Brief regering : Voortgang lerarenstrategie juli 2026
27 923 Werken in het onderwijs
Nr. 539
BRIEF VAN DE MINISTER EN STAATSSECRETARIS VAN ONDERWIJS, CULTUUR EN WETENSCHAP
Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 2 juli 2026
Onderwijs is de drijver van vooruitgang, verbondenheid en een sterke economie. We
hebben ieder talent nodig voor het Nederland van nu en van de toekomst. Goed onderwijs
wordt gemaakt door uitstekende onderwijsteams. Zij zorgen ervoor dat de IT’ers, uitvinders,
verpleegkundigen en andere cruciale professionals van de toekomst goed worden opgeleid.
Het kabinet investeert daarom in goed onderwijs en onderwijsteams.1 In deze brief delen we onze inzet als het gaat om leraren en hun teams.
Uitdagingen: onderwijsprestaties en onderwijspersoneel
De onderwijsprestaties laten al jaren een dalende trend zien. In vergelijking met
andere OESO-landen presteert Nederland ondergemiddeld in taalbeheersing en daarnaast
dalen de resultaten voor wiskunde en natuurwetenschappen. Teveel kinderen gaan nog
van school zonder de taal voldoende te beheersen en de verschillen tussen scholen
zijn groot. De afgelopen jaren is met name met het masterplan basisvaardigheden en
met de curriculumherziening volop ingezet op het keren van die trends. Dat blijven
wij de komende periode doen, met extra aandacht voor taal en het blijvend belang van
de andere basisvaardigheden rekenen, digitaal en burgerschap.
Goed onderwijs wordt grotendeels gemaakt door leraren en schoolleiders. Hierin zien
we de tweede uitdaging. Hoe zorgen we voor voldoende goede leraren en schoolleiders
die hun werk effectief kunnen doen? De tevredenheid van leraren over hun baan is heel
hoog. Maar liefst 95% van de leraren geeft aan met plezier in het onderwijs te werken.2 Tegelijkertijd zien we dat de ervaren werkdruk hoog is met gevolgen voor de leskwaliteit
en risico's voor verzuim en uitval. Momenteel is het verzuim voor onderwijzend personeel
6,1% in het bo, 7% in het sbao, 5,8% in het vo en 6,5% in het mbo, tegenover het Nederlandse
gemiddelde van 5,8%.3 Daarnaast kent het onderwijs veel deeltijdbanen van 3 dagen of minder per week.4 Hierdoor gaat er bijvoorbeeld meer tijd zitten in de overdracht tussen leraren. Daarnaast
maken demografische ontwikkelingen, met een krimpende beroepsbevolking en brede arbeidsmarktschaarste,
het moeilijk om voldoende goed opgeleid onderwijspersoneel aan te trekken en te behouden.5 Er zijn (grote) verschillen in de tekorten, bijvoorbeeld binnen het vmbo in de technieksector.
Dat is zorgelijk, want deze technisch getalenteerde leerlingen zijn hard nodig. Ook
hier zien we grote verschillen tussen scholen. Deze aspecten zetten de continuïteit,
kansengelijkheid en kwaliteit van het onderwijs onder druk.
Een ander groot effect op het werk van leraren(teams) is de veranderende samenleving
die steeds krachtiger de scholen en klassen in komt. Zo worstelen scholen met digitalisering,
AI, sociale media en polarisatie. Thema’s die de veiligheid, inhoud en de relatie
met de leerling beïnvloeden. Leraren en schoolleiders geven bij ons aan dat dit vraagstukken
zijn waar ondersteuning bij nodig is. Tot slot verdienen verdergaande professionalisering
en innovatie, ook verwoord via een stevige verenigde beroepsgroep, meer aandacht.
Ons doel voor 2030
Ons doel is dat in 2030 elke klas kan leren van een steengoed onderwijsteam. Dit vereist
inzet op voldoende onderwijsprofessionals, op goede onderwijsprofessionals en op een
omgeving die hen laat excelleren. Het vraagt om een stijging in kwaliteit en in «arbeidsproductiviteit».
Dit doen we langs drie lijnen, die we in de komende hoofdstukken uitwerken.
1. Innovatie voor toekomstbestendig onderwijs
In alle tijden moet je de bagage meekrijgen om later op eigen benen te kunnen staan,
ongeacht naar welke school je gaat. Samen met de scholen zorgen we ervoor dat het
onderwijs toekomstbestendig wordt, de verschillen tussen scholen en regio’s kleiner
worden en dat de leerlingen van straks ook steengoed onderwijs ontvangen. We positioneren
het onderwijs als fundament van de Talentstrategie. We geven scholen de benodigde
richting én ruimte voor innovatie en eigenheid, mét sterke kwaliteitsborgen. Daarbij
is het uitgangspunt dat goed onderwijs steeds meer teamwork is met goed samenwerkende
professionals vanuit een schoolbrede aanpak. Dat vergt antwoorden op de vragen hoe
we kwaliteit kunnen leveren met een krimpende beroepsbevolking en hoe we ontwikkelingen
als digitalisering een goede plek geven in het onderwijs. Zo groeit het onderwijs
mee met een veranderende arbeidsmarkt.
2. Behouden en professionaliseren
Goed werkgeverschap is een must voor het behoud van goede docenten en schoolleiders.
