Brief regering : Kabinetsreactie advies ‘Ieder zijn aandeel’ en evaluatie cultuurleningen
32 820 Nieuwe visie cultuurbeleid
Nr. 580
BRIEF VAN DE MINISTER VAN ONDERWIJS, CULTUUR EN WETENSCHAP
Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 2 juli 2026
Inleiding
Cultuur is van onschatbare waarde voor onze samenleving én voor onze economie. Cultuur
geeft betekenis aan wie wij zijn, aan wat ons verbindt en aan hoe wij ons tot elkaar
verhouden. Het levert een positieve bijdrage aan gezondheid en mentaal welzijn, aan
sociale cohesie en aan een grotere maatschappelijke betrokkenheid. Deze brede maatschappelijke
waarde gaat hand in hand met een aanzienlijke economische betekenis van de culturele
en creatieve sector. Uit de nieuwste cijfers van de Monitor Creatieve Industrie 2025
blijkt dat deze sectoren een gezamenlijke directe toegevoegde waarde hebben van € 27,6
miljard en een belangrijke werkgever zijn van meer dan 400.000 mensen.1 De culturele en creatieve sector draagt bij aan de werkgelegenheid, innovatie en
een aantrekkelijk vestigingsklimaat in heel Nederland.
De culturele en creatieve sector maakt gebruik van een breed scala aan financieringsbronnen;
van private investeringen, subsidies, giften, sponsoring tot cultuurleningen. Deze
diversiteit aan financieringsmogelijkheden biedt kansen, maar zorgt ook voor een complexe
en soms moeilijk te doorgronden markt.
De subsidies die het Rijk verstrekt zijn een belangrijke basis voor de culturele en
creatieve sector. Deze subsidies zijn echter niet het enige instrument dat het ministerie
ter beschikking heeft. Er zijn ook andere instrumenten beschikbaar. Denk bijvoorbeeld
aan financiering vanuit het Nationaal Restauratiefonds, verschillende garantieregelingen,
groeifondsprojecten als CIIIC en cultuurleningen. Naast de instrumenten die het Ministerie
van OCW financiert, zijn er verschillende fiscale regelingen die betrekking hebben
op de culturele en creatieve sector, zoals het verlaagde btw-tarief, de giftenaftrek
en de culturele multiplier. De rijksoverheid is natuurlijk niet de enige financier
van de sector. Het grootste deel van de publieke financiering voor de sector komt
van provincies en gemeenten. En zonder private partijen, waaronder fondsen, bedrijven
en particuliere donateurs, zou er ook veel minder cultuur worden geproduceerd. Dit
brede palet is belangrijk, want sector kent een grote diversiteit aan disciplines,
werkwijzen en verdienmodellen, die vragen om een gedifferentieerd financierings-instrumentarium.
Mijn ambtsvoorganger heeft de Raad voor Cultuur gevraagd een advies uit te brengen
over de financiering van de cultuursector. De raad is gevraagd hoe financiers beter
kunnen samenwerken om de toegang tot passende financiering voor de sector te vergroten.
Op 13 november 2025 heeft de raad «ieder zijn aandeel» uitgebracht,2 dat ook met uw Kamer is gedeeld. De vaste commissie voor Onderwijs, Cultuur en Wetenschap
heeft op 27 november om een kabinetsreactie op dit rapport gevraagd.3 Dit verzoek is tijdens het cultuurdebat van 19 januari 2026 nogmaals herhaald.4 In deze brief vindt u mijn reactie.
Daarnaast heeft SEO Economisch Onderzoek dit jaar in opdracht van het Ministerie van
OCW een evaluatie uitgevoerd naar de cultuurleningen. Deze laagrentende leningen worden
gefinancierd met middelen vanuit OCW. De uitkomsten van deze evaluatie zijn als bijlage
met deze brief meegestuurd. In deze brief vindt u ook mijn reactie op de evaluatie.
