Brief regering : Kabinetsreactie op periodieke rapportages Ondernemerschap en Innovatiebeleid
33 009 Innovatiebeleid
31 311
Zelfstandig ondernemerschap
Nr. 180
BRIEF VAN DE MINISTER VAN ECONOMISCHE ZAKEN EN KLIMAAT
Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 10 juli 2026
In maart 2026 heb ik u de periodieke rapportages op de terreinen Ondernemerschap en
Innovatiebeleid aangeboden (Kamerstuk 33 009, nr. 176). Deze periodieke rapportages gaan in op de doeltreffendheid en doelmatigheid van
het beleid op de terreinen ondernemerschap en innovatiebeleid in de periode 2020–2025.
Hierbij ontvangt u de kabinetsreactie zoals aangekondigd in mijn eerdere brief.
Ondernemerschap en innovatie zijn van groot belang. Een florerend en innovatief bedrijfsleven
– van startup en mkb’er tot grootbedrijf – is essentieel voor een sterk verdienvermogen,
het adresseren van maatschappelijke uitdagingen en het bevorderen van economische
weerbaarheid. De overheid draagt hier op allerlei manieren aan bij met ondernemerschaps-
en innovatiebeleid, bijvoorbeeld door toegang tot financiering te vergemakkelijken
en zorg te dragen voor een hoogwaardig toepassingsgericht kennisstelsel. De periodieke
rapportages lichten het beleid op de verschillende onderdelen door.
Als eerste geef ik mijn reactie op de hoofdconclusies voor de twee beleidsterreinen.
Vervolgens ga ik in op specifieke bevindingen voor de beide beleidsterreinen. Daarna
ga ik in op de uitgewerkte besparings- en intensiveringsopties, die een verplicht
onderdeel zijn in de periodieke rapportages. Tot slot geef ik mijn reactie op de aanbevelingen
om de periodieke rapportage als instrument door te ontwikkelen. Over de opvolging
van de aanbevelingen zal jaarlijks worden gerapporteerd in een brief aan de Tweede
Kamer parallel aan het jaarverslag van het ministerie.
De periodieke rapportage kijkt per definitie terug, dit is waardevol. Inmiddels is
het coalitieakkoord van het kabinet Jetten gepubliceerd met beleidsvoornemens die
relevant zijn voor een aantal bevindingen uit de periodieke rapportages. Hierop zal
ik in de afzonderlijke paragrafen ingaan.
1. Beleidsreactie op hoofdconclusies
De hoofdconclusie is dat het ondernemerschaps- en innovatiebeleid in het algemeen
effectief en legitiem is. Het gevoerde beleid draagt bij aan een sterk verdienvermogen
van Nederland, een aantrekkelijk ondernemingsklimaat en een innovatieve, veerkrachtige
economie.
Daarnaast toont het beleid over het geheel lerend vermogen. Voor het merendeel van
de instrumenten is een recente evaluatie beschikbaar. En regelingen die kritisch zijn
geëvalueerd worden doorgaans aangepast of afgebouwd. Aanbevolen wordt dan ook om door
te gaan met evalueren, leren en verbeteren.
Het ondernemerschapsbeleid kent, aldus de onderzoekers, sterke punten ten aanzien
van toegang tot financiering, kennisbescherming- en veiligheid, het beperken van regeldruk
en leveren van goede en toegankelijke dienstverlening aan ondernemers. Verbeterpunten
zijn er bij fiscale ondernemerschapsregelingen, die deels niet doeltreffend en doelmatig
zijn. Dit geldt ook voor regelingen op het terrein van menselijk kapitaal, die te
klein zijn voor macro-economische impact en concurreren met beleid van andere ministeries.
Innovatiebeleid is succesvol bij generieke regelingen gericht op het bevorderen van
innovatie in het bedrijfsleven, het in stand houden van een hoogwaardig toegepast
kennisstelsel en het vergroten van valorisatie van kennis en onderzoek. Missiegedreven
innovatiebeleid adresseert systeem- en transitiefalen door innovatie te richten op
maatschappelijke opgaven en past bij de noodzaak tot scherpere keuzes bij toenemende
schaarsten. Aandachtspunten zijn, aldus de onderzoekers, schaal en samenhang voor
het beleid gericht op valorisatie, startups en scale-ups, en de digitale transitie.
