Brief regering : Maatregelenpakket Geitenhouderijen en gezondheid omwonenden
28 973 Toekomst veehouderij
Nr. 304
BRIEF VAN DE MINISTER VAN VOLKSGEZONDHEID, WELZIJN EN SPORT EN DE STAATSSECRETARIS
VAN LANDBOUW, VISSERIJ, VOEDSELZEKERHEID EN NATUUR
Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 10 juli 2026
Op 9 januari jl.1 is de Kamer geïnformeerd over de kabinetsreactie op de adviezen van de Gezondheidsraad
over gezondheidsrisico’s rond geitenhouderijen. Zoals toegezegd, informeren wij u,
mede namens de Staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat en de Minister van
Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening, met deze brief over de nadere uitwerking
van een samenhangend pakket aan maatregelen. De afgelopen maanden hebben de betrokken
ministeries de sporen van het maatregelenpakket verder uitgewerkt. Medeoverheden,
GGD’en en sectorpartijen zijn hier op regelmatige basis over geïnformeerd. Daarnaast
zijn aanvullende vragen gesteld aan de VGO-onderzoekers, waarover de Kamer op 30 maart
jl.2 tussentijds is geïnformeerd, en is een impactanalyse uitgevoerd (zie bijlagen).
Meer dan 10 jaar is er onderzoek gedaan naar de relatie tussen de geitenhouderij en
gezondheid van omwonenden. De Gezondheidsraad heeft hierover meerdere adviezen uitgebracht.
Negen provincies hebben in deze periode uit voorzorg moratoria ingevoerd. Dit langdurige
onderzoeks- en adviestraject is nodig geweest om de problematiek goed in beeld te
brengen, maar heeft er ook toe geleid dat mensen lange tijd in onzekerheid kwamen
te zitten. Onzekerheid bij omwonenden over de effecten op hun gezondheid, onzekerheid
bij geitenhouders over de toekomstmogelijkheden voor hun bedrijf, onzekerheid bij
lokale overheden over welke ruimtelijke ontwikkelingen nu wel en niet in deze gebieden
kunnen plaatsvinden en verantwoord zijn. Het kabinet wil hierin nu duidelijkheid geven
en stappen zetten. Allereerst om de volksgezondheid te beschermen, die staat voorop.
Maar zeker ook om duidelijkheid te geven voor de woningbouw en voor de geitenhouderij.
Alles afwegende is het kabinet – kort samengevat – tot de volgende aanpak gekomen.
Ten eerste wil het kabinet voorkomen dat nieuwe situaties ontstaan waarin omwonenden
van geitenhouderijen een verhoogd gezondheidsrisico lopen. Daartoe is het kabinet
voornemens een afstandsnorm van 500 meter in te voeren tussen geitenhouderijen en
woonkernen en andere gevoelige functies, zoals kinderdagverblijven en ouderenzorginstellingen.
Hierbij is een afweging gemaakt met het oog op de gezondheid en de impact van een
afstandsnorm, met name op de woningbouw maar ook op de sector. Voor invoering van
deze maatregel moet allereerst een plan-milieueffectrapportage procedure (plan mer-procedure)
doorlopen worden. Ten tweede is de inzet van het kabinet om te komen tot effectieve
bedrijfsmaatregelen met het doel om het gezondheidsrisico te verminderen. Daartoe
wordt meerjarig onderzoek uitgevoerd, dat inmiddels gestart is. Ten derde wil het
kabinet gericht ingrijpen op bestaande situaties waar de gezondheidsrisico’s het grootst
zijn, de zgn. prioritaire locaties. Zoals aangegeven in de brief van 9 januari jl.
zijn maatwerk en proportionaliteit hierbij het uitgangspunt. Over de uitwerking van
deze aanpak is het kabinet in nauw overleg met gemeenten en provincies. Ten slotte
blijven we het gezondheidsrisico monitoren.
Met deze aanpak komen we tegemoet aan de motie Kostić (Kamerstuk 29 683, nr. 320) met een verzoek om, waar spanningen zijn tussen deze verschillende belangen, woningbouw
en volksgezondheid te prioriteren boven de intensieve geitenhouderij.
