Brief regering : Monitoring akkoord 'Gezond naar het pensioen'
32 043 Toekomst pensioenstelsel
Nr. 713
BRIEF VAN DE MINISTER VAN SOCIALE ZAKEN EN WERKGELEGENHEID
Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 1 juli 2026
Langer doorwerken vraagt iets van iedereen, maar in het bijzonder van mensen die langdurig
zwaar werk verrichten. Om te bevorderen dat zoveel mogelijk mensen gezond en werkend
hun pensioen kunnen bereiken, hebben vakbonden, werkgeversorganisaties en het kabinet
in oktober 2024 het akkoord «Gezond naar het pensioen» gesloten.1 Daarin is afgesproken dat de RVU-drempelvrijstelling structureel wordt voortgezet
vanaf 2026; gericht en beheerst en met gezamenlijke monitoring en ijkmomenten. Ook
zetten kabinet en sociale partners volop in op gezond langer doorwerken met een gezamenlijke
agenda voor duurzame inzetbaarheid. Het is belangrijk dat we niet alleen oog hebben
voor de situaties waarin eerder uittreden nodig is, maar ook gezamenlijk sterker inzetten
op het voorkomen en verlichten van zwaar werk en/of tijdig overstappen naar ander
werk.
De afgelopen maanden heb ik in mijn gesprekken met werknemers en werkgevers gehoord
hoe dit vraagstuk leeft op de werkvloer. De verhalen van werknemers onderstrepen hoe
ingrijpend zwaar werk kan zijn voor hun gezondheid en dagelijks leven. Voor werknemers
die langdurig zwaar werk verrichten, is gezond doorwerken niet vanzelfsprekend. Dat
vraagt in de eerste plaats om een verlichting van werk of een tijdige overstap naar
lichter werk. Het doel van inzet op duurzame inzetbaarheid is om zoveel mogelijk te
voorkomen dat mensen door de zwaarte van hun werk niet in staat zijn om tot de AOW-leeftijd
door te werken. Voor situaties waarin dit (nog) niet mogelijk is, blijft er gerichte
en zorgvuldig afgebakende ruimte voor eerder uittreden.
Afgelopen jaar is met sociale partners verder gewerkt aan de uitvoering van de afspraken
uit het akkoord.2 Deze samenwerking is onmisbaar om tot gewenste resultaten te komen. Kabinet en sociale
partners hebben afgesproken de ontwikkeling van de afspraken vanaf 2025 jaarlijks
te monitoren en driejaarlijks te ijken. In deze brief informeer ik uw Kamer over deze
monitoring. De afspraken uit het akkoord zijn sinds dit jaar van toepassing, wat betekent
dat veel maatregelen recent of nog niet in werking zijn getreden. Daarnaast is het
TNO-loket recent geopend. Daarom ligt de nadruk in deze brief op de voortgang van
de uitwerking en implementatie, en eerste beelden van de resultaten van de aanpak.
Verder ga ik in op de evaluatie van de Maatwerkregeling Duurzame Inzetbaarheid en
Eerder Uittreden (MDIEU).
Deze subsidieregeling was een tijdelijke overgangsmaatregel uit het Pensioenakkoord
van 2019 en biedt waardevolle inzichten over duurzame inzetbaarheid en RVU in de periode
2021–2025.
In het commissiedebat van 29 januari jl. heeft mijn ambtsvoorganger, op verzoek van
het lid Neijenhuis (D66), toegezegd de Kamer vóór de zomer per brief te informeren
over de acties die plaatsvinden en de acties die in de komende maanden worden geïnventariseerd
om het relatieve gebruik van de RVU-regeling onder lage inkomens te vergroten.3 Met deze brief geef ik invulling aan de toezegging.
In het debat van 4 juni jl. heb ik, naar aanleiding van een vraag van het lid Michon-Derkzen
(VVD), toegezegd om na te gaan in hoeverre de afspraken uit het akkoord «Gezond naar
pensioen» al voorzien in sectorale inzet. Ik heb opvolging gegeven aan deze toezegging4 door dit na te gaan en kan uw Kamer laten weten dat dit onderdeel uitmaakt van de
monitoring van dit akkoord.
Monitoring akkoord «Gezond naar het pensioen»
In deze brief wordt de voortgang van het akkoord «Gezond naar het pensioen» beschreven
langs drie samenhangende lijnen. Eerst wordt ingegaan op de maatregelen rond duurzame
inzetbaarheid, gevolgd door de maatregelen en ontwikkelingen rondom de overgang van
werk naar pensioen, en tot slot de ontwikkelingen rond RVU.
Duurzame inzetbaarheid
Agenda voor duurzame inzetbaarheid
Om zoveel mogelijk mensen gezond werkend hun pensioen te laten bereiken, hebben kabinet
en sociale partners in het akkoord «Gezond naar het pensioen» geconstateerd dat inzetten
op duurzame inzetbaarheid noodzakelijk is als we willen dat mensen gezond langer doorwerken.
Daarbij is bijzondere aandacht nodig voor werknemers die langdurig zwaar werk verrichten.
Om die reden is in het akkoord afgesproken om een agenda voor duurzame inzetbaarheid
(DI-agenda) op te stellen.
Afgelopen najaar heeft de DI-agenda in nauwe samenwerking met sociale partners vorm
gekregen. Bij voorjaarsnota is vervolgens besloten dat voor de agenda die een looptijd
heeft tot en met 2030, € 200 mln. beschikbaar is vanuit de resterende middelen voor
de maatwerkregeling duurzame inzetbaarheid en eerder uittreden (MDIEU).