Ook dient sectorspecifieke steun beter onderbouwd te worden. Deze kan vanuit strategische
autonomie overigens verdedigbaar zijn, aldus de onderzoekers.
De periodieke rapportages geven voor beide beleidsterreinen aan dat een verbetering
van de samenhang en schaal de effectiviteit en efficiëntie van het instrumentarium
verder kan vergroten. Door de tijd heen neemt het aantal (kleine) specifieke beleidsinstrumenten
toe, wat leidt tot toenemende complexiteit en versnippering. De aanbeveling van de
onderzoekers is daarom om de doelenboom – een overzicht van het Ministerie van EZK
om de instrumenten te ordenen – te vereenvoudigen en de complexiteit van de beleidsmix
te verminderen.
Reactie
Het verheugt mij dat het ondernemerschaps- en innovatiebeleid in grote lijnen positief
beoordeeld is. Daarmee biedt het huidige beleid een goede basis voor de doorontwikkeling
van beide beleidsterreinen in de huidige kabinetsperiode. Het coalitieakkoord 2026–2030
biedt hiervoor verschillende aanknopingspunten.
Ook waardeer ik dat de wijze van evalueren positief beoordeeld is. Ik ga hiermee door
en zal daarbij de aanbeveling ter harte nemen om de bestaande evaluatiepraktijk verder
te verbeteren. Bijvoorbeeld door meer aandacht te besteden aan (ongewenste) neveneffecten
en de bewijsbasis voor nieuwe instrumenten te verbeteren.
De periodieke rapportages noemen de verbetering in de samenhang en schaal van het
beleidsinstrumentarium als aandachtspunt. Ik neem het signaal ter harte dat het aantal
(kleine) specifieke beleidsinstrumenten is toegenomen, wat leidt tot toenemende complexiteit
en versnippering. Inmiddels zijn ook een aantal van deze beleidsinstrumenten beëindigd,
mede op basis van de evaluaties.
Het coalitieakkoord heeft samenwerking hoog in het vaandel staan. Hiertoe is een aantal
Ministeriële Taskforces opgericht die tot doel hebben de samenhang in het beleid,
ook tussen departementen, te versterken. Voor het ondernemerschaps- en innovatiebeleid
is dit de Ministeriële Taskforce Toekomstige Welvaart en Vestigingsklimaat (Kamerstuk
36 848, nr. 106).
2. Beleidsreactie – ondernemerschap
In deze en de volgende paragraaf ga ik afzonderlijk voor het ondernemerschaps- en
innovatiebeleid in op de inhoudelijke conclusies en aanbevelingen.
Ondernemings- en vestigingsklimaat
De periodieke rapportage concludeert dat de ambitie om het Nederlandse ondernemings-
en vestigingsklimaat tot de wereldwijde top te laten behoren wordt behaald, maar de
afgelopen jaren wel onder druk staat. De beleidsinzet van EZK draagt over het algemeen
bij aan een beter ondernemings- en vestigingsklimaat, maar ondernemers hebben te maken
met verschillende vormen van krapte, zoals energie, talent en ook ruimte. Samenwerking
met andere departementen kan deze randvoorwaarden in orde maken.
Reactie
Ik onderschrijf dat het ondernemings- en vestigingsklimaat onder druk staat. Dit blijkt
ook uit de Monitor Ondernemingsklimaat van mijn ministerie. Sinds 2022 is de waardering
daarvan door ondernemers gedaald van een 6,8 naar een 6,1 in 2025 (Kamerstuk 32 637, nr. 738). Knelpunten die ondernemers zien zijn gebrek aan stabiliteit van (fiscaal) beleid,
regeldruk, arbeidsmarktkrapte en netcongestie. Ik onderschrijf dan ook de conclusie
uit de periodieke rapportage dat verbetering van deze randvoorwaarden de inspanning
van EZK én andere departementen vraagt. Dit vraagt om versterking van de samenwerking
via de Ministeriële Taskforce Toekomstige Welvaart en Vestigingsklimaat. Met deze
taskforce wil het kabinet investeringen aanjagen en het ondernemings- en vestigingsklimaat
versterken. Het kabinet wil zo de verbetering van de randvoorwaarden gezamenlijk aanpakken.