Hieronder geef ik eerst een korte samenvatting van het advies van de Raad voor Cultuur
en volgt mijn reactie op de aanbevelingen uit het advies. Daarna zal ik dezelfde structuur
aanhouden voor de evaluatie van de cultuurleningen
Ieder zijn aandeel
Op 13 november 2025 heeft de raad zijn advies «ieder zijn aandeel» uitgebracht. De raad ambieert met zijn advies voorstellen te doen voor een duurzamere
en stabielere vorm van financiering voor de cultuursector, met zowel bekostiging uit
publieke als private hoek en met toekomstbestendige ondersteunende regelgeving. Het
advies gaat niet in op de afzonderlijke deelsectoren en hun financieringsvormen en
problematieken. Wel komen belemmeringen en oplossingen voor de hele cultuursector
aan de orde, waarmee het advies waardevolle aanknopingspunten biedt om mee aan de
slag te gaan.
De raad concludeert dat de belangrijkste prikkel om meer privaat geld naar de cultuursector
te laten vloeien is dat de overheid het belang van cultuur benadrukt, zowel in woord
als in daad. Dit gaat in tegen de soms aanwezige gedachte dat een afname van publieke
financiering kan worden gecompenseerd door meer private financiering. Aangezien de
Nederlandse cultuursector onder druk staat door stijgende (arbeids-)kosten en een
relatieve daling van de overheids-financiering, vindt de raad dat structureel extra
financiering, inclusief vaste indexatie voor prijs- en loonontwikkeling, noodzakelijk
is.
De raad observeert daarnaast dat er een onduidelijke taakverdeling bestaat en te weinig
wordt samengewerkt tussen overheden onderling en tussen overheden, private partijen
en culturele organisaties. Dit leidt tot belemmeringen in financiering en in het opbouwen
van reserves. De raad adviseert meer duidelijkheid aan te brengen in de taakverdeling
tussen overheden, de maximale subsidietermijn op alle overheidsniveaus te verruimen
en aandacht te hebben voor de subsidievoorwaarden van andere financiers. Daarnaast
benadrukt de raad dat culturele organisaties ruimte moeten krijgen om een gezond weerstandsvermogen
op te bouwen.
Publieke middelen kunnen volgens de raad als hefboom voor private financiering worden
ingezet, bijvoorbeeld via matchfunding. Verder dienen bestaande regelingen, zoals
die van de RVO, actiever onder de aandacht van de sector te worden gebracht. Ook moeten
de voordelen van de culturele ANBI-status en de Geefwet beter benut worden, waarbij
verbeteringen in de uitvoering en doelmatigheid van de giftenaftrek noodzakelijk zijn
en het erkenningsproces beter moet aansluiten op de cultuursector. Tot slot adviseert
de raad aan culturele organisaties om meer te investeren in de bedrijfseconomische
kennis van medewerkers.
Kabinetsreactie
Ik heb het advies met interesse gelezen en zie aanknopingspunten voor het verbeteren
van de financieringsstructuur. Niet alle informatie uit het advies is nieuw en op
verschillende punten zet ik al stappen. Mijn reactie bouw ik op aan de hand van vijf
thema’s: (1) Rijksfinanciering (2) samenwerking overheden, (3) publiek-private samenwerking
(4) filantropie en (5) kennis en ondernemerschap.
Rijksfinanciering
De raad stelt dat er structureel € 250 miljoen extra geïnvesteerd zou moeten worden
in de culturele sector. In het regeerakkoord heeft het kabinet geen extra middelen
voor cultuur beschikbaar gesteld, ik zie daarom op dit moment geen ruimte voor deze
gevraagde investering. Bij de onderbouwing van het door de raad genoemde bedrag wil
ik wel enkele kanttekeningen plaatsen. Als we kijken naar de totale overheidsuitgaven
over 2023, waar de raad zijn analyse op baseert, is het belangrijk te beseffen dat
hier ook incidentele middelen voor bijvoorbeeld energiecompensatie en corona in zijn
opgenomen. Deze uitgaven hebben een belangrijke bijdrage geleverd aan de ophoging
van de totale rijksbegroting. Deze middelen zijn ook beschikbaar gesteld aan de culturele
en creatieve sector, maar zijn niet gespecificeerd naar de verschillende sectoren.