Met de MDIEU is de afgelopen jaren de inzet vanuit sectoren, branches en bedrijven
op duurzame inzetbaarheid in algemene zin ondersteund en gestimuleerd. Dit voorjaar
is de eindevaluatie van de MDIEU opgeleverd. Deze is als bijlage bij deze brief gevoegd;
verderop in deze brief wordt meer in detail op de bevindingen uit de eindevaluatie
ingegaan. Mede vanuit deze ervaringen heeft de DI-agenda invulling gekregen.
Zo is het doel de inzet van branches en MKB-bedrijven op duurzame inzetbaarheid te
vergroten met daarbij de focus op het voorkomen of verlichten van zwaar werk, zo dicht
mogelijk bij de bron van de belasting. Hierdoor richten de activiteiten zich op de
bronaanpak en arbeidsmobiliteit (van zwaar naar minder zwaar werk bewegen). En op
kwetsbaardere groepen zoals werknemers met fysiek zwaar werk. Met de MDIEU zijn zij
minder goed bereikt. Voor een structurele verandering van de duurzame inzetbaarheid
is een cultuurverandering in sectoren en bedrijven nodig. Met de MDIEU is hier weliswaar
een begin mee gemaakt, maar dit vereist een lange(re) adem om te bestendigen. Het
is aan werkgevers en werknemers om de uitkomsten van de MDIEU en de afspraken uit
deze agenda ingezette verandering, voort te zetten en verder te brengen. De overheid
ondersteunt ook de komende periode deze inspanningen met subsidie.
Lijnen DI-agenda
De DI-agenda ondersteunt een verdere ontwikkeling van de beweging die in gang is gezet.
Met de DI-agenda werken we langs vier lijnen aan duurzame inzetbaarheid, met daarnaast
ruimte om in te spelen op ontwikkelingen. Gemeenschappelijke basis hierin is de focus
op het terugdringen van zwaar werk.
1. Het ondersteunen van sectoren, branches en bedrijven
Om branches en bedrijven te ondersteunen bij maatregelen ter bevordering van gezond,
vaardig en veilig doorwerken tot het pensioen komt er een subsidieregeling. Hiervoor
is in totaal € 139 mln. beschikbaar. Volgens planning gaat begin 2027 het eerste tijdvak
open voor paritaire samenwerkingsverbanden. Hierin komt subsidie beschikbaar voor
concrete activiteiten die op brancheniveau worden uitgevoerd. Een volgend aanvraagtijdvak
zal gericht zijn op individuele arbeidsorganisaties. De opbrengsten van de activiteiten
ondersteunen bedrijven bij hun inzet op de duurzame inzetbaarheid van hun medewerkers.
Denk bijvoorbeeld aan het opstellen van een Risico Inventarisatie en Evaluatie (RI&E)
op brancheniveau. Dit helpt (vooral kleinere) bedrijven om gericht risico’s in het
bedrijf in kaart te brengen en de juiste maatregelen te treffen om deze risico’s te
beheersen. Met de subsidie voor dit soort concrete activiteiten bieden we branches
en de (MKB-)bedrijven handvatten om werk te maken van DI en het verlichten van zwaar
werk. De concept-subsidieregeling gaat voor de zomer in internetconsultatie.
2. Het stimuleren van innovatie
Door innovatie te stimuleren maken we zwaar werk lichter, zo dicht mogelijk bij de
bron van de belasting. Daarvoor faciliteren we een aantal innovatielabs waarin met
een transdisciplinaire aanpak gewerkt wordt aan technische, sociale en organisatorische
innovatie. De labs bouwen voort op bestaande regionale innovatie-ecosystemen en brengen
medewerkers, bedrijven, kennisinstellingen en partijen zoals fieldlabs samen om innovaties
te ontwikkelen die fysiek werk lichter, veiliger en productiever maken. Voorbeelden
hiervan zijn een mobiel robotplatform voor voorraden, een robotarm die het werk voor
de helft lichter kan maken en een innovatieve tilhulp. Voor deze innovatielabs en
de ondersteuning met het kennis- en innovatiecentrum (getrokken door FRAIM en TNO)
is € 30 mln. beschikbaar. Dit centrum draagt ook bij aan het breder verspreiden van
de opbrengsten zodat een vliegwiel ontstaat. Dit jaar start het kenniscentrum, de
innovatielabs gaan in 2027 van start.
3. Het investeren van kennisontwikkeling rondom zwaar werk.
Bestaande kennis uit de wetenschap of praktijk over het verlichten van zwaar werk
willen we vergroten en meer toepasbaar maken.
Dit doen we via de Expeditie-subsidieregeling. Deze kennis kan daardoor beter en vaker
worden toegepast door andere sectoren, bedrijven of organisaties. Dit draagt bij aan
het verder terugdringen van zwaar werk. Om de inzet op deze kennisontwikkeling en
kennisverspreiding te vergroten komt er in de Expeditie-regeling meer ruimte voor
projecten rondom zwaar werk. In totaal is hiervoor € 16 mln. bestemd.
4. TNO Expertisecentrum Zwaar Werk en onderzoek
Naar aanleiding van de afspraken uit het akkoord «Gezond naar het pensioen» is een
Expertisecentrum Zwaar Werk bij TNO ingericht.5Het expertisecentrum heeft twee kerntaken: het valideren van de onderbouwing van de
afbakening van RVU-doelgroepen, en het opzetten en uitvoeren van een kennisprogramma.