Daarnaast heeft het kabinet een halfjaarlijks overleg met het bedrijfsleven, waaronder
VNO-NCW en MKB-Nederland, gericht op open dialoog en concrete knelpunten.
Beleid gericht op menselijk kapitaal
De doeltreffendheid en doelmatigheid zijn, aldus de periodieke rapportage, beperkt
voor het beleid gericht op de beschikbaarheid van voldoende gekwalificeerd menselijk
kapitaal. Het wordt als kleinschalig en versnipperd beoordeeld. Effectief beleid gericht
op meer specifiek arbeidsaanbod vergt structurele interdepartementale coördinatie
en prioritering, mede om concurrentie tussen departementen te voorkomen. De aanbeveling
is om tot een generieke arbeidsmarktagenda te komen voor het beleid rond menselijk
kapitaal.
Reactie
Ik onderschrijf deze aanbeveling. Het coalitieakkoord zet in op de ontwikkeling van
een nationale talentstrategie. Deze wil de versnippering van arbeidsmarktbeleid doorbreken
door de inzet van diverse ministeries, kennisinstellingen en het bedrijfsleven beter
op elkaar af te stemmen. Deze talentstrategie wordt uitgewerkt in het kader van de
taskforce. Daarnaast zijn inmiddels in het kader van vermindering versnippering een
aantal regelingen afgeschaft, zoals MBK!dee en O2-Lab.
Fiscale ondernemerschapsregelingen
De periodieke rapportages stellen dat de beleidslegitimatie van de meeste fiscale
ondernemerschapsregelingen beperkt is en dat deze regelingen in evaluaties als weinig
doeltreffend en doelmatig zijn beoordeeld.
Reactie
Ik onderschrijf dat er kansen zijn om de doeltreffendheid van de fiscale regelingen
te vergroten. Uit het ambtelijk rapport «Kansen voor lagere tarieven en beter beleid»
van juni 2025 (Kamerstuk 32 140, nr. 266) blijkt dat het mogelijk is om de fiscale ondernemerschapsregelingen meer te richten
op positieve maatschappelijke effecten, met minder verstoring van de arbeidsmarkt
en lagere lasten op arbeid/personeelskosten. De huidige regelingen zijn veelal ongericht
en leiden niet in voldoende mate tot de gewenste positieve maatschappelijke effecten.
In de meeste fiscale ondernemerschapsregelingen staat het zijn van ondernemer centraal
en niet bijvoorbeeld de mate van innoveren, werkgeverschap of (duurzaam) investeren.
Mede naar aanleiding van de geconstateerde beperkingen worden de meewerkaftrek en
de stakingsaftrek afgebouwd en vervolgens afgeschaft. Beoogd is om dit budget te gebruiken
voor een gerichte fiscale regeling om medewerkersparticipatie bij startups en scale-ups
te stimuleren. Uiteraard is het belangrijk om bij een alternatieve aanwending van
deze middelen oog te hebben voor de belastingdruk op ondernemen en de fiscale neutraliteit
van het stelsel.
3. Beleidsreactie – innovatiebeleid
Valorisatie-instrumenten
Het valorisatie instrumentarium is overwegend positief geëvalueerd, al is de schaal
beperkt en lijkt de doorwerking op macroniveau klein. Het valorisatiebeleid heeft
een sterke legitimatie, namelijk het benutten van kennis voor maatschappelijke en
economische doelen. Een duidelijkere strategische lijn en schaalvergroting vergroten
waarschijnlijk de beleidsimpact, aldus de onderzoekers.
Reactie
Mijn inzet op het gebied van valorisatie is breder dan de financiële instrumenten
die in deze periodieke rapportages zijn onderzocht. Valorisatiebeleid is structureel
ingebed in het missiegedreven innovatiebeleid en speelt een belangrijke rol bij projecten
die gefinancierd worden uit het Nationaal Groeifonds. Verder wordt met het Techleap-programma
valorisatie ondersteund. Voorts is er aandacht voor valorisatie binnen het onderzoek-
en wetenschapsbeleid van OCW, onder andere gericht op instellingen in het hoger onderwijs.