Schoolbesturen en schoolleiders zorgen voor een veilig en inspirerend werkklimaat,
toekomstgericht personeelsbeleid en aantrekkelijke loopbaanpaden. Pedagogische routines
zijn van belang voor veiligheid, rust en structuur en didactisch wordt evidenced informed
gewerkt vanuit hoge verwachtingen. Een stevig curriculum met focus op de basisvaardigheden
geeft sturing én ruimte. We pakken administratieve lasten aan en monitoren de tevredenheid
rondom het beroep. Leraren en onderwijsteams hebben professionele ruimte, waarbij
ze uitgedaagd en ondersteund worden door de schoolleiding en het bestuur. Daarbij
is de rol van de schoolleider cruciaal. Leraren en schoolleiders krijgen en nemen
verantwoordelijkheid voor de kwaliteit van hun vak, zowel op het niveau van de school,
regionaal als op landelijk niveau. Doorlopende professionalisering is in deze visie
vanzelfsprekend en niet vrijblijvend.
3. Aantrekken en opleiden
Met de campagne «Werken met de Toekomst», het onderwijsloket en regionale loketten
werken we aan een positief en realistisch beeld rondom werken in het onderwijs. Daarbij
zetten we specifiek in op mensen die vanuit een ander beroep hun ervaring willen inzetten
in het onderwijs en groepen die we ook voor de klas nodig hebben. Binnen sterke onderwijsteams
draait het om het onderwijspersoneel: kwaliteit en impact beginnen bij een sterke
basis. Omdat studenten en zij-instromers verschillen in vooropleiding, werkervaring
en interesses zijn verschillende opleidingstrajecten noodzakelijk. Welke route iemand
ook kiest, de minimumeisen voor startbekwame leraren zijn hoog en duidelijk. Eenmaal
aan de slag zijn goede begeleiding, een stevig inductietraject en doorlopende professionalisering
nodig.
De uitwerking van deze drie lijnen in praktisch beleid en maatregelen vereist een
goede samenwerking op meerdere niveaus, binnen de school en het schoolbestuur, op
regionaal niveau en ook op landelijk niveau. Hier hoort voor ons een continue dialoog
tussen OCW en onderwijsprofessionals bij. Daarom hebben wij, naast het bestuurlijke
gesprek met de onderwijspartners in het veld, in overweging om een «lerarenraad» in
het leven te roepen om een breed gedragen gesprek te kunnen voeren.
Aanpak tot op heden
De afgelopen jaren is door besturen, schoolleiders, onderwijsprofessionals, opleiders
en overheid hard gewerkt om de kwaliteit van onderwijs te verhogen, de tekorten aan
te pakken en meer ruimte en invulling aan professionalisering te geven. Er liggen
stevige plannen en ambities op regionaal niveau, waarbij de onderwijsregio’s een belangrijke
rol vervullen. Het beroepsbeeld, de daarop gebaseerde bekwaamheidseisen vanuit de
leraren en de eerste loopbaanpaden in het kader van het Nationale Aanpak Professionalisering
Leraren (NAPL) onderstrepen de inzet op meer en voortdurende professionalisering.
Er is een recordaantal van 2.285 zij-instromers bereikt en de instroom op de pabo
is fors hoger.6 Het zijn goede resultaten die tijd vergen voordat ze voelbaar zijn in de klas. Tegelijkertijd
zien we dat de arbeidsmarktkrapte toe blijft nemen.7 De Inspectie van het Onderwijs8 (verder: inspectie) wijst op het belang van stevige onderwijsteams om kennis gezamenlijk
in te zetten en de kwaliteit van het onderwijs te borgen. Ontwikkelingen in de samenleving
vragen van onderwijsprofessionals dat zij zich blijvend professionaliseren en innoveren
en van werkgevers, opleiders en overheid dat ze hiertoe in de positie worden gebracht.
Hierover is daarom een continu gesprek met hen gewenst.
Leeswijzer
De Kamerbrieven over de lerarenstrategie, die u voor het winter- en zomerreces ontvangt,
geven uw Kamer een beeld van de voortgang van de lerarenstrategie. Deze brief is opgebouwd
uit drie hoofdstukken die overeenkomen met de hierboven geschetste hoofdlijnen. In
de bijlagen is een overzicht van moties, toezeggingen en onderzoeksresultaten, waaronder
beleidsreacties, te vinden.
Lijn 1: Innovatie voor toekomstbestendig onderwijs
Het is voor het toekomstig verdienvermogen in een tijd van krimpende beroepsbevolking
en oplopende arbeidstekorten9 belangrijk het beschikbare talent zo effectief mogelijk in te zetten. Met de Talentstrategie
werkt het kabinet aan een goed opgeleide, flexibel inzetbare en veerkrachtige beroepsbevolking.
Het funderend en het middelbaarberoepsonderwijs vormen een belangrijke basis voor
deze strategie. Goede beheersing van basisvaardigheden als taal en rekenen is belangrijk,
net als meer aandacht voor en aanbod van techniek in het funderend onderwijs en brede
talentontwikkeling. De komende jaren werken we met scholen aan verbetering van de
arbeidsproductiviteit/contacturen, met behoud van kwaliteit.