Het kennisprogramma richt zich op kennisontwikkeling rond RVU, zwaar werk en (het
ondersteunen van) duurzame inzetbaarheid. TNO levert jaarlijks rapportages met resultaten
van de validatie en het kennisprogramma. Bijgevoegd bij deze Kamerbrief vindt u de
eerste voortgangsrapportage van het TNO Expertisecentrum Zwaar Werk, inclusief analyse
van de profielen van RVU-deelnemers, en een eerste Monitor Duurzame Inzetbaarheid
in Nederland. De uitkomsten van de voortgangsrapportage komen later in de brief nader
aan bod. Inzichten uit de jaarlijkse Monitor Duurzame Inzetbaarheid zullen onder andere
worden benut ter ondersteuning van de agenda voor duurzame inzetbaarheid.
De eerste Monitor Duurzame Inzetbaarheid geeft een beeld van de inzetbaarheid van
verschillende groepen werknemers en sectoren in 2025. De monitor laat zien dat werknemers
steeds langer doorwerken, in lijn met de stapsgewijze verhoging van de AOW-leeftijd.
Wel zijn er verschillen zichtbaar. Vmbo/havo/vwo/mbo opgeleiden verwachten hun huidige
werk gemiddeld tot een lagere leeftijd te kunnen volhouden dan hbo/wo-opgeleiden.
De eersten ervaren een hogere lichamelijke en gevaarlijke belasting en beperktere
(in)formele leer- en mobiliteitsmogelijkheden. Dit terwijl zij relatief later met
pensioen gaan. In het onderzoek is ook gekeken naar de verschillen tussen sectoren.
Daaruit blijkt dat gunstige indicatiescores op duurzame inzetbaarheid, niet vanzelfsprekend
gepaard gaat met een hoge feitelijke pensioenleeftijd, en vice versa.
Inspelen op ontwikkelingen
Binnen de beschikbare middelen houden we ruimte voor inzet op ontwikkelingen die zich
gedurende de uitvoering van de agenda voordoen en die kansrijk worden geacht om bij
te dragen aan het doel van de agenda. Het overige budget is daarom beschikbaar voor
onder meer incidentele projectsubsidies.
Inzet van sociale partners
Sociale partners zien in de praktijk dat veel sectoren en bedrijven al langere tijd
actief zijn om de arbeidsomstandigheden voor werknemers met zwaar werk te verbeteren.
Voortdurende aandacht hiervoor is gewenst en noodzakelijk in het belang van de gezondheid
van deze werknemers. Onder zwaar werk worden nadrukkelijk diverse vormen verstaan,
zoals bijvoorbeeld fysieke arbeid of beroepen met een zware werkdruk en/of een hoge
psychosociale werkbelasting. Aan de hand van een inventarisatie van goede voorbeelden
in een aantal bedrijven en sectoren hebben sociale partners een overzicht opgesteld
van mogelijke acties en maatregelen dat ter inspiratie kan dienen.
Dit overzicht is opgenomen in een brief van de Stichting van de Arbeid aan cao-partijen,
welke is bijgevoegd bij deze Kamerbrief.6 Deze voorbeelden betreffen het hele spectrum van de zogenaamde «arbeidshygiënische
strategie», van Risico Inventarisatie & Evaluaties (RI&E) en arbocatalogi tot inzicht
bieden in de inzetbaarheid van de individuele medewerker en aanbieden van onderwijs.
Daarnaast benadrukken sociale partners in de brief dat werknemers in zware beroepen
tijdig moeten kunnen overstappen naar minder belastend werk – indien dit praktisch
tot de mogelijkheden behoort – om voortijdige uitval te voorkomen.
Overgang van werk naar pensioen
In het akkoord «Gezond naar het pensioen» zijn afspraken gemaakt over een breed pakket
aan maatregelen in het vraagstuk rond zwaar werk en gezond doorwerken. In de overgang
van werk naar pensioen kan RVU de mogelijkheid bieden om eerder uit te treden aan
werknemers met zwaar werk die niet gezond kunnen doorwerken. Maar ook alternatieven
kunnen passend zijn bij de verschillende wensen en mogelijkheden van werkenden, zoals
het opsparen van verlof en vitaliteitspacten voor mensen met zwaar werk voor een geleidelijke
overgang van werk naar pensioen.
Verlofsparen en gerichte vitaliteitspacten
De wettelijke mogelijkheden rond verlofsparen maken het mogelijk om verlof gedurende
een langere periode op te sparen en bijvoorbeeld te gebruiken om (gedeeltelijk) eerder
uit te treden. Daarbij kan fiscaal gefaciliteerd tot maximaal 100 weken verlof worden
gespaard. In de brief van 28 mei 2025 werd al toegelicht dat verlofsparen in de praktijk
nog beperkt wordt benut.7 Dit hangt samen met belemmeringen rondom de externe onderbrenging van verloftegoeden.
Met name het feit dat tegoeden langdurig op de balans van de werkgever staan, brengt
risico’s met zich mee bij faillissement. De Stichting van de Arbeid heeft het kabinet
gevraagd te verkennen hoe de externe onderbrenging van voor verlofsparen bestemde
spaartegoeden beter kan worden gefaciliteerd, en of daarvoor nadere verduidelijking
of aanpassing van wet- en regelgeving nodig is. Naar aanleiding hiervan is mijn ministerie
in september 2025, in samenwerking met het Ministerie van Financiën en in nauwe afstemming
met sociale partners, een gezamenlijke verkenning gestart.