Impactanalyse
Zoals aangegeven in de kabinetsreactie van 9 januari jl. dient overeenkomstig de Omgevingswet
gezocht te worden naar een balans tussen het beschermen (veiligheid, gezondheid, milieu)
en het benutten (wonen, werken, recreatie) van de fysieke leefomgeving. Dit vraagt
om zo goed mogelijk inzicht in de impact van een afstandsnorm tussen geitenhouderijen
en gevoelige functies, waaronder woningen. Dit is gedaan in de impactanalyse. Deze
bestaat uit een ruimtelijke impactanalyse en een economische impactanalyse.
Eerst zijn beschikbare feitelijke gegevens en geografische informatie met betrekking
tot geitenhouderijen, woningen en andere gevoelige functies (gebouwen en locaties,
zoals woningen, kinderdagverblijven, scholen (basisonderwijs en voortgezet onderwijs),
en zorginstellingen met bedgebied, zoals verpleeg-en verzorgingshuizen en ziekenhuizen,
waar gevoelige groepen3 verblijven) en ruimtelijke plannen in kaart gebracht. In alle provincies zijn er
geitenhouderijen in de buurt van woonkernen (aansluitend bij definitie van het CBS4) en andere gevoelige functies. De impact op potentieel gevoelige functies varieert
per provincie. In totaal zijn er volgens de impactanalyse 338 melkgeitenhouderijen
in Nederland (met 50 geiten of meer), waarbij ongeveer 13.586 huizen zich binnen een
straal van 500 meter bevinden, en 79.295 binnen een straal van 1.000 meter. Bij 114
bedrijven staan 25 of meer woningen binnen een straal van 500 meter; op 1.000 meter
zijn dit er 294. De meeste situaties van nabijheid van geitenhouderijen bij woonkernen
en andere gevoelige functies zijn te vinden in de provincies met de meeste geitenhouderijen,
namelijk Noord-Brabant en Gelderland.
In bijna alle provincies zijn er ook woningbouwplannen in ontwikkeling in de buurt
van geitenhouderijen. Deze woningbouwplannen worden verzameld in de Landelijke monitor
voortgang woningbouw (LMVW). Hoewel de LMVW niet compleet is, geeft dit voldoende
zicht op de impact en daarmee een gedegen basis voor besluitvorming. Zowel binnen
een straal van 500 meter als binnen een straal van 1.000 meter zijn «harde» (onherroepelijke)
woningbouwplannen als «zachte» plannen die nog in ontwikkeling zijn. Binnen een straal
van 500 meter zijn er ongeveer 509 woningen in harde plannen en 1.118 woningen in
zachte plannen. Binnen een straal van 1.000 meter van de geitenhouderijen zijn zo’n
3.811 woningen in harde plannen en 9.967 woningen in zachte plannen. Dit is een indicatie
van de totale impact. In de impactanalyse is namelijk aangenomen dat een volledig
woningbouwproject geen doorgang kan vinden als het plangebied deels wordt geraakt
door een potentiële afstandsnorm. Daarnaast is slechts in een deel van de projecten
het geplande aantal woningen bekend.
De ruimtelijke analyse vormt de basis voor de economische analyses naar de impact
van een afstandsnorm. Hiervoor is in de economische impactanalyse een vergelijking
gemaakt tussen verschillende scenario’s, waarbij een afstandsnorm geldt voor nieuwbouw
van geitenhouderijen en/of woonkernen (en andere gevoelige functies) binnen een afstand
van 500 meter of 1.000 meter, al dan niet met mogelijkheid tot uitbreiding van geitenhouderijen
binnen die afstand. Er is gekeken naar het effect van het invoeren van een afstandsnorm,
vergeleken met de huidige situatie, waarbij 9 provincies een moratorium hebben. Er
is niet gekeken naar een baselinescenario van een situatie zonder beperkingen, zoals
gold in de tijd voor de moratoria werden ingevoerd, omdat er sinds die tijd teveel
veranderd is om als uitgangspunt voor ontwikkeling in de toekomst te kunnen dienen.