Stimuleren meer uren werken
In december 2025 is een driejarige pilot «meerurenmaatwerk» gestart, gericht op leraren
die meer uren willen en kunnen werken. Schoolbesturen bieden deze leraren transparante
– financiële en niet-financiële – «keuzeopties» voor het stimuleren van urenuitbreiding
(vier of acht uur per week) of (bijna) voltijdswerken (vier of vijf dagen gaan of
blijven werken). Alle deelnemende schoolbesturen bieden leraren de opties extra beloning
(verplicht) en extra verlof (100%) aan. Daarnaast kunnen leraren kiezen voor geld
voor kinderopvang en niet-lesgevende taken (70%) en flexibele roosters (50%). Leraren
kiezen één van deze opties waarmee ze vanaf het schooljaar 2026–2027 zullen starten.
In het najaar van 2027 ontvangt de Kamer een brief met de tussentijdse resultaten
van deze pilot, zoals toegezegd aan uw Kamer.10
Samen werken in de regio’s
Regionale samenwerking is cruciaal om toekomstbestendig onderwijs te organiseren.
Schoolbesturen, opleiders en de beroepsgroep werken succesvol samen binnen een landelijk
dekkend netwerk van 49 onderwijsregio's (voor po, vo en mbo). De onderwijsregio’s
spelen naast het aantrekken, opleiden, behouden en professionaliseren van onderwijspersoneel
ook in op het slim kunnen omgaan met personeelsschaarste. Onderzoek van Berenschot11 laat zien dat de regio's op de goede weg zijn; er is meer solidariteit en de samenwerking
verloopt prettig. De vierjarige subsidieregeling, voor het landelijk dekkend netwerk,
biedt de financiële rust om arbeidsmarktanalyses en plannen duurzaam uit te voeren
en bij te sturen. Dit najaar maken de regio's meerjarige ambitieafspraken, waarin
nadrukkelijk aandacht dient te zijn voor de toekomstbestendigheid van het onderwijs
in de regio, onder meer over zij-instroom van leraren en schoolleiders. De afspraken
moeten uiterlijk eind 2029 concrete resultaten opleveren.
In Onderwijsregio Almere-Lelystad is een vierjarige pilot gestart waarin zes basisscholen
samenwerken aan nieuwe manieren om onderwijs te organiseren in een context van aanhoudende
personeelstekorten. De aanpak is gericht op het versterken van onderwijskwaliteit,
kansengelijkheid en aantrekkelijk werk voor leraren. Het project wordt uitgevoerd
onder leiding van Hogeschool Windesheim Flevoland en de Universiteit van Amsterdam.
Scholen ontwikkelen in een ontwerplab evidence-informed oplossingen voor het organiseren
van hun onderwijs. Zij leren van wetenschappelijk experts, praktijkexperts en van
elkaar. Voor de oplossingen wordt onder meer gekeken naar samenwerking met kinderopvang,
nieuwe vormen van taak- en functiedifferentiatie binnen schoolteams en samenwerking
met jeugdhulp.
Teamleren
Kwalitatief goed onderwijs is en wordt steeds meer een collectieve verantwoordelijkheid.
Daarbij is niet alleen de leraar verantwoordelijk voor de resultaten van het onderwijs,
maar in nauwe afstemming met schoolleiders, maar ook bijvoorbeeld onderwijsassistenten.
Teamleren is daarbij een belangrijke voorwaarde. De mate waarin teams gezamenlijk
kunnen leren en dat ook doen met de professionaliseringsmiddelen is nog niet goed
in beeld. Teamleren vormt een belangrijk onderdeel van de doelstelling van de professionaliseringsactiviteiten.
Het is de bedoeling om daar eind dit jaar meer zicht op te hebben.
Lijn 2: Behouden en professionaliseren
Het overgrote deel van de leraren (95%) heeft plezier in zijn werk12. De uitstroom van leraren is echter nog groot. Veelgenoemde redenen zijn werkdruk,
administratieve lasten en gebrek aan begeleiding. Ook gebrek aan perspectief op professionalisering
en loopbaanontwikkeling spelen een rol. Gemiddeld besteden leraren zo’n 80 uur per
jaar aan professionalisering. Dat is 6% van de werktijd. Uit onderzoek blijkt echter
dat professionaliseringsactiviteiten vaak onvoldoende samenhang vertonen. Daarnaast
blijkt uit onderzoek naar de besteding van professionaliseringsmiddelen dat heldere
definities, betere monitoring en structurele verankering nodig zijn voor effectieve
en consistente professionalisering, zowel binnen scholen als op stelselniveau.13 Tegelijkertijd blijkt dat er weinig zicht is op de professionaliseringsmiddelen.
Daarom investeren we in de professionalisering van onderwijspersoneel. In de komende
jaren ontwikkelen we een infrastructuur waarbinnen leraren en schoolleiders zich kunnen
blijven ontwikkelen.
Werkdruk verminderen
Eén van de meest genoemde bronnen van werkdruk is administratieve lasten. Het Ministerie
van OCW heeft als rol om te verduidelijken wat er verwacht wordt van scholen en bij
nieuw beleid kritisch te kijken naar de impact op de werkvloer. Bij nieuw beleid wordt
rekening gehouden met directe administratieve lasten, maar de onbedoelde indirecte
administratieve lasten zijn nog onvoldoende in kaart gebracht. Om dat beter te doen,
passen we komend jaar formats voor beleidsvorming aan. Ook onderzoeken we hoe onbedoelde
effecten van wet- en regelgeving in beeld kunnen komen via simulaties met onderwijspersoneel.
Dat kan bijvoorbeeld door middel van de Praktijktoets14. Deze moet onderdeel worden van wet- en regelgevingsprocedures, waarmee de indirecte
administratieve lasten in beeld worden gebracht.