In deze verkenning is de mogelijke vormgeving van een externe verlofspaarrekening
nader uitgewerkt. Daarbij is gekeken naar randvoorwaarden zoals het behoud van de
fiscale omkeeregel, budgetneutraliteit en uitvoerbaarheid voor werkgevers, werknemers,
uitvoerders en de Belastingdienst. Ook is bezien onder welke voorwaarden de beschikkingsmacht
over het verloftegoed zodanig kan worden ingericht dat sprake blijft van een aanspraak
op verlof. Daarnaast is gesproken met sociale partners en potentiële uitvoerders over
de praktische en juridische inrichting van een externe verlofspaarrekening. Hierbij
is onder meer aandacht voor de bescherming van het verloftegoed bij faillissement
van de werkgever, de overdraagbaarheid van tegoeden bij baanwisseling en de uitvoerbaarheid
van de regeling in de praktijk.
Deze gesprekken hebben geleid tot een beter uitgewerkt beeld van de mogelijke inrichting
en de aandachtspunten die daarbij een rol spelen. Tegelijkertijd vraagt de verdere
uitwerking op deze onderdelen nog nadere afstemming en verdieping met de betrokken
partijen.
Het kabinet zet de gesprekken met sociale partners, potentiële uitvoerders en de Belastingdienst
daarom voort. In overleg met sociale partners wordt daarbij tevens verkend op welke
wijze kan worden toegewerkt naar een mogelijk wettelijk traject voor extern verlofsparen.
Hoewel nog niet alle vraagstukken zijn afgerond, is de verwachting dat op basis van
de ingezette lijn kan worden toegewerkt naar een uitvoerbare vormgeving van extern
verlofsparen. Ik zal uw Kamer bij het volgende monitoringsmoment in 2027 nader informeren
over de voortgang en de vervolgstappen.
Naast verlofsparen is in het akkoord afgesproken om ook andere instrumenten te onderzoeken,
zoals vitaliteitspacten en generatiepacten, om gezond doorwerken tot het pensioen
te bevorderen. Deze instrumenten kunnen bijdragen aan een geleidelijke overgang naar
het pensioen. Uit onderzoek naar cao-afspraken die de duurzame inzetbaarheid van oudere
werknemers kunnen bevorderen blijkt dat meer dan de helft van de werknemers met een
cao een afspraak over verlofsparen en/of arbeidsduurverkorting voor oudere werknemers
in de cao heeft staan (resp. 61% en 63%).8 Daarbij is in het bijzonder gekeken naar de mate waarin deze regelingen worden ingezet
voor werknemers met zwaar werk. Dit laat zien dat het soms voorkomt dat er voorwaarden
worden gesteld aan de functie of loonschaal om in aanmerking te komen voor arbeidsduurverkorting.
Voor verlofsparen worden dergelijke voorwaarden niet gesteld. Het kabinet en sociale
partners houden zicht op de inzet van deze instrumenten.
Regeling vervroegde uittreding (RVU)
In het akkoord «Gezond naar het pensioen» is afgesproken dat de RVU gericht en beheerst
wordt ingezet voor werknemers met zwaar werk die niet gezond kunnen doorwerken tot
de AOW-leeftijd. Zo komt vervroegd uittreden met een RVU terecht waar dat nodig en
verantwoord is. Om dat te bereiken is onder meer afgesproken dat RVU-afspraken altijd
een onderbouwde afbakening van de doelgroep bevatten, gericht op belastende functies
en werkzaamheden en gebaseerd op objectieve criteria. Cao-partijen kunnen daarbij
ook een inkomensgrens overwegen die past binnen hun sector. Ook dient de afbakening
periodiek te worden herzien, zodat deze blijft aansluiten bij ontwikkelingen in functies
en werkzaamheden, en moet een RVU-afspraak samengaan met inzet op duurzame inzetbaarheid.
Verder is een signaalwaarde van 15.000 jaarlijkse nieuwe RVU-deelnemers afgesproken.
Wanneer deze signaalwaarde wordt bereikt, gaan kabinet en sociale partners gezamenlijk
in gesprek over de oorzaken, de gerichtheid en bijsturen.
Hierna ga ik achtereenvolgens in op het RVU-gebruik, de profielen van RVU-deelnemers
(waaronder het gebruik onder lage inkomens), onderzoek naar cao-afspraken over RVU,
de ervaringen van TNO rond de validering van RVU-afbakeningen, en tot slot de update
van de RVU-handreiking en continuïteit van RVU-uitkeringen.
Ontwikkeling van het RVU-gebruik
Het gebruik van de RVU neemt toe, maar blijft binnen de afgesproken signaalwaarde.
De toename van het gebruik past bij een nieuwe regeling waarover in toenemende mate
cao-afspraken tot stand komen en bij een groeiend aantal oudere werknemers. Het RVU-gebruik
wordt bijgehouden door het UWV op basis van de RVU-registraties in de polisadministratie.
In 2025 zijn ongeveer 13.9009 mensen nieuw ingestroomd in de RVU-regeling.10 In voorgaande jaren was dit 13.200 (2024), 11.400 (2023), 9.500 (2022) en 4.300 (2021).