Daarnaast, zoals beschreven in het onderzoek naar de spreiding van cultuur, zijn gemeenten
en provincies belangrijke publieke financiers van de culturele en creatieve sector.5 Zij kunnen dit onder andere bekostigen uit de algemene uitkering die zij uit het
provincie- of gemeentefonds ontvangen. Ook deze fondsuitkeringen vallen onder de totale
overheidsbijdrage.
Ik snap de opmerking van de raad over de indexatie van onder andere de loon- en prijstelling.
Culturele instellingen hebben vaak maar beperkte ruimte om prijsstijgingen of andere
extra kosten zelf op te vangen. Het is daarom wenselijk dat subsidies worden geïndexeerd.
Het wettelijk vastleggen van deze indexatie vraagt echter om een goede afweging. Het
geeft instellingen zekerheid, maar het vergroot tegelijk de ongelijkheid tussen de
verschillende sectoren op de OCW-begroting. Daarnaast beperkt het de handelingsvrijheid
van het kabinet én het budgetrecht van het parlement. Voor meer informatie over deze
afweging verwijs ik graag naar de Kamerbrief van mijn ambtsvoorganger over de wettelijk
verplichte loon- en prijsbijstelling in het onderwijs.6
Samenwerking overheden
Rijk, provincies en gemeenten hebben ieder hun eigen cultuurbeleid en -uitgaven. De
gedachte van de raad dat er verbeteringen mogelijk zijn in de samenwerking tussen
de verschillende overheidslagen kan ik volgen. In het kader van het nieuwe cultuurbestel
voer ik daarom het gesprek met de medeoverheden over onderwerpen als de samenhang
en werking van het stelsel als geheel, de onderlinge taakverdeling tussen overheden,
regionale spreiding en het opbouwen van weerstandsvermogen. De resultaten van deze
gesprekken zal ik meenemen in de communicatie over het nieuwe cultuurbestel. Na de
zomer informeer ik uw Kamer hierover.
De raad is enthousiast over het voornemen om de maximale subsidietermijn van subsidies
aan te passen naar acht jaar. De raad zou het gunstig vinden als provincies en gemeenten
deze maximale termijn ook gaan hanteren. Ik kan die gedachte volgen, maar wil benadrukken
dat provincies en gemeenten zelfstandig afwegen hoe zij met dit onderwerp omgaan.
Publiek-private samenwerking
De raad adviseert om meer duidelijkheid te creëren in de rolverdeling tussen publieke
en private financiers. Het inzicht in private financiering is minder systematisch
ontwikkeld dan dat in publieke financiering, terwijl dit voor de sector een belangrijke
bron van financiering is. Ik start samen met private financiers een verkenning om
de verschillende fondsen en financiers in de sector beter in kaart te brengen. Het
doel van deze verkenning is ook om de basis te leggen voor een meer structurele dialoog
tussen publieke en private financiers in de culturele sector. Daarbij zie ik een nadrukkelijk
meerwaarde van een betere vertegenwoordiging van de private fondsen.
De raad adviseert ook om publieke middelen als matching voor privaat geld in te zetten.
Dat vind ik een interessante gedachte die voortbouwt op wat er de afgelopen jaren
al is opgezet. Het Cultuurfonds, voordekunst en Platform Acct hebben met ondersteuning
van het ministerie het programma Leve het Geven uitgevoerd. Onderdeel van het programma
was een matchingsproject waarbij particuliere bijdragen werden gematcht met geld van
het ministerie en private fondsen. Niet alleen is door het programma meer privaat
geld opgehaald, ook is de samenwerking tussen financiers verbeterd en is gewerkt aan
het verminderen van de regeldruk in de culturele sector. Dat waardeer ik. Ik stel
voor de aankomende vier jaar € 1,4 miljoen euro ter beschikking voor het vervolg van
dit programma. Het draagt namelijk bij aan de wens in het regeerakkoord om de afstemming
tussen financiers te verbeteren en de regeldruk in de culturele sector te verminderen.
Filantropie
De raad adviseert culturele organisaties zich daarom meer als goede doelen te profileren.
Ik snap deze gedachte, die kansen biedt voor extra filantropische bijdragen aan de
sector. De raad merkt terecht op dat we voor de grootste vermogensoverdracht uit de
geschiedenis staan. Ik vind het goed om te zien dat de sector zich hiervan bewust
is en hierop anticipeert. De Universiteit Utrecht, ondersteund door de Vriendenloterij,
faciliteert bijvoorbeeld de leergang «De kunst van het vragen» waar al meer dan 250
culturele instellingen en ondernemers hun kennisniveau over het mecenaat hebben verbeterd.
Via de stichting Nalaten aan Cultuur investeren ruim 100 culturele instellingen in
de bewustwording over de mogelijkheid om na te laten aan culturele instellingen. Omdat
ik het belangrijk vind om de kennis over nalatenschappenwerving in de cultuursector
te vergroten, zal ik dit initiatief de aankomende jaren financieel ondersteunen. Waar
mogelijk zal ik zelf ook het schenken aan kunst en cultuur onder de aandacht te brengen.
De raad is van oordeel dat de Geefwet essentieel is voor de culturele en creatieve
sector. Het kabinet vindt het belangrijk om het geven aan goede doelen fiscaal aantrekkelijk
te houden. Wel ziet het dat er nog verbeteringen mogelijk zijn in bijvoorbeeld de
ANBI-wetgeving. De Staatssecretaris van Financiën heeft u hier op 1 juni 2026 over
geïnformeerd.7 Op het brede gesprek over de rol van filantropie in de samenleving, dat vanuit het
Ministerie van Justitie en Veiligheid wordt gevoerd, ben ik goed aangesloten om de
belangen van de culturele en creatieve sector onder de aandacht te brengen. In dit
kader krijgt ook het advies van de raad aan de culturele sector om gezamenlijk een
CBF-erkenning en aansluiting bij Goede Doelen Nederland te overwegen mijn steun. Dit
vind ik iets dat de sector zelf kan oppakken, maar waar nodig zal ik dit ondersteunen.
Kennis en ondernemerschap
Culturele en creatieve sectoren leveren een aanzienlijke directie en indirecte bijdrage
aan innovatie, ons imago in het buitenland, stedelijke leefkwaliteit, maatschappelijke
transities en de brede welvaart van Nederland. Niet alleen in Nederland, maar ook
in onze buurlanden en in de Europese Unie is het besef van dit belang gegroeid. De
culturele en creatieve sector is daarmee ook een belangrijke economische factor. Vanuit
die gedachte ondersteun ik het advies van de raad aan de sector en brancheverenigingen
om meer gebruik te maken van de kennis, ervaring, en financieringsmogelijkheden van
bijvoorbeeld de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO). Ik begrijp dat niet
alle regelingen even toegankelijk zijn voor de sector, toch zie ik kansen. Om beter
inzicht te krijgen in de waarde van de regelingen door de culturele en creatieve sector,
ben ik samen met RVO een eerste inventarisatie van het gebruik gestart.
Bovenstaande sluit ook aan op het advies van de raad aan de sector om meer te investeren
in de ontwikkeling van financieel-economische kennis. Dat is belangrijk voor de interne
bedrijfsvoering en zorgt er ook voor dat men de taal van het bedrijfsleven beter gaat
spreken. Vanuit de culturele basisinfrastructuur financier ik een landelijke informatie-,
kennis- en netwerkfunctie over ondernemerschap en financiering, waar ook financieel-economische
kennis een plek heeft. Op dit moment wordt deze functie uitgevoerd door Cultuur+Ondernemen.
Ik ben voornemens deze functie voor de aankomende periode verder aan te scherpen,
zodat meer nadruk komt te liggen op financieel-economische kennis in relatie tot het
vinden van financiering. Om de professionele ontwikkeling van werkenden in de sector
te stimuleren heeft Platform Acct in 2020 het programma Permanente Professionele Ontwikkeling
(PPO) opgezet. Het programma werd gefinancierd door het Ministerie van OCW. Een vervolg
op dit programma loopt nog tot 2028. Via het programma investeer ik in de professionele
ontwikkeling van de sector, ook waar het financieel-economische kennis betreft.
In dit kader vind ik ook het onlangs verschenen advies van de commissie-Bussemaker
van waarde. Deze commissie heeft in opdracht van de Vereniging Hogescholen een verkenning
uitgevoerd naar het hbo-kunstonderwijs8. In dit advies adviseert de commissie onder andere om meer aandacht te hebben voor
ondernemersvaardigheden en technologie in het curriculum. Ik kan mij goed vinden in
deze aanbevelingen en ben benieuwd hoe dit vorm krijgt in het kunstsectorplan dat
zij gezamenlijk gaan vormgeven.
Evaluatie cultuurleningen
Het Ministerie van OCW heeft verschillende instrumenten ter beschikking om de toegang
tot financiering voor de culturele en creatieve ondernemers te verbeteren. Een van
de instrumenten zijn de cultuurleningen, die zijn belegd bij Cultuur+Ondernemen. De
cultuurleningen zijn gericht op ondernemers en instellingen die moeilijk toegang hebben
tot reguliere financiering, maar wel beschikken over inkomstenpotentieel. De afgelopen
maanden heeft SEO Economisch Onderzoek (hierna: SEO) in opdracht van het Ministerie
van OCW een evaluatie uitgevoerd van de cultuurleningen. In dit deel van de brief
beschrijf ik de belangrijkste bevindingen van SEO en reageer ik inhoudelijk op de
evaluatie van de cultuurleningen.
SEO concludeert dat de cultuurleningen doeltreffend en doelmatig zijn. De cultuurlening
biedt volgens hen financiering aan cultuurorganisaties met weinig andere leenmogelijkheden.
Verstrekte leningen worden vooral ingezet voor investeringen in bedrijfsactiva en
als voorfinanciering, zoals dat door andere bedrijven buiten de cultuursector wordt
gedaan. SEO concludeert dat de combinatie van financiering en de aangeboden begeleiding
bijdraagt aan het meer en sneller tot stand komen van het aanbod van cultuur. De begeleiding
draagt daarnaast bij aan het ontwikkelen van meer financiële kennis en zakelijke vaardigheden.
Tot slot wijzen de onderzoekers erop dat de leningen voor additionele effecten zorgen,
zoals het mogelijk maken van fair pay en het verlagen van de drempel om externe financiering
aan te trekken. SEO concludeert dat de kostendekkendheid van het instrument de afgelopen
jaren is gestegen en de kostenratio daalt, wat wijst op efficiënter gebruik van middelen.
De uitvoeringskosten per lening blijven wel relatief hoog door de kleinschaligheid,
het maatwerk en de intensieve begeleiding. De verhouding tussen bereikte effecten
en maatschappelijke kosten is volgens SEO erg positief.
SEO ziet geen reden om aanpassingen te doen aan de manier waarop de leningen worden
uitgezet en onder welke voorwaarden dit gebeurt. Wel doen ze aanbevelingen die de
impact van de cultuurleningen verder kunnen vergroten. De kern daarbij is schaalvergroting.
Meer leningen dragen volgens de onderzoekers namelijk bij aan een groter cultuuraanbod
en meer zakelijke kennis. Om dit te bereiken noemt SEO drie denkrichtingen: het kritisch
kijken naar de samenhang tussen subsidievoorwaarden en financieringsvormen, het versterken
van de zakelijke vaardigheden en de bekendheid van de cultuurleningen en het lenen
vergroten.
Kabinetsreactie
Voor startende, vernieuwende en ambitieuze ondernemers en organisaties binnen de culturele
en creatieve sector blijft het aantrekken van private financiering een uitdaging.
Dat hangt enerzijds samen met de beperkte bekendheid van financiers met de sector
en anderzijds met specifieke kenmerken van culturele en creatieve ondernemingen en
projecten. De beperkte toegang tot financiering staat talentontwikkeling, vernieuwing
en verbreding van het aanbod in de weg. De cultuurleningen vervullen daarom een belangrijke
rol voor de sector.
Ik zal mijn reactie ophangen aan de drie denkrichtingen die SEO beschrijft. Daarna
ga ik nog in op leningen in relatie tot maatschappelijke impact, en beschrijf ik mijn
visie op de rol van Cultuur+Ondernemen.
Samenhang tussen subsidievoorwaarden en financieringsvormen
SEO stelt dat bepaalde subsidievoorwaarden rondom het aanhouden van het eigen vermogen
belemmerend werken voor het ondernemerschap in de sector. Dit is ook iets wat de raad
eerder concludeerde. Hij benadrukte dat culturele organisaties ruimte moeten krijgen
om een gezond weerstandsvermogen op te bouwen. Zoals ik eerder heb aangegeven, neem
ik dit onderwerp mee in mijn gesprekken met de medeoverheden.
Vergroten van zakelijk vaardigheden.
SEO concludeert dat er cultuurorganisaties zijn die niet in aanmerking komen voor
leningen, omdat ze onvoldoende zakelijk opereren. Uit de evaluatie van SEO blijkt
eveneens dat passende begeleiding bij een financieringsaanvraag van groot belang is.
Goede ondersteuning vergroot niet alleen de toegang van financiering, maar versterkt
ook de ondernemersvaardigheden die nodig zijn voor een duurzame en toekomstbestendige
bedrijfsvoering. Ik zie hier kansen. Daarom ga ik onderzoeken hoe ik de verbinding
tussen financiering en het versterken van het ondernemerschap van de sector beter
kan benutten. Een financieringsaanvraag is immers vaak meer dan alleen een verzoek
om kapitaal. Het is ook een moment waarop ondernemers keuzes maken over hun bedrijfsvoering,
verdienvermogen, strategie en toekomstbestendigheid. De vraag naar financiering vormt
daarmee een belangrijk aangrijpingspunt voor begeleiding, coaching en professionalisering
van de sector. Juist op dat moment kan gerichte ondersteuning het verschil maken.
Dit sluit ook aan op het advies van de raad aan culturele organisaties om meer te
investeren in de ontwikkeling van financieel-economische kennis, omdat deze kennis
een rol speelt in de positionering richting private financiering.
Hierbij merk ik op dat ondernemerschap in de culturele en creatieve sector een breed
begrip is, dat op verschillende manieren wordt gebruikt. Ik realiseer mij dat ondernemerschap
meer omvat dan alleen de financiële en bedrijfsmatige kant. In deze context richt
ik mij echter specifiek op de zakelijke vaardigheden die ondernemers helpen om hun
financieringsbehoefte scherp te formuleren, inzicht te krijgen in hun verdienvermogen
en op een duurzame manier investeringen aan te trekken en te benutten.
Vergroten bereik
Ik zie in de analyse van SEO dat de cultuurleningen door de verschillende deelsectoren
in de culturele en creatieve sector worden gebruikt. Dat is goed om te lezen. SEO
merkt in haar conclusie wel op dat de leningen voor een groot deel terecht komen bij
ondernemers uit de Randstad. Ik vind het belangrijk dat instrumenten van de overheid
door de hele sector worden gebruikt, in heel Nederland. Ik ga in gesprek met Cultuur+Ondernemen
over manieren waarop de organisatie de geografische spreiding van de leningen kan
verbeteren.
Uit de analyse van SEO maak ik verder op dat het plafond van het budget voor leningen
dreigt te worden bereikt. Ik kies er daarom voor om het budget de aankomende jaren
stapsgewijs te verhogen. In de komende jaren zal ik stapsgewijs € 6 miljoen toevoegen
aan het budget voor de leningen.
Vergroten van impact
Ik zie dat maatschappelijke impact voor financiers en investeerders een steeds belangrijkere
rol speelt bij investeringsbeslissingen. Binnen de bredere ontwikkeling van impact investing groeit ook de belangstelling voor sectoren die naast financieel rendement aantoonbaar
maatschappelijke waarde creëren. Dat blijkt uit ook de haalbaarheidsstudie die DOEN
Participaties vorig jaar heeft laten
uitvoeren naar de mogelijkheden voor een investeringsfonds gericht op impact investing in de culturele en creatieve sector.9 Uit dit onderzoek blijkt dat er, binnen bepaalde randvoorwaarden, zowel vanuit ondernemers
als vanuit financiers belangstelling bestaat voor een dergelijk fonds. De culturele
en creatieve sector is in dat opzicht interessant, juist vanwege de bijdrage aan sociale
cohesie, leefbaarheid, innovatie en brede welvaart.