Planlastcalculator voor het terugdringen van administratieve lasten
In het coalitieakkoord wordt de Vlaamse planlastcalculator expliciet genoemd als voorbeeld
van een instrument dat kan helpen administratieve lasten terug te dringen. Tijdens
een bijeenkomst in juni namen OCW, de Inspectie van het Onderwijs, de Vlaamse Onderwijsinspectie
en de Algemene Rekenkamer kennis van de ervaringen met deze tool in Vlaanderen. Met
de inspectie en het onderwijsveld verkennen we de mogelijkheden om een instrument
te ontwikkelen dat scholen moet helpen de administratie effectiever en efficiënter
in te richten. Het doel is om slimmer te werken met minder administratieve lasten.
Nationale Aanpak Professionalisering Leraren
De Nationale Aanpak Professionalisering Leraren (NAPL) legt de basis voor een landelijk
systeem voor professionalisering van leraren in het po, vo en mbo. Dit systeem biedt
toegang tot, en geeft richting aan kwalitatief hoogwaardig, praktijkgericht en vraaggestuurd
professioneel leren. De eerste opbrengsten van het programma zijn op 4 mei 2026 gepubliceerd
op de website van NAPL.15 Leraren, schoolleiders/werkgevers en opleiders vormden ontwikkelgroepen die de basis
legden voor de eerste twee ontwikkelpaden: van startbekwaam naar vakbekwaam of naar
het specialisme curriculumontwikkelaar. Door de ontwikkelgroep is ook een kwaliteitskader
opgeleverd. Dat maakt inzichtelijk waar professionaliseringsaanbod inhoudelijk en
kwalitatief aan moet voldoen om een juiste invulling te geven aan deze ontwikkelpaden.
De structuur van NAPL wordt de komende jaren verder geconcretiseerd.
Onderwijsregio Oost-Nederland laat met een waardevol onderzoek naar behoud van onderwijsprofessionals
zien dat het terugdringen van het lerarentekort ook vraagt om aandacht voor de mensen
die al in het onderwijs werken. Behoud vraagt om een bredere aanpak dan het terugdringen
van werkdruk of verzuim. Kansrijke maatregelen zijn onder meer het versterken van
professionele ruimte, teamontwikkeling, talentmanagement, kennisdeling en verbindingsgericht
leiderschap. Daarbij blijkt dat verschillen tussen onderwijsprofessionals vooral samenhangen
met levens- en loopbaanfasen. Een centrale les uit het onderzoek is dat aandacht voor
verbinding, verscheidenheid en ruimte voor herstel kan bijdragen aan meer werkplezier,
sterkere teams en het behoud van onderwijspersoneel. De resultaten van het onderzoek
worden gedeeld met andere onderwijsregio’s die hieraan werken, waardoor het behoud
van leraren en onderwijspersoneel kan worden verhoogd.
Samenhang in aanbod
De meeste leraren in Nederland zijn gemotiveerd om zich verder te ontwikkelen. Dit
is onder andere te zien aan de aanvragen voor de subsidieregeling Lerarenbeurs.16 Professionaliseringsactiviteiten vertonen vaak onvoldoende samenhang: er is weinig
relatie tussen strategische doelen, ontwikkelvragen en schooldoelen. De besteding
van tijd en middelen is dan niet doelmatig.17 Dit gaan we tegen door onder andere in samenwerking met vertegenwoordigers uit het
onderwijsveld én onderwijsprofessionals, de toolkit professioneel statuut beschikbaar
te maken. De toolkit biedt scholen handvatten en praktijkvoorbeelden om het gesprek
over professionele ruimte, zeggenschap en samenwerking binnen de school te ondersteunen.18
Schoolleiders
Schoolleiders hebben na leraren de grootste invloed op de kwaliteit van het onderwijs.19 Zij hebben een doorslaggevende rol bij het aantrekken en behouden van voldoende personeel.
Schoolleiders met een afgeronde schoolleidersopleiding realiseren vaak een hogere
onderwijskwaliteit.20 In het coalitieakkoord kondigt het kabinet daarom aan om heldere bekwaamheidseisen
te stellen aan de rol van schoolleider als onderwijskundig leider. Daar is al een
wettelijke basis voor. In gesprekken met de sector onderzoeken we hoe hieraan invulling
kan worden gegeven en hoe zich dat kan vertalen in zowel aantrekkelijke scholen om
voor te werken als in het professionaliseringsaanbod.
Onderwijsregio Oost-Nederland werkt aan een nieuwe aanpak voor het aantrekken, ontwikkelen
en begeleiden van schoolleiders. In het traject Buitenkans is onderzocht hoe nieuwe
doelgroepen beter kunnen worden geworven, opgeleid en begeleid. Een belangrijk onderdeel
van de aanpak is de ontwikkeling van regionale kansrijkscheck voor kandidaten die
schoolleider willen worden. Deze check moet zichtbaar maken wat kandidaten al meebrengen
en waar verdere ontwikkeling nodig is. Zo ontstaat meer vertrouwen, tussen scholen
en kandidaten. Het onderzoek laat zien dat succesvolle instroom meer vraagt dan alleen
een opleiding voor de kandidaat. Ook scholen, teams en besturen spelen een belangrijke
rol in het creëren van een omgeving waarin nieuwe schoolleiders kunnen slagen. De
opgedane inzichten worden verder uitgewerkt in een samenhangende route naar schoolleiderschap
en kunnen ook voor andere onderwijsregio’s waardevol zijn.
Onderwijsregio Oost-Nederland werkt aan een nieuwe aanpak voor het aantrekken, ontwikkelen
en begeleiden van schoolleiders. In het traject Buitenkans is onderzocht hoe nieuwe
doelgroepen beter kunnen worden geworven, opgeleid en begeleid. Een belangrijk onderdeel
van de aanpak is de ontwikkeling van regionale kansrijkscheck voor kandidaten die
schoolleider willen worden. Deze check moet zichtbaar maken wat kandidaten al meebrengen
en waar verdere ontwikkeling nodig is. Zo ontstaat meer vertrouwen, tussen scholen
en kandidaten. Het onderzoek laat zien dat succesvolle instroom meer vraagt dan alleen
een opleiding voor de kandidaat. Ook scholen, teams en besturen spelen een belangrijke
rol in het creëren van een omgeving waarin nieuwe schoolleiders kunnen slagen. De
opgedane inzichten worden verder uitgewerkt in een samenhangende route naar schoolleiderschap
en kunnen ook voor andere onderwijsregio’s waardevol zijn.
Beroepsgroep
Een verenigde beroepsgroep draagt bij aan een duurzaam professionaliseringsbeleid.
Er is brede overeenstemming om tot een onafhankelijke beroepsgroep te komen. We constateren
wel dat er nog verschillende beelden zijn over de organisatie en de taakopdracht van
deze onafhankelijke beroepsgroep. Daarover blijven we de komende tijd in gesprek.
Een verenigde beroepsgroep heeft twee kerntaken. De eerste is zorg dragen voor de
kwaliteit van het vak. De beroepsgroep bewaakt in de eerste plaats de kwaliteit van
de beroepsuitoefening. Dit versterkt niet alleen de professionals zelf maar draagt
ook bij aan de kwaliteit van het onderwijs als geheel. In een sterke beroepsgroep
gaan leraren zelf over hun beroepsbeeld en beroepsstandaarden. Zij voeren hierover
continu dialoog onder andere met elkaar, met lerarenopleidingen, schoolleiders en
met bestuurders. Dit vergroot eigenaarschap en versterkt de professionele identiteit.
De tweede taak is om praktijkervaringen in te brengen bij het ontwikkelen van beleid.
Voor goed onderwijsbeleid moeten we niet óver, maar mét onderwijsprofessionals praten.
Door hun inbreng structureel mee te nemen sluit beleid beter aan op de dagelijkse
onderwijspraktijk. Dit leidt tot effectievere en beter uitvoerbare maatregelen.
Beleidsmakers praten veel met leraren, maar vaak binnen verschillende georganiseerde
verbanden. Leraren die niet zijn aangesloten bij een vakbond of vakvereniging worden
daardoor minder gemakkelijk gehoord. Daarom voeren we gesprekken met georganiseerde
én niet-georganiseerde leraren om een zo breed mogelijk beeld te krijgen van wat zij
nodig hebben om de kwaliteit van het onderwijs verder te versterken. Daarbij staat
centraal hoe leraren hun vak optimaal kunnen uitoefenen en welke randvoorwaarden daarvoor
nodig zijn. In deze gesprekken nemen we vier eerder ingediende moties mee. Het gaat
dan over de motie over de rol van de beroepsgroep in de afspraken over tijd voor professionele
ontwikkeling in teamverband tussen leraren, maar ook met schoolleiders en onderwijsassistenten,
waarbij heldere doelen worden gesteld21; de motie over de mogelijkheden middelen voor de beroepsgroep via de bekostiging22; de motie over de lerarentoets23 en de motie lerarenraad24.
Versterking inspraak leraren en schoolleiders
Om maximaal effect te hebben op de kwaliteit van het onderwijs, richten wij ons naast
de duurzame professionalisering van leraren en schoolleiders ook op het versterken
van de stem die leraren en schoolleiders hebben bij beslissingen die het lesgeven
wezenlijk beïnvloeden25 en dragen wij zorg dat zij op landelijk niveau zelf verantwoordelijkheid dragen voor
de kwaliteit van het beroep. We hebben onderzoek uitgezet naar de vraag hoe leraren
en schoolleiders meer invloed kunnen krijgen op strategische en financiële beslissingen
die direct impact hebben in het klaslokaal. De onderzoekers is gevraagd praktijkervaringen
op te halen. Ook doen ze inspiratie op bij andere sectoren zoals de versterkte inspraakmogelijkheden
en betere «shared governance» voor verpleegkundigen.26 De uitkomsten van het onderzoek worden medio februari 2027 verwacht. Ondertussen
blijven we in gesprek met leraren, schoolleiders, de bonden en beroepsorganisaties,
raden en andere belanghebbenden over hoe deze omslag vorm te geven.
Verhoging eigen bijdrage van besturen voor WW-kosten in het vo
De regeling voor de verrekening van uitkeringskosten in het voortgezet onderwijs wordt
aangepast.27 Zo krijgen besturen een sterkere financiële prikkel om werkloosheid te voorkomen
en meer in te zetten op re-integratie. De individuele eigen bijdrage aan werkloosheidsuitkeringen
wordt verhoogd van 25% naar 50%. Het collectief verrekende deel wordt verlaagd van
75% naar 50%. Besturen nemen dus een groter aandeel van de eigen werkloosheidskosten
voor hun rekening. Hiermee is de systematiek in lijn met die van het primair onderwijs.
Lijn 3: Aantrekken en opleiden
Het kabinet wil het lerarentekort aanpakken door de overstap naar het onderwijs voor
zij-instromers aantrekkelijker te maken. Het doel is het verhogen van het aantal zij-instromers
in het po, vo en mbo met 15% van 2.300 naar 2.650. Om het traject te verbeteren bouwen
we voort op de ideeën van (ex)zij-instromers, zowel leraren als schoolleiders. Hiervoor
maken we gebruik van bestaande instrumenten.
De partijen binnen de onderwijsregio’s, waaronder de lerarenopleidingen en schoolbesturen,
leveren een fundamentele bijdrage aan het realiseren van meer zij-instromers. Dit
doen ze onder meer door het optimaliseren van het voortraject door gezamenlijke werving,
oriëntatietrajecten en begeleiding van zij-instromers. Ook heeft elke onderwijsregio
een informatieloket waar de zij-instromer terecht kan. Daarnaast is het landelijke
Onderwijsloket opgericht om zij-instromers te informeren, adviseren over het werken
in het onderwijs en hen door te verwijzen naar de regio’s. Onderwijsregio’s leggen
meerjarige ambitieafspraken vast voor onder andere het aantal zij-instromers.28 Recent is onderzoek29 afgerond naar succesfactoren, knelpunten en de beeldvorming rondom zij-instromende
schoolleiders.
Samenwerking met UWV, werkcentra en bedrijfsleven
Onderwijsregio’s werken samen met het UWV, regionale werkcentra en het bedrijfsleven
om beter zicht te krijgen op de tekorten en daarmee vraag en aanbod beter af te stemmen.
Die samenwerking met de arbeidsmarktregio’s is ook het doel van de vijf pilots in
de onderwijsregio’s. Daarin wordt de positionering van de onderwijssector in de arbeidsmarktregio
verkend. Ook worden in die pilots via regionale werkcentra nieuwe kandidaten geworven
die zich oriënteren op een baan in het onderwijs.30
In Zeeland is de afgelopen periode een pilot uitgevoerd om de samenwerking tussen
de Zeeuwse Onderwijsregio en de Zeeuwse Arbeidsmarktregio te versterken. De samenwerking
richt zich het versterken en borgen van de samenwerking, het zichtbaar maken van onderwijs
als kanssector en het verbinden van ontwikkelpaden met de praktijk. De pilot laat
zien dat onderwijsregio’s en arbeidsmarktregio’s elkaar kunnen versterken bij het
aantrekken van nieuwe leraren en ander onderwijspersoneel. Daarnaast draagt de samenwerking
bij aan het behouden van personeel en het versterken van de continuïteit van onderwijs.
Voor het onderwijs is het mogelijk om gebruik te maken van de SLIM-scholingssubsidie
(van het Ministerie van SZW) om te leren voor nieuwe banen in tekortsectoren waaronder
onderwijs. De SLIM-scholingssubsidie kan ingezet worden in combinatie met de subsidie
Zij-instroom in Beroep (ZiB). Een sterke onderwijsarbeidsmarkt vormt de basis voor
Leven Lang Ontwikkelen voor onderwijspersoneel, ondersteund door NAPL. Op de website
leeroverzicht.nl maken we inzichtelijk welk ontwikkelpad in het onderwijs mogelijk
is en welke stappen er nodig zijn om je daar naar toe te ontwikkelen.
Focus in de curricula van de lerarenopleidingen en herijking kennisbases
Als bijdrage aan het terugdringen van de lerarentekorten en het verhogen van de kwaliteit
van leraren, is het van belang de lerarenopleidingen aantrekkelijker te maken, de
instroom te verhogen en de inzetbaarheid van leraren te vergroten. De opleidingen
worden versterkt door één stevig, landelijk fundament te creëren voor de kwaliteit
van startende leraren. De focus ligt op pedagogische vaardigheden en op basisvaardigheden,
met focus op taal (lezen, schrijven) omdat taal weer aan de basis ligt van rekenen,
digitaal en burgerschap. De aanstaande kennisbases en de herziene bekwaamheidseisen
vormen hierin de eerste stappen. In deze eisen wordt het beoogde niveau van een startende
leraar scherper verwoord. De lerarenopleidingen geven in de nieuwe kennisbases meer
aandacht aan de basisvaardigheden en borgen tegelijkertijd de belangrijkste vaardigheden
die nodig zijn voor het beroep. Dit gaat bijvoorbeeld over belangrijke didactische
principes, zoals directe instructie. Ze geven hiermee invulling aan de wens die uw
Kamer dit voorjaar in een motie heeft verwoord.31 We werken daarnaast de ambities in het regeerakkoord de komende maanden verder uit
en informeren uw Kamer hierover in de brief over de Lerarenstrategie van december.
Doel van het hebben van één landelijk fundament is een eenduidige set eisen te stellen
aan elke instromende leraar. Tegelijkertijd verminderen we de overladenheid van de
curricula, zoals de Onderwijsraad adviseerde in haar rapport «Bekwaamheid beter borgen».
Dit geeft opleidingen de ruimte om, aanvullend op dat fundament, flexibele routes
aan te bieden en invulling te geven aan hun identiteit en regionale behoeften. De
kaders hiervoor worden gevormd door de kerndoelen, examenvereisten en kwalificatiedossiers.