Uit de economische analyse blijkt dat een landelijke gerichte afstandsnorm, in vergelijking
met de huidige situatie waar in 9 van de 12 provincies nieuwvestiging en uitbreiding
van geitenhouderijen verboden is door de moratoria, voor minder waardeverlies voor
de sector zorgt. Met een landelijke afstandsnorm is er namelijk meer ruimte voor vestiging
en uitbreiding van geitenhouderijen dan onder de moratoria mogelijk is. Dit verschilt
wel per regio, en voor individuele bedrijven kan een dergelijke norm wel aanzienlijke
impact hebben.
Afstandsnorm
Met het oog op het verhoogde gezondheidsrisico voor omwonenden en op basis van alle
beschikbare informatie en de resultaten uit beide impactanalyses, is het kabinet voornemens
om een afstandsnorm van 500 meter in te voeren, om het huidige gezondheidsrisico niet
verder te vergroten.
Het verhoogde gezondheidsrisico voor omwonenden van geitenhouderijen is aangetoond
waarmee op basis van het voorzorgsprincipe maatregelen nodig zijn. Zolang het gezondheidsrisico
voor de omgeving niet voldoende kan worden teruggebracht met andere maatregelen geeft
het kabinet de voorkeur aan invoering van een afstandsnorm, omdat het een effectieve
maatregel is, die gerichter is dan de huidige moratoria. Een afstandsnorm grijpt in
waar het risico het hoogst is, maar laat ruimte voor ontwikkeling in andere gebieden.
Een landelijk kader draagt bovendien bij aan meer eenvormigheid en duidelijkheid.
In het Gezondheidsraadadvies wordt op basis van de meest recente meta-analyse van
het VGO-onderzoek in vijf provincies geschat dat het risico op longontsteking met
73% toeneemt bij omwonenden binnen 500 meter van een geitenhouderij (van 1,9% naar
3,2%) en met 19% toeneemt binnen een straal van 1.000 meter (van 1,9% naar 2,2%).
Blijkens de antwoorden van de VGO-onderzoekers op aanvullende vragen5, is het risico op longontsteking binnen de 500–1.000 meter 14%, en is het effect
op een afstand van meer dan 500 meter op basis van de meta-analyse niet statistisch
significant verhoogd. Het kabinet is op basis van deze gegevens, gecombineerd met
de informatie uit de impactanalyse voornemens maatregelen voor een afstandsnorm van
500 meter uit te werken. In deze afstandsnorm zijn de gezondheidsrisico’s dusdanig
dat de ruimtelijke ontwikkeling beperkt dient te worden. De impactanalyse laat zien
dat een afstandsnorm van 500 meter impact heeft op de woningbouw en geitenhouderijen.
Een afstandsnorm van 1.000 meter heeft een nog veel grotere impact, waardoor veel
gebieden ruimtelijk op slot worden gezet. Dat acht het kabinet, gegeven het feit dat
het gezondheidsrisico buiten 500 meter niet statistisch significant verhoogd is, niet
proportioneel. Dit bevestigt het voornemen van een afstandsnorm van 500 meter.
De voorgenomen afstandsnorm betekent dat er binnen een straal van 500 meter van gevoelige
functies of woonkernen geen nieuwe geitenhouderijen gevestigd mogen worden. Dit betekent
ook dat er geen woonkernen en andere gevoelige functies binnen 500 meter van een geitenhouderij
gebouwd mogen worden. Daarbij wordt als uitgangspunt gehanteerd dat regelgeving wordt
ingevoerd voor alle nieuwe ontwikkelingen: onherroepelijke omgevingsplannen en vergunde projecten kunnen doorgang
vinden. Buiten deze afstandsnorm gelden de bevoegdheden conform de Omgevingswet, waarbij
het bevoegde gezag op basis van de beschikbare informatie en de lokale situatie een
eigen afweging maakt.