De monitoring komende jaren zal inzicht geven in het effect van de nieuwe afspraken
vanaf 2026 over een gerichte RVU en inzet op duurzame inzetbaarheid. Sectoren met
een relatief grote RVU-deelname in 2025 (meer dan 500 nieuwe RVU-deelnemers) zijn:
Rijk, Verpleging verzorging thuiszorg en jeugdgezondheidszorg, Gemeenten, Sociale
werkvoorziening, Bouw & Infra, Politie, Metalektro, Metaal en techniek, en Beroepsgoederenvervoer.
Het aandeel RVU-deelnemers dat niet onder een cao valt ligt rond de 500 mensen. Mijn
ministerie en de sociale partners blijven het gebruik van de RVU-maatregel nauwlettend
volgen.
Profiel van RVU-deelnemers
De RVU-deelnemers in 2025 vergeleken met alle werknemers in dezelfde leeftijdscategorie
zijn vaker man, hebben vaker een laag of midden opleidingsniveau en hebben vaker voltijd
en bij een groot bedrijf (100 werknemers of meer) gewerkt. De inkomens van RVU-deelnemers
concentreren zich iets sterker bij de hogere middeninkomens vergeleken met alle werknemers
in dezelfde leeftijdsgroep. Bij de lagere inkomens zijn RVU-deelnemers minder vertegenwoordigd.
Verder blijken RVU-deelnemers gemiddeld genomen een iets hogere vermogenspositie te
hebben. Dit beeld wijkt niet af van het voorgaande jaar. Deze bevindingen zijn gebaseerd
op onderzoek van TNO, als onderdeel van het Expertisecentrum Zwaar Werk, op basis
van geanonimiseerde gegevens van het CBS en UWV. De uitkomsten zijn opgenomen in de
jaarlijkse voortgangsrapportage van het TNO Expertisecentrum Zwaar Werk en bijgevoegd
bij deze Kamerbrief.
RVU gebruik onder lage inkomens
Eerder is toegezegd uw Kamer voor de zomer te informeren over acties die plaatsvinden
en in de afgelopen maanden zijn geïnventariseerd om het relatieve gebruik van de RVU-regeling
onder lage inkomens te vergroten.11 Met deze brief geef ik invulling aan de toezegging. De profielen van RVU-deelnemers
en evaluatie van de MDIEU laat zien dat RVU’s in grote lijnen de doelgroep bereikt
die wordt beoogd, maar dat tegelijkertijd de laagste inkomensgroepen zijn ondervertegenwoordigd.
Hier lijken vooral financiële overwegingen aan ten grondslag te liggen. In het akkoord
hebben kabinet en sociale partners met die doelgroep in het achterhoofd de fiscale
ruimte bovenop het basis RVU-bedrag verhoogd met € 300 bruto per maand voor knellende
situaties. Ik verwacht dat met deze extra fiscale ruimte de RVU-maatregel toegankelijker
wordt voor lage inkomens met zwaar werk en dat deze extra ruimte enkel wordt ingezet
voor knellende situaties. Het komende jaar zullen mijn ministerie en sociale partners
via de monitoring meer inzicht krijgen of deze groep beter wordt bereikt. Daarnaast
kunnen decentrale sociale partners binnen de kaders van het akkoord ook zelf de toegankelijkheid
bevorderen. Bijvoorbeeld door een pensioenstorting te doen als hier fiscale ruimte
voor is. Daarmee kan voor een RVU-deelnemer met een laag inkomen of weinig aanvullend
pensioen tegemoet worden gekomen aan de pensioenopbouw die diegene bij RVU-deelname
mist. Ook kunnen cao-partijen een volledige RVU-uitkering afspreken voor een werknemer
met een laag inkomen die in deeltijd werkt. Sociale partners en mijn ministerie blijven
hierover in gesprek.
Cao-afspraken over RVU in 2026
Om inzicht te krijgen in de gerichtheid van RVU voert mijn ministerie jaarlijks onderzoek
uit naar RVU-regelingen in cao’s. Het rapport is bijgevoegd bij de Kamerbrief. Een
eerste beeld van de cao-afspraken over RVU in 2026 laat zien dat cao-partijen in Nederland
zich bewust zijn van de afspraken uit het akkoord die vanaf dit jaar dienen te worden
toegepast. Van de 442 cao’s die zijn onderzocht bevatten 80 cao’s een afspraak over
een RVU-regeling in 2026. Daarnaast wordt in 86 cao’s nog verkend of en voor wie er
een RVU komt. Bijna de helft van de werknemers werkt onder een cao’s met een afspraak
of verkenning over RVU. Ik zie dat decentrale sociale partners invulling geven aan
de afspraken uit het akkoord. Zo is het aantal generieke RVU-regelingen, waar elke
oudere werknemer aan kan deelnemen, sterk gedaald ten opzichte van een jaar eerder.
De RVU-regelingen die al zijn uitgewerkt hebben veelal een afbakening gebaseerd op
specifieke functies of roostervormen, of noemen dat de regeling gericht is op «zwaar
werk», waarbij de definitie van zwaar werk nog wordt uitgewerkt. In vijftien cao’s
wordt voor deelname aan de RVU (ook) een inkomensgrens gesteld. Slechts enkele cao’s
hebben expliciet iets opgenomen over een periodieke herziening van de regeling, maar
vaker heeft de regeling een einddatum, bijvoorbeeld gelijk aan de looptijd van de
cao. In een vijfde van de cao’s met een uitgewerkte RVU-regeling is expliciet iets
afgesproken over het gebruik van de extra fiscale ruimte van € 300 die in het akkoord
is afgesproken voor mensen in knellende situaties. Kabinet en sociale partners hebben
afgesproken dat cao-partijen kunnen bepalen wanneer sprake is van een knellende situatie,
en de noodzaak afwegen van het benutten van de additionele ruimte.
