Brief regering : Ontwikkelingen op personeelsgebied Defensie zomer 2026
33 763 Toekomst van de krijgsmacht
Nr. 177
BRIEF VAN DE STAATSSECRETARIS VAN DEFENSIE
Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 3 juli 2026
Met deze brief informeer ik u over de status van een aantal toezeggingen die een breed
spectrum van het personeelsbeleid van Defensie beslaan.
Verhouding met sociale partners
Aan het lid Van Lanschot (CDA) heb ik toegezegd om de Kamer rond de zomer te informeren
over de voortgang en uitkomsten van de reset in de verhoudingen met de sociale partners, met als doel gezamenlijk tot besluitvorming
te komen over de opschaling van de krijgsmacht (Kamerstuknummer TZ202604-190 van 15 april
2026).
Inmiddels kan ik u melden dat ik op een constructieve manier in gesprek ben met de
sociale partners. Dit gesprek gaat over onderwerpen die van groot belang zijn voor
de krijgsmacht, zoals de groei van de krijgsmacht, de arbeidsvoorwaarden van het Defensiepersoneel
en de benodigde veranderingen binnen het personeelssysteem van Defensie. De aard en
importantie van de voorliggende materie brengen met zich mee dat deze gesprekken niet
altijd gemakkelijk verlopen, maar er is naar mijn oordeel sprake van een open atmosfeer
die ruimte biedt om zich daadwerkelijk in elkaars perspectief te verplaatsen. Ik blijf
dan ook onverminderd inzetten op een samenwerking die, ondanks de verschillende accenten
die partijen leggen, er per saldo in resulteert dat de krijgsmacht en haar mensen
vooruit kunnen.
Een belangrijke stap daarin is dat ik inmiddels met de sociale partners een onderhandelaarsresultaat
arbeidsvoorwaarden 2026–2028 heb weten te bereiken. In dit resultaat worden niet alleen
afspraken gemaakt over loonontwikkeling, maar worden ook maatregelen getroffen om
als militair langer door te kunnen werken, om op een later moment bij Defensie in
te kunnen stromen. Daarnaast wordt flink geïnvesteerd in werken binnen het operationele
domein en worden de startsalarissen van jonge militairen in opleiding extra verhoogd.
Dit pakket maatregelen speelt een belangrijke rol bij het behouden van het groeimomentum,
en ik hoop dan ook van harte dat de achterban van de vakcentrales hiermee in kan stemmen.
Hierover zal ik u aanvullend informeren.
Uitwerking Dienmodel
Eerder heb ik uw Kamer toegezegd om nog voor de zomer nadere toelichting te geven
op de uitwerking van het Dienmodel. Tijdens het Commissiedebat Personeel van 15 april
jl. (Kamerstuk 36 800 X, nr. 93) heb ik benoemd dat ik uw Kamer stapsgewijs meeneem in de uitwerking van het Dienmodel
en de (selectieve) opkomstplicht. In deze brief ga ik nader in op een aantal vragen
die door uw Kamer tijdens de begrotingsbehandeling en het Commissiedebat Personeel
zijn gesteld.
In het najaar zal ik u opnieuw informeren over de stand van zaken en de bredere context
van de uitwerking van het Dienmodel. Denk daarbij aan het vraagstuk rondom legervorming,
inrichting van de opkomstplicht en de benodigde randvoorwaarden. Daarbij wil ik hier
nogmaals benadrukken dat we er naar streven zo lang mogelijk in een volledig vrijwillig
model te blijven. Tegelijkertijd werken we ook uit hoe we de selectieve opkomstplicht
– de gradueel verplichtende stappen binnen het Dienmodel – kunnen vormgeven. Dit model
inclusief een achterliggend mechanisme dat handvatten geeft wanneer moet worden op-
of afgeschaald, wordt op dit moment verder uitgewerkt.
Zoals ik uw Kamer heb laten weten in de Kamerbrief «Groei van de krijgsmacht» (Kamerstuk
33 763, nr. 176 van 3 april jl.) valt voor de uitwerking van de selectieve opkomstplicht te denken
aan de volgende gradueel verplichte treden op de escalatieladder:
• de enquête vrijwillig invullen en vrijwillig reageren op een uitnodiging tot gesprek;
• de enquête verplicht invullen en vrijwillig reageren op een uitnodiging tot gesprek;
• de enquête verplicht invullen en verplicht reageren op een uitnodiging tot gesprek;
• de enquête verplicht invullen, een verplicht gesprek en verplichte deelname aan selectie
en keuring, opkomst vrijwillig;
• de enquête verplicht invullen, een verplicht gesprek en verplichte deelname aan selectie
en keuring, opkomst verplicht.
Faseovergang Dienmodel
Tijdens het commissiedebat werd door een aantal leden de vraag gesteld wanneer we
overgaan van de ene fase van het Dienmodel naar de ander; dus wanneer we verdere stappen
zetten op de escalatieladder. Daarbij werd ook de vraag gesteld op welke manier uw
Kamer wordt betrokken bij die fase overgangen.
Er zijn enkele situaties die kunnen leiden tot opschaling op de escalatieladder:
• Een dusdanige verslechtering van de internationale veiligheidssituatie waardoor versnelde
groei van de krijgsmacht noodzakelijk wordt.
• Uitbreiding van het operationele takenpakket waardoor aanvullende personele capaciteit
is benodigd.
• Structurele ondervulling van de krijgsmacht, waardoor de vereiste gereedheid, schaalbaarheid
of het voortzettingsvermogen onvoldoende kan worden gegarandeerd.
Uiteindelijk zal een beargumenteerd militair advies moeten worden gegeven, gebaseerd
op analyse van de omstandigheden en vullingsprognoses. Hoe uiteindelijk de precieze
afweging wordt gemaakt, vraagt nadere uitwerking. Op het moment dat het militair advies
leidt tot een politiek besluit om een verdere stap te zetten, zal voorafgaand altijd
uw Kamer om instemming worden gevraagd.
Daarbij geldt uiteraard dat zo lang mogelijk moet worden voorkomen om op te schalen
en dus dat, ook met het oog op proportionaliteit, de vrijwillige enquête zoveel mogelijk
uitgewerkt en benut moet worden. Zodra de Wet op de Defensiegereedheid in werking
treedt, krijgt Defensie de mogelijkheid om de vrijwillige enquête aan de hele doelgroep
van 17–27-jarigen te sturen middels een separate brief. Dat vraagt daarbij ook van
ons dat we meer moeten doen om de Defensie-enquête beter bekend te maken, de opvolging
van geïnteresseerden te verbeteren en de respons beter te benutten. Ook zetten we
vol in op het volledig benutten van de vrijwillige instroom via bijvoorbeeld het Dienjaar
en de Nationale Weerbaarheidstraining.
Aanpassing wetgeving
Een aantal van uw leden stelde ook vragen over het wetgevingstraject dat we gaan doorlopen
en vroeg daarbij hoe uw Kamer daarbij betrokken wordt.
In de Kaderwet Dienstplicht moet een expliciete grondslag worden gecreëerd voor de
selectieve opkomstplicht en meer specifiek voor de eerdergenoemde gradueel verplichte
treden op de escalatieladder, alsmede een passend sanctieregime. Defensie gaat met
de voorbereidingen voor het wetgevingstraject tot wijziging van de Kaderwet Dienstplicht
na de zomer starten. De verwachte duur van het volledige wetgevingstraject (van conceptfase
tot inwerkingtreding) zal naar inschatting ongeveer 24 maanden duren, mits geen onvoorziene
vertragingen optreden. Daarbij wordt uw Kamer uiteraard conform een regulier wetgevingstraject
betrokken en om instemming gevraagd.
Sanctiemechanisme
Een aantal van uw leden vroeg ook naar de sancties die worden ingevoerd wanneer bijvoorbeeld
de verplichte enquête niet wordt ingevuld of wanneer een van de andere verplichtingen
uit het Dienmodel niet wordt nageleefd.
Voor de verplichte treden in het Dienmodel zal enerzijds, voor zover passend, mogelijk
aansluiting worden gezocht bij de bepalingen, die zijn opgenomen in hoofdstuk 3 van
de Kaderwet Dienstplicht en anderzijds een nieuw sanctieregime worden ontwikkeld.
Daarbij zal uiteraard het proportionaliteitsbeginsel als uitgangspunt worden gehanteerd,
zodat sancties in verhouding zijn met het niet naleven van de verplichtingen uit het
Dienmodel. De uitwerking van dit sanctieregime zal onderdeel uitmaken van het hierboven
genoemde wetswijzigingstraject.
Uiteraard streven we ernaar om het zo aantrekkelijk mogelijk te maken om te voldoen
aan de verplichtende elementen van het Dienmodel zodat sancties echt een uitzondering
zijn. In de uitwerking van het Dienmodel zal daarom ook plaats moeten zijn voor de
vraag hoe maken we het zo aantrekkelijk mogelijk om aan de verplichtingen te voldoen,
wat levert het op om te dienen en wat heeft de samenleving daarvoor over? Dat is een
vraagstuk dat Defensie niet alleen kan invullen en waarvoor we de maatschappij en
uw Kamer ook nodig hebben.
Vrouw & Defensie
Aan de leden Dobbe (SP) en Jagtenberg (D66) heb ik tijdens het commissiedebat Personeel
van 15 april jl. toegezegd om de Kamer voor de zomer te informeren over de inspanningen
en de voortgang met betrekking tot de punten op de «waslijst» van het netwerk Vrouw
& Defensie (Kamerstuk TZ202604-189 van 15 april 2026).
Allereerst wil ik voorkomen dat de term «waslijst» een eigen leven gaat leiden derhalve
hierbij een verduidelijking. Na contact met Vrouw & Defensie (VD) is gebleken dat
de lijst verschillende verzoeken bevat op het gebied van passende kleding en personeelsgebonden
uitrusting voor vrouwen. Defensie onderzoekt de haalbaarheid van deze punten.
Vorig jaar zijn ondermeer al stappen gezet ten aanzien van passende kleding en personeelsgebonden
uitrusting met extra aandacht voor vrouwelijke militairen. In 2025 is reeds een speciaal
voor vrouwen ontworpen (het Female Enhanced Protection Integrated Carrier (EPIC))
scherfvest aangeschaft. Eind 2025 zijn deze scherfvesten en ook andere typen (vrouwen)vesten
door TNO gebruikt in een testfase ten behoeve van een doorontwikkeling van het huidige
vest. Na doorontwikkeling biedt Defensie eind 2026 een vest voor mannen en vrouwen
dat beter aansluit op het lichaam en het huidige uitrustingssysteem. Daarnaast heeft
de Koninklijke Marechaussee een pilot «uitgifte plastuit» uitgevoerd die succesvol
wordt ervaren. We zijn voornemens de plastuit eind 2026 onderdeel te maken van de
basisuitrusting. Vanuit mijn functie blijf ik actief in gesprek met V&D, daarom heb
ik op 2 juli a.s. een vervolggesprek met hen.
Daarnaast ben ik van mening dat Defensie een afspiegeling van de samenleving moet
zijn en dat vraagt om aandacht voor diversiteit in brede zin. Met het beleidskader
D&I 2024–2030 spannen we ons in om ook recht te doen aan de context, wensen en behoeften
van alle groepen, zodat een ieder zijn of haar werkzaamheden op een passende manier
kan uitvoeren met behulp van daartoe ondersteunende (bedrijfs)middelen. Tijdens het
eerstvolgend kwartaaloverleg met de personeelsnetwerken (Vrouw en Defensie, Multicultureel
Netwerk Defensie, LHTB+ netwerk, Hoogbegaafdheid en Jong Defensie) is hier weer aandacht
voor.
Streefcijfer Vrouwen
Aan het lid Van Baarle (DENK) heb ik toegezegd om voor de zomer, in de eerstvolgende
personeelsbrief, terug te komen op de mogelijkheid, effectiviteit en de hoogte van
een specifiek streefgetal voor het percentage vrouwen onder de beroepsmilitairen (Kamerstuk
TZ202604-188 van 15 april 2026). Daarnaast is tijdens het Tweeminutendebat Personeel
op 2 juli jl. door het lid Van Baarle (Denk) een motie ingediend met dezelfde strekking.
Deze motie is aangenomen (Kamerstuk 36 800 X-108 d.d. 2 juli 2026).
Ik vind het van groot belang om ons meer te richten op het binnenhalen van vrouwen,
zij vormen immers 50% van de samenleving en daarmee een wezenlijke doelgroep. In de
komende periode zullen we dan ook kijken hoe we dit nog beter kunnen doen en onder
de aandacht kunnen brengen. De motie van het lid van Baarle zal ik hierbij betrekken.
Via de diverse rapportages houd ik u hiervan op de hoogte.
Rechtspositie van reservisten
In reactie op de moties van het lid Ellian (VVD) over de rechtspositie van reservisten
(Kamerstuk 33 763, nr. 171 en 172 van 2 oktober 2025) informeer ik uw Kamer graag over de stand van zaken. In beide
moties werd verzocht om binnen zes maanden met een inhoudelijke reactie te komen.
Al gauw bleek dat daarvoor meer tijd nodig was. In de Kamerbrief «Stand van zaken
maatregelenbrief «Onze mensen, onze toekomst»; meer, beter en sneller»» (Kamerstuk
33 763, nr. 174 van 17 december 2025) liet mijn ambtsvoorganger daarom weten dat het geven van resultaten
ergens in de eerste helft van 2026 meer realistisch was. Ook dat blijkt helaas onhaalbaar.
Motie nr. 171 verzoekt om het onderzoeken van de invoering van een verplichte reservestatus
van bijvoorbeeld vijf jaar voor militairen die uit dienst treden. De opzet en uitvoering
van dit onderzoek zijn door Defensie ter hand genomen maar vereisen nadere afstemming
met de sociale partners. Daarbij gaat het onder meer over de reikwijdte en (juridische)
implicaties. Deze gesprekken zijn gaande, maar vergen meer tijd dan voorzien. Hierdoor
is het niet mogelijk om het onderzoek binnen de beoogde termijn af te ronden. Wel
heb ik in het onderhandelaarsresultaat met de sociale partners afgesproken dat beroepsmilitairen
bij dienstverlating automatisch worden aangesteld bij het reservepersoneel. Het staat
hen echter nog vrij om hier op ieder gewenst moment van af te zien.
Motie nr. 172 verzoekt de regering een plan uit te werken voor de invoering van civiele
reservisten naar het Britse Sponsored Reserves-model en dit binnen zes maanden aan de Kamer te sturen. Ook hier is Defensie gestart
met de uitwerking maar blijkt er intensieve interdepartementale afstemming nodig.
Dit vanwege de juridische, arbeidsvoorwaardelijke en organisatorische aspecten. Hierdoor
kan ook dit plan niet binnen de gestelde termijn worden opgeleverd.
Vanzelfsprekend hebben beide zaken mijn directe aandacht en zal ik uw Kamer zo spoedig
mogelijk informeren zodra er voortgang te melden is.
Fysieke en mentale geschiktheid
Inzake de motie-Boon (Kamerstuk 36 800 X, nr. 43 van 5 maart 2026) over het bij de aanstelling voor manschappenfuncties primair toetsen
op fysieke en mentale geschiktheid, heb ik in mijn brief «Reactie op twee onderwerpen
ten aanzien van defensiepersoneel» (Kamerstuk 36 800 X, nr. 75 van 14 april 2026) laten weten dat hierover overleg wordt gevoerd tussen de sociale
partners en ik u zal informeren zodra dit is afgerond.
Ik kan u informeren dat de gesprekken met de sociale partners over dit onderwerp momenteel
nog in volle gang zijn. Gezien het vertrouwelijke en complexe karakter van deze onderhandelingen,
acht ik het op dit moment niet gepast om vooruit te lopen op de inhoud, de voortgang
of de mogelijke uitkomsten van deze besprekingen. Het is van belang dat deze gesprekken
zorgvuldig worden gevoerd, zodat er een solide en gedragen akkoord kan ontstaan. Zodra
er overeenstemming is bereikt, zal ik uw Kamer informeren over de gemaakte afspraken
en de gevolgen die daaruit voortvloeien, zodat u inzicht krijgt in de implicaties
voor alle betrokken partijen.
Inzet oud-militairen
Ten aanzien van de uitvoering van de motie-Struijs c.s. over onderzoeken hoe oud-militairen
structureel kunnen worden ingezet voor Defensie (Kamerstuk 36 800 X, nr. 60 van 5 maart 2026) kan ik u melden dat Defensie de mogelijkheden heeft onderzocht
om op vrijwillige basis meer flexibiliteit te bieden bij het leeftijdsontslag van
militairen.
Het leeftijdsontslag militairen betreft een rechtspositioneel vraagstuk en is de afgelopen
periode veelvuldig onderwerp van overleg geweest tussen sociale partners. In het arbeidsvoorwaardenresultaat
dat op 25 juni is gepresenteerd, is opgenomen dat beroepsmilitairen op vrijwillige
basis twee jaar langer kunnen doorwerken. Wanneer dit arbeidsvoorwaardenresultaat
wordt omgezet naar een akkoord wordt het mogelijk om per 1 september 2026 gebruik
te maken van deze regeling.
Externe opleidingscapaciteit
Ten aanzien van de motie-Boswijk over het ontwikkelen van een langjarige strategie
waaruit duidelijk wordt hoeveel externe opleidingscapaciteit er nodig is om de krijgsmacht
snel genoeg te kunnen laten groeien (Kamerstuk 33 763, nr. 168 van 2 oktober 2025) en de motie-Boswijk over het inventariseren en wegnemen van regels
en procedures die het opschalen van externe opleidingscapaciteit belemmeren (Kamerstuk
36 410 X, nr. 27 van 29 januari 2024), meld ik u het volgende.
Mijn ambtsvoorganger liet in zijn brief «Stand van zaken maatregelenbrief Onze mensen,
onze toekomst: meer, beter en sneller» (Kamerstuk 33 763, nr. 174 van 17 december 2025) weten dat Defensie de benodigde toekomstige instructiecapaciteit
voor de basis-militaire opleidingen in kaart brengt, dat de defensieonderdelen de
hoeveelheid kwalificaties per functie herzien en dat zij de opleidingen moderniseren.
Ook liet Defensie in dezelfde brief weten dat de samenwerking met externe partijen
binnen het opleidingsdomein wordt geoptimaliseerd (ondertekening intentieverklaring
in november 2025) en barrières, zoals langdurige aanbestedingstrajecten, indien toegestaan,
worden ingekort of weggenomen. Daarbij is benoemd dat de Kamer in 2026 over de voortgang
wordt geïnformeerd. Inmiddels kan ik u hierover de volgende resultaten melden.
Defensie werkt aan het versterken van de centrale regie op het gehele onderwijsdomein
in combinatie met regie op de externe verwerving van opleidingen. Een aandachtspunt
blijft echter de afhankelijkheid van deze externe partijen. We zoeken daarbij naar
de juiste balans. We gaan ook aan de slag met het aanpassen en waar mogelijk wegnemen
van de regels en procedures en met het opzetten van een (digitaal) platform waar vraag
(onderwijsbehoefte Defensie) en aanbod (vanuit externen) samenkomen. Tot slot wordt
er gewerkt aan nieuwe beleids- en uitvoeringskaders om deze andere manier van werken
en denken te borgen.
Hoewel het proces nog niet is afgerond, heeft het doorlopend mijn aandacht en beschouw
ik ook deze moties als afgedaan.
Alcohol- en drugspreventie
In 2022 is Defensie gestart met een herziening van het eigen drugsbeleid. Aanleiding
hiervoor waren signalen uit de organisatie, bevindingen uit risicoanalyses en de constatering
dat het bestaande beleid uit 2007 vooral is gericht op handhaving en sanctionering.
Als onderdeel van dit traject heeft Defensie het Trimbos-instituut gevraagd onderzoek
te doen naar alcohol- en drugsgebruik binnen de Defensieorganisatie en advies uit
te brengen over mogelijkheden om de preventieve aanpak te versterken. In de brief
«Toekomst van de krijgsmacht» van 15 oktober 2024 (Kamerstuk 33 763, nr. 157 van 15 oktober 2024) heeft mijn ambtsvoorganger uw Kamer geïnformeerd over de samenwerking
tussen Defensie en het Trimbos Instituut. Na een verkennend onderzoek heeft Defensie
eind 2024 opdracht gegeven voor een verdiepend onderzoek naar alcohol- en drugsgebruik
binnen de organisatie.
Eind 2025 heeft het Trimbos-instituut hierover gerapporteerd. Het onderzoek is grotendeels
kwalitatief van aard en gebaseerd op interviews en focusgroepen met medewerkers en
betrokkenen binnen en buiten Defensie. Het rapport bevat observaties, ervaringen en
aanbevelingen ten aanzien van preventie, voorlichting, bewustwording, signalering
en ondersteuning. Daarnaast bevat het aanbevelingen die raken aan cultuur, alcoholgebruik
en het bestaande drugsbeleid binnen Defensie.
Defensie bestudeert momenteel de aanbevelingen uit het rapport. Daarbij zet ik met
name in op preventie, voorlichting en vroegtijdige signalering van alcohol- en drugsgebruik.
Alleen dan kan er gedragsverandering op de lange termijn plaatsvinden. Daarnaast heb
ik oog voor die gevallen waarin de onverkorte toepassing van het drugsbeleid tot onevenredige
uitkomsten leidt. Om die reden onderzoek ik mogelijkheden om Defensie in staat te
stellen om op een meer op de persoonlijke omstandigheden gerichte wijze uitvoering
te geven aan het bestaande drugsbeleid. Over de opvolging van de aanbevelingen zal
uw Kamer op een later moment nader worden geïnformeerd.
Bij deze brief treft u het rapport van het Trimbos-instituut aan.
Spoedeisende hulp (SEH-) artsen
Aan het lid Ten Hove (Groep Markuszower) heb ik tijdens het commissiedebat Personeel
van 15 april jl. toegezegd dat in de eerstvolgende brief van het Ministerie van VWS
over het Capaciteitsorgaan en de ramingen, informatie zal worden opgenomen over het
aantal civiele en militaire opleidingsplekken voor SEH-artsen, de beschikbaarheidsbijdrage
en de bijbehorende financiële stromen (Kamerstuk TZ202604-191 van 15 april 2026).
Hierbij meld ik uw Kamer dat deze toezegging is ingelost met de recente brief van
het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS) (Kamerstuk 29 282, nr. 626 van 2 juni 2026). In deze brief staan de antwoorden op de vragen over het Capaciteitsorgaan
en de ramingen en informatie over het aantal civiele en militaire opleidingsplekken
voor SEH-artsen, de beschikbaarheidsbijdrage en de bijbehorende financiële stromen.
Daarnaast kan ik u melden dat Defensie met terugwerkende kracht per 17 september 2025
de SEH-artsen als volwaardig medisch specialist heeft erkend (Wijziging Inkomstenregeling
Militairen Staatscourant nr. 17540). Met deze wijziging krijgen de officieren SEH-artsen vanaf de dag na publicatie
recht op de Toelage Officier Medisch Specialist (TOMS) en indien van toepassing de
aanvullende TOMS (ATOMS).
Tot slot
Over bovenstaande en andere onderwerpen gerelateerd aan defensiepersoneel, wissel
ik desgewenst graag met uw Kamer van gedachten tijdens het eerstvolgende personeelsdebat.
De Staatssecretaris van Defensie,
D.G. Boswijk
Ondertekenaars
D.G. Boswijk, staatssecretaris van Defensie