Brief regering : Reactie op de gewijzigde motie van het lid Piri c.s. over onderzoeken of er (beperkte) individuele financiële tegemoetkoming mogelijk is voor goed gedocumenteerde gevallen van Hawija slachtoffers (Kamerstuk 27925-1035)
27 925 Bestrijding internationaal terrorisme
Nr. 1036
BRIEF VAN DE MINISTER VAN DEFENSIE
Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 13 juli 2026
Hierbij ontvangt u mijn reactie op de aangenomen motie van het lid Piri1, die de regering verzoekt om te onderzoeken of (beperkte) individuele financiële
tegemoetkoming mogelijk is voor goed gedocumenteerde gevallen van slachtoffers van
Hawija en de Kamer hierover binnen zes maanden te informeren.
Het toenmalige kabinet heeft in 2020, na zorgvuldig afwegen, besloten niet over te
gaan tot het uitkeren van vrijwillige vergoedingen op individueel niveau, maar om
vrijwillig de getroffen gemeenschap tegemoet te komen in de vorm van projecten in
Hawija. De daaropvolgende kabinetten hebben dit onderschreven. Uw Kamer is de afgelopen
jaren meermaals geïnformeerd over de overwegingen en die blijven onverminderd van
kracht.2 Ik zie daarom af van verdere uitvoering van deze motie.
Het beleid van Defensie ten aanzien van vrijwillige financiële compensatie (zogenoemde
ex-gratia betalingen) is het leveren van maatwerk.3 Vrijwillige compensatie kan verschillende vormen aannemen en dient telkens nauwkeurig
te worden afgestemd op de aard van de wapeninzet en geleden schade, binnen de context
van het desbetreffende conflict. Deze variabelen zijn in elke situatie anders. In
het geval van Hawija is gekozen om vrijwillig de getroffen gemeenschap tegemoet te
komen in de vorm van projecten, waarvan het doel is om een substantiële bijdrage te
leveren aan de gemeenschap, inclusief de slachtoffers. Voormalig Minister van Defensie
Brekelmans heeft in januari van dit jaar een bezoek gebracht aan Hawija. Tijdens dit
bezoek heeft hij met verschillende belanghebbenden gesproken over de noden en wensen
van de gemeenschap. Deze behoeften, waaronder het verstevigen van faciliteiten binnen
de gezondheidszorg in Hawija, zullen in het vormgeven van de besteding worden meegenomen.
Een algemeen geldend principe is dat in het geval van een legitieme krijgshandeling
onder het humanitair oorlogsrecht tijdens een gewapend conflict Nederland wel verantwoordelijk,
maar niet aansprakelijk is voor de gevolgen van een wapeninzet. Het kabinet stelt
dat de aanval op de ISIS-autobommenfabriek in de nacht van 2 op 3 juni 2015 rechtmatig
was, omdat deze in overeenstemming met het humanitair oorlogsrecht werd uitgevoerd,
en de Staat dus niet aansprakelijk is voor de geleden schade. Om deze reden heeft
het kabinet in beginsel destijds besloten niet over te gaan tot het uitkeren van vrijwillige
vergoedingen op individueel niveau. Daarnaast is meegenomen in het besluit dat het
vrijwillig aanbieden van vergoedingen op individueel niveau de verwachting zou wekken
dat er ook bij toekomstige, legitieme wapeninzet – die correct en binnen de kaders
van het humanitair oorlogsrecht wordt uitgevoerd – een vrijwillige vergoeding op individueel
niveau zou volgen. Dit terwijl er in dit geval geen sprake is van aansprakelijkheid
en er daarom geen reden is om van het uitgangspunt af te wijken, om zo geen onterechte
verwachtingen voor de toekomst te scheppen. Ten overvloede gelden in deze casus verschillende
praktische bezwaren, waardoor het kabinet het nog altijd zeer moeilijk acht om op
een verantwoorde wijze individuele tegemoetkoming te realiseren. Zo is het jaren na
de aanval haast onmogelijk om te achterhalen wie in Hawija welke schade heeft ondervonden
door de secundaire explosie en om, conform de motie Fritsma4, (voormalige) ISIS-sympathisanten hiervan uit te sluiten. Voorts leidt het voorstel
van het Kamerlid Piri om uitsluitend de goed gedocumenteerde slachtoffers te compenseren,
met uitsluiting van slachtoffers waarvan de schade niet of onvoldoende is gedocumenteerd,
tot een rechtsongelijkheid die het kabinet niet kan uitleggen.
De in de motie gemaakte vergelijking tussen verschillende casussen gaat in algemene
zin niet op. Juist de variabelen, zoals het verschil in de aard van de wapeninzet
en/of de context van het conflict, zorgen voor andere afwegingen bij het al dan niet
toekennen van vrijwillige individuele financiële tegemoetkoming. Tijdens de inzet
in Afghanistan heeft Nederland, net als meerdere partnerlanden destijds, vrijwillige
(ex gratia) betalingen uitgekeerd. De aard van de inzet in Afghanistan was anders
dan de inzet in Irak tegen ISIS. In Afghanistan was sprake van een wederopbouwmissie,
terwijl de inzet in Irak gericht was op de bestrijding van ISIS. Dit verschil in karakter
van de missie is van invloed geweest op de overwegingen ten aanzien van vrijwillige
tegemoetkoming. Inzake de vrijwillige financiële tegemoetkoming voor twee verschillende
luchtaanvallen in Mosul in 2015 en 2016, heeft Defensie besloten de nabestaanden in
deze specifieke gevallen een vrijwillige financiële tegemoetkoming aan te bieden omdat
met de kennis achteraf, geen sprake is van een legitiem militair doelwit. In dit besluit
was de aard van de wapeninzet doorslaggevend in het toekennen van individuele financiële
tegemoetkoming.
Tot slot wil ik graag mijn waardering uitspreken richting de betrokken Nederlandse
militairen van Defensie voor de inzet die zij tonen, toen en nu. Zij hebben naar eer
en geweten gehandeld. Met deze brief en het debat van 25 juni jl. hoop ik het hoofdstuk
Hawija in deze politieke context af te sluiten en daarmee rust te brengen aan alle
betrokkenen, wetende dat deze gebeurtenis blijvende gevolgen heeft voor de inwoners
van Hawija, de militairen en de Nederlandse samenleving.
De Minister van Defensie,
D. Yeşilgöz-Zegerius
Indieners
D. Yeşilgöz-Zegerius, minister van Defensie