Op basis van de onderzochte cao-teksten lijkt de hogere uitkering vaak te worden toegepast
voor de hele RVU-doelgroep, of moet daarbij nog worden uitgewerkt wat wordt verstaan
onder knellende situaties. In het onderzoek komt een koppeling tussen de RVU-regeling
en de inzet van cao-partijen op duurzame inzetbaarheid nog beperkt voor, al betekent
dat niet dat deze inzet niet plaatsvindt. Hoe de nieuwe RVU-regelingen zullen uitwerken
in het kader van gerichte en beheerste inzet van RVU’s zal in de monitoring van komende
jaren verder zichtbaar worden.
Validatie van RVU-afspraken
Om de gerichte inzet van RVU’s verder te borgen is in het akkoord afgesproken dat
cao-partijen hun onderbouwde RVU-afbakening op zwaar werk ter validatie voorleggen
aan een derde partij. TNO vervult de rol van derde partij. Sinds 1 april dit jaar
kunnen cao-partijen hun onderbouwing door TNO laten valideren. Dit is later dan gepland
omdat het meer tijd heeft gekost om tot een breed gedragen valideringsproces te komen.
Bij de totstandkoming en inrichting van het valideringsproces is constructief samengewerkt
tussen TNO, sociale partners, experts uit wetenschap en praktijk, en mijn ministerie.
De jaarlijkse voortgangsrapportage van TNO over de valideringsfunctie is bij deze
brief gevoegd. Doordat het loket nog niet zo lang open is, hebben nog weinig cao-partijen
een validatieadvies aangevraagd en ontvangen over hun RVU-afbakeningen. In de eerste
maand na opening van het loket (peildatum 28 april) zijn 34 vooraanmeldingen gedaan
en drie aanvragen ingediend. De verwachting is dat TNO bij de monitoring volgend jaar
een scherper beeld kan schetsen van de inhoud van de aanvragen en de advisering.
Uitvoering van RVU-regelingen
De handreiking voor de uitvoering van de RVU-regelingen is geactualiseerd.12 Deze handreiking biedt betrokken partijen praktische ondersteuning bij het vormgeven
van RVU-regelingen binnen de afspraken uit het akkoord en beoogt bij te dragen aan
een zorgvuldige en consistente toepassing in de praktijk. Daarbij wordt ook aandacht
besteed aan situaties waarin de continuïteit van RVU-uitkeringen onder druk kan komen
te staan, bijvoorbeeld bij financiële problemen of faillissement van een werkgever,
wat ingrijpende gevolgen kan hebben voor betrokken RVU-deelnemers. Deze signalen neem
ik serieus. Tegelijkertijd geldt dat de vormgeving en uitvoering van RVU-regelingen
primair de verantwoordelijkheid zijn van sociale partners, die ook afspraken maken
over de inrichting van de regeling, waaronder de financiering en eventuele borging
van verplichtingen. Het kabinet vindt het van belang dat bij de totstandkoming van
dergelijke afspraken oog is voor risico’s die zich in de praktijk kunnen voordoen.
Daarover blijf ik in gesprek met sociale partners.
Verkenning naar wettelijke borging van gerichtheid en beheersbaarheid RVU
In het akkoord «Gezond naar het pensioen» is afgesproken om parallel aan de bestaande
aanpak te verkennen of aanvullende (wettelijke) borging van de gerichtheid en beheersbaarheid
van de RVU mogelijk en wenselijk is.
Een belangrijk criterium daarbij is of een nadere wettelijke inkadering naar verwachting
leidt tot een verbetering ten opzichte van de lopende aanpak waarbij centrale afspraken
tussen kabinet en sociale partners een gericht en beheerst gebruik van de RVU-drempelvrijstelling
borgen. De verkenning richt zich op de vraag of via aanpassing van wetgeving een uitvoerbare
fiscale regeling kan worden vormgegeven die uitsluitend is gericht op werknemers met
zwaar werk.
Hiervoor hebben mijn ministerie, sociale partners en het Ministerie van Financiën
het afgelopen jaar eerste technische gesprekken gevoerd. Daarbij is gekeken naar onder
meer de juridische haalbaarheid, uitvoerbaarheid, gerichtheid, objectiveerbaarheid,
beheersbaarheid, arbeidsmarkteffecten en de ruimte voor maatwerk van een dergelijke
regeling. Dit laat zien dat bij het verkennen van opties voor wettelijke borging steeds
spanning bestaat tussen enerzijds een RVU die gericht en beheersbaar is en anderzijds
de uitvoerbaarheid en de ruimte voor maatwerk.
De komende periode worden uitvoerbaarheidsvraagstukken verder in beeld gebracht en
ligt de focus op het opbouwen van kennis door praktijkervaring op te doen met de huidige
aanpak. Daarbij wordt met name gekeken naar de ervaringen met de huidige systematiek
van validatie door het TNO Expertisecentrum Zwaar Werk. Bij het monitoringsmoment
van 2027 wordt uw Kamer wederom geïnformeerd over de voortgang van deze verkenning.
Conform het akkoord zullen kabinet en sociale partners uiterlijk bij het eerste ijkmoment
in 2028 bezien of een wettelijke borging van de gerichtheid inderdaad mogelijk en
wenselijk is.
Evaluatie Maatwerkregeling Duurzame Inzetbaarheid en Eerder Uittreden (MDIEU)
Onderzoeksbureau SEOR voerde gedurende de hele looptijd van de MDIEU-regeling een
monitoring- en evaluatieonderzoek uit. Deze regeling vloeide voort uit het Pensioenakkoord
2019. Van 2021 tot en met 2024 kon via deze regeling subsidie worden aangevraagd voor
activiteiten op het gebied van duurzame inzetbaarheid en eerder stoppen met werken
via een regeling voor vervroegde uittreding (RVU); de gesubsidieerde projecten eindigden
uiterlijk eind 2025.
De afspraken in het akkoord «Gezond naar het pensioen» bouwen voort op de eerdere
MDIEU die eveneens als doel had dat zoveel mogelijk mensen gezond werkend hun pensioen
bereiken, ook degenen die zwaar werk verrichten.
In april 2025 heeft uw Kamer het derde monitoringsrapport ontvangen. Met deze brief
ontvangt u het eindrapport van de evaluatie over de MDIEU-regeling.
Bereik, uitvoering en proces
De MDIEU-regeling heeft een brede impuls gegeven aan duurzame inzetbaarheid in sectoren
en bedrijven. Tegelijkertijd laten de uitkomsten zien waar het bereik sterker en waar
het beperkter is geweest.
– In vijf sectorale tijdvakken is in totaal ruim € 530 miljoen subsidie verleend aan
107 activiteitenplannen voor sectorale projecten. Voor bedrijven is in totaal bijna
€ 290 miljoen euro subsidie verleend aan 727 bedrijven.
– Sectoren en bedrijven waar de DI-problematiek relatief groot is, zijn bereikt. Tegelijkertijd
geldt dat sectoren waar de samenwerking tussen sociale partners minder sterk is, minder
goed zijn bereikt.
– In totaal viel circa 60% van de werknemers onder een sector met een MDIEU-project.
Via de openstelling voor bedrijven is aanvullend circa 16% van de werknemers bereikt.
– Binnen de bereikte groepen lukt het goed om oudere werkenden te bereiken, flexwerkers,
mensen met fysiek zwaar werk en het mkb juist niet.
– Over de uitvoering en het aanvraag- en beoordelingsproces is in algemene zin positief
geoordeeld.
– Het maatwerkkarakter van de regeling werd door betrokken partijen gewaardeerd, omdat
hiermee kon worden aangesloten bij de behoeften van sectoren en bedrijven. Tegelijkertijd
bracht dit maatwerk ook uitvoeringscomplexiteit met zich mee.
Impuls voor beleid op duurzame inzetbaarheid
Projectleiders van sectoren en bedrijven zijn positief over de impuls die zij met
de MDIEU hebben kunnen geven aan hun DI-beleid, wat zonder subsidie niet of in mindere
mate was gebeurd. De grootste succesfactor is het bieden van maatwerk in interventies.
Hoewel verschillende indicatoren wijzen op een lichte afname van zware werkomstandigheden,
zowel fysiek als psychisch, is er geen specifieke trendbreuk te zien door de MDIEU.
Sectoren en bedrijven zijn vooral positief over effecten «aan het begin van effectketen»,
zoals bewustwording en bereidheid tot acties. Bedrijven die deelnamen aan sectoractiviteiten
zien een rol van de MDIEU in veranderingen in de organisatie. Het gaat dan met name
om veranderingen rondom arbo/veiligheid, gezonde leefstijl, beoordelingsgesprekken
en mogelijkheden voor deelname aan scholing. Projectleiders van projecten in de bedrijventijdvakken
zijn over het algemeen ook vrij positief over de bijdrage van hun project, het meest
over bewustwording en de deelname aan de activiteiten. Ook zien zij vaker dan sectoren,
een positieve bijdrage aan cultuurverandering.
Van de werknemers die hebben deelgenomen aan de activiteiten, geeft een redelijk deel
aan dat deze hebben bijgedragen aan hun kennis, houding en gedrag, zoals over gezond
en veilig werken en de eigen ontwikkeling.
De effecten verderop in de effectketen lijken ook hier beperkter. Zo zijn er weinig
aanwijzingen dat werknemers na deelname aan de activiteiten beter kunnen voldoen aan
de fysieke of psychische eisen van hun werk. En zoals ook al uit de laatste voortgangsrapportage
bleek, verwachten werknemers niet door de activiteiten langer door te werken. Mensen
hebben vaak al een achterliggende wens over hun uittreedleeftijd en geven aan dat
de gesubsidieerde activiteit hier niet werkelijk invloed op heeft.
Vervolg
Door de MDIEU projecten is vooruitgang geboekt op duurzame inzetbaarheid. Tegelijkertijd
blijkt uit het rapport dat er nog steeds urgentie is. Sectoren en bedrijven verwachten
dat DI op de agenda blijft, en dat zij doorgaan met DI-activiteiten met een verscheidenheid
aan interventies. Bronaanpak wordt erkend als belangrijk aandachtspunt om duurzame
inzetbaarheid verder te brengen. Gedacht wordt dan aan technologische en organisatorische
innovaties om fysieke, en ook mentale belasting te verminderen; met de DI-agenda zetten
we hierop in met de innovatielabs en extra ruimte voor zwaar werk-projecten in de
Expeditieregeling. Voor het vervolg is de infrastructuur op sectorniveau een belangrijke
voorwaarde. Dat geldt ook voor de financiën. Tot slot is men positief over de koppeling
tussen eerder uittreden en preventief beleid gericht op duurzame inzetbaarheid. Deze
lijn is ook voortgezet met het akkoord «Gezond naar het pensioen» tussen kabinet en
sociale partners.
Uitkomsten RVU
Bij de evaluatie van de MDIEU-regeling is het gebruik en bereik van de gesubsidieerde
RVU-regelingen onderzocht gedurende de looptijd van de MDIEU-subsidie (2021–2025).
De onderstaande bevindingen hebben dus betrekking op de periode voorafgaand aan het
toepassen van de afspraken uit het akkoord «Gezond naar het pensioen».
Uit de evaluatie blijkt dat de toegang tot de RVU tijdens de MDIEU in de meeste sectoren
werd afgebakend, waardoor de regeling niet voor alle oudere werknemers toegankelijk
was. Gemiddeld viel circa 40% van de relevante leeftijdsgroep binnen de doelgroep
van de regelingen. De verwachting van projectleiders was dat van deze groep ongeveer
een kwart gebruik zou maken van de RVU. De voorlopige realisatiecijfers wijzen op
een lager feitelijk gebruik. De keuze om gebruik te maken van de RVU ligt in de praktijk
bij de werknemer zelf. Werkgevers spelen hierbij doorgaans een beperkte rol en stimuleren
deelname slechts in beperkte mate. Ook lijkt de MDIEU-subsidie niet bepalend geweest
te zijn voor het al dan niet aanbieden van een RVU-regeling, maar mogelijk wel voor
de mate van deelname die kon worden gefaciliteerd. Op individueel niveau blijkt vooral
de duur van het vroegpensioen te zijn verlengd door de deelname aan een RVU. Op macroniveau
is het effect op de uittreedleeftijd beperkt (1 maand).
Daarnaast blijkt uit de evaluatie dat veel RVU-deelnemers positief terugkijken op
hun keuze om eerder te stoppen met werken en ervaren dat dit heeft bijgedragen aan
hun gezondheid en welzijn. Zij maken na hun deelname minder zorgkosten dan een vergelijkbare
controlegroep, met name bij ziekenhuiszorg.
Verder blijkt dat, in lijn met de eerdergenoemde analyses van de profielen van RVU-deelnemers,
deelnemers aan de gesubsidieerde RVU-regelingen vaak man zijn, vaak voltijds werken
en zich veelal in het midden van de inkomensverdeling bevinden. Werknemers met lage
inkomens maken minder vaak gebruik van de regeling, onder meer vanwege financiële
overwegingen.
De RVU werd tijdens de MDIEU in belangrijke mate benut door werknemers voor wie de
regeling is bedoeld, namelijk mensen die niet gezond kunnen doorwerken tot hun pensioen,
bijvoorbeeld door de zwaarte van hun werk.
De evaluatie laat zien dat individuele omstandigheden en kenmerken, zoals zwaar werk
en de gezondheidssituatie, inderdaad een duidelijke rol spelen bij de keuze om deel
te nemen aan een RVU-regeling. Een deel van de werknemers geeft ook aan dat andere
motieven een rol spelen, zoals de wens om langer van het pensioen te kunnen genieten.
Daardoor werd de RVU mogelijk ook breder gebruikt dan door de beoogde doelgroep van
werknemers met zwaar werk die niet gezond kunnen doorwerken. Dit onderstreept het
belang van de afspraken uit het akkoord om de regeling gericht en beheerst in te zetten.
Afsluiting
De afspraken uit het akkoord «Gezond naar het pensioen» gaan over duurzame inzetbaarheid
en vroegpensioen voor zwaar werk, wat voor veel werkenden en werkgevers van groot
belang is. Ik ben blij hierop in goede samenwerking met sociale partners verder te
werken, zowel in het uitwerken van beleid als de toepassing ervan. Daarbij zie ik
dat de juiste beweging in gang is gezet: bedrijven en sectoren zijn aan de slag met
duurzame inzetbaarheid en de gerichtheid van RVU-regelingen is nadrukkelijk onderwerp
van gesprek aan de cao-tafels. Tegelijkertijd bevinden veel onderdelen van de uitvoering
zich nog in een opstartfase. De validatie van RVU-afbakeningen is recent van start
gegaan, veel cao-afspraken over nieuwe RVU-regelingen moeten nog worden uitgewerkt
en de subsidieregeling voor duurzame inzetbaarheid moet nog inwerkingtreden.
Het kabinet en sociale partners zullen de voortgang daarom gezamenlijk en met vertrouwen
blijven volgen. In het komende jaar zal zichtbaar worden in hoeverre de beoogde beweging
vorm krijgt, onder meer op basis van de uitkomsten van de TNO-validaties, de ontwikkeling
van gerichtere RVU-afbakeningen in de praktijk en het gebruik van de extra fiscale
ruimte voor knellende situaties. Ook gaan de eerste tijdvakken voor DI-subsidies open
en wordt gestart met de innovatielabs. Voor de zomer van 2027 zal ik uw Kamer opnieuw
informeren over de ontwikkelingen.
De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,
J.A. Vijlbrief
Indieners
J.A. Vijlbrief, minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid