Brief regering : Stand van zaken hersteloperatie toeslagen juni 2026
36 708 Toeslagen
Nr. 108
BRIEF VAN DE STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN
Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 3 juli 2026
De hersteloperatie toeslagen blijft in ontwikkeling, terwijl we richting een afronding
bewegen. De recente uitspraak van de Raad van State en actuele berichtgeving in de
NRC over mogelijke overcompensatie hebben bij uw Kamer terecht vragen opgeroepen.
Daarnaast is in het commissiedebat Hersteloperatie Kinderopvangtoeslag van 19 maart
jl. (Kamerstuk 36 708, nr. 102) toegezegd om uw Kamer voor het komende zomerreces nader te berichten over een aantal
zaken dat in dit debat aan de orde kwam. Met deze brief informeer ik uw Kamer hierover.
1. Ouders in het buitenland
Brede ondersteuning in het buitenland
Het lid Westerveld (PRO) heeft gevraagd naar uniformiteit en gelijke behandeling van
gedupeerde ouders in het buitenland (TZ202603-168).
Ouders1 woonachtig in het buitenland hebben binnen de hersteloperatie, net als de Nederlandse
ouders, toegang tot de schuldenloketten van Sociale Banken Nederland, recht op gratis
juridische hulp via Raad voor de Rechtsbijstand, en de mogelijkheid tot het indienen
van aanvullende schade.
De brede ondersteuning, zoals die door Nederlandse gemeenten wordt aangeboden, is
voor ouders in het buitenland op een andere wijze georganiseerd. Deze dienstverlening
wordt in opdracht van het ministerie aangeboden door het Ondersteuningsteam Buitenland
(hierna: OTB) van RadarGroup.2 Het OTB ondersteunt momenteel circa 1.700 ouders woonachtig in 45 verschillende landen.
Het voorzieningenniveau in het buitenland is niet altijd vergelijkbaar met Nederland.
Het OTB heeft geen vergelijkbare positie als een gemeente in Nederland en is sterk
afhankelijk van de lokale en nationale wetgeving van verschillende landen. Het is
daarom niet uitvoerbaar voor het OTB om, in lijn met de werkwijze van Nederlandse
gemeenten, reguliere dienstverlening of trajecten aan te bieden. Het OTB probeert
waar mogelijk een tijdelijke brug te zijn tussen de ondersteuningsvraag en de toegang
tot de voorziening in het woonland van de gedupeerde ouder. Als deze voorzieningen
in het woonland niet beschikbaar of niet afdoende zijn, kan een ouder in aanmerking
komen voor een financiële vergoeding van redelijke kosten door het OTB.3 Ook hier dient een vastgesteld plan van aanpak aan ten grondslag te liggen.
Ouders en hun gezinsleden worden, ingeval van een vastgestelde remigratiewens naar
Nederland, ondersteund door het OTB. De verantwoordelijkheid voor het vinden van passende
huisvesting ligt bij de ouder.4 Op basis van het vastgestelde plan van aanpak vergoedt het OTB eenmalig de verhuiskosten
en kosten van de reis. Daarnaast verzorgt het OTB een warme overdracht naar de gemeente
waar de ouder en eventueel diens gezin naar terugkeert.
Beleidsregel brede ondersteuning het buitenland
Ondanks het feit dat de brede ondersteuning veelal maatwerk betreft, mede afhankelijk
van wat in de 45 landen aan voorzieningen beschikbaar is, is het scheppen van duidelijkheid
en het borgen van uniformiteit in de uitvoering noodzakelijk. Bovendien is de brede
ondersteuning zowel in Nederland als in het buitenland niet bedoeld om reguliere dienstverlening
te bieden, zoals uitkeringen bij werkloosheid. Daarom wordt momenteel gewerkt aan
een beleidsregel waarin de beleidskaders worden geformuleerd voor hulp aan de ouder
in het buitenland. Hierbij wordt zo veel als mogelijk aangesloten bij de beleidsregel
voor de Nederlandse brede ondersteuning. De beleidsregel brede ondersteuning buitenland
verduidelijkt welke uitgangspunten en criteria gelden voor de wijze waarop ondersteuning
door het OTB wordt uitgevoerd. Zo wordt voor de ouder beter inzichtelijk welke vormen
van hulp mogelijk zijn en onder welke voorwaarden deze hulp kan worden geboden. Ook
hier geldt dat de ouder een eigen rol vervult in het proces van de ondersteuning en
het behalen van de doelen uit het plan van aanpak.
Te zijner tijd zal deze beleidsregel worden gepubliceerd in de Staatscourant.
Financiële gevolgen van ondersteuning voor ouders in het buitenland
Het lid Mathlouti (D66) heeft gevraagd naar de gevolgen van fiscale verschillen in
de diverse landen waar gedupeerden en hun kinderen wonen.
Van de circa 1.700 ouders die momenteel ondersteuning ontvangen van het OTB wonen
de meeste ouders in: België (50,4%), Curaçao (16,5%), Verenigd Koninkrijk (10,2%),
Duitsland (6,1%) en Turkije (4,5%). Aan het OTB is gevraagd welke financiële gevolgen
op hoofdlijnen de ouders in de genoemde landen ondervinden.
Ten eerste is het zo dat wet- en regelgeving ten aanzien van schulden, zoals in de
hersteloperatie is vormgegeven, niet geldt in het buitenland. Schulden in het buitenland
voldoen niet altijd aan de wettelijke eisen voor overname. Schuldeisers in het buitenland
kunnen ook niet worden gedwongen om invorderingen te pauzeren, zoals we met de pauzeknop
van één jaar (moratorium) in Nederland hebben afgesproken. Met de Belgische overheid
zijn wel afspraken gemaakt over toepassing van invorderingsrust en deelname aan de
afwikkeling van schulden. Verder zijn procesafspraken gemaakt met Sociale Banken Nederland
(SBN) indien een ouder daar een schuld bij een buitenlandse schuldeiser indient. SBN
doet dan altijd pogingen om de buitenlandse schuldeiser te benaderen om afspraken
te maken.
Een tweede punt, dat meer fiscaal van aard is, is de mogelijke stopzetting van (financiële)
sociale voorzieningen in het land waarin de ouder woont, nadat de ouder een (schade)compensatie
vanuit de hersteloperatie heeft ontvangen. Afspraken zoals in Nederland zijn gemaakt
met de Belastingdienst over het niet meerekenen van (schade)compensatie met het belastbare
vermogen, zijn met andere landen niet te maken. Zowel voor de eventuele vermogensbelasting
als eventuele sociale voorzieningen kan de schadecompensatie gevolgen hebben. Het
maken van vergelijkbare afspraken met de landen waarin de ouders woonachtig zijn,
zoals die in Nederland gelden, acht ik niet realistisch en niet haalbaar. Daar staat
tegenover dat de compensatie niet altijd als een inkomensbron of als vermogen wordt
gezien in het woonland.
2. Compensatie voor aanvullende schade
Aanmeldingen voor aanvullende schadecompensatie
Het lid Mathlouti (D66) heeft gevraagd om voor de zomer inzicht te krijgen in het
aantal mensen dat na 31 maart 2026 een aanvraag indiende voor aanvullende schadecompensatie,
hoe daarmee wordt omgegaan, en of aangenomen kan worden dat dit de gehele groep is
waarvan verwacht wordt dat die in aanmerking komt voor aanvullende schade (TZ202603-170
en TZ202603-156).
Vanaf 1 april tot 1 juni 2026 hebben zich nog 286 ouders gemeld met een aanvraag voor
compensatie van aanvullende schade. Hierbij geldt de rechtsbescherming uit de Awb
rondom de verschoonbare termijnoverschrijdingen. Bij te laat ingediende aanvragen
vindt een belangenafweging plaats voordat eventueel wordt overgegaan tot het behandelen
of afwijzen van een aanvraag. Hierbij werken we in de geest van een hersteloperatie.
Het totaal aantal ingediende aanvragen voor compensatie van aanvullende schade bedroeg
op 1 juni 2026 ruim 20.000. Dat is nog niet het totaal aantal te verwachten aanmeldingen.
De aanmeldtermijn van 31 maart 2026 geldt namelijk niet voor ouders die hun IB hebben
ontvangen ná 1 oktober 2025, of voor wie de IB nog niet onherroepelijk is omdat zij
nog een bezwaar- of beroepsprocedure hebben lopen. Zij hebben zes maanden de tijd
om een aanvraag in te dienen vanaf het moment dat hun integrale beoordeling definitief
is. Daarnaast is met de werkgroep Toeslagenadvocaten overeengekomen dat advocaten
voor 1 april 2026 alleen de BSN’s hoeven aan te leveren van hun cliënten doe mogelijk
in aanmerking komen voor aanvullende schadevergoeding. Deze ouders hebben daarna nog
tot 1 juli 2026 om de machtiging te bevestigen en de aanvraag te voltooien.
Daarmee komt het totaal aantal aanvragen voor aanvullende schade naar verwachting
overeen met de eerdere schatting van de commissie Van Dam van 26.000. Gelet op de
uitgebreide communicatie die heeft plaatsgevonden verwachten we dat inmiddels alle
ouders die het betreft zijn geïnformeerd.
De kabinetsdoelstelling blijft om alle ouders eind 2027 in elk geval financieel te
hebben gecompenseerd voor hun geleden schade als gevolg van de toeslagenaffaire. De
opgave die voor ons ligt is groot.
MijnHerstel draait nu een half jaar en begint steeds meer resultaten te laten zien.
Ondertussen hebben circa 2.300 ouders zich aangemeld en zijn ruim 500 ouders behandeld
door MijnHerstel. Circa 75 ouders hebben inmiddels een VSO getekend. Op basis van
de feedback die continu vanuit het behandelproces wordt opgehaald wordt er gewerkt
aan de efficiëntie en effectiviteit in het proces. Dit leidt tot een verbetering qua
ouderbeleving door verkorting van behandeltijden en instandhouding van de kwaliteit.
Hierbij wordt ook gewerkt aan een betere aansluiting op de individuele schadeberekening.
Daarnaast zijn er momenteel nog circa 7.250 verzoeken voor aanvullende schade die
door SGH worden behandeld. Ook SGH zal daarom in de komende 18 maanden fors moeten
versnellen om de kabinetsdoelstelling – en onze gezamenlijk opgave – te behalen. Ik
voer het gesprek met SGH over de te nemen acties.
Ouders verder helpen via forfaitaire schaderoute
In de Kamerbrief5 van 17 maart 2026 heb ik u geïnformeerd over de inzet van het kabinet om ouders vanuit
de wachtrij voor de CWS verder te helpen via MijnHerstel of de route van SGH. Hiermee
zet het kabinet in op een zo spoedig mogelijke afronding van de aanvullende schadecompensatie,
want zonder ingrijpen zou dat via de CWS nog zeker tien tot twintig jaar duren.
Ouders zijn hier op diverse momenten en manieren over geïnformeerd, onder meer via
een thuisbezorgde kaart op naam. Deze zomer ontvangen ouders die nog geen keuze hebben
gemaakt opnieuw een persoonlijke informatiekaart. Ouders is gevraagd om zelf een keuze
te maken voor SGH of MijnHerstel en krijgen hiervoor de nodige informatie en – indien
zij dat wensen – ondersteuning. Zo kunnen ouders via het aanmeldportaal een beroep
doen op ervaringsdeskundigen.
Ouders die zelf geen keuze maken tussen SGH of MijnHerstel worden in principe per
1 september 2026 verder geholpen via MijnHerstel. Daar kunnen zij hun aanvraag voor
vergoeding van aanvullende schade afronden. Ouders behouden binnen de geldende overstapregels
ook na 1 september de mogelijkheid om over te stappen naar de route van SGH. Het kabinet
werkt op dit moment aan goede beschikbaarheid voor de ouder van eventuele informatie
die zij reeds bij de CWS hebben ingediend, zodat ouders zo soepel mogelijk verder
kunnen. Voor alle ouders die verder geholpen worden via SGH of MijnHerstel geldt uiteraard
dat hun aanvraag kan worden afgerond met een beschikking, maar zetten we erop in om
er samen uit te komen met een VSO.
Uitspraak Afdeling bestuursrechtspraak Raad van State
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) heeft op 3 juni 2026
uitspraak gedaan over het schadestelsel. Deze uitspraak heeft onder meer betrekking
op de nadere termijnen die worden gesteld nadat een beslistermijn is verstreken en
op de hoogte van dwangsommen. De ABRvS heeft geconcludeerd dat dwangsommen niet langer
als een effectieve prikkel kunnen worden beschouwd. Zoals ik ook op 9 juni 2026 mondeling
aan uw Kamer heb medegedeeld, acht ik het zorgelijk dat de financiële prikkel van
een dwangsom in de praktijk onvoldoende effectief is om te komen tot tijdige besluitvorming
voor ouders. Het stelsel zoals dat was ingericht, is niet voldoende toegerust en schaalbaar
gebleken om de grote aantallen gedupeerde ouders tijdig te kunnen helpen en was daardoor
niet in lijn met wet en regelgeving.
Daarnaast heeft de ABRvS overwegingen gewijd aan de routering binnen het schadestelsel
en de adviesfunctie bij beschikkingen. Bij de verdere vormgeving van het schadestelsel,
en in het bijzonder MijnHerstel en de Individuele Schadeberekening (ISB), zal ik deze
overwegingen nadrukkelijk betrekken. Daarbij blijft het uitgangspunt van het kabinet,
conform het advies van de commissie Van Dam, om waar mogelijk te komen tot een vaststellingsovereenkomst.
Hiermee is er een wettelijk schadestelsel dat invulling geeft aan de vergoeding van
aanvullende werkelijke schade op basis van ofwel louter forfaits dan wel een concrete
schadeberekening.
Ondanks dat de inzet was en blijft om samen met de ouder tot overeenstemming te komen
via een vso, hecht het kabinet eraan dat gedupeerde ouders de keuze hebben om direct
hun schade te laten afwikkelen via de individuele schadeberekening en een beschikking.
Deze keuzevrijheid vormt dan ook een wezenlijk onderdeel van de inrichting van het
schadestelsel. Om te zorgen dat ouders deze keuze goed geïnformeerd en weloverwogen
kunnen maken, zal het kabinet proceswaarborgen treffen. Daarbij wordt onder meer gedacht
aan toegankelijke informatie en voldoende reflectiemomenten voordat een definitieve
keuze wordt gemaakt voor een individuele schadeberekening die leidt tot een beschikking.
Wanneer een beschikking wordt gevraagd of afgegeven, wordt de onafhankelijke adviesfunctie
geborgd, in lijn met wet- en regelgeving. Anders dan nu zal het bestuursorgaan de
aanvraag in behandeling nemen en inhoudelijk beoordelen, voorafgaand aan een onafhankelijke
advisering. Daarbij zal het kabinet bezien voor welke categorieën beschikkingen welke
vorm van advisering door de commissie noodzakelijk is. Het zwaartepunt van de advisering
door de commissie zal liggen bij de inhoudelijke geschilpunten.
Bij de verdere uitwerking van de adviesfunctie zal aandacht zijn voor een inrichting
die zowel zorgvuldig als voortvarend is. De nadrukkelijke wens is om te vermijden
dat de adviesfunctie tot onnodige vertraging leidt in het beschikkingsproces. Mocht
het niet lukken om deze vertraging te vermijden, dan zal het kabinet andere mogelijkheden
zoeken om de voortgang te waarborgen.
Livegang individuele schadeberekening
Deze zomer wordt de individuele schadeberekening (ISB) opengesteld. De individuele
schadeberekening is bedoeld voor ouders waarbij het forfaitaire aanbod als geheel
niet toereikend is. Vaak komt dit doordat er in minimaal één van vijf specifieke schadegebeurtenissen
sprake is van meer schade dan mogelijk gedekt kan worden binnen het totaal van het
forfaitaire kader.6 Binnen de individuele schadeberekening wordt gebruik gemaakt van het CWS-schadekader.
In het verlengde daarvan wordt causaliteit tussen het zich voordoen van een gebeurtenis
in relatie tot de KOT niet op voorhand aangenomen, en dient de ouder deze causaliteit
en de hoogte van de werkelijk geleden schade zelf aannemelijk te maken.
De aanvraag voor aanvullende schade start voor alle ouders in het aanmeldportaal.
Ouders worden vervolgens desgewenst ondersteund in het verzamelen van benodigde stukken
– en eventuele beoordeling langs het uniforme forfaitaire schadekader. Binnen MijnHerstel
zullen ouders de keuze kunnen maken tussen het doorlopen van de forfaitaire route
of direct verder te gaan. In dat laatste geval worden de ouders doorgeleid naar de
individuele schadeberekening. Ook na het doorlopen van MijnHerstel of SGH kan een
ouder kiezen voor de individuele schadeberekening. Als ouders een individuele schadeberekening
overwegen, kunnen zij vanaf deze zomer een informatiegesprek voeren. Tijdens dit gesprek
krijgen zij inzicht in voor wie de individuele schadeberekening is, wat er aanvullend
nodig is om tot een dergelijke berekening te komen, en wat de gevolgen zijn van deze
keuze. Als de ouder een dergelijk gesprek niet wil voeren, ontvangt deze een informatiebrief.
Zo snel als mogelijk na de zomer kan de ouder aanvullend benodigde informatie aanleveren,
zodat de aanvraag in behandeling kan worden genomen. Sinds afgelopen 30 juni is het
portaal van de individuele schadeberekening toegankelijk zodat ouders het aanleveren
van informatie kunnen voorbereiden.
3. Aantal ouders dat is gedupeerd op basis van non respons
Reactie op de berichtgeving in de NRC «Hoe het herstel van het Toeslagenschandaal
ontspoorde: zeker 20.000 ouders kregen ten onrechte compensatie»
In de regeling van werkzaamheden van 16 juni jl. is mij verzocht een reactie te geven
op de berichtgeving in de NRC waarin werd beweerd dat 20.000 ouders onterecht als
gedupeerd zijn aangemerkt. Ik wil benadrukken dat de in dit artikel geschetste weergave
onjuist en onvolledig is.
Er kunnen géén conclusies worden getrokken over de gedupeerheid van ouders op basis
van de administratie. De verzend- en ontvangst administratie geeft namelijk geen sluitend
en volledig beeld van het geheel aan feiten en gebeurtenissen in de casus van de ouder.
Het laat alleen zien dat de standaard brief is verstuurd. Niet of en hoe mensen op
de brief hebben gereageerd. Ik licht dit hieronder ook nader toe. Om te bepalen of
de aanwezigheid van de verzendadministratie impact zou hebben op de gedupeerdheid
van een ouder, zouden alle ouders de Integrale Beoordeling opnieuw moeten doen, inclusief
het ouderverhaal. Zoals ik eerder aan uw Kamer heb aangegeven7 kan ik dit niet doen, omdat ik dit niet goed uitvoerbaar acht, en dit bovendien zou
leiden tot grote onrust onder ouders.
Inzichtelijke maken aantal ouders dat is gedupeerd op basis van non respons
Aan het lid Ceulemans (JA21) heb ik toegezegd (TZ202603-166) om na te gaan of het
mogelijk is om inzichtelijk te maken hoe groot de groep ouders is die is aangemerkt
als gedupeerde omdat de Dienst Toeslagen niet kan aantonen dat de Belastingdienst
destijds brieven heeft gestuurd/onderzoek heeft uitgevoerd alvorens de kinderopvangtoeslag
op nihil is gesteld (verwijt van onterechte non-response).
Ik begrijp heel goed dat er behoefte is aan meer inzicht. Dit blijkt ook uit de recente
berichtgeving van de NRC. Het is echter niet mogelijk om dit inzicht te geven. Non
respons is namelijk geen opzichzelfstaande gedupeerdheidsgrond en wordt ook niet als
zodanig vastgelegd. Het kan enkel een oorzaak zijn om vast te stellen dat een ouder
is gedupeerd op basis van (individuele) vooringenomenheid.
Om dit vast te stellen is gekeken naar vijf criteria: stopzetting van KOT zonder individuele
beoordeling, een te brede uitvraag van stukken aan de ouder, een zero tolerance onderzoek
bij een ouder, het niet nader opvragen van informatie bij een gebleken tekortkoming
daarin, of het afwijzen/verlagen van de KOT bij de minste of geringste onregelmatigheid.
Als een (samenhang) van deze criteria zich voordoet, dan kan dit leiden tot gedupeerdheid
op basis van individuele vooringenomenheid. Non respons kan een reden zijn om tot
het criterium «stopzetting van KOT zonder individuele beoordeling» te komen. Maar
non respons is niet de enige reden om tot dit criterium te komen.
De beoordeling of een ouder gedupeerd is, is niet zwart-wit, en heeft vaak niet één
oorzaak. Een ouder kan gedupeerd zijn op basis van verschillende gronden en zelfs
als een ouder enkel gedupeerd is op basis van individuele vooringenomenheid, dan kan
dit door een samenloop van verschillende oorzaken komen. Daarom is het verhaal van
de ouder hierover altijd leidend in de beoordeling. Zelfs als dossiers handmatig onderzocht
worden kan dus niet met zekerheid worden vastgesteld of iemand enkel en alleen gedupeerd
is op basis van «non respons». De enige manier waarop deze specifieke groep ouders
nader in beeld gebracht kan worden is als de hele Integrale Beoordeling opnieuw wordt
gedaan, inclusief het ouderverhaal. Ik wil nogmaals benadrukken dat ik dit niet ga
doen. Ik wil ouders niet in onnodig in onzekerheid brengen. Aan het begin van de hersteloperatie
is afgesproken dat we de beoordeling van ouders, als eenmaal is vastgesteld dat zij
gedupeerd zijn, niet opnieuw gaan doen. Zij hebben de zekerheid dat de compensatie
die zij vanuit die beoordeling hebben ontvangen niet hoeven terug te betalen. Ook
wil ik geen onnodige vertraging oplopen gelet op de fase waarin de hersteloperatie
zich bevindt. Tegelijk is de zorg van uw Kamer helder, en ik deel het ongemak hierover.
De verzend- en ontvangstadministratie wordt wel gebruikt bij bezwaren en beroep en
civiele procedures. Ik verken momenteel de mogelijkheid of de administratie bruikbaar
is bij het voorkomen van stapelingsrisico’s in het kader van vervolgregelingen.
4. Motie: Onderzoek naar betere werkwijze voor omzetting van de prestatiebeurs naar
een gift
In de motie van de leden Ergin en Dijk wordt de regering verzocht om samen met gemeenten,
DUO, de kinderombudsmannen, de Inspectie Belastingdienst, Toeslagen en Douane en de
bestuurlijk regisseur te onderzoeken of er een betere werkwijze mogelijk is voor de
omzetting van de prestatiebeurs naar een gift en de Kamer hierover voor het zomerreces
te informeren (Kamerstuk 36 708, nr. 86).
In de kabinetsreactie8 op het rapport van de kinderombudsmannen «Het is niet jouw (studie)schuld» is aangekondigd
dat er onder meer recent een speciale telefoonlijn voor getroffen jongeren bij DUO
is gestart. Ook zijn de studentdecanen en de studiebegeleiders geïnformeerd over de
situatie van getroffen jongeren. Op deze manier willen we de drempel verlagen voor
jongeren om de stap te zetten naar de studentdecaan of studiebegeleider die de voorziening
bij DUO kan aanvragen. Overigens ziet DUO in de uitvoeringspraktijk dat getroffen
jongeren gebruik van maken van de voorziening. Ik blijf verder in gesprek met VNG,
kinderombudsmannen en IBTD die aandacht vragen voor deze groep.
Voor onderzoeken, waar de motie toe oproept, is het nodig om eerst te weten hoe dit
nu loopt. Ik wil dit voldoende tijd geven, zodat kan worden bezien hoe dit in de praktijk
uitwerkt.
Tot slot
In het commissiedebat van 19 maart jl. heb ik ook toegezegd uw Kamer te informeren
over het gesprek tussen de Staatssecretaris van Financiën, de Belangenvereniging Gedupeerde
Ondernemers Toeslagen/FSV/MKB (Belangenvereniging GOT) en mijzelf, als opvolging van
een bij uw Kamer ingediende petitie (TZ202603-169). Over de uitkomsten van dit gesprek
ontvangt uw Kamer separaat een brief van ons beiden.
Uw Kamer wordt periodiek geïnformeerd over de voortgang van de hersteloperatie toeslagen.
De volgende voortgangsrapportage, die de eerste zes maanden van dit jaar beslaat,
zal uw Kamer na het zomerreces ontvangen.
De Staatssecretaris van Financiën,
S.Th.P.H. Palmen
Indieners
S.T.P.H. Palmen, staatssecretaris van Financiën