Iedere afgestudeerde moet een stevige basis hebben op het gebied van taal en de andere
basisvaardigheden en alle bewezen basisinstrumenten (zoals voor klassenmanagement,
lesontwerp en directe instructie) meekrijgen.
Taal en de andere basisvaardigheden in de opleidingen
In Vlaanderen wordt de starttoets Nederlands ingevoerd. Naar aanleiding daarvan is
op verzoek van de Kamer onderzocht hoe lerarenopleidingen in Nederland de taalvaardigheid
van hun studenten toetsen. Uit deze inventarisatie ontstaat het beeld dat de taalvaardigheid
van het overgrote deel van de studenten voldoende is, maar dat de wijze waarop die
vaardigheid wordt getoetst wel varieert. De pabo’s willen de taalvaardigheid in de
toekomst onderdeel maken van de landelijke kennistoets Nederlands. Daarmee wordt het
niveau en de vorm van deze toets voor alle pabo’s gelijk zoals ook de taaltoets in
Vlaanderen voor alle pabo-opleidingen gelijk is.
In de nieuwe concept-kennisbasis voor het leergebied Nederlands is de lezende leraar
stevig verankerd.32 Naar verwachting worden deze kennisbases begin 2027 definitief door de hogescholen
vastgesteld. Met de nieuwe kennisbasis worden de vakdidactische en vakinhoudelijke
eisen aan de startbekwame leraar op het gebied van taal aangescherpt en geactualiseerd.
Daarnaast worden de eisen aan de eigen taalvaardigheid van studenten nu ook landelijke
vastgelegd in de kennisbasis. Lezen heeft in al deze onderdelen een centrale plek.
Een startende leraar moet een gemotiveerde, vaardige en vloeiende lezer zijn, die
de eigen lees- en schrijfvaardigheid blijft ontwikkelen, voorleest uit kwalitatief
goede jeugdliteratuur en leerlingen daarbij kan betrekken en stimuleren.
Naast de nieuwe kennisbases moeten ook de herziene bekwaamheidseisen bijdragen aan
een duidelijker bekwaamheidsniveau van startende leraren. We bereiden een wijziging
voor van het Besluit bekwaamheidseisen Onderwijspersoneel. Op advies van een vertegenwoordiging
van de beroepsgroep leraren. Naar verwachting zal het voorstel in het derde kwartaal
van 2026 in internetconsultatie gaan.
Er is een wetsvoorstel in voorbereiding om een groepsleraar 12+ een wettelijke positie
te geven in het bevoegdhedenstelsel. In dit wetsvoorstel worden de moties uitgewerkt
die betrekking hebben op de zij-instroom van professionals uit het bedrijfsleven en
de clusterbevoegdheid voor beroepsgerichte profielvakken en keuzevakken.33 Ook hier is het streven om in het derde kwartaal van 2026 in internetconsultatie
te gaan.
Omdat de curricula (met name in het basisonderwijs) als overladen worden ervaren,
zoals al eerder bleek uit de verkenning34, zijn in lijn met het advies van de Onderwijsraad de volgende drie maatregelen genomen:
– Loketfunctie opleidingsberaad: Het Opleidingsberaad Leraren heeft een loket ingericht voor signalen over de inhoud
van lerarenopleidingen. In een pilot heeft het Opleidingsberaad Leraren het afgelopen
jaar signalen behandeld over ruim 30 thema’s. Het Opleidingsberaad Leraren ziet blijvende
meerwaarde om landelijk overzicht te behouden en waar nodig gezamenlijk actie te ondernemen.
– Herijking Hbo kennisbases: In opdracht van de Vereniging Hogescholen worden de kennisbases voor de lerarenopleidingen
in het hbo herijkt. De opleidingen hebben de te verwerven kennis van studenten vastgelegd,
inclusief afspraken over hoe studenten opleiden. Actuele behoeftes, inzichten en ontwikkelingen
worden in de kennisbases verwerkt. De kennisbases zullen nauw aansluiten op de nieuwe
bekwaamheidseisen, de nieuwe kerndoelen, de examenvereisten voor het funderend onderwijs
en de kwalificatiedossiers voor het mbo. Het moment waarop de curricula in gebruik
worden genomen, verschilt per opleiding35, maar naar verwachting starten de eerste opleidingen ermee in studiejaar 2026–2027.
– Samenwerkingstraject curricula: Eind 2024 zijn OCW en meerdere hbo- en wo- lerarenopleidingen gestart met een samenwerkingstraject
om ervaringen met curriculumvernieuwing uit te wisselen en dilemma’s te bespreken.
Dit heeft geleid tot meer inzicht in de landelijke kaders en in elkaars praktijken.
De uitkomsten helpen ons bij de uitwerking van de ambities om te komen tot één fundament
voor de lerarenopleidingen. De uitwisseling heeft daarnaast bijgedragen aan gezamenlijke
en individuele vervolgstappen in curriculumvernieuwing. Opleidingen zetten in 2026
en daarna zelf het overleg over curriculumvernieuwing voort. Bijvoorbeeld in de werkconferentie
van april 2026 over curriculumbewust opleiden in het licht van de geactualiseerde
kerndoelen en herijkte kennisbases.
Evaluatie experiment toelating Pabo
Het experiment met bijzondere nadere vooropleidingseisen laat aspirant-studenten die
vooraf niet aan alle eisen voldoen toch starten, mits zij in het eerste jaar alsnog
kunnen laten zien dat zij aan de eisen voldoen. Het doel van het experiment is om
de toegankelijkheid van de pabo te vergroten, in het bijzonder voor mbo-studenten
en studenten met een niet-westerse migratieachtergrond.
Uit de evaluatie van het experiment blijkt dat de instroom van mbo-studenten is gestegen,
maar dat voor studenten met een migratieachtergrond geen significant effect zichtbaar
is. De instroomaantallen variëren en de impact van de maatregel kan niet in isolement
worden beoordeeld. Daarnaast blijkt dat voorwaardelijke toelating regelmatig leidt
tot stress en studievertraging, maar dat de doorstroom van jaar 1 naar jaar 2 inmiddels
vrijwel gelijk is aan het studiejaar voor de start van het experiment. Instellingen
ervaarden de (administratieve) belasting in het begin als groot maar deze is gedurende
het experiment wel afgenomen.
Gelet op het belang van het terugdringen van het lerarentekort en het aantrekken van
zoveel mogelijk studenten voor de pabo is het voornemen om het experiment wettelijk
te borgen. De evaluatie levert hiervoor geen contra-indicaties op. Met de borging
van het experiment behouden we meer gemotiveerde studenten voor het onderwijs door
hen een jaar extra de tijd te geven om aan de eisen te voldoen. Dit neemt niet weg
dat we studenten blijven stimuleren om vóór de start van hun opleiding al aan de eisen
te voldoen. Er komt extra aandacht voor havo-voorbereiding, een drempelloze instroom
vanuit het mbo en een minimale basis van ondersteuning vóór en tijdens het eerste
studiejaar. Instellingen krijgen de ruimte om aspirant-studenten die per 1 september
2027 met de pabo willen starten, toe te laten conform de voorwaarden van het experiment.
De volledige beleidsreactie is opgenomen als bijlage bij de brief.
Leeftijdsspecialisatie en mannen binnen de pabo
In het coalitieakkoord is opgenomen dat het wetstraject voor differentiatie binnen
de pabo in goed overleg met het onderwijsveld wordt voortgezet, met benutting van
lessen uit eerdere pilots en met oog voor de inzetbaarheid van leraren.
Pabo’s (en het brede werkveld) geven aan te staan voor het behouden van de brede lesbevoegdheid
voor het po zodat leraren zicht houden op de doorgaande lijn in de ontwikkeling van
alle kinderen en inzetbaar zijn in alle groepen. In het kader van de brede oriëntatie
lopen pabostudenten stage in zowel de onder- als bovenbouw, zonder specifieke eisen
te stellen aan exacte groepen, zoals bijvoorbeeld groep 1/2. Maatwerk bij plaatsing
van studenten in stagegroepen is mogelijk en plaatsing gebeurt altijd in afstemming
met de opleidingsscholen. Daarnaast is het uitgangspunt dat studenten zich gedurende
de helft van de opleidingstijd in onderwijs aan het jongere of het oudere kind kunnen
profileren. De ervaringen met deze profilering zijn positief en opleidingen overleggen
over het versterken hiervan.
Opleidingen benadrukken dat zij een verhoging van het aandeel mannen niet alleen kunnen
realiseren. «Meestert!», het landelijk overleg van pabo’s (LOBO), de PO-raad en OCW
zijn daarom de alliantie «Divers voor de Klas» gestart. De alliantie werkt aan inclusieve
opleidingsculturen, aantrekkelijk werkgeverschap en aan structurele borging van diversiteitsbeleid.
Uit een recente inventarisatie van de alliantie blijkt dat de zeven meesterlijke tips
op het gebied van werving, communicatie en inclusieve organisatiecultuur door bijna
alle pabo’s worden ingezet. De uitkomsten van de inventarisatie bespreekt het LOBO
in september.
Met de werkveldpartners hebben we afgesproken dat zij de komende maanden gezamenlijk
een ketenaanpak uitwerken die moet bijdragen aan het realiseren van een hogere en
meer diverse instroom (waaronder van mannen) in de pabo en voor de klas. We gaan hierover
in gesprek met de werkveldpartners in het najaar. Daarbij wordt de mogelijkheid van
wettelijke differentiatie expliciet meegenomen. Wij informeren uw Kamer in de voortgangsbrief
lerarenstrategie van december 2026 over de vervolgstappen.
Afsluitend
Een sterke en weerbare samenleving begint bij steengoed onderwijs door goede onderwijsteams.
Willen we toekomstbestendig onderwijs, dan vraagt dat om voldoende en goede onderwijsprofessionals
die de ruimte krijgen om zich te professionaliseren. We staan voor grootse uitdagingen,
denk aan de oplopende tekorten, toekomstbestendigheid van het onderwijs maar ook de
verschillen tussen scholen. Met de gedeelde ontwikkelingen en stand van zaken hebben
we stappen gezet in de verdere versterking van het beleid rondom de lerarenstrategie.
In de voortgangsbrief van december gaan wij dieper in op de beschikbare cijfers en
data en kunnen we op basis van de ontwikkelingen meer focus aanbrengen op de langetermijnvisie.
Daarbij is het ook mogelijk de doelstelling voor 2030 nader te kwantificeren.
De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap,
R.M. Letschert
De Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap,
J.Z.C.M. Tielen
Indieners
-
Indiener
R.M. Letschert, minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap -
Medeindiener
J.Z.C.M. Tielen, staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap