Brief regering : Beleidsreactie op de wetsevaluatie Wet medezeggenschap cliënten zorginstellingen 2018 (Wmcz 2018)
34 858 Nieuwe bepalingen met betrekking tot de medezeggenschap van cliënten in zorginstellingen (Wet medezeggenschap cliënten zorginstellingen 2018)
Nr. 47
BRIEF VAN DE MINISTER VAN LANGDURIGE ZORG, JEUGD EN SPORT
Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 3 juli 2026
Met deze brief stuurt het kabinet een beleidsreactie op de wetsevaluatie van de Wet
medezeggenschap cliënten zorginstellingen 2018 (Wmcz 2018). In de brief van 27 november
2025 is de Kamer, bij de toezending van het rapport van Berenschot BV1, geïnformeerd dat voorafgaand aan de beleidsreactie gesprekken gevoerd zouden gaan
worden met het veld over de conclusies van het rapport.2 Met deze brief geeft het kabinet invulling aan deze toezegging. Ook informeert het
kabinet de Kamer over de vervolgstappen naar aanleiding van de conclusies uit het
rapport.
Met deze beleidsreactie wil het kabinet het belang van voldoende inspraak en medezeggenschap
door cliënten op de besluitvorming van individuele instellingen onderstrepen. De wetsevaluatie
laat zien dat de Wmcz 2018 voldoet, maar dat de daadwerkelijke invloed op de besluitvorming
van instellingen sterk afhankelijk is van bestuurscultuur, houding van bestuurders
en praktische invulling van de rechten. Het kabinet neemt daarom vervolgstappen, en
roept bovenal alle besturen van instellingen op om zich in te zetten voor de benodigde
cultuurverandering en werk te maken van inspraak en medezeggenschap. Luisteren naar
cliënten is immers onderdeel van goed bestuur, het draagt bij aan het verlenen van
goede zorg aan cliënten.
Deze beleidsreactie wordt gelijktijdig aangeboden aan de Eerste Kamer.
Leeswijzer:
Deze brief start met het belang van het cliëntenperspectief bij de besluitvorming
van instellingen. Vervolgens komt het kabinet met een beleidsreactie op de hoofdconclusie.
Daarna gaat deze brief per deelonderwerp in op de beleidsreactie en de vervolgstappen.
Voor meer informatie over de Wmcz 2018 en een overzicht van de conclusies en aanbevelingen
verwijs ik u naar de bijlagen 1 en 2.
1. Belang van cliëntenperspectief bij besluitvorming
In ons zorgstelsel moet de cliënt centraal staan. De instelling is er tenslotte om
de cliënt te helpen als een cliënt echt zorg nodig heeft. Iedereen is wel eens cliënt
en wil serieus worden genomen. Het moet niet uitmaken in welke instelling een cliënt
terecht komt en hoe de instelling aankijkt tegen een cliëntenraad: elke instelling
zou het belang en perspectief van de cliënt mee moeten wegen in de besluitvorming.
Daarom is dat ook vastgelegd in de Wmcz 2018.
Om de «gezondste generatie ooit» te realiseren, moet passende zorg in Nederland de
norm worden. Passende zorg is zorg die past bij wat mensen echt nodig hebben.3 Dat betekent ook dat zorg aansluit bij behoeften, wensen, achtergrond en gezondheidsvaardigheden
van de eigen cliënten. Als het beleid van de instelling niet goed aansluit bij zijn
cliënten kan dat leiden tot een ontoegankelijke praktijk, onbegrijpelijke informatie,
gemiste afspraken, klachten en geschillen tussen cliënt en zorgverlener. Voor goede
zorg is het van belang dat de zorgverlener niet alleen in de spreekkamer bij «samen
beslissen» naar de cliënt luistert, maar instellingen ook luisteren en aanspreekbaar
zijn op hun beleid. Door tijdig de cliëntenraad bij de besluitvorming over goede zorg
en bedrijfsvoering te betrekken, kunnen instellingen beter passende zorg bieden.
Daarbij ziet het kabinet het naleven van de Wmcz 2018 als een groot onderdeel van
goed bestuur door instellingen. Goed bestuur is immers een randvoorwaarde voor goede
zorg of jeugdhulp aan cliënten of jeugdige. Een belangrijk onderdeel van goed bestuur
is inspraak en medezeggenschap. Het gaat er bij inspraak en medezeggenschap om dat
de instelling als tegengeluid de ervaringskennis hoort en betrekt bij haar besluitvorming.
Dit is het basisprincipe van «checks and balances». Invloed hebben is pas van waarde
als dit ook doorwerkt in de wijze waarop zorg in het individuele geval wordt verleend.
De Wmcz 2018 beoogt de positie van de individuele cliënt te versterken door de positie
van de cliëntenraad te verstevigen.
Bij passende zorg hoort ook een passend zorglandschap. Het kabinet gaat erop sturen
dat instellingen en zorginkopers, na overleg met inwoners en cliënten en hun inbreng
meewegend, in elke regio keuzes maken waar welke zorg verleend wordt en waar welke
zorg niet verleend wordt omdat dat beter ergens anders kan. Die keuzes zijn nodig
zodat het zorglandschap goed aansluit op de vraag naar passende zorg. Dat betekent
ook dat het gezamenlijk – maatschappelijk – belang boven het individuele belang van
een instelling, inkopers, en soms ook de cliënt moet worden gesteld. Om de transitie
naar passende zorg mogelijk te maken, wil het kabinet dat instellingen en cliënten
op gelijkwaardig niveau, ieder vanuit zijn of haar eigen rol en verantwoordelijkheid,
samenwerken aan toekomstbestendige zorg. De cliëntenraad kan daar een rol in spelen.
Juist in een zorglandschap in transformatie, is de stem van de cliënt bij deze transities
belangrijk.
2. Beleidsreactie op de hoofdconclusies
De onderzoekers concluderen dat de Wmcz 2018 in juridische zin voldoet. De wet geeft
cliënten voldoende formele rechten en meer ruimte voor maatwerk voor het inrichten
van informele medezeggenschap. Echter, de uitvoering van de wet laat nog te wensen
over, waardoor cliënten in de praktijk nog niet altijd optimaal gebruik kunnen maken
van deze mogelijkheid tot medezeggenschap. Het kabinet kan deze conclusie ook duiden:
de wet werd ingevoerd in een periode van Covid-19 (Corona), waarbij alle instellingen
voor grote uitdagingen stonden. Het implementeren van deze wet heeft daardoor mogelijk
geen prioriteit gekregen. Er is nu echter een tijd aangebroken waarin instellingen
ook echt aan de slag moeten met de formele rechten van cliënten uit de Wmcz 2018.
Dat komt de kwaliteit van de zorg of jeugdhulp en de bedrijfsvoering ten goede. Het
kabinet neemt maatregelen om instellingen te steunen en helpen de rol die zij hebben
in inspraak en medezeggenschap te nemen. En bovenal roept het kabinet besturen van
instellingen op om werk te maken van de cultuurverandering die de Wmcz 2018 heeft
beoogd.
3. Beleidsreactie op de conclusies en aanbevelingen per deelonderwerp
In deze paragraaf komt het kabinet met een beleidsreactie en vervolgstappen naar aanleiding
van de conclusies en aanbevelingen in het rapport. Bij de beleidsreactie op de conclusies
van het rapport en de aanbevelingen zijn de doelen van de wet – de positie van cliëntenraden
te verstevigen en tegelijkertijd meer ruimte te bieden voor maatwerk van inspraak
en medezeggenschap – de leidraad. Voor het overzicht is in bijlage 3 de reactie per
aanbeveling opgenomen. Uit dit overzicht blijkt dat alle aanbevelingen aan het ministerie
worden overgenomen.
Zoals is aangegeven in de brief van 27 november 2025 zijn voorafgaand aan de beleidsreactie
gesprekken met het veld over de conclusies in het rapport gevoerd.4 Het kabinet heeft de input uit deze gespreken en schriftelijke reacties in deze beleidsreactie
meegewogen.
3.1. Inrichting van cliëntenraden
Te veel instellingen hebben nog geen cliëntenraad ingericht of geen cliëntenraad die
voldoet aan de minimale eisen die vermeld staan in de Wmcz 2018. Het kabinet vindt
dat geen goed bestuur of verantwoord ondernemerschap. Met brancheorganisaties is gesproken
over de wijze waarop zij kennis over de Wmcz 2018 en kennis over het belang van goede
inspraak en medezeggenschap door cliënten bij hun achterban kunnen verbeteren. De
basis voor goede zorg is de vertrouwensband tussen de cliënt en de instelling. Vanuit
deze vertrouwensband moet een cliënt er ook op kunnen rekenen dat de zorg goed is
en de rechten van cliënten gerespecteerd worden. Dit is ook een onderdeel van verantwoord
ondernemerschap in de zorg. Het kabinet is dan ook van oordeel dat instellingen tenminste
aan de minimale eisen van de Wmcz 2018 moeten voldoen.
Het uitgangspunt van de Wmcz 2018 is dat de sector er zelf voor moet zorgen dat inspraak
en medezeggenschap in de praktijk goed wordt vormgegeven. Het kabinet onderschrijft
daarom de aanbeveling van de onderzoekers dat instellingen samen met de cliëntenraden
tot een gezamenlijk stevig plan van aanpak komen, om het animo van cliënten te verhogen.
Door de sector zelf ontwikkelde handreikingen kunnen een effectief instrument zijn
om een open en lerende cultuur bij instellingen te bereiken.
De onderzoekers bevelen instellingen aan om marktconforme vergoedingen of vacatiegelden
aan de leden van de cliëntenraad te betalen. Het kabinet heeft grote waardering voor
de vrijwillige inzet van cliënten in de cliëntenraden. Deelname aan een cliëntenraad
is echter een vorm van vrijwilligerswerk. Daarvoor zouden zij een vrijwilligersvergoeding
kunnen ontvangen. Een aandachtspunt bij marktconforme vergoedingen is ook dat het
nadelige effecten kan hebben op bijvoorbeeld een uitkering of inkomstenbelastingheffing.
In plaats van marktconforme vergoedingen ziet het kabinet andere mogelijkheden om
het animo om deel te nemen aan cliëntenraden te vergroten. Zo kunnen instellingen
zelf meer reclame maken voor hun eigen cliëntenraad.
Een goed voorbeeld uit de praktijk zijn zorg- of jeugdhulpverleners die cliënten of
jeugdige aansporen om deel te nemen aan de cliëntenraad om zich persoonlijk te ontwikkelen.
De meerwaarde voor de individuele cliënten zit dan in het feit dat:
– de leden voldoening ervaren uit hun inzet voor de instelling;
– het (sociale) netwerk van leden wordt versterkt;
– leden kunnen competenties ontwikkelen; en
– jeugdigen door ervaringen bij de cliëntenraad de kansen op een baan kunnen vergroten.
De onderzoekers adviseren het kabinet om de bekendheid en kenbaarheid van de Wmcz
2018 te stimuleren. De onderzoekers geven aan dat de bekendheid met de Wmcz 2018 het
animo van cliënten kan stimuleren om zich aan te sluiten bij een cliëntenraad. Immers,
onbekend maakt onbemind. Het kabinet ziet dat door de onbekendheid van de Wmcz 2018
inspraak en medezeggenschap door cliënten en de instellingen niet ten volle wordt
benut. Om de bekendheid met de Wmcz 2018 aan te jagen, gaat het kabinet samen met
het veld, de IGJ en het CIBG aan de slag met een communicatiestrategie over de «meerwaarde
van de Wmcz 2018».
De onderzoekers adviseren om te verduidelijken wanneer de Wmcz 2018 van toepassing
is. Het kabinet bereidt daarom een aantal technische aanpassingen aan de Wmcz 2018
voor. Met deze aanpassingen wordt meer uniformiteit in de termen voor goed bestuur
aangebracht. Doel is dat instellingen en cliënten door meer eenheid in de zorgwetgeving
beter weten wanneer en hoe ze aan deze wet moeten voldoen. Ook wordt een voorstel
voorbereid om (vergelijkbaar met de interne toezichthouder) een bepaling op te nemen
voor combinatie-instellingen die zowel zorg als jeugdhulp verlenen. Doel is dat combinatie-instellingen
slechts één cliëntenraad hoeven op te richten.
3.2. Positie van de cliëntenraad en ondersteuning
Voor een effectieve medezeggenschap is het belangrijk dat informatie over de zorgverlening
en bedrijfsvoering begrijpelijk en goed toegankelijk is voor cliënten. Dat vergt iets
van een instelling. Het principe dat een arts informatie moet geven op het begripsniveau
van de cliënt, geldt dus niet alleen in de spreekkamer, maar ook wanneer een instelling
een cliëntenraad medezeggenschap geeft. Daarom dient de instelling bij de informatievoorziening
ook rekening te houden met het kennisniveau en de vaardigheden van mensen in de cliëntenraad.
Een «gezondheidsvaardige organisatie»5 houdt dus ook rekening met zijn cliëntenraad.
Het kabinet onderschrijft het advies van de onderzoekers aan instellingen om samen
met de cliëntenraad invulling te geven aan de wettelijke vereisten. Zoals ook in de
Wmcz 2018 en in de Governancecode Zorg6 beschreven staat, is het de taak van de besturen van instellingen om met de cliëntenraad
afspraken te maken over hoe wordt samengewerkt.
Cliënten willen op een flexibele en laagdrempelige manier meepraten over de besluitvorming
van de instelling. In de medezeggenschapsregeling, die instellingen moeten opstellen
volgens de Wmcz 2018, kunnen afspraken worden gemaakt om de cliëntenraad flexibeler
en laagdrempeliger vorm te geven. Zo kan digitaal of fysiek vergaderd worden. Ook
kan de frequentie van het vergaderen worden aangepast. Daarnaast kunnen afspraken
gemaakt worden over de onderwerpen die de cliëntraad wil behandelen en over welke
onderwerpen zij wel of geen advies of instemming willen geven. Daarmee wordt deelname
aan de cliëntenraad uitvoerbaar, haalbaar, reëel en afgestemd op de wensen van de
cliënten. Dit zijn eenvoudige maatregelen om het animo bij cliënten te verhogen.
De onderzoekers adviseren bestuurders om gezamenlijk met cliëntenraden binnen de grenzen
van AVG en de Wmcz 2018 methodes te ontwikkelen om de achterban te kunnen raadplegen.
In 2025 heeft de Governance Innovatie- en Adviescommissie (IAC) geadviseerd om ook
afspraken over achterbanraadpleging in de Governancecode Zorg op te nemen.7 Het kabinet onderschrijft deze adviezen. Om instellingen een helpende hand te bieden,
heeft het ministerie het onderwerp «Achterbanraadpleging: wat mag volgens de AVG?» toegevoegd aan de website AVG-Helpdesk voor Zorg, Welzijn en Sport.8
Goede voorbeelden: achterbanraadpleging
Een cliëntenraad kan op verschillende manieren de mening van andere cliënten bevragen.
Bijvoorbeeld via individuele raadpleging, huiskamergesprekken of via bijeenkomsten
voor cliënten, vertegenwoordigers en ouders. Uit het onderzoek blijkt dat onduidelijkheid
over de AVG cliëntenraden soms bemoeilijkt om contact te krijgen met andere cliënten.
Een instelling kan aan zijn cliënten toestemming vragen om hun contactgegevens aan
de cliëntenraad te verstrekken. Bijvoorbeeld via een medische app, bij het inschrijfformulier
of tijdens een afspraak. De cliëntenraden kunnen dan zelfstandig informatie, nieuws,
(anonieme) vragen of enquêtes aan de achterban versturen. Daarbij moet de instelling
rekening houden met de volgende eisen: Grondslag toestemming | Autoriteit Persoonsgegevens.
De instelling kan informatie over de cliëntenraad verspreiden via folders of via een
digitaal scherm in de spreekkamer, via berichten op sociale media of op de website
van de instelling plaatsen.
Een online platform of sociale media groep kan worden opgericht, waarin de cliëntenraad
flexibel en vrijblijvend vragen aan andere cliënten kan voorleggen. Voorbeelden hiervan
zijn: «medezeggenschapspanels».
De instelling verstrekt tevens aan de cliëntenraad de gepubliceerde resultaten van
onafhankelijke onderzoeken naar de mening van cliënten over de geleverde zorg, patiënt-effectrapportages
(PER) en prospectieve risico inventarisaties (PRI).
3.3. Cultuurverandering: naar meer medezeggenschap door cliënten
De onderzoekers constateren dat de Wmcz 2018 voldoende juridische basis biedt om een
cultuurverandering bij instellingen te bereiken. Daarmee is één van de vier speerpunten
van de Agenda goed bestuur in de zorg behaald. Dit speerpunt zag op het optimaliseren
van «checks and balances» langs de weg van formele medezeggenschap.9 Formele medezeggenschap is geregeld in een wet. Een wet biedt echter geen garantie
dat het gedrag en de cultuur bij instellingen ook daadwerkelijk verandert. Zoals de
onderzoekers constateren, is een cultuurverandering sterk afhankelijk van de wijze
waarop bestuurders in de praktijk met inspraak en medezeggenschap door cliënten omgaan.
Naast overheidsregulering is in ons stelsel een belangrijke rol weggelegd voor zelfregulering.
Voor cultuurverandering is namelijk ook draagvlak in de sectoren zelf nodig. In aanvulling
op de Wmcz 2018 besteedt de Brancheorganisaties Zorg (BoZ) in de Governancecode Zorg
ook aandacht aan medezeggenschap door cliënten. Een code kan de wet- en regelgeving
over goed bestuur in de zorg nooit vervangen. De meerwaarde van de Governancecode
Zorg ziet op het beïnvloeden van het gedrag. Zoals ook beschreven staat in de Governancecode
Zorg, heeft het bestuur de verantwoordelijkheid om een open en lerende cultuur te
bewerkstelligen. Hierbij is van belang dat de cliëntenraad, het bestuur en de
interne toezichthouder van een instelling in gesprek gaan over het verlenen van goede
zorg en bedrijfsvoering. Cliëntenraden kunnen besturen aanspreken op het niet naleven
van deze code of een toetsingsverzoek bij de Governancecommissie Gezondheidszorg indienen.
Ook zijn er branchekeurmerken of accreditaties die gekoppeld zijn aan het lidmaatschap
van beroeps- of brancheorganisaties. Zo stimuleert de Federatie Landbouw en Zorg (FLZ)
de naleving van de Wmcz 2018 met haar branchekeurmerk «Kwaliteit Laat Je Zien».
Voor de versterking van de positie van de cliënt en uit oogpunt van de «checks and
balances» hebben de onafhankelijke interne toezichthouder en zorgverleners ook hun
eigen verantwoordelijkheid. De interne toezichthouder en zorgverleners kunnen de instelling
aanspreken als die niet voldoet aan de eisen van de Wmcz 2018. Tegelijkertijd kunnen
zij het cliëntenperspectief betrekken bij hun belangenafweging en advisering aan het
bestuur over de wijze waarop de instelling goede zorg kan verlenen.10 Met de Wtza, de Wet verbetering beschikbaarheid Jeugdzorg en de Wet kwaliteit klachten
en geschillen zorg (Wkkgz) hebben mijn voorgangers de positie van deze partijen versterkt.11
Door de gegevens uit de openbare jaarverantwoordingen kunnen ook maatschappelijke
partijen instellingen aanspreken op het ontbreken van een cliëntenraad. Zo kan een
zorginkoper de overeenkomst met een instelling ontbinden als deze binnen zes maanden
niet beschikt over een cliëntenraad.
In het rapport van Berenschot B.V. is het advies aan bestuurders dat zij moeten investeren
in scholing over de Wmcz 2018 om de inspraak en medezeggenschap cultuur binnen de
instelling te versterken. Deze aanbeveling stemt overeen met de Governancecode Zorg.
In die gedragscode is geregeld dat bestuurders zorgen dat zij vakbekwaam en geschikt
zijn en blijven. Bestuurders werken continu aan hun eigen ontwikkeling en laten zich
daarop aanspreken en toetsen. Bestuurders maken daarbij onder andere gebruik van scholing
en/of opleiding.
Het Ministerie van VWS subsidieert een kosteloos trainingsprogramma bij de Erasmus
Universiteit. Dat programma richt zich op de professionalisering van de beroepsgroep
managers en coördinatoren van het vrijwilligerswerk. In het geval van de Wmcz 2018
kunnen instellingen gebruik maken van dit programma.
Goede voorbeelden van scholing en voorlichting over medezeggenschap
De beroepsvereniging voor bestuurders in de zorg (NVZD) heeft een accreditatietraject.
Alle bestuurders in de zorg kunnen aan dit traject meedoen. Getoetst wordt of bestuurders
actief werken aan hun professionele ontwikkeling en beschikken over zelf reflecterend
vermogen – belangrijke ingrediënten voor goed bestuur. Uitgangspunten daarbij zijn
dat bij samenwerkingen het cliëntenbelang centraal staat. Een bestuurder organiseert
medezeggenschap van cliënten zodanig dat zij invloed kunnen uitoefenen.
De Nederlandse Vereniging van Toezichthouders in de Zorg en Welzijn (NVTZ) heeft een
programma goed toezicht. Alle interne toezichthouders in de zorg- en jeugdsector kunnen
lid worden van de NVTZ. Startende leden krijgen door middel van een driedaagse opleiding
o.a. informatie over medezeggenschap. Naar aanleiding van de beleidsreactie op de
evaluatie van de agenda Goed bestuur in de zorg12 heeft de NVTZ samen met LOC Waardevolle zorg, Netwerk Cliënt-en-Raad Zorg (NCZ),
Landelijk Steunpunt Medezeggenschap (LSR), regiobijeenkomsten, lezingen en workshops
gegeven. Om de wederzijdse zichtbaarheid te vergroten en de rolverdeling tussen interne
toezichthouders en cliëntenraden te verduidelijken.
Om instellingen een voorbeeld en handreiking te bieden, hebben de NVZD en NVTZ modelstatuten
voor instellingen gepubliceerd. In deze modelstatuten zijn de bepalingen van de Wmcz
2018 verwerkt en aangevuld met een extra adviesrecht.13 Bij vragen kunnen instellingen terecht bij de Governance Helpdesk.
Daarnaast zijn er o.a. LSR, NCZ en LOC per sector model-documenten gemaakt:
– over de medezeggenschapsregeling;
– over het huishoudelijk regelement;
– over informatie over budgetten en vergoedingen;
– over informatie- en communicatieprotocollen;
– over (overeenkomst over) ondersteuning aan de cliëntenraad.
Het NCZ gaat in de zomer van 2026 aan de leden van Zelfstandige Klinieken Nederland
(ZKN) een cursus geven over de «meerwaarde van de Wmcz 2018 voor zelfstandige klinieken».
Branchevereniging Kleinschalige Zorg (BVKZ) helpt kleinschalige instellingen met een
kennisplein, e-learnings, webinars en handreikingen over goed bestuur. Tegelijkertijd
werkt BVKZ aan een kwaliteitscheck voor haar leden. Met dit instrument wordt aandacht
besteed aan de Wet bestuur en toezicht rechtspersonen (Wbtr), de Wtza, de Wmcz 2018
en de Governancecode Zorg. Dit instrument hoopt BVKZ voor de zomer af te ronden.
Al deze stappen tezamen zouden moeten leiden tot een cultuurverandering bij instellingen.
Met als doel inspraak en medezeggenschap te stimuleren.
3.4. Verschillen in cultuurverandering: naar meer medezeggenschap per sector
De onderzoekers concluderen dat er verschil is binnen de verschillende sectoren op
welke wijze zij omgaan met de formele rechten in de Wmcz 2018. Bij de zorgsectoren
waarbij inspraak en medezeggenschap bekend was, zijn de formele rechten van de Wmcz
2018 goed geborgd. Tegelijkertijd constateren de onderzoekers dat de cultuurverandering
bij de Medisch specialistische bedrijven (MSB’s), eerstelijnszorg en jeugdhulpaanbieders
niet of onvoldoende plaats heeft gevonden. Een reden is volgens de onderzoekers dat
zij de meerwaarde van een cliëntenraad binnen hun praktijk niet onderkennen.
Voor de MSB’s, eerstelijnszorg en jeugdhulpaanbieders is medezeggenschap door cliënten
door middel van een formele cliëntenraad nieuw. Een verandering van cultuur heeft
tijd nodig om gestalte te krijgen. Het kabinet merkt op dat in deze sectoren nog het
nodige moet gebeuren om beter gebruik te kunnen maken van medezeggenschap door cliënten.
Het kabinet vertrouwt op deze sectoren dat ook zij de meerwaarde van medezeggenschap
door cliënten herkennen en erkennen. Daarbij merkt het kabinet op dat zelfregulering
via o.a. de Governancecode Zorg op deze groepen niet direct van toepassing is, wat
gevolgen heeft voor de implementatie van de Wmcz 2018 en bijbehorende cultuurverandering.
Vanuit het maatschappelijk belang van goed bestuur en een gelijk speelveld in de sector
is de inzet van de BoZ dat de Governancecode Zorg ook zoveel mogelijk wordt nageleefd
door instellingen die geen lid zijn van Actiz, de Nederlandse ggz, UMCNL, Nederlandse
Vereniging Ziekenhuizen (NVZ) en Vereniging gehandicaptenzorg Nederland (VGN). De
code is zo algemeen bruikbaar dat ook andere aanbieders of brancheorganisaties deze
code op zichzelf van toepassing kunnen verklaren. Uit de recente verkenning naar het
intern toezicht14 blijkt dat zelfregulering bij kleine instellingen moet worden geoptimaliseerd en
het bereik moet worden vergroot. Het kabinet roept daarom nogmaals alle branche- en
beroepsorganisaties voor kleinere instellingen op om de Governancecode Zorg op zichzelf
van toepassing te verklaren. Dit is een eerste goede stap om draagvlak en een cultuurverandering
bij kleinere instellingen tot stand te brengen.
In het kader van de Governancecode Zorg ziet het kabinet positieve ontwikkelingen.
Zo heeft de Branches Gespecialiseerde Zorg en Jeugd (BGJZ) in 2025 een «Norm voor
Opdrachtnemerschap» vastgesteld. Deze norm verplicht alle jeugdhulpaanbieders van
gespecialiseerde jeugdhulp om de Governancecode Zorg na te gaan leven. Ook heeft de
Eerstelijnscoalitie (ELC)15 laten weten dat zij in het tweede kwartaal van 2026 gaan verkennen of en op welke
wijze voor eerstelijnszorgaanbieders kan worden gekomen tot een governancecode passend
bij de sector, waarbij wordt bezien of aansluiting bij de Governancecode Zorg mogelijk
en wenselijk is. Verder zijn MSB’s vaak indirect – via de contracten met het ziekenhuis
– verplicht om de Governancecode Zorg op de inrichting van inspraak en cliëntenraad
toe te passen.
Uit de gesprekken met veldpartijen constateert het kabinet dat een aantal instrumenten
van de Agenda goed bestuur uit 2015 niet passend zijn bij o.a. kleine instellingen,
onderaannemers, eerstelijnszorgaanbieders en jeugdhulpaanbieders.16 Deze agenda is voornamelijk gericht op grote instellingen, zoals ziekenhuizen, verpleeghuizen,
instellingen voor geestelijke gezondheidszorg of gehandicaptenzorg. Het kabinet neemt
daarom de komende periode de tijd en ruimte om zich te bezinnen op de wijze waarop
een instelling het perspectief van zijn eigen cliënten beter kan betrekken bij zijn
strategische keuzes voor een zorglandschap in transitie en de beweging naar passende
zorg voor iedereen.
Daarbij herbezint het kabinet ook wat het Ministerie van VWS zelf kan doen om medezeggenschap
door cliënten verder te stimuleren.
3.5. Maatwerk en informele medezeggenschap
De onderzoekers constateren dat de ruimte voor maatwerk enerzijds door instellingen
wordt gewaardeerd en anderzijds wordt gebruikt om inspraak of medezeggenschap uit
te hollen. Zoals ook is toegelicht in de Governancecode Zorg 2022 gelden vanzelfsprekend
altijd de wettelijke kaders. Er moet ruimte zijn om naast de wettelijke kaders ook
andere vormen van medezeggenschap te benutten. Deze andere vormen van inspraak en
medezeggenschap zijn deels overlappend aan de cliëntenraad, maar kunnen elkaar ook
ondersteunen.
De Wmcz 2018 regelt de formele medezeggenschap voor verschillende typen instellingen,
maar legt ook een goede basis voor informele vormen van inspraak en medezeggenschap.
Het kabinet wil benadrukken dat de Wmcz 2018 is bedoeld als een minimumregeling. Dat
betekent dat instellingen ten minste aan de eisen van de Wmcz 2018 moeten voldoen,
maar daarnaast ook inspraak of andere vormen van informele medezeggenschap mogen inrichten.
Doel is juist om die vormen van informele medezeggenschap goed aan te laten sluiten
bij de gesignaleerde behoefte van de cliënten.
Goede voorbeelden van maatwerk:
– Er worden verschillende cliëntenraden per doelgroep ingericht.
– Cliëntenraden hebben eigen werkgroepen, commissies of deelraden. Deze adviseren de
cliëntenraad over specifieke onderwerpen of thema’s.
– Familie-, naasten- en verwantenraden die naast de cliëntenraad functioneren.
– De centrale cliëntenraad adviseert over ingewikkelde onderwerpen, zoals de bedrijfsvoering,
fusies en afstoten van zorgverlening. De lokale raad adviseert over de menselijke
onderwerpen, zoals de toegankelijkheid van de huisartsenpraktijk, digitalisering,
dagbesteding en kwaliteit van het eten.
– – Regionale cliëntenraden die naast de cliëntenraad functioneren.
– Digitale platformen, huiskamerbezoeken en pizza overleggen naast de activiteiten van
de cliëntenraad.
– Samenwerkingsafspraken met de cliëntenraad, pleegouderraad, ondernemingsraad, medische
staf, verpleegkundige- of verzorgende adviesraden, studentenraden en Onderwijs en
Onderzoeksraad (O&O-raad). IAC noemt dit een integraal medezeggenschapsorgaan.
– Cliënten die uitsluitend forensisch zorg of ondersteuning ontvangen toegang geven
tot hun cliëntenraad en dezelfde rechten uit de Wmcz 2018 (domein-overstijgende medezeggenschap).
Het kabinet vindt de bevinding dat de ruimte voor maatwerk wordt gebruikt om de wettelijke
bepalingen te ontwijken of minder veeleisende alternatieve vormen van medezeggenschap
voor cliënten te introduceren, onaanvaardbaar. Een voorbeeld daarvan is een enquête
of ander onderzoek naar de meningen van cliënten in plaats van het installeren van
een volwaardige cliëntenraad. Met deze vormen van informele medezeggenschap komt de
instelling niet tegemoet aan alle rechten van cliënten. Met andere woorden: een instelling
kan wel meer informele rechten aan cliënten geven, maar niet minder formele rechten.
Anderzijds constateert het kabinet dat goedwillende instellingen soms nog onwetend
over de eisen van de Wmcz 2018 zijn. Door die onwetendheid richten zij te goeder trouw
een vorm van inspraak of medezeggenschap in die niet voldoet aan de eisen van de Wmcz
2018. Deze instellingen wil het kabinet met de voorgenomen communicatiestrategie «meerwaarde
van de Wmcz 2018» helpen.
3.6. Regionale samenwerking of instellingsoverstijgende medezeggenschap
De onderzoekers adviseren om nader te onderzoeken of regionale samenwerking of instellingsoverstijgende
inspraak en medezeggenschap in de Wmcz 2018 zou moeten worden opgenomen. Dit advies
wordt niet overgenomen. Het kabinet onderschrijft de aanbeveling van het IAC om in
de Governancecode Zorg aandacht te besteden aan regionale samenwerkingen, de betrokkenheid
van burgers en aan domein-overstijgende samenwerkingen.17 In het Integraal Zorgakkoord (IZA) zijn concrete afspraken gemaakt om burgers en
cliënten op landelijk en regionaal niveau beter te betrekken. Vanaf juni 2023 is mijn
ambtsvoorganger gestart met het ontwikkelen van een landelijk dekkende infrastructuur
van regionale participatiehubs. Dit zijn regionale netwerken van bestuurders, professionals,
inwoners, cliëntenraden, patiëntenbewegingen en burgerinitiatieven die werken aan
meer gelijkwaardige betrokkenheid van degene om wie het gaat bij regionale vraagstukken
over gezondheid, zorg en ondersteuning. Doel van dit programma is om participatie
van mensen om wie het gaat bij de regionale transities in zorg en ondersteuning te
bevorderen. Het kabinet onderschrijft het oordeel van de onderzoekers dat de kracht
van de Wmcz 2018 juist ligt in de formele rechten die cliënten, hun vertegenwoordigers
en ouders hebben. En dat er nog kansen liggen om ook op plekken waar regionale afspraken
worden gemaakt het cliënt- en burgerperspectief te verankeren. Het veld van regionale
samenwerking is volop in ontwikkeling. Daarvoor wil het kabinet de regionale participatiehubs
een kans geven om zich verder te ontwikkelen. Daarbij wil het kabinet dat instellingen
en cliënten op gelijkwaardig niveau, ieder vanuit zijn of haar eigen rol en verantwoordelijkheid,
samenwerken aan toekomstbestendige zorg. De cliëntenraad kan daar in het netwerk van
de participatiehubs een rol in spelen. Juist in een zorglandschap in transformatie,
is de stem van de cliënt bij deze transities belangrijk.
3.7. Toezicht
Voor de cultuurverandering zijn naast «soft controls» van aanspreken op gedrag en
cultuur ook de «hard controls» van het toezicht door de IGJ en de weigerings- en intrekkingsgronden
van de vergunningsplicht van de Wtza van belang.
De aanwezigheid van inspraak en medezeggenschap maakt standaard onderdeel uit van
de reguliere inspectiebezoeken van de IGJ. In alle kaders en toezichtdocumenten van
de IGJ is de Wmcz 2018 verwerkt als onderwerp waarop toezicht wordt gehouden. Inspraak
en medezeggenschap van cliënten vormt voor de IGJ een integraal onderdeel van het
bredere (risicogestuurde) toezicht op de kwaliteit van zorg. Een gesprek met (een
vertegenwoordiger van) de cliëntenraad vormt dan ook vaak een onderdeel van toezichtbezoeken.
De IGJ ontvangt van nieuwe instellingen informatie over inspraak en medezeggenschap
uit de meldplicht «nieuwe toetreders». Bestaande instellingen verantwoorden zich jaarlijks
over de aanwezigheid van een cliëntenraad via de openbare jaarverantwoording. Vanaf
1 januari 2025 is de doelgroep van de openbare jaarverantwoordingsplicht voor zorgaanbieders
uitgebreid. Het kabinet bereidt ook het wetsvoorstel Verzamelwet gegevensverwerking
IV voor waarin wordt geregeld dat het CIBG het volledig ingevulde aanvraagformulier
van de aanvrager voor de toelatingsvergunning op grond van de Wtza aan de IGJ kan
verstrekken. In dit formulier zit ook informatie over inspraak en medezeggenschap
door cliënten. Deze maatregelen vergroten de informatiepositie van de IGJ.
In 2024 heeft de IGJ twee gerichte thematische onderzoeken gedaan naar de ervaringen
over inspraak en medezeggenschap bij kleine en middelgrote zorginstellingen in de
gehandicaptenzorg en geestelijke gezondheidszorg (ggz). Naar aanleiding van deze onderzoeken
heeft de IGJ voorlichting over goede voorbeelden op haar website geplaatst om zorginstellingen
bij het oprichten van een cliëntenraden te helpen. Ook heeft de IGJ de voorlichting
op haar website aangevuld met een nieuwe pagina over «Verplichtingen rond medezeggenschap».
Uit het rapport van Berenschot B.V. blijkt ook dat relatief weinig signalen en meldingen
over overtredingen van de Wmcz 2018 worden gedaan. Als er niet wordt voldaan aan de
eisen van de Wmcz 2018, kunnen cliënten in eerste instantie in gesprek gaan met de
bestuurder. Als laatste in te zetten middel kunnen cliënten, hún vertegenwoordigers
en ouders ook een vraag stellen of melding doen over de Wmcz 2018 via het Landelijk
Meldpunt Zorg (LMZ)18 bij de IGJ. Ook zorgverleners kunnen een vraag stellen of klacht indienen bij het
LMZ.
3.8. Toelatingsvergunning
Bij nieuwe zorgaanbieders weigert het CIBG een Wtza vergunning als een instelling
niet beschikt over een cliëntenraad. Het CIBG houdt hierdoor indirect toezicht bij
het starten van een zorginstelling op het naleven van de Wmcz 2018. Naar aanleiding
van deze evaluatie heeft het kabinet het CIBG gevraagd om strenger te toetsen op de
aanwezigheid van een cliëntenraad en of deze voldoet aan de eisen van de Wmcz 2018.
Bij bestaande instellingen kan de IGJ bij het CIBG melden dat de instelling geen cliëntenraad
heeft ingesteld of dat een cliëntenraad niet voldoet aan de voorwaarden van de Wmcz
2018. Naar aanleiding van die melding kan het CIBG de Wtza-vergunning van de instelling
intrekken.19 Indien een Wtza-vergunning wordt ingetrokken, is het de instelling niet langer toegestaan
om zorg te verlenen. Dat kan gevolgen hebben voor de continuïteit en de kwaliteit
van de zorg. Daarom is dit een middel waartoe alleen in het uiterste geval kan worden
overgegaan.
In het Aanvullend Zorg- en Welzijnsakkoord (AZWA) is met de gecommitteerde partijen
afgesproken dat het ministerie gaat onderzoeken of de vergunningsplicht moet worden
uitgebreid naar onderaannemers en jeugdzorg. Zoals in de brief van 15 april 2026 aan
de Kamer gemeld heeft het kabinet inmiddels besloten om een wetsvoorstel voor te bereiden
om een vergunningplicht in te voeren voor jeugdhulpaanbieders.20 Bij brief van 8 juni 2026 is gemeld dat het kabinet werkt aan een wetsvoorstel om
de toetredingseisen te versterken.21 Uitgangspunt is een eenduidige norm en toets voor alle nieuwe en herstartende aanbieders
van Zvw- en Wlz-zorg of jeugdhulp, maatschappelijke ondersteuning en zorg gefinancierd
vanuit persoonsgebonden budgetten (pgb’s). Integriteit van de aanbieder krijgt daarin
een prominentere plaats. Geen enkele aanbieder mag een minimale toets op risico’s
voor rechtmatigheid en kwaliteit kunnen ontlopen. Zonder het doorstaan van deze toets
mag een aanbieder niet starten of herstarten. Daarnaast is het van belang dat ook
na toelating blijvend wordt voldaan aan de gestelde eisen, zoals de aanwezigheid van
cliëntenraden. De verwachting is dat dit wetsvoorstel in 2028 kan worden aangeboden
aan de Tweede Kamer.
4. Tot slot
Het kabinet is de onderzoekers zeer dankbaar voor het onderzoek dat zij hebben verricht.
Ook alle veldpartijen die hebben bijgedragen aan de totstandkoming van dit rapport
en met wie het kabinet gesprekken heeft gevoerd, wil het kabinet hartelijk bedanken
voor hun inbreng. Het onderzoek heeft geleid tot belangrijke inzichten over de werking
van de Wmcz 2018 in de praktijk en de mate waarin de doelstellingen van de Wmcz 2018
worden gerealiseerd. Het rapport laat zien dat in zijn algemeenheid de Wmcz 2018 voldoet,
maar dat er nog werk aan de winkel is om cliënten ook de positie te geven die zij
verdienen. Om zo elke cliënt de passende zorg in een passend zorglandschap te geven.
Daarvoor neemt het kabinet een aantal maatregelen: zowel in ondersteuning als in extra
mogelijkheden in het toezicht. Maar het is vooral een oproep aan de besturen van zorginstellingen
om aan de slag te gaan met de benodigde cultuurverandering en werk te maken van inspraak
en medezeggenschap van cliënten.
De Minister van Langdurige Zorg, Jeugd en Sport, W.R.C. Sterk
Indieners
W.R.C. Sterk, minister van Langdurige Zorg, Jeugd en Sport