven? Ik kan me voorstellen
dat een bepaalde pilot extra belasting of geld kan vragen bij de zorg, maar heel veel
kan opleveren bij de politie. Kan de Minister iets zeggen over de ijkpunten? Hoe besluiten
we wat wel of geen voortgang vindt?
Minister Hermans:
Precies om deze reden hebben we dit proces opgeknipt. Dat is het stappenplan waar
mevrouw Straatman naar vroeg. De eerste stap is dat wij voor de zomer in kaart brengen
wat de werkbare elementen of de succesvoorwaarden zijn voor pilots die goed werken.
Daarbij wordt er gekeken of je die kan opschalen zonder dat je lokaal invult dat de
voorziening in Limburg en Drenthe precies hetzelfde moet zijn als in Hollands Midden.
Dat is stap één. Van daaruit gaan we de middelen verdelen. Dat zullen we dus eind
van dit jaar doen.
De voorzitter:
Ik kijk heel even naar de klok en naar de leden. Er zijn nog twee Ministers die hun
beantwoording moeten doen. Normaal gesproken hebben we ook een tweede termijn voor
de Kamer. Ik weet dat er hier een aantal leden zitten die ook in de commissie Asiel
en Migratie zitten, die aansluitend aan dit debat een procedurevergadering heeft.
Ik kijk even of er een tweede termijn moet komen of dat we nu gewoon doorgaan en de
gelegenheid geven om een tweeminutendebat aan te vragen. Als mensen per se een tweede
termijn willen, moeten we echt iets sneller door de vragen en antwoorden gaan. Zullen
we gewoon doorgaan tot 13.00 uur? Dan kan er eventueel nog een tweeminutendebat worden
aangevraagd. Oké, dan doen we dat. Dan geef ik het woord aan de Minister van Langdurige
Zorg.
Minister Sterk:
Dank u wel, voorzitter. Gisteren was ik in Gouda op bezoek bij de Gouwe Huse, een
variant van de Skaeve Huse. Daarna had ik een gesprek met allerlei partijen over hoe
we ervoor kunnen zorgen dat mensen die voor overlast zorgen door verward of – wat
is nou die andere term? – onbegrepen gedrag, de goede hulp krijgen en ook dat de mensen
die om hen heen wonen, daar zo min mogelijk last van hebben. De Gouwe Huse is een
prachtig voorbeeld van hoe je kunt zorgen dat deze mensen, die een enorm grote zorgvraag
hebben en voor veel overlast kunnen zorgen, toch een plek kunnen vinden waar ze zelf
tot rust kunnen komen en daarmee de buurt ook. Daarmee help je enorm veel mensen om
in een leefbare situatie te blijven.
Daarnaast hebben we het gesprek gevoerd over de bemoeizorg. Iedereen ziet dat het
ontzettend belangrijk is dat we goede bemoeizorg kunnen geven. Als we vooraf, preventief,
zaken kunnen ondervangen door op dat moment de goede hulp te bieden, kunnen we later
in de keten, om maar een beleidswoord te noemen, crisisopnames en zwaardere vormen
van zorg, die ook nog eens heel duur zijn, voorkomen. De bemoeizorg moet inderdaad
versterkt worden. Dat proef ik bij u allemaal. Daar werken we op dit moment aan door
de wet Wams – ik heb die titel ook niet bedacht. Dat is de Wet aanpak meervoudige
problematiek sociaal domein. Toen we de Wmo introduceerden, ontdekten we dat er geen
wettelijke basis was om gegevens te mogen uitwisselen in het sociaal domein. Dat is
natuurlijk wel erg belangrijk als je aan de voorkant zo veel mogelijk in kaart wil
brengen. Daarom is deze wet ontwikkeld. Daar is gaandeweg de discussie rond verward
en – nou vergeet ik het weer – onbegrepen gedrag ... Ik ga het even opschrijven! Eigenlijk
is die wet dus vooral bedoeld om de gegevensuitwisseling te organiseren.
Ten tweede expliciteert deze wet het begrip «bemoeizorg». Het is namelijk een taak
die gemeentes sowieso hebben vanuit de Wmo, maar die was niet meer vastgelegd in de
Wmo. Door die taak in deze wet weer in te voeren, is die weer verankerd. Vervolgens
is natuurlijk de vraag of we daarmee voldoende duidelijk hebben wat we precies verstaan
onder «bemoeizorg». Dat zijn we op dit moment aan het bekijken. Mijn collega van het
Ministerie van BZK refereerde daar net ook al aan. We bekijken of we daar meer voor
nodig hebben, of het om bepaalde kaders vraagt en hoe die eruit zouden moeten zien.
Dat proces loopt nu. Ik stel voor dat ik u in de brief die naar de Kamer komt op dit
punt bericht over wat dat betekent. Dat kan dus een wettelijke titel voor bemoeizorg
betekenen.
Wat daarnaast loopt in deze wet, waar mevrouw Straatman net volgens mij aan refereerde
in haar vraag, is het meldrecht in de Wams. Daar zit de discussie van het beroepsgeheim
achter. Mag je dat zomaar openbreken in deze wet? Wij hebben geconstateerd dat daarover
best veel discussie bestaat tussen enerzijds de zorgverleners en anderzijds de gemeentes.
Zij kunnen het niet goed met elkaar eens worden. Daarom zijn we in dat onderzoek aan
het kijken of het nodig is om op dit punt meer te expliciteren. We kijken welke plek
daar dan de juiste voor is, dus in welke wet dat zou moeten zijn. Ook bekijken we
of we de discussie rond het beroepsgeheim daarbij moeten betrekken, al dan niet in
de vorm van een meldrecht. Dat relateert daaraan. Ik heb het idee dat ik daarmee een
aantal vragen rond de bemoeizorg, de gegevensuitwisseling en het beroepsgeheim heb
beantwoord.
De voorzitter:
Dit was het blokje bemoeizorg. Dan ga ik eerst naar de heer Mathlouti voor een interruptie.
De heer Mathlouti (D66):
Volgens mij geeft de bewindspersoon het vertrekpunt van de Wams al goed aan. Volgens
mij zei de Minister al voorzichtig in haar antwoord – dat dacht ik tenminste te horen
– dat het stukje veiligheid hier nog ontbreekt. Heel veel burgemeesters die ik de
afgelopen tijd heb gesproken, geven aan dat de geest van de wet Wams duidelijk is.
Die ziet vooral toe op gegevensuitwisseling binnen het sociaal domein. Maar het stukje
veiligheid en het naar de toekomst toe rekening houden hiermee, wordt daarin nog onvoldoende
meegenomen.
Minister Sterk:
Ik hoorde mijn collega van BZK daarover net ook zeggen dat we aan het bekijken zijn
hoe we dat goed kunnen borgen. De vraag is of dat in de Wams moet. Het gaat namelijk
ook heel erg over het vrijwillige kader ervan voor mensen. Daarvoor loopt in ieder
geval een proces.
Mevrouw Wendel (VVD):
Door de voorganger van deze Minister is er een nota van wijziging over de Wams naar
de Kamer gestuurd. Hierin is besloten om toch geen nieuwe grondslag in te voeren voor
gegevensverwerking met betrekking tot meervoudige problematiek, als het niet mogelijk
is om toestemming van de betrokkenen te krijgen. De VVD vindt het heel belangrijk
dat het in sommige gevallen wel degelijk moet kunnen om het medisch beroepsgeheim
te doorbreken, juist om een goede zorg te leveren aan degene die dat nodig heeft.
Mijns inziens helpen we de hulpverleners op deze manier juist niet. Ik wil specifiek
aan de Minister vragen of zij nog een keer wil kijken naar de nota van wijziging.
Volgens mij moet die namelijk weer gewijzigd worden.
Minister Sterk:
Mijn voorganger heeft dat juist niet gedaan, volgens mij omdat er in de Kamer verdeeldheid
is over dit thema en over of het nodig is. Volgens mij zeggen de zorgaanbieders dat
er al voldoende ruimte is om er toch op te handelen, ook zonder dat het beroepsgeheim
doorbroken hoeft te worden. Aan de andere kant geeft de VNG aan dat ze dat wel heel
graag in handen willen hebben. Dat is ook de reden waarom we nu aan het bekijken zijn
of het klopt, hoe het eruitziet en wat er misschien nog meer voor nodig is. Wat mij
betreft is het namelijk ontzettend belangrijk dat we deze wet nou eindelijk eens aannemen,
want hij ligt al zo’n beetje acht jaar hierbinnen. Omdat het voor de gegevensuitwisseling
heel veel doet en het ook de bemoeizorg expliciteert, is er door mijn voorganger voor
gekozen – op zich herken ik mij wel in die lijn – om het nu in ieder geval af te maken
en ondertussen te kijken wat er nog meer nodig is. Dat gebeurt ook vanuit de zorg
die u verwoordt: helpen we de zorgverleners hier voldoende mee? Laten we dan kijken
waar we het regelen. Misschien moet dat namelijk wel helemaal niet in deze wet, maar
in een andere wet. Het betreft volgens mij ook het grotere vraagstuk rondom veiligheid.
Dat willen we ook in dat traject betrekken.
De voorzitter:
Ik wil de leden vragen om de vragen echt kort en bondig te houden. Ik vraag de Minister
om de antwoorden zo veel mogelijk kort en puntig te houden. De heer Struijs.
De heer Struijs (50PLUS):
Dank, voorzitter.
De voorzitter:
Sorry, meneer Struijs, ik ga u onderbreken. Mevrouw Wendel had een vervolgvraag.
Mevrouw Wendel (VVD):
Die zal ik kort houden. Ik begrijp wat de Minister zegt. Op deze wet zitten we echt
met z’n allen te wachten. Tegelijkertijd hecht ik er waarde aan dat we het op een
manier doen waarop we de hulpverleners daadwerkelijk helpen. Ik hoop dus dat de Minister
er toch nog eens kritisch naar wil kijken.
De voorzitter:
Dat kan met een ja of nee beantwoord worden, Minister.
Minister Sterk:
Dat zal ik doen.
De voorzitter:
Dan nu wel de heer Struijs.
De heer Struijs (50PLUS):
In het kader van de Wams heb ik toch nog een vraag. Het gaat om een noodkreet uit
het hulpverlenersveld. Wordt door u en uw ambtenaren in het kader van de nieuwe wet
ook gekeken naar het verminderen van de administratievelastendruk en de bureaucratie?
Natuurlijk hebben we spelregels nodig, maar deze wet lokt heel veel administratievelastendruk
uit. Heeft u daarop een antwoord?
Minister Sterk:
Volgens mij dwalen we nu een beetje af van het onderwerp waarvoor we hier eigenlijk
bij elkaar zijn. We krijgen een discussie over de Wams. Er loopt op dit moment een
tweede schriftelijke ronde waarbij er vragen door de Kamer zijn ingediend. Daarop
ga ik reageren. Ik stel voor dat we dit gesprek, dat op zich heel terecht is, voeren
bij de behandeling van het wetsvoorstel.
De heer Mathlouti (D66):
Ik wil toch even op dit punt ingaan. Het gaat ook over duidelijkheid in de wetgeving
op het gebied van privacy en wat hulpverleners wel of niet kunnen doen. De discussie
rondom de wet zal dan nog gevoerd worden, maar het gaat ook over de duidelijkheid
en uiteindelijk over de daadwerkelijke hulp aan mensen met verward gedrag. Ik denk
dat dat ook wel belangrijk is.
Minister Sterk:
Volgens mij heb ik toegezegd dat we daar ook naar gaan kijken. Nogmaals, wij krijgen
signalen vanuit hulpverleners dat zij denken dat ze juist prima binnen deze kaders
kunnen werken. Daarover zijn de meningen verdeeld. Volgens mij is het ook wat we op
dit moment aan het bekijken zijn.
De voorzitter:
Dan gaat u naar uw volgende blokje. Dat is de Wet langdurige zorg en de ggz.
Minister Sterk:
Er waren een aantal vragen die breder betrekking hebben op passende woonplekken, maar
ook specifiek over de passende woonzorgplekken binnen Wlz-ggz-wonen. Er was in eerste
instantie een vraag van mevrouw Coenradie: hoe valt de bezuiniging op ggz-wonen uit
te leggen, terwijl er al een tekort is aan passende woonzorgplekken? Ook vroeg zij
of deze bezuiniging niet zal leiden tot nog meer incidenten met verward gedrag. Ik
denk dat we net al iets over verward gedrag hebben gezegd. Het kan met heel veel zaken
te maken hebben. Het heeft niet altijd met psychische problemen te maken. Het kan
ook zijn dat mensen te maken hebben met dementie of dat er andere dingen spelen. Niettemin
begrijp ik uw vraag wel. We weten namelijk ook dat in het coalitieakkoord is opgenomen
dat we de groei binnen de Wlz willen afremmen. De Wlz-ggz is daar natuurlijk ook een
onderdeel van. Laat ik daarin vooropstellen – ik heb het ook al eerder gezegd rond
de gehandicaptenzorg, die met eenzelfde taakstelling te maken heeft – dat het afremmen
van groei nooit tot gevolg mag hebben dat wachtlijsten gaan oplopen of dat de kwaliteit
onder druk gaat staan. Als we specifiek kijken naar de wachtlijsten in de Wlz-ggz-wonen,
zien we dat die wachtlijsten vooral te maken hebben met hele complexe zorgvragen.
Daar heeft mijn collega van VWS net ook al het nodige over gezegd. We moeten daar
goed naar kijken, want dat zijn mensen die een specifieke omgeving vragen voor de
zorg die zij nodig hebben. Daarom maken de zorgkantoren en de gemeentes op dit moment
plannen om te kijken hoe we dat beter kunnen organiseren. Met name die groep moet
namelijk niet in de knel komen. Dus als het straks gaat over de vraag hoe we die groei
gaan afbuigen en wat dat betekent voor de Wlz-ggz, zal in ieder geval ook op de agenda
staan dat die complexe zorg, en ook de plekken daarvoor, daar niet slechter van mogen
worden. Dat is gewoon ontzettend belangrijk, ook in het kader van waar we vandaag
over spreken.
De voorzitter:
Was dit het blokje?
Minister Sterk:
Nee, sorry.
De voorzitter:
Oké. Dan maken we even het blokje af en doen we daarna de vragen.
Minister Sterk:
Mevrouw Coenradie had ook – misschien is dat waarom ze mij wilde interrumperen – nog
de vraag hoeveel er nou exact wordt bezuinigd op ggz-wonen en waar deze bezuiniging
concreet landt. Het Wlz-kader voor 2026 bevat in totaal 40,6 miljard euro. Daarvan
is 3 miljard bedoeld voor de langdurige ggz. We hebben een oude taakstelling uit het
kabinet-Rutte IV voor meerjarig contracteren. Dan gaat het om 13 miljoen euro die
we vanaf 2027 structureel moeten bezuinigen. Maar er zijn daartegenover ook extra
middelen beschikbaar gesteld. Zo zijn de tarieven voor 2026 structureel verhoogd met
40 miljoen. Ook stelt het kabinet, zoals trouwens bij alles in de Wlz, elk jaar extra
middelen beschikbaar om de groeiende vraag en de loon- en prijsontwikkelingen op te
vangen. Ik zei het net al: in deze bezuiniging gaat het erom dat we proberen om die
groei bij te stellen, omdat we het uiteindelijk gewoon niet vol kunnen houden om op
deze manier de zorg te financieren. Dat betekent dat we vooral gaan kijken waar het
geld dat er nog wel is dan extra voor nodig is. We willen dat goed inzetten. Daarom
ben ik van plan om, ook met de Wlz-ggz, in het najaar akkoorden te gaan sluiten.
De voorzitter:
Was dat het einde van het blokje? Ik wil namelijk wel graag het blokje afmaken, zodat
we daarna de vragen kunnen doen.
Minister Sterk:
Laten we dan gewoon alle vragen afmaken die ik nog heb liggen. Dan hebben we dat ook
maar gedaan. Mevrouw Ten Hove vroeg specifiek naar de oplossingen die het kabinet
heeft om het aantal passende woonplekken te vergroten. Ik denk dat mijn collega van
BZK hier net al vrij uitgebreid op is ingegaan door te zeggen dat via de Wet versterking
regie volkshuisvesting de gemeentes voortaan ook een huisvestingsverordening moeten
gaan opstellen. Daarin moeten gemeentes aangeven wat voor type huisvesting ze voor
specifieke groepen gaan organiseren. Dat hoeft niet per se allemaal nieuwe huisvesting
te zijn. Je kunt natuurlijk ook van bestaande plekken gebruikmaken of die anders inrichten
om ze geschikt te maken voor deze specifieke groepen. Volgens mij proberen we daar
dus ook meer sturing te geven op deze specifieke groepen. Verder wordt er binnen het
programma waarvoor we hier met elkaar zitten ook verkend welke kaders en randvoorwaarden
er nodig zijn om meer vanuit gezamenlijke verantwoordelijkheid te komen tot voldoende
passende woningen. We streven ernaar om in de tweede helft van 2026 met voorstellen
voor oplossingsrichtingen te komen. Ik wil dan ook toezeggen dat we daar in de brief
aan het eind van het jaar op terug zullen komen. In de brief die voor de zomer komt,
zullen wij u informeren over de voortgang op een aantal prioriteiten, waaronder huisvesting.
Ten slotte hecht ik er ook nog aan het volgende te zeggen. We hebben de Taskforce
Versnelling Woningbouw. Daar zit deze Minister ook in, juist vanuit de zorg voor deze
specifieke groepen. We kunnen het namelijk wel hebben over kwantiteit en dat er meer
woningen moeten komen, maar het gaat ook over de kwaliteit van die woningen en of
we dat inderdaad goed in het oog houden. Dat geldt overigens ook voor ouderen, maar
dat geldt zeker voor deze groep. De problemen die we hebben, bijvoorbeeld in de maatschappelijke
opvang en als het gaat over daklozen, hebben namelijk vooral te maken met dat er geen
doorstroming plaats kan vinden naar woningen waar zij zelfstandig kunnen wonen. Dat
is volgens mij ontzettend urgent.
Voorzitter. Ten slotte had de mevrouw van de BBB nog een vraag aan mij. Zij vroeg
hoe de gesprekken met de gemeenten over het realiseren van opvangplekken verlopen.
Die lopen op dit moment. We voeren op dit moment gesprekken met de VNG, met Valente
en met het Leger des Heils over de mogelijkheden voor 24/7-crisisbedden. Ik wil toezeggen
dat ik ook hierop terugkom in de volgende voortgangsrapportage. Dan zal ik de stand
van zaken vermelden.
Tot zover, voorzitter.
De voorzitter:
Heel mooi. U heeft meteen het blokje beschikbare woonplekken meegenomen. U bent dus
helemaal aan het einde van uw beantwoording. Ik wil mevrouw Coenradie het woord geven.
Mevrouw Coenradie (JA21):
Ik hoor dat er vanaf 2027 per jaar een bedrag van 13 miljoen bezuinigd gaat worden.
Ik ben benieuwd wat er dan precies bezuinigd wordt, gewoon eventjes puntsgewijs. Waar
gaan we dat in terugvinden? En hoe rijmen we dat met de toenemende vraag? Ik voorzie
daar knelpunten in. Daar zit dus wel mijn ongemak.
Minister Sterk:
Het eerlijke antwoord is dat dat gaat om een oude bezuiniging die is opgenomen door
Rutte IV. Ik zoek nu even naar waar dat staat. Het gaat over een taakstelling voor
meerjarig contracteren. Het gaat er eigenlijk vooral over dat we willen dat zorginstellingen
meerjarig gaan contracteren, waardoor er bijvoorbeeld minder zzp’ers in dienst worden
genomen. Voor de bedrijfsvoering geeft dat veel meer perspectief. Daarvoor is deze
bezuiniging destijds afgesproken in het kabinet-Rutte. Die hebben wij nog steeds staan,
dus die moet ik in die zin uitvoeren. We zullen dat meenemen bij het akkoord dat we
willen gaan sluiten.
Mevrouw Coenradie (JA21):
Ik vind dit eigenlijk niet met elkaar te rijmen. We praten hier over een enorme toename
van het aantal verwarde mensen. De ene na de andere pilot vliegt je om de oren. Daar
hebben we net ook over gesproken. En toch is de stelling eigenlijk: linksom of rechtsom,
onderaan de streep gaan we bezuinigen, want het geld moet ergens vandaan komen. Dit
is gewoon een ontzettend groot probleem in de maatschappij. Hoe reflecteert deze Minister
hierop?
De voorzitter:
Minister, kort als het kan, want er moet nog een Minister antwoorden.
Minister Sterk:
Ja, maar dit vraagt bijna een heel debat, want volgens mij gaan we onderaan de streep
helemaal niet bezuinigen. We gaan alleen minder meer uitgeven. Die discussie hebben
we hier vaker gehad, ook bij de gehandicaptenzorg. Ik snap dat dit voelt als bezuinigen,
maar wat wij doen, is dat we de verwachte groei in de Wlz gaan bijsturen, omdat we
met elkaar constateren dat het zorgstelsel uiteindelijk niet houdbaar is als we op
deze voet doorgaan. We hebben de mensen niet die ervoor moeten zorgen. Met meer geld
kunnen we ook niet meer mensen kopen. We moeten dus, in gesprek met de sector, bekijken
hoe we dat kunnen doen, waarbij de wachtlijsten niet mogen oplopen en de kwaliteit
ook niet onder druk mag komen te staan, maar we wel zorgen dat we een houdbare Wlz
voor de toekomst houden.
Mevrouw Westerveld (GroenLinks-PvdA):
Feit is natuurlijk dat de wachtlijsten oplopen. Mijn vraag gaat over iets anders.
Twee jaar geleden heeft de hele Kamer onze motie aangenomen die vroeg om een noodplan
voor mensen met een Wlz-ggz-indicatie. Daar is toen een actieprogramma op gekomen.
Ik lees dat het verder wordt uitgerold enzovoorts, maar ik zou heel graag willen dat
ook dit concreet wordt. Mijn vraag aan deze Minister is dus ... We vroegen twee jaar
geleden al om een noodplan. Het aantal incidenten in de opvang wordt ook steeds groter,
zoals we van onder meer het Leger des Heils ook horen. Wat is nou de ambitie van het
kabinet? Hoeveel van dit soort passende woonplekken gaan er volgend jaar nou bij komen?
Minister Sterk:
Voordat ik daar een antwoord op geef, hecht ik er wel aan om te zeggen dat waar u
naar vraagt, gaat over dakloosheid en mensen met een Wlz-indicatie, maar dat niet
elk iemand met een Wlz-indicatie die dakloos is ook verward is of onvoorspelbaar gedrag
heeft; dat is waar het vandaag volgens mij over gaat. Dan uw vraag. We zijn inderdaad
bezig met de uitwerking van het actieplan. U noemt dat «het noodplan», maar wij hebben
dat het «actieplan Passende zorg voor dakloze mensen met een Wlz-indicatie» genoemd.
U weet ongetwijfeld dat er tien pilots lopen. We gaan nu ophalen wat er werkt. Rond
de zomer wil ik voor andere regio’s duidelijk maken hoe we de pilots die nu lopen
erbij gaan betrekken. Dat is wat mij betreft een uitwerking van de vraag die u had
om ervoor te zorgen dat er meer van dit soort plekken komen.
De voorzitter:
Mevrouw Westerveld, uw laatste interruptie.
Mevrouw Westerveld (GroenLinks-PvdA):
De Minister zegt: we hebben het noodplan een actieplan genoemd. Dat laat dus precies
het probleem zien. Twee jaar geleden trokken allerlei opvangorganisaties aan de bel.
Ze zeiden: het gaat steeds vaker mis, omdat er mensen in onze opvang zitten die hier
eigenlijk niet horen te zijn. Deze mensen hebben deskundige ggz-zorg nodig en horen
niet in onze opvang thuis. Daarom vroegen wij toen met de hele Kamer om een noodplan,
want er was nood. We zijn nu twee jaar verder. Met alle waardering voor al het werk
dat is gedaan, vind ik het een heel magere en weinig concrete uitwerking van de oproep
van de Kamer om een noodplan te realiseren als nu de opbrengsten van de pilots worden
opgehaald. Dat zeg ik helemaal omdat het aantal incidenten in de opvang groter wordt.
Dus vandaar ook hier het verzoek aan de Minister om echt concreet te worden. Wat gaan
we komend jaar nou doen? Hoeveel plekken komen erbij en hoe worden alle mensen die
in de maatschappelijke opvang werken ook ontlast?
Minister Sterk:
Zoals vaker voel ik de enorme drive van Mevrouw Westerveld om dit op te lossen. Deze
Minister wil dat ook heel graag. Ik denk dat we hier daarom overigens ook met elkaar
zitten, omdat we allemaal de urgentie zien van mensen die in onze samenleving een
plek zoeken en voor wie we niet altijd een passende plek hebben. Ik denk dat het feit
dat we hier met vijf mensen zitten, aangeeft hoe ingewikkeld die problematiek is en
dat we daar ook samen aan willen gaan werken. Een onderdeel daarvan is dat we nu dus
bezig zijn om dit niet alleen te onderzoeken in die pilotregio’s, maar we ook voor
of rond de zomer willen komen met een concrete handreiking voor hoe regio’s dat kunnen
doen. Wat mij betreft is dat een hele concrete uitwerking en moeten we de regio’s
ook gaan helpen om dat te doen, te midden van alle andere vraagstukken die hier ook
invloed op hebben en die we hier met elkaar proberen op te lossen.
Mevrouw Ten Hove (Groep Markuszower):
Ik had nog een vraag over het opendeurenbeleid gesteld. Ik vroeg of dat een rol speelt
bij het verwarde en onbegrepen gedrag op straat en of er bij het samenvoegen van die
wetten ook gekeken kan worden of dat voor de praktijk een haalbare kaart wordt.
Minister Sterk:
Het eerlijke antwoord is dat ik die vraag even gemist heb. Wat ik zal doen, is pogen
om ... O, we hebben natuurlijk geen tweede termijn.
De voorzitter:
Misschien kunt u ’m dan schriftelijk beantwoorden?
Minister Sterk:
Ik zal er in de brief voor de zomer op terugkomen. Dat is dus al best wel snel. Ik
zal daarin wat uitgebreider ingaan op uw vraag, want ik heb daar helaas nu het antwoord
niet op.
De voorzitter:
Mevrouw Straatman. Nee, sorry. Mevrouw Ten Hove heeft nog een vervolgvraag.
Mevrouw Ten Hove (Groep Markuszower):
Ja, ik heb nog een vraag. Ik doe het even zo, omdat we geen tweede termijn hebben.
Ik sluit me aan bij de woorden van mevrouw Coenradie over de bezuinigingen en waar
die vallen. We zeggen steeds dat de zorg onhoudbaar wordt als we zo doorgaan: er moet
meer met minder. Maar de post onverzekerbare vreemdelingen groeit ieder jaar. Ik wil
dus even zeggen dat ik echt blij ben dat we daar nu toch eens naar gaan kijken en
dat daar een brief over komt. Zonder een discriminatiekaart te trekken: ik merk vanuit
de praktijk echt dat we daarop nog veel winst kunnen behalen en dat we kunnen kijken
hoe we dat beter kunnen doen.
De voorzitter:
Ik hoorde geen vraag, dus dan wil ik doorgaan met mevrouw Straatman.
Mevrouw Straatman (CDA):
Ik had nog een concrete vraag gesteld over de mogelijkheid van de uitbreiding van
de Skaeve Huse op de ggz-instellingsterreinen. Het is het vaak over de problematiek
rondom passende woningen gegaan, maar die vraag is nog niet beantwoord. Ik kijk even
rond, want ik weet niet precies onder welke Minister deze vraag valt; dat geeft ook
aan hoe versplinterd dit is. Maar ik verwacht niet dat de Minister van JenV hier nog
op terug gaat komen.
De voorzitter:
Nee. Ik kijk ook even.
Minister Sterk:
Het lastige als je met zo veel Ministers bent, is dat wij ook een beetje naar elkaar
kijken: voor wie is deze vraag precies? Volgens mij willen wij allemaal heel hard
werken aan de Skaeve Huse. Ik stel voor dat we in de brief even ingaan op de mogelijkheden
die we daarvoor zien. Het kan namelijk maar zo zijn dat de Minister van VRO hierover
gaat en die zit hier helaas niet.
De voorzitter:
Oké, dank u wel. Tot slot is de Minister van Justitie en Veiligheid aan de beurt,
die geduldig heeft zitten wachten totdat hij zijn antwoorden op de vragen kon geven.
Minister Van Weel:
Dank, voorzitter. Meestal word ik inderdaad wat ongeduldig als ik zo lang moet wachten
en dan zo weinig tijd over heb voor mijn inbreng, maar in dit geval ben ik daar juist
heel blij mee. Ik denk namelijk dat het onderwerp dusdanig belangrijk is en dat het
dusdanig veel capaciteit kost, onder andere van onze politie – het werd al genoemd
door een aantal van u – maar dat de oplossing daar vaak niet ligt. Het feit dat de
collega’s voor mij uitgebreid zijn ingegaan op uw vragen en kijken naar oplossingen
die ons mogelijk kunnen helpen bij dit enorme probleem, sterkt mij. Ik heb daarom
met alle plezier en heel geduldig geluisterd. Ik zal er op uw uitnodiging de volgende
keer ook graag weer bij zijn.
Het aantal vragen dat aan mij gesteld is, was inderdaad zeer beperkt. Mevrouw Straatman
had een vraag over de Wgs, de Wet gegevensverwerking door samenwerkingsverbanden:
kunnen we daarin ook kijken naar woningbouwverenigingen en de gehandicaptenzorg? Ik
neem dat mee in de invoeringstoets die we nu aan het doen zijn naar aanleiding van
de invoering van deze wet. U ontvangt daar voor het einde van het jaar bericht over.
Er werd al gesproken over de Levensloopaanpak, maar laat ik de Zorg- en Veiligheidshuizen
daar iets breder bij betrekken. Een deel van de financiering komt uit de POK-gelden.
Daarvan loopt nu een evaluatie onder leiding van de Minister van Binnenlandse Zaken
en Koninkrijksrelaties, die toevallig ook de coördinerend bewindspersoon is voor de
aanpak van verward en onbegrepen gedrag. Ik ben er dus vrijwel zeker van dat dit aspect
zal worden meegenomen in de evaluatie van de gelden. Hij zal daar dan later op terugkomen.
Ten slotte had mevrouw Wendel een vraag over het splitsen van de registratie van de
E33-meldingen. Ik snap die behoefte. Ik heb deze morgen ook een artikel in NRC gelezen
over wat die melding van verward gedrag kan doen met individuen. We gaan onderzoek
doen naar hoe we die E33-meldingen beter kunnen doen; dat is inmiddels uitbesteed
aan een onderzoeker van de hogeschool in Arnhem. Ik wil ervoor waken dat we onnodige
administratie in het leven roepen en daarmee het werk van de agent nog moeilijker
maken, terwijl dat uiteindelijk niet per se iets verandert aan wat zij doen als zij
ter plekke komen. Dat is namelijk gewoon handelen op basis van de situatie die ze
tegenkomen. Daar gaat het om. Dat moet worden meegenomen in de opleidingen. Maar zoals
gezegd kijken we wel of we die meldingen nog verder moeten verfijnen.
Daarmee was ik al aan het einde van mijn beantwoording, voorzitter.
De voorzitter:
Heel fijn. Er zijn ook geen interrupties, dus dan kunnen we naar de afronding gaan.
We hebben afgesproken om geen tweede termijn te doen. De Minister wil wat zeggen?
Minister Heerma:
Ja. Omdat ik heb aangegeven dat ik in de tweede termijn zou terugkomen op een vraag
van de heer Struijs, zou ik willen voorstellen dat ik dat nu doe, aan het einde van
de eerste termijn van het kabinet, omdat er geen tweede termijn komt. De heer Struijs
had namelijk nog recht op één antwoord.
De voorzitter:
Ja.
Minister Heerma:
Dank u, voorzitter. De heer Struijs had het over daadkracht, maar zei dat hij het
ook belangrijk vond dat er niet alleen daadkracht is, maar dat er ook naar risico’s
wordt gekeken. Hij deed de suggestie om in de brief een risicoparagraaf toe te voegen.
Ik zou in reactie daarop willen aangeven – ik weet niet of de heer Struijs daar genoegen
mee neemt – dat ik er geen voorstander van ben om een aparte risicoparagraaf op te
nemen. Tegelijkertijd heeft hij wel een punt dat het ook belangrijk is om risico’s
in beeld te brengen, en ik zou dilemma’s daaraan willen toevoegen, want zijn vraag
zat eigenlijk ook op die dilemma’s. Het voorstel dat ik zou willen doen, is dat we
in de brief die rond de zomer komt bij elk van de vier prioriteiten expliciet ingaan
op risico’s en dilemma’s en die schetsen.
De voorzitter:
Dat is akkoord. Dan gaan we nu wel richting de afronding. We hebben ... O, mevrouw
Ten Hove heeft nog een vraag.
Mevrouw Ten Hove (Groep Markuszower):
Ik ben door mijn interrupties heen, maar ik heb een vraag. Mijn vraag over het opendeurenbeleid,
die vergeten was, komt bij brief, maar de vragen die ik had over de tbs zijn ook nog
niet beantwoord. Dat vind ik wel zonde, want nou jakkeren we zo’n belangrijk, groot
maatschappelijk probleem erdoorheen, en dan worden mijn vragen niet beantwoord.
De voorzitter:
Nou, mevrouw Ten Hove, we jakkeren hier niks erdoorheen. We hebben hier drie uur een
uitvoerig debat gehad met vier Ministers en een behoorlijk aantal Kamerleden, dus
hier wordt niet gejakkerd. Ik vind dat ook verkeerde beeldvorming naar mensen thuis
en op de tribune, alsof wij hier dingen erdoorheen jagen. We hebben natuurlijk een
debat gehad. We hebben gevraagd om dingen kort te houden. We zitten nu goed in de
tijd. Alles is besproken. Ik kijk nog even of de tbs-vraag die niet beantwoord is
– als die gemist is, want dat kan natuurlijk altijd gebeuren – ook schriftelijk beantwoord
kan worden. Is dat akkoord?
Minister Hermans:
Kan mevrouw Ten Hove die dan misschien even herhalen, want dan weten we zeker dat
we de goede vraag beantwoorden.
Mevrouw Ten Hove (Groep Markuszower):
Ja, ik pak mijn tekst er even bij.
Minister Van Weel:
Als de vraag over de vreemdelingen ging, is die namelijk beantwoord door de Minister
van VWS.
Mevrouw Ten Hove (Groep Markuszower):
Dan heb ik hem misschien gemist, maar ik vind het wel echt een belangrijk onderdeel.
Even kijken waar ik de vraag oppak: of er in Nederland nog steeds illegalen zijn die
tbs-plekken bezet houden, om hoeveel plekken dit landelijk gaat, wat eraan wordt gedaan
om dit te stoppen en of het kabinet het met mij eens dat dit een aandeel is in de
verstopte ggz-keten, en indien dat niet zo is, waarom dan niet.
De voorzitter:
De Minister van VWS had die beantwoord, maar kunt u het nog kort toelichten?
Minister Hermans:
Ja, natuurlijk. Dat zal ik kort doen. Die vraag heb ik inderdaad beantwoord. Ik heb
verwezen naar een rapport waar de IGJ en de Inspectie Justitie en Veiligheid binnenkort
mee komen. De Minister van JenV en ik zullen daarop reageren en zullen dan ook op
dit specifieke vraagstuk ingaan. Dat zal in de loop van 2026 zijn, maar wel na de
zomer.
De voorzitter:
Oké, dan gaan we nu echt naar de afronding. Dan zijn we nog mooi binnen de tijd gebleven.
We hebben nog een aantal toezeggingen, die ik even wil opnoemen.
Ja, sorry. Mevrouw Westerveld wilde nog een tweeminutendebat aanvragen. Dat is dan
bij dezen gebeurd.
De toezeggingen.
− De Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties zegt toe aan het eind van
het jaar een volledige rapportage op de punten uit de parlementaire verkenning Verward/onbegrepen
gedrag en veiligheid te sturen. Hij stuurt daarnaast rond de zomer een voortgangsbrief
waarin specifiek gerapporteerd wordt op de vier prioritaire thema’s. De Minister zal
deze brieven zo concreet mogelijk uitwerken. In de brief die rond de zomer verstuurd
wordt, komt een aantal thema’s terug: het overzicht van de financieringsstromen, wonen,
structurele financiering en borging van pilots, proeven dus, en bemoeizorg.
− De Minister van Langdurige Zorg informeert de Kamer rond de zomer over de opbrengsten
van de uitwerking van de pilots, de proeven, die zijn gestart naar aanleiding van
het actieplan wonen met een Wlz-ggz-indicatie, wat staat voor Wet langdurige zorg
en geestelijkegezondheidszorgindicatie.
− De bewindspersonen beantwoorden een aantal openstaande vragen schriftelijk: de vraag
van mevrouw Ten Hove over het opendeurenbeleid en de vraag van mevrouw Straatman over
de uitbreiding van de Skaeve Huse op het terrein van ggz-instellingen.
Mevrouw Wendel (VVD):
Volgens mij heeft Minister Sterk ook nog een toezegging aan mij gedaan om kritisch
te kijken naar de nota van wijziging van de Wams.
De voorzitter:
Ja, die gaan we erbij zetten. Toezeggingen gaan meestal gepaard met een brief, dus
de Minister zal per brief ook nog even kort terugkomen op hoe ze dat gaat doen. Ja,
zo werkt dat hier.
Goed. Dan zijn we hiermee aan het einde gekomen van dit goede, inhoudelijke debat.
Heel veel dank aan de vier Ministers die hier hun tijd hebben uitgezeten, wil ik bijna
zeggen. Nee, nee, nee, het was echt een goed, inhoudelijk debat. Dank voor de antwoorden.
Dank ook aan de staf, die hier zichtbaar en onzichtbaar in het gebouw heeft meegewerkt
om de antwoorden tot stand te brengen. Ik wil de leden bedanken voor hun aanwezigheid
en voor hun kritische vragen. Ik wil de mensen op de tribune danken voor hun aanwezigheid
en de mensen thuis die de livestream hebben gevolgd. Dank u wel. Dank aan de bodes
voor de goede verzorging en de logistiek, zodat wij hier kunnen zitten. Ik wil tot
slot de mensen in de zorg een hart onder de riem steken, bij de hulpdiensten, de hulpverleners,
de ggz, de politie, maar vooral ook de naasten van mensen die te kampen hebben met
verward en onbegrepen gedrag, voor hun goede zorgen, want dat is niet makkelijk. Ik
wens iedereen een fijne dag, een veilige thuisreis en tot slot: zorg goed voor elkaar,
help elkaar en zie naar elkaar om. Dank u wel.
Sluiting 12.58 uur.
Ondertekenaars
-
Eerste ondertekenaar
B.J. Eerdmans, voorzitter van de vaste commissie voor Justitie en Veiligheid -
Mede ondertekenaar
A. Kisteman, voorzitter van de vaste commissie voor Binnenlandse Zaken -
Mede ondertekenaar
I. van Tilburg, griffier -
Mede ondertekenaar
M. Mohandis, voorzitter van de vaste commissie voor Volksgezondheid, Welzijn en Sport