Ten aanzien van de financiële instrumenten voeren EZK, OCW en NWO samen een verkenning
uit naar de mogelijkheden om de samenhang te vergroten tussen financiële valorisatie-instrumenten
die door EZK en OCW worden gefinancierd en door NWO worden uitgevoerd. Dit met het
oog op mogelijke integratie van deze instrumenten.
In de Kamerbrief «Investeren in een weerbare en toekomstbestendige economie: het 3%-R&D-actieplan»
(Kamerstuk 33 009, nr. 165) is aangekondigd dat OCW en EZK samen stappen zetten om de economische en maatschappelijke
impact van onderzoek van Nederlandse instellingen te vergroten. Daarbij wordt ook
de AWTI betrokken, die advies uit zal brengen over acties die ondernomen kunnen worden.
Uw Kamer heeft mij in een motie verzocht om te onderzoeken hoe valorisatie kan worden
versterkt door structurele financiering voor academische spin-offcreatie te bieden
en dit te koppelen aan ondernemersvriendelijke randvoorwaarden (Kamerstuk 32 637, nr. 746). Uw Kamer zal hierover naar verwachting in het derde kwartaal van 2026 worden geïnformeerd.
Binnen het bredere innovatiebeleid wil ik de inzet op valorisatie versterken. Daarbij
zie ik ook een rol voor het in het coalitieakkoord opgenomen Nationaal Agentschap
voor Disruptieve Innovatie (NADI). Dit wordt uitgewerkt door de Taskforce Toekomstige
Welvaart en Vestigingsklimaat.
Start- en scaleupbeleid en beleid gericht op de digitale transitie
De periodieke rapportages concluderen dat het start- en scaleupbeleid aansluit op
marktfalens, maar een onduidelijke afbakening van de doelgroep kent. Daarnaast overlapt
het met bredere ondernemerschapsinstrumenten op het terrein van financiering en regeldruk.
De resultaten zijn vooral op langere termijn te verwachten.
Voor wat betreft de initiatieven gericht op het ondersteunen van de digitale transitie
is de conclusie dat deze kleinschalig en versnipperd zijn en overlappen met onder
andere de missieagenda’s en het generieke digitaliseringsbeleid.
Reactie
Startups zijn jonge innovatieve (tech)bedrijven met groeiambitie. Ze spelen een sleutelrol
in het versterken van het verdienvermogen en het realiseren van de grote transities.
Het kabinet zet daarom in op een gerichte ecosysteembenadering en specifieke ondersteuning
van start- en scale-ups, met nadruk op innovatie, verduurzaming en productiviteitsgroei.
Startups en scale-ups verdienen daarom expliciete aandacht omdat zij meer dan bijvoorbeeld
gewone starters nadrukkelijk tegen knelpunten aanlopen. Het coalitieakkoord adresseert
de eerder gesignaleerde knelpunten rond toegang tot kapitaal, doorgroei en regeldruk.
Zo kondigt het coalitieakkoord aan te starten met het NADI en de NII. Alhoewel het
kabinet om budgettaire redenen ervoor heeft gekozen om structureel minder uit te geven
aan het Toekomstfonds, blijft de financieringsketen intact.1 Daarmee wordt de beleidsinzet voor deze doelgroep duidelijker gepositioneerd binnen
het bredere ondernemerschaps- en innovatiebeleid. Daarmee wordt de beleidsinzet voor
deze doelgroep duidelijker gepositioneerd binnen het bredere ondernemerschaps- en
innovatiebeleid.
In de onderhavige periodieke rapportages is digitalisering maar beperkt aan de orde
gekomen. Het digitaliseringsbeleid valt voor een groot gedeelte onder artikel 1 van
de EZK-begroting en komt uitgebreid aan de orde bij de aankomende periodieke rapportage
over «goed werkende (digitale) economie en markten» in 2027. De pilot mijn Digitale
Zaak is inmiddels gestopt, mede op basis van de evaluatie. De MKB-Digiwerkplaatsen
worden inmiddels grotendeels voortgezet door de regio’s, zoals vanaf de start afgesproken
was.
Missiegedreven innovatiebeleid
Volgens de periodieke rapportage heeft het missiegedreven innovatiebeleid een overtuigende
theoretische basis: het adresseert systeem- en transitiefalen door innovatie te richten
op maatschappelijke opgaven. Dit beleid is echter nog relatief nieuw en er is nog
geen robuuste evaluatiebasis, zo constateren de onderzoekers. Het onderzoek concludeert
dat de instrumenten deels verankerd blijven in de oude topsectorstructuur en soms
weinig afwijken van sectorspecifieke ondersteuning. Tevens wordt gesteld dat de beleidskoers
regelmatig wisselt, waardoor een stabiel langetermijnkader ontbreekt. De onderzoekers
benoemen dat de Nationale Technologiestrategie dit kader kan bieden, mits deze gepaard
gaat met duidelijke keuzes, minder versnippering en toetsing op neveneffecten en consistent,
langjarig kan worden aangehouden.
Reactie
Het missiegedreven innovatiebeleid heeft een ontwikkeling doorgemaakt. In grote lijnen
is sprake geweest van continuïteit in de geformuleerde missies (Kamerstuk 33 009, nr. 120). Het adresseren van maatschappelijke opgaven met missies blijft binnen het missiegedreven
innovatiebeleid als langetermijnkader fungeren. Wel is de PPS-toeslagregeling omgevormd
naar een PPS-Innovatieregeling en is digitalisering als missiedoorsnijdend thema toegevoegd
aan het beleid, naast sleuteltechnologieën en maatschappelijk verdienvermogen als
al eerder gehanteerde missiedoorsnijdende thema’s (Kamerstuk 33 009, nr. 135). Tevens is er meer aandacht gekomen voor valorisatie binnen de missies en het missiedoorsnijdende
thema maatschappelijk verdienvermogen (Kamerstuk 33 009, nr. 135). Tot slot heeft het missiedoorsnijdende thema sleuteltechnologieën nu een verdere
concretisering op basis van de 10 prioritaire sleuteltechnologieën uit de Nationale
Technologiestrategie (Kamerstuk 33 009, nr.140). De Nationale Technologiestrategie is als onderdeel van het missiegedreven innovatiebeleid
inmiddels stevig verankerd met actieagenda’s voor de tien prioritaire sleuteltechnologieën.2 Met genoemde aanscherpingen wordt beoogd het functioneren van het missiegedreven
innovatiebeleid te verbeteren.
Dit jaar wordt het missiegedreven innovatiebeleid geëvalueerd wat betreft de werking
en vormgeving van de gehanteerde coördinatiemechanismen ter bevordering van innovatie
ten behoeve van maatschappelijke opgaven. Het evalueren van de instrumenten en middelen
die de departementen inzetten als bijdragen aan het realiseren van missies is een
verantwoordelijkheid van de departementen zelf, evenals het monitoren van de voortgang
bij het bereiken van de missies.
Sectorspecifieke steun
Sectorspecifieke steun is volgens de onderzoekers economisch lastig te rechtvaardigen,
maar er wordt bij vermeld dat die vanuit strategische autonomie verdedigbaar kan zijn.
Wetenschappelijke literatuur is vaak kritisch over de effectiviteit van sectorspecifieke
steun, al blijft het internationaal veel toegepast, vooral in sectoren als defensie
en ruimtevaart. De onderzoekers concluderen ook dat sectorspecifiek beleid sterker
wordt naarmate het expliciet gekoppeld is aan missiegedreven innovatiebeleid, inclusief
de Nationale Technologiestrategie, hoewel het ook kan botsen met het sectoroverstijgende
karakter van missies.
Reactie
Een belangrijk aandachtspunt dat de onderzoekers benadrukken voor de sectorspecifieke
ondersteuning is dat de middelen niet alleen doeltreffend zijn voor de sector zelf,
maar ook macro-doelmatig worden ingezet. Dat betekent dat het niet alleen de specifieke
sector moet ondersteunen, maar ook de Nederlandse economie in brede zin. Niet-doelmatigheid
op macroniveau kan worden voorkomen door ruimte te houden voor economische dynamiek
in de inrichting van het industriebeleid. Juist dynamiek, verandering en vernieuwing
bieden de basis voor onze toekomstige welvaart, omdat arbeid en kapitaal vloeit naar
de plekken waar ze het best tot hun recht komen (Kamerstuk 36 600 XIII, nr. 66) Manieren om dit te waarborgen zijn onder meer tijdelijkheid van interventies, de
inzet van monitoring en evaluaties, de inbouw van flexibiliteit in het beleid om tussentijds
bij te kunnen sturen en het expliciet oog hebben voor de toegang van nieuwe bedrijven
in het industriebeleid. Dit zijn aandachtspunten die we meenemen in het vernieuwde
industriebeleid dat in de recente brief «Industriebeleid met focus» is gepresenteerd
(Kamerstuk 29 826, nr. 277). Veel regelingen die vallen onder sectorspecifieke ondersteuning zijn te recent
gestart om al te zijn geëvalueerd. Ik kijk daarom uit naar de resultaten uit de specifieke
beleidsevaluaties voor deze regelingen.
De onderzoekers geven ook aan dat strategische autonomie in Europees verband een gegronde
legitimering voor de inzet van sectorale middelen is. Dit zou een groot deel van deze
middelen legitimeren. De huidige internationale economische en geopolitieke situatie,
waarin economische macht steeds vaker wordt ingezet voor politieke doeleinden, vraagt
om een actievere rol van de overheid. Met het nieuwe industriebeleid zet het kabinet
in op de versterking van markten die sterk bijdragen aan het verdienvermogen, maatschappelijke
opgaven, en de economische weerbaarheid van Nederland (strategische autonomie). Met
de Ministeriële Taskforce Toekomstige Welvaart en Vestigingsklimaat zorgt het kabinet
voor de nodige doorbraken op dit punt.
3%-doelstelling voor R&D
De onderzoekers stellen verder vast dat het beleid om Nederland een koploper op het
terrein van innovatie te maken slaagt, maar dat de 3%-doelstelling voor R&D-investeringen
vooralsnog niet wordt behaald. Het gat met de doelstelling voor R&D in 2030 is aanzienlijk
en hangt deels samen de economische structuur in Nederland. Beleidsinspanningen gericht
op structuurverandering hebben daardoor de meeste potentie om bij te dragen aan het
behalen van de doelstelling, concluderen de onderzoekers.
Reactie
In het 3%-R&D-actieplan» (Kamerstuk 33 009, nr. 165) zijn actielijnen geformuleerd gericht op verhoging van de R&D-uitgaven naar 3% van
het bbp in 2030. Veel actielijnen in dit plan ondersteunen de inzet op structuurverandering
door het bevorderen van de oprichting en doorgroei van (nieuwe) R&D-intensieve bedrijven,
en het versterken van het vestigingsklimaat voor R&D-intensieve bedrijven.
4. Besparings- en intensiveringsvarianten
De periodieke rapportages bevatten verplicht besparings- en intensiveringsvarianten
Voor beide beleidsterreinen geldt dat het versoberen of stoppen van instrumenten die
bewezen niet effectief zijn een eerste manier van besparen is. Echter, dit is wat
het Ministerie van EZK met de meeste instrumenten al doet, zo constateren de onderzoekers.
De besparing daarop is daarom beperkt. Blijft over de besparing op instellingen, dan
wel een generieke korting op instrumenten als belangrijkste besparingsoptie. Op het
terrein van innovatiebeleid zijn tevens een korting op ondersteuning van specifieke
sectoren en het afschaffen van valorisatie-instrumenten als opties geformuleerd. Bij
de ondersteuning van specifieke sectoren zijn de middelen voor het ruimtevaartbeleid
met name Nederlandse bijdragen aan de European Space Agency (ESA). Voor het lidmaatschap
van Nederland van de ESA zijn financiële bijdragen aan de ESA verplicht. In de periodieke
rapportages wordt opgemerkt dat besparingen zouden leiden tot verschraling.
Ook bij de intensiveringsvarianten worden diverse opties besproken. Zoals bijvoorbeeld
de oprichting van een Nationaal Agentschap voor Disruptieve Innovatie (NADI) en van
een Nationale Investeringsinstelling (NII) en de optimalisering van financieringsinstrumenten.
Hierbij wordt door de onderzoekers ook verwezen naar het IBO Bedrijfsfinanciering
(Kamerstuk, 32 637 nr. 646), dat een grote stap heeft gezet met het bij elkaar brengen van financieringsinstrumenten
in een overkoepelende beleidstheorie. Verder zijn er intensiveringsopties ontleend
aan de Kamerbrief «Investeren in een weerbare en toekomstbestendige economie: het
3%-R&D-actieplan» (Kamerstuk 33 009, nr. 165).
Reactie
De bezuinigingen, zoals ingezet door het vorige kabinet en aangekondigd in het coalitieakkoord
zullen ook gevolgen hebben voor het ondernemerschaps- en innovatiebeleid. Keuzes moeten
gemaakt worden. Deze worden momenteel uitgewerkt. In dit licht verheugt de ambitie
van het coalitieakkoord mij, dat onder andere spreekt over het NADI, de NII en innovatie
regionale campussen.
5. Tot slot: de periodieke rapportage als instrument
De onderzoekers bevelen aan om de rol van de periodieke rapportage te versterken.
Bijvoorbeeld door het strategisch doel «Een weerbaar Europa en sterke Nederlandse
regio’s» als thema bij de volgende periodieke rapportages over het ondernemerschaps-
en innovatiebeleid te betrekken. En daarnaast om voorafgaand aan de volgende periodieke
rapportages te bezien in hoeverre extracomptabele middelen meer eenduidig bij de periodieke
rapportage betrokken worden. Dit betreft fiscale regelingen die onder de beleidsverantwoordelijkheid
van het Ministerie van EZK vallen, maar op de begroting van het Ministerie van Financiën
staan. Ook zou de inzet van ambtelijke capaciteit voor deze beleidsterreinen meegenomen
kunnen worden, aldus de onderzoekers.
Reactie
Periodieke rapportages worden eens in de vijf jaar opgesteld. Mijn uitgangspunt is
om alle relevante thema’s binnen het ondernemerschaps- en innovatiebeleid op te nemen.
Het is voorstelbaar dat dit in 2030 geldt voor strategische autonomie. Dit dient te
zijner tijd bepaald te worden. De suggestie om de inzet van ambtelijke capaciteit
op de onderdelen van de beide beleidsterreinen mee te nemen in de periodieke rapportages
volg ik niet op. Dit betreft de bedrijfsvoering van mijn departement. Of en welke
extracomptabele middelen in scope zijn voor de periodieke rapportages, vraagt te zijner
tijd om nader overleg tussen het Ministerie van EZK en Financiën.
De Minister van Economische Zaken en Klimaat,
H.G. Herbert
BIJLAGE 1 BEVINDINGEN/AANBEVELINGEN WAAR OPVOLGING AAN WORDT GEGEVEN
Onderstaande tabel laat zien welke acties worden opgepakt om opvolging te geven aan
de aanbevelingen en conclusies van de periodieke rapportages. Acties die reeds zijn
aangekondigd in het coalitieakkoord, zoals op het terrein van arbeidsmarkt of het
instellen van de Ministeriële Taskforce Toekomstige Welvaart en Vestigingsklimaat,
worden in deze tabel niet meegenomen.
Tabel 1 Beleidsmatige bevindingen waar opvolging aan wordt gegeven en bijbehorende
acties
Bevinding
Actie
Bij valorisatie-instrumenten minder onderlinge samenhang dan gewenst is.
Traject gericht op de ontwikkeling van een samenhangend geheel van financiële valorisatie-instrumenten
uitgevoerd door NWO.
Beperkte schaal van valorisatie-instrumenten, waarbij de doorwerking op macroniveau
beperkt lijkt.
Kamerbrief over stappen die OCW en EZK samen zetten om de economische en maatschappelijke
impact van onderzoek van Nederlandse instellingen verder te vergroten.
Voorafgaand aan de volgende periodieke rapportages te bezien in hoeverre extracomptabele
middelen meer eenduidig bij de periodieke rapportage betrokken worden.
Voorafgaand aan de volgende periodieke rapportages overleggen met het Ministerie van
Financiën over welke fiscale regelingen worden meegenomen.
Indieners
H.G. Herbert, minister van Economische Zaken en Klimaat