De aandacht voor impact biedt kansen om financiering vanuit andere sectoren aan te
trekken. In 2023 heeft Berenschot in opdracht van uw Kamer het rapport In de schijnwerpersuitgebracht. Volgens Berenschot liggen er kansen voor het vergroten van het verdienvermogen
in het aanboren van bronnen uit andere sectoren, namelijk de sectoren die profiteren
van de bijdragen die de culturele sector levert aan de vraagstukken in die sectoren.10 Mijn ambtsvoorganger heeft uw Kamer als reactie op het rapport een meerjarenplan
toegezegd.11 Bij gemeenten zie ik goede voorbeelden van de samenwerking tussen cultuur en voornamelijk
het sociale domein. Op dit moment zie ik zelf geen meerwaarde voor een apart meerjarenplan.
Zoals uit deze brief blijkt, ben ik al op verschillende manieren aan het verkennen
hoe ik de toegang tot financiering kan verbeteren. Wel zie ik een aanknopingspunt
met de cultuurleningen. Ik vind het van belang dat bij de verstrekking van leningen
oog is voor de maatschappelijke en culturele impact van projecten en ondernemingen.
Ik ga onderzoeken hoe binnen de cultuurleningen meer aandacht kan worden besteed aan
impact om daarmee in lijn met het rapport andere financieringsbronnen aan te boren.
Tegelijkertijd wil ik terughoudend zijn met het verder formaliseren of uitbreiden
van criteria binnen de leningen. Juist de toegankelijkheid en eenvoud van de leningen
dragen bij aan het succes ervan.
Partner in financiering
Het verstrekken van leningen vraagt om andere expertise dan het verstrekken van subsidies.
Het vereist een gespecialiseerde kennis van kredietverstrekking, ervaring met meerjarig
kapitaalbeheer en inzicht in de specifieke dynamiek van de culturele en creatieve
sector. Daarbij is het van belang dat men niet uitsluitend gericht is op één discipline,
maar oog heeft voor de breedte van het culturele en creatieve veld, inclusief ondernemers
en organisaties die geen subsidie ontvangen. De cultuurleningen zijn immers bedoeld
voor de brede culturele en creatieve sector.
De kennis en ervaring die Cultuur+Ondernemen de afgelopen jaren heeft opgebouwd, zijn
daarbij van grote waarde. Dat lees ik ook terug in de evaluatie van SEO. Ik wil verkennen
hoe deze expertise beter kan worden benut, bijvoorbeeld door ook voor instrumenten
samen te gaan werken met Cultuur+Ondernemen. Dat biedt ruimte voor verdere professionalisering
en doorontwikkeling van het instrumentarium en versterkt de onderlinge samenhang en
kennisuitwisseling tussen instrumenten. Wanneer in de toekomst nieuw instrumentarium
wordt ontwikkeld waarvoor sectorspecifieke kennis en financiële expertise nodig zijn,
zie ik nadrukkelijk kansen voor samenwerking tussen Cultuur+Ondernemen, de Rijkscultuurfondsen
en het ministerie. Daarmee verandert de positie van Cultuur+Ondernemen. Ik ga samen
met hen onderzoeken wat dit betekent voor de relatie tussen OCW en Cultuur+Ondernemen.
Tot slot
Door te werken aan een toekomstbestendig financieringsstelstel voor cultuur wil ik
bijdragen aan stabiliteit en ruimte voor ontwikkeling. Makers, instellingen en ondernemers
in onze sector moeten kunnen bouwen aan kwaliteit, talent en publieksbereik, met oog
voor zowel artistieke vernieuwing en brede toegankelijkheid. Dat vraagt om een financieringsstelsel
dat meebeweegt met toekomstige ontwikkelingen en, om in de woorden van de Raad voor
Cultuur te spreken, een gezamenlijke inspanning van overheden, private partijen en
culturele organisaties zelf.
De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap,
R.M. Letschert
Indieners
R.M. Letschert, minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap
Bijlagen
Gerelateerde documenten
Hier vindt u documenten die gerelateerd zijn aan bovenstaand Kamerstuk.