Zolang er geen handhaafbare maatregelen zijn die bewezen effectief zijn in het reduceren
van emissies van bacteriën, endotoxinen en fijnstof, kunnen bestaande geitenhouderijen
die zich binnen de 500 meter van woonkernen en andere gevoelige functies bevinden,
niet uitbreiden. Het is volgens de Gezondheidsraad aannemelijk dat het aantal geiten
van invloed is op de emissie van micro-organismen, fijnstof en endotoxinen uit bedding
en mest, maar op basis van de beschikbare informatie uit het VGO-onderzoek is geen
kwantitatieve relatie vast te stellen tussen het aantal bedrijven of aantal geiten
en de hoeveelheid emissie van de verschillende componenten en het daarmee samenhangende
risico op longontsteking bij omwonenden. Onderbouwing van deze tijdelijke beperking
van uitbreiding berust op voorzorg.
Voor individuele bedrijven maakt het veel verschil of een bedrijf zich binnen of buiten
de 500 meter van woonkernen en andere gevoelige functies bevindt. De impact op bedrijven
binnen de 500 meter kan groot zijn, mede doordat bedrijven buiten de 500m afstandsnorm
wel kunnen uitbreiden. De afstandsnorm met deze beperking op uitbreiding creëert nu
de benodigde duidelijkheid, maar als de situatie verandert, kan deze maatregel herzien
worden. Het kabinet is voornemens om, zodra er handhaafbare maatregelen zijn die bewezen
effectief zijn in het reduceren van emissies van bacteriën, endotoxinen en fijnstof,
in dat geval (beperkte) uitbreiding binnen de afstandsnorm mogelijk te maken. Deze
(beperkte) uitbreiding is onder voorwaarden van het nemen van deze maatregelen en
is in balans met de te realiseren reductie. Op deze manier wil het kabinet bijdragen
aan het perspectief voor bedrijven binnen de afstandsnorm, en wil het kabinet het
invoeren van emissiebeperkende maatregelen ten behoeve van de gezondheid van omwonenden
stimuleren. Het verminderen van het gezondheidsrisico blijft immers het uiteindelijke
doel. Mede met het oog hierop investeert het kabinet in onderzoek naar effectieve
emissiereducerende maatregelen.
Het voornemen is dat de afstandsnorm zal worden opgenomen in de regelgeving onder
de Omgevingswet, onder verantwoordelijkheid van de Staatssecretaris van Infrastructuur
en Waterstaat. Het kabinet zal de gebruikelijke vervolgstappen nemen om tot een zorgvuldige
uitwerking van dit voornemen te komen. Op grond van de richtlijn strategische milieubeoordeling
(smb-richtlijn6) is voor deze kaderstellende regelgeving een plan-mer nodig. Als eerste zal daarom
de plan-mer-procedure gestart worden. Hierin wordt het effect van het voorgenomen
besluit en de alternatieven op het milieu zorgvuldig beoordeeld. Vervolgens zal het
kabine een definitief besluit nemen op de regelgeving voor de afstandsnorm, binnen
het stelsel van de Omgevingswet.
Zoals bij elke regelgeving zijn wijzigingen niet permanent. In de toekomst zou de
afstandsnorm kunnen worden afgeschaald als er meer gerichte maatregelen gevonden worden
die emissies vanuit de geitenhouderijen effectief beperken. Bij de verdere uitwerking
zal het kabinet gemeenten en provincies betrekken.
Bedrijfsmaatregelen
De tweede fase van het onderzoek van Wageningen University & Research (WUR) naar emissiereducerende
maatregelen is inmiddels gestart. WUR werkt aan een meetprotocol. Komende jaren zullen
kennishiaten worden gevuld (o.a. door periodieke metingen) over de invloed van de
«stropot» (de voor geitenhouderijen typerende potstal) en de mestopslag, op de emissies
vanuit de stal. Ook zal een vergelijkende meetcampagne worden gedaan, waarbij geitenhouderijen
met vernieuwingen/aanpassingen worden vergeleken met bedrijven die dat niet hebben.
Het plan is om nog dit jaar in ieder geval de niet-traditionele geitenstallen (zonder
stropot), zoals geitenstallen met roostervloeren, te bemeten. Daarnaast zal worden
gekeken naar het bemeten van emissiereducerende stalmaatregelen. WUR zal met producenten
spreken over de mogelijkheid om bestaande end-of-pipe luchtreinigingstechnieken door
te ontwikkelen zodat zij effectief bacteriën, endotoxinen en fijnstof uit geitenstallen
kunnen verminderen. Voor het onderzoek heeft de sector een adviserende rol, evenals
een uitvoerende rol, omdat voor het bemeten medewerking van geitenhouders nodig is.
Ook GGD (Brabant Zuidoost en West Brabant) en Omgevingsdienst (Brabant Noord en Groene
Metropool) hebben een adviserende rol.
Verder zal de komende jaren worden ingezet op het onderzoeken van de effecten van
maatregelen met betrekking tot instrooien en uitmesten van stro/strooisel (maatregelengroep
1 uit het fase 1 WUR-rapport)7, weidegang, nieuwe ionisatietechnieken en end-of-pipe-luchtreiniging.
De geitensector erkent in het sectorplan8 de maatschappelijke zorgen over de gezondheid van omwonenden en wil proactief verantwoordelijkheid
nemen om bacteriële concentraties en emissies uit stallen te verlagen. Met de sector
is gesproken over de toepassing van zogenaamde no-regret maatregelen: maatregelen die op basis van de eerste resultaten van het fase 1 WUR-onderzoek7
mogelijk kunnen bijdragen aan emissiereductie, relatief eenvoudig uitvoerbaar zijn,
beperkte kosten met zich meebrengen en op korte termijn kunnen worden ingevoerd. Deze
zouden geitenhouders kunnen nemen in afwachting van de uitkomsten van het driejarig
onderzoek van WUR naar emissiereducerende maatregelen. In het eerder opgeleverde rapport
van het verkennend onderzoek van de WUR wordt aangegeven dat de effectiviteit in de
praktijk nog moet worden getest. Vanwege het ontbreken van zekerheid over de effectiviteit
ligt de (uiteindelijke) keuze en de verantwoordelijkheid voor de inzet op de no-regret maatregelen bij de sector. In de sector lopen inmiddels diverse initiatieven van
geitenhouders om emissies vanuit de stal te verlagen, bijvoorbeeld door frequent uitmesten
van de stal, door ontstoffen en stofarm instrooien van stro, of door stroloze stallen.
Prioritaire locaties
Zoals in de eerdere brieven is aangegeven, richten we ons naast het nemen van maatregelen
op nieuwvestiging en uitbreiding, ook op bestaande situaties, om het risico voor omwonenden
van geitenhouderijen te verminderen. De focus hierbij ligt op de prioritaire locaties,
waar de risicogroep het grootst of de kwetsbaarheid van de omwonenden het hoogst is.
Het gaat hier om locaties waar meerdere geitenhouderijen dichtbij woningen en andere
gevoelige bestemmingen staan, of veel woningen en andere gevoelige functies dichtbij
een geitenhouderij staan of gepland zijn, of waar kwetsbare groepen wonen/verblijven
die extra vatbaar zijn voor gezondheidseffecten. Op basis van nadere uitwerking van
criteria en verdere gesprekken met medeoverheden zullen we de komende maanden tot
meer duidelijkheid en een lijst van (mogelijk) prioritaire locaties komen. Het is
belangrijk dat er handelingsperspectief komt voor gemeenten en provincies die iets
willen doen aan dit soort situaties en tegen deze problematiek aanlopen in hun ruimtelijke
planning. We erkennen dat het belangrijk is om dit perspectief te kunnen bieden, terwijl
de procedure voor inregeling van de afstandsnorm gaande is. Na de zomer volgt de verdere
invulling van de criteria waarmee de belangrijkste locaties kunnen worden geselecteerd
om een vervolgtraject in te gaan.
De aanpak van de prioritaire locaties dient nog verder uitgewerkt te worden, dit doen
we nadrukkelijk ook gezamenlijk met medeoverheden, en aan de hand van voorbeeldsituaties.
We kijken naar de (on)mogelijkheden van bepaalde maatregelen zoals vrijwillige uitkoop
of verplaatsing, het nemen van in potentie effectieve emissiereducerende maatregelen
op geitenhouderijen, inclusief bovengenoemde no-regret-maatregelen. Zodra het onderzoekstraject van de WUR maatregelen oplevert die de emissies
effectief omlaag kunnen brengen, kan die kennis op prioritaire locaties worden ingezet.
Daarbij moeten de maatregelen ook handhaafbaar zijn. De ervaring die wordt opgedaan
bij de aanpak prioritaire locaties kan worden meegenomen als op termijn het voorschrift
op het gebied van uitbreiding binnen de afstandsnorm wordt herzien, zoals hiervoor
is aangegeven.
Voor deze maatregelen geldt o.a. dat moet worden uitgezocht wat er mogelijk is binnen
bestaande wet- en regelgeving en bestaande (fiscale en financiële) regelingen.
Bij het overwegen van maatregelen op prioritaire locaties zal ook aandacht worden
besteed aan de mogelijkheden voor verplaatsing van een geitenhouderij naar verder
weg van de bebouwde kom en/of locaties met kwetsbare bewoners, zoals gevraagd in de
motie Grinwis9 c.s. Het Rijk wil medeoverheden (provincie en gemeenten) ondersteunen om op de prioritaire
locaties maatregelen te overwegen door in gesprek te gaan met betrokkenen en daarbij
te inventariseren welke maatregelen lokaal toepasbaar en proportioneel zijn. De Raad
van State (RvS)10 laat zien dat het lastig is om op lokaal niveau maatregelen te nemen bij (bestaande)
geitenhouderijen die dicht in de buurt van gevoelige functies zijn gevestigd. Maar
de Raad gaat in zijn voorlichting ook in op de mogelijkheden binnen de bestaande regelgeving.
Monitoring
Er zal een epidemiologische vervolgstudie worden uitgevoerd naar het voorkomen van
longontstekingen vastgesteld door huisartsen, voor de periode 2023–2025 (de periode
na de corona-pandemie, als vervolg op de eerdere 3-jaarreeks tot 2019). Deze wordt
uitgevoerd door Nivel in samenwerking met IRAS-UU (Institute for Risk Assessment Sciences
van de Universiteit Utrecht) en zal nog deze maand worden gestart. De uitkomsten worden
dan medio 2027 verwacht. Deze uitkomsten worden gezien als een nulmeting; de monitoringsinspanning
zal worden herhaald een aantal jaren nadat het maatregelenpakket zijn beslag heeft
kunnen krijgen (voorzien in 2029/2030).
Samenwerking medeoverheden
Zoals hierboven is aangegeven, is het in een vroeg stadium betrekken van medeoverheden
(provincies, gemeenten) op de onderdelen van het maatregelenpakket is cruciaal, met
name bij het uitwerken van de afstandsnorm, en de invulling van de maatwerkaanpak
van prioritaire locaties. Medeoverheden hebben aandacht gevraagd voor de aanpak van
bestaande situaties (bijvoorbeeld bestaande geitenhouderijen die zich dicht bij een
woonkern en/of andere gevoelige functies zoals zorginstellingen bevinden).
Het Interprovinciaal Overleg (IPO) heeft dit jaar een standpunt namens de 12 provincies
opgesteld. Zij hebben eerder aangegeven in principe positief te staan tegenover de
kabinetsplannen zoals beschreven in de eerste kabinetsreactie voor wat betreft de
aanpak van nieuwe situaties11, en hebben daarbij wel om aandacht gevraagd voor bestaande situaties, en verzocht
om snel duidelijkheid te geven voor omwonenden en geitenhouders. Zij vragen om generiek
beleid met duidelijke kaders met ruimte voor lokaal maatwerk. Ook de Vereniging van
Nederlandse Gemeenten (VNG) benadrukt het belang van de aanpak van bestaande (prioritaire)
situaties. Er is recent informeel bestuurlijk overleg geweest met IPO en VNG.
Een specifiek aandachtspunt waarvoor de VNG namens gemeenten aandacht heeft gevraagd,
is de behoefte aan verduidelijking voor het toepassen van het voorzorgbeginsel bij
de afwegingen rond vergunningverlening in het geval van vestiging of uitbreiding van
geitenhouderijen en van nieuwe bouwontwikkelingen. Hierover is het standpunt dat het
kabinet zich aansluit bij het advies van de Gezondheidsraad dat er voldoende aanleiding
is om maatregelen te nemen. Bij besluitvorming rondom bestaande geitenbedrijven zal
de gezondheid van omwonenden als een belangrijke factor moeten worden meegewogen,
juist ook in de periode in aanloop naar de implementatie van het maatregelenpakket
dat het kabinet nu uitwerkt. Gemeenten kunnen hiervoor onderbouwing vinden in de beide
adviezen van Gezondheidsraad12, het rapport van de RvS13 en reeds bestaande documenten zoals de Handreiking VGO14 en Richtlijn Medische milieukunde15 van de GGD. Op verzoek van medeoverheden zullen we met hen verkennen of hiernaast
nog meer handvatten helpend zijn voor het toepassen van het voorzorgsbeginsel op lokaal
niveau, met name in de periode tot invoering van landelijke regelgeving. Daarnaast
wordt samen met medeoverheden bepaald of en welke praktische communicatiemiddelen
behulpzaam kunnen zijn.
Vervolg
Dit voorgenomen maatregelenpakket zal op diverse onderdelen nog nader worden uitgewerkt.
Dit vergt tijd. Regelgeving moet nader worden uitgewerkt en getoetst. Dit betekent
ook dat een afstandsnorm niet vanaf morgen van kracht is. Gemiddeld duurt dit traject,
inclusief uitvoering van een plan-mer 2,5 tot 3 jaar. We vragen daarom provincies
om rekening te houden met aangekondigde regelgeving, en aan de provincies met bestaande
moratoria om deze te handhaven totdat de regelgeving van het Rijk in werking is getreden.
Indien provincies het wenselijk achten de bestaande moratoria alvast zoveel mogelijk
in lijn te brengen met de aangekondigde regelgeving van het Rijk, zijn we uiteraard
bereid provincies hierbij te ondersteunen. Daarnaast vragen we gemeenten om de laatste
inzichten mee te nemen bij het vaststellen van ruimtelijke plannen vooruitlopend op
deze regelgeving.
Onze inzet is dat het voorgestelde maatregelenpakket de gezondheidsrisico’s voor omwonenden
van geitenhouderijen beperkt. De emissie- en gezondheidsrisicomonitoringsresultaten
kunnen gebruikt worden om op den duur te beoordelen of genomen maatregelen nog proportioneel
zijn. Als er duidelijke en bewezen effectieve alternatieve maatregelen zijn, kan de
afstandsnorm worden beëindigd, zoals toegezegd (door de toenmalige Minister van VWS)
in het debat met de Kamer op 29 januari j.l. We gaan er van uit dat uiteindelijk door
het inzetten op geborgde emissiereductie (door maatregelen op bedrijfsniveau) de risico’s
voor de gezondheid in de toekomst zoveel mogelijk minimaliseren. Tot die tijd is de
inzet op de afstandsnorm en – waar nodig – aanvullend beleid bij prioritaire locaties
aangewezen.
We zullen de Kamer voor het eind van dit jaar over de stand van zaken informeren,
en gaan begin september graag met u in overleg tijdens het komende commissiedebat
Zoönosen en dierziekten.
De Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport,
S.T.M. Hermans
De Staatssecretaris van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur, S.P.A. Erkens
Indieners
-
Indiener
S.T.M. Hermans, minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport -
Medeindiener
S.P.A. Erkens, staatssecretaris van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur