Lijst van vragen en antwoorden : Lijst van vragen en antwoorden over het Jaarverslag Ministerie van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur en het Diergezondheidsfonds 2025 (Kamerstuk 36945-XIV-1)
36 945 XIV Jaarverslag en slotwet Ministerie van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur en het Diergezondheidsfonds 2025
Nr. 9
LIJST VAN VRAGEN EN ANTWOORDEN
Vastgesteld 29 juni 2026
De vaste commissie voor Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur heeft een aantal
vragen voorgelegd aan de Minister en Staatssecretaris van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid
en Natuur over de brief van 20 mei 2026 inzake het Jaarverslag Ministerie van Landbouw,
Visserij, Voedselzekerheid en Natuur en het Diergezondheidsfonds 2025 (Kamerstuk 36 945 XIV, nr. 1).
De Minister en Staatssecretaris heeft deze vragen beantwoord bij brief van 29 juni
2026. Vragen en antwoorden zijn hierna afgedrukt.
De voorzitter van de commissie, Steen
De griffier van de commissie, Jansma
Vragen en antwoorden
1.
Gaat het u lukken om het advies van de Commissie Genetische Modificatie (COGEM) over
het Commissievoorstel over Nieuwe Genomische Technieken (NGT’s) te delen voordat er
over het voorstel gestemd wordt in het Europees Parlement?
Antwoord:
Ja, de COGEM heeft haar advies bijna afgerond. De plenaire stemming in het Europees
Parlement staat gepland op 17 juni 2026. Ik zal u voor 17 juni per brief informeren
over het advies van de COGEM of het NGT-voorstel uit de triloogonderhandelingen nog
steeds de veiligheid voor mens en milieu waarborgt.
2.
Wat zijn de concrete resultaten van de regionale maatwerkaanpak in de Peel en de Veluwe
in 2025 en welke aantoonbare stikstofreductie is daar al gerealiseerd?
Antwoord:
Voor de aanpak in de Peel en Veluwe is in 2025 door het vorige kabinet in totaal € 600
miljoen aangekondigd. Voor beide gebieden zijn daarop integrale en concrete uitvoeringsplannen
opgesteld door de vier overheidslagen waarmee men startklaar staat om snel aan de
slag te gaan in de uitvoering. Deze middelen zijn onderdeel van de LVVN-begroting
voor het jaar 2026. Deze ligt momenteel nog voor behandeling en instemming voor bij
de Eerste Kamer. Na goedkeuring door de Eerste Kamer kan er worden gewerkt aan het
uitkeren van deze middelen om over te gaan tot de daadwerkelijke uitvoering van de
aanpak in deze twee gebieden. Dit betreft onder meer inzet op stikstofreductie, natuurbehoud-
en herstel en hydrologisch herstel.
3.
Hoeveel van de 37.400 hectare nieuw bos die de Landelijke Bossenstrategie beoogt te
realiseren in 2030 is tot eind 2025 geplant (cumulatief 3.010 hectare) en welke maatregelen
worden genomen om het tempo te verhogen gegeven de achterblijvende realisatie?
Antwoord:
De cijfers over de voortgang komen jaarlijks beschikbaar via de Voortgangsrapportage
Natuur (VRN). In de 11e VRN wordt het cijfer van 3.010 hectare cumulatief vermeld. De cijfers over 2025 zijn
nog niet bekend, maar zullen worden gepubliceerd in de 12e VRN later dit jaar. We
verwachten daar dat de trend van de lichte versnelling zich doorzet, mede ook door
de middelen die in juni 2024 door de Minister voor Natuur en Stikstof zijn toegekend
aan de door de provincies ingediende maatregelpakketten.
In 2026 wordt een brede evaluatie uitgevoerd naar de uitvoering van de Landelijke
Bossenstrategie. Deze komt gereed in het vierde kwartaal. Op basis van de conclusies
en aanbevelingen wordt bepaald welke maatregelen zullen worden genomen om de uitvoering
te verbeteren en te versnellen. Hierover wordt de Tweede Kamer ook geïnformeerd.
4.
Hoeveel verzoeken tot handhaving die betrekking hadden op welzijn van gehouden reptielen
zijn er per jaar vanaf 2010 gedaan?
Antwoord:
Voor zover kan worden nagegaan zijn er geen handhavingsverzoeken met betrekking tot
welzijn van gehouden reptielen ingediend sinds 2010.
5.
Hoeveel verzoeken tot handhaving die betrekking hadden op welzijn van gehouden vogels
zijn er vanaf 2010 per jaar gedaan?
Antwoord:
Voor zover kan worden nagegaan zijn er drie verzoeken tot handhaving met betrekking
tot welzijn van vogels ingediend. In 2024 zijn drie verzoeken ingediend.
6.
In hoeveel zaken per jaar is sinds 2010 overgegaan tot handhaving in verband met welzijn
bij gehouden reptielen?
Antwoord:
In het inspectieregistratiesysteem worden overtredingen niet per diergroep geregistreerd.
Veelvoorkomende tekortkomingen betroffen onder meer te kleine verblijven, het ontbreken
van een adequaat dag- en nachtritme, het ontbreken van UV-verlichting en verblijven
waarin dieren zich konden verwonden.
7.
In hoeveel zaken per jaar is sinds 2010 overgegaan tot handhaving in verband met welzijn
bij gehouden vogels?
Antwoord:
In het inspectieregistratiesysteem worden overtredingen niet per diergroep geregistreerd.
Veelvoorkomende tekortkomingen betroffen onder meer te kleine verblijven, het ontbreken
van een adequaat dag- en nachtritme, onvoldoende of onjuiste zitstokken, en verblijven
waarin dieren zich konden verwonden.
8.
Hoeveel verzoeken met een beroep op de Wet open overheid (Woo) kwamen er per maand
vanaf 1 mei 2022 tot en met 30 april 2026 binnen bij het Ministerie van Landbouw,
Visserij, Voedselzekerheid en Natuur (LVVN)?
Antwoord:
Een overzicht van het aantal Woo-verzoeken per maand van het kerndepartement van LVVN
is hieronder te vinden.
Maand
Aantal binnengekomen Woo-verzoeken
Mei 22
13
Juni 22
20
Juli 22
13
Aug. 22
9
Sept. 22
10
Okt. 22
12
Nov. 22
12
Dec. 22
6
Jan. 23
12
Feb. 23
11
Maart 23
10
April 23
14
Mei 23
11
Juni 23
21
Juli 23
13
Aug. 23
9
Sept. 23
11
Okt. 23
17
Nov. 23
5
Dec. 23
11
Jan. 24
11
Feb. 24
5
Maart 24
5
April 24
9
Mei 24
11
Juni 24
4
Juli 24
10
Aug. 24
8
Sept. 24
5
Okt. 24
8
Nov. 24
8
Dec. 24
10
Jan. 25
23
Feb. 25
17
Maart 25
11
April 25
11
Mei 25
15
Juni 25
7
Juli 25
14
Aug. 25
10
Sept. 25
13
Okt. 25
13
Nov. 25
10
Dec. 25
14
Jan. 26
12
Feb. 26
19
Maart 26
13
April 26
13
Totaal
549
9.
Wanneer wordt het aantal binnenkomende Woo-verzoeken gezien als «piekbelasting»? Op
welke momenten sinds het inwerkingtreden van de Woo werden Woo-verzoeken niet snel
genoeg afgehandeld in verband met piekbelasting?
Antwoord:
Specifieke momenten waarop verzoeken niet tijdig konden worden afgehandeld als gevolg
van piekbelasting worden niet centraal geregistreerd.
Ik streef naar spoedige beantwoording van Woo-verzoeken. Dit draagt bij aan het vertrouwen
van burgers en ondernemers in de overheid. Tegelijkertijd erken ik dat de afhandeling
van vragen van ondernemers soms langer kan duren, bijvoorbeeld vanwege de noodzaak
tot afstemming met meerdere betrokken ministeries of partijen, of vanwege complexiteit
van de vraagstukken. Dit is een praktische uitdaging die aandacht verdient. Het streven
blijft echter om informatie tijdig en zo transparant mogelijk te communiceren. Voor
het sneller en beter afhandelen van Woo-verzoeken zet LVVN in op verdere centralisatie
van het proces in de organisatie.
10.
Welk deel van het landbouwareaal wordt gebruikt voor voedergewassen, gemeten in hectare
en procentueel?
Antwoord:
Het Ministerie van LVVN, de NVWA en de RVO beschikken niet over deze informatie.
11.
Welk deel van het landbouwareaal wordt gebruikt voor melkvee, gemeten in hectare en
procentueel?
Antwoord:
Het Ministerie van LVVN, de NVWA en de RVO beschikken niet over deze informatie.
12.
Welk deel van het landbouwareaal wordt gebruikt voor legkippen, gemeten in hectare
en procentueel?
Antwoord:
Het Ministerie van LVVN, de NVWA en de RVO beschikken niet over deze informatie.
13.
Welk deel van het landbouwareaal wordt gebruikt voor vleeskippen, gemeten in hectare
en procentueel?
Antwoord:
Het Ministerie van LVVN, de NVWA en de RVO beschikken niet over deze informatie.
14.
Welk deel van het landbouwareaal wordt gebruikt voor de varkensindustrie, gemeten
in hectare en procentueel?
Antwoord:
Het Ministerie van LVVN, de NVWA en de RVO beschikken niet over deze informatie.
15.
Welk deel van het landbouwareaal wordt gebruikt voor andere landbouwindustrieën, uiteengezet
in een tabel in hectares en procentueel?
Antwoord:
Het Ministerie van LVVN, de NVWA en de RVO beschikken niet over deze informatie.
16.
Heeft Nederland zich bij de Landbouw- en Visserijraad op dinsdag 26 mei 2026 uitgesproken
tegen het voorstel voor een Europese aanpak voor het beheren van Aalscholvers, conform
de aangenomen motie van de leden Kostic en Bromet (Kamerstuk 21 501-32, nr. 1756)? Zo nee, waarom niet?
Antwoord:
De motie van de leden Kostić en Bromet (Kamerstuk 21 501-32, nr. 1756) verzoekt de regering zich te verzetten tegen Europese plannen om meer aalscholvers
af te schieten of lidstaten te dwingen om aalscholvers te doden. In reactie hierop
heeft de Minister aangegeven dat Nederland verplichtingen tot het afschieten van aalscholvers
niet zal steunen. Deze lijn heeft Nederland heeft Nederland conform de motie uitgedragen
tijdens de Landbouw- en Visserijraad op 26 mei 2026 waarin door Tsjechië een diversenpunt
over aalscholvers was geagendeerd. Ik verwijs hiervoor ook naar het verslag van deze
raad (PM Kenmerk).
17.
Wat wordt bedoeld met de passage in de brief van de regering (Kamerstuk 21 501-32, nr. 1809): «in reactie hierop wil de Minister benadrukken dat Nederland verplichtingen tot
het afschieten van aalscholvers niet zal steunen. Bij het komen tot een gezamenlijk
Europese aanpak voor de beheersing van aalscholvers is het van belang dat deze aanpak
goed onderbouwd is, daar zal de Minister zich voor inzetten. Daarnaast zal de beheersing
van aalscholvers altijd plaats moeten vinden binnen de kaders en doelstellingen ter
bescherming van de aalscholver. In Nederland is de inzet dan ook niet om de populatie
actief terug te dringen.»? Betekent dit dat er geen uitvoering wordt gegeven aan het
verzoek in de aangenomen motie van de leden Kostic en Bromet (Kamerstuk 21 501-32, nr. 1756) om zich «te verzetten tegen Europese plannen om meer aalscholvers af te schieten»,
maar alleen uitvoering wordt gegeven aan het verzetten tegen verplichte afschot? Zo
nee, hoe zit het dan?
Antwoord:
Nederland kan een gezamenlijke aanpak tussen Europese Lidstaten voor de aalscholver
steunen. Bij de ontwikkeling van deze aanpak zal Nederland inzetten dat deze tot stand
komt op basis van wetenschappelijke data en past binnen de geldende kaders en doelstellingen
voor de bescherming van aalscholvers. Dit betekent dat eerst de impact van aalscholvers
op lokale visbestanden in beeld dient te worden gebracht, alvorens kan worden vastgesteld
of in bepaalde gebieden maatregelen nodig zijn en wat voor maatregelen mogelijk zijn.
Voor Nederland geldt dat de kaders van de Vogelrichtlijn daarbij leidend zijn. En
voor Nederland geldt dat dit niet kan leiden tot verplichtingen om aalscholvers af
te schieten.
18.
Wat is de stand van zaken van de algemene maatregel van bestuur (AMvB) doden van dieren,
die reeds in internetconsultatie is gegaan? Wordt deze AMvB nog ingrijpend gewijzigd?
Antwoord:
De concept-AMvB is van 15 januari tot en met 12 februari jl. in internetconsultatie
geweest. Op dit moment worden de toets op handhaafbaarheid, uitvoerbaarheid en fraudebestendigheid
door de NVWA en de toets door het Adviescollege toetsing regeldruk (ATR) uitgevoerd.
Ik verwacht deze toetsen, waarmee de impact van de voorgenomen maatregelen verder
uitgediept wordt, voor het zomerreces te ontvangen. Daarna zal ik de uitkomsten betrekken
bij de verdere uitwerking van de AMvB. Ik zal de Kamer vóór het debat Dieren buiten
de veehouderij en proefdieren, dat gepland staat op 3 september, informeren over het
vervolg op de concept-AMvB en ga hierover graag met de Kamer in gesprek. De verdere
uitwerking van de AMvB zal mede op basis daarvan plaatsvinden. De formele aanbieding
van de AMvB aan uw Kamer zal derhalve op een later moment plaatsvinden.
19.
Wanneer verwacht u de AMvB doden van dieren aan de Kamer te sturen?
Antwoord:
Ik verwijs u hiervoor graag naar het antwoord op vraag 18.
20.
Hoe verhoudt de uitzondering in de concept-AMvB met betrekking tot het houden van
dieren voor instandhoudingsprogramma’s in dierentuinen zich tot de aangenomen motie-Kostic
c.s. (Kamerstuk 36 410 XIV, nr. 69) waarmee de regering wordt verzocht om een plan van aanpak te ontwikkelen voor een
einde aan het doden van gezonde dieren in dierentuinen?
Antwoord:
De motie-Kostić c.s. (Kamerstuk 36 410 XIV, nr. 69), waarin de regering wordt verzocht een plan van aanpak te ontwikkelen om te komen
tot een einde aan het doden van gezonde dieren in dierentuinen en de concept-AMvB
met betrekking tot de uitbreiding van het verbod op het doden van dieren, treffen
elkaar in de doelstelling, namelijk dat niet zomaar mogelijk mag zijn om gezonde dieren
te doden. Bij het uitwerken van de concept-AMvB is dan ook rekening gehouden met de
motie-Kostić c.s. Daarbij is het goed te vermelden dat de concept-AMvB zich richt
op alle gehouden zoogdieren. Daarmee reikt de concept-AMvB verder dan de wettelijke
opdracht die volgt uit het amendement-Wassenberg, dat ziet op de uitbreiding van het
verbod tot gehouden zoogdieren die zijn aangewezen op grond van artikel 2.2 van de
Wet dieren (dieren op de huis- en hobbydierenlijst) en tot gehouden ganzen. De uitbreiding
van dit verbod naar alle gehouden zoogdieren heeft namelijk ook gevolgen voor dierentuinen,
waar verschillende soorten zoogdiersoorten worden gehouden. Omdat dierentuinen een
belangrijke maatschappelijke rol vervullen bij de instandhouding van bedreigde diersoorten
en bij internationale fokprogramma’s zal daar bij de uitwerking rekening mee gehouden
moeten worden.
Aanvullend op de concept-AMvB werk ik momenteel verdere maatregelen uit om uitvoering
te geven aan de motie-Kostić c.s. Ik zal uw Kamer hierover nader informeren vóór het
commissiedebat Dieren buiten de veehouderij en proefdieren, dat gepland staat op 3 september.
21.
Waarom is ervoor gekozen om in de concept-AMvB over het beperken van het doden van
dieren geen verbod op het doden van door particulieren gehouden vogels, zoals duiven
en zangvogels, mee te nemen?
Antwoord:
Het aangenomen amendement-Wassenberg (Kamerstuk 35 892, nr. 22) ziet op een uitbreiding van het bestaande verbod op het doden van dieren naar in
ieder geval gehouden zoogdieren die zijn aangewezen op grond van artikel 2.2 van de
Wet dieren en naar gehouden ganzen. Vogels, zoals duiven en zangvogels, vallen niet
onder deze expliciete opdracht uit het amendement.
De Kamer is op 30 maart 2023 geïnformeerd over een analyse van de handhaafbaarheid
en uitvoerbaarheid van een eerdere, bredere variant van het voorstel van voormalig
lid Wassenberg, die betrekking had op alle gehouden diersoorten (Kamerstuk 35 398, nr. 24). In die analyse is gewezen op aanzienlijke uitvoerings- en handhavingsvraagstukken
bij een verbod dat ook vogels en andere diergroepen zou omvatten
22.
Op welke «culturele, praktische en maatschappelijke overwegingen» wordt gedoeld ter
onderbouwing van de uitzondering op het verbod op het doden van konijnen voor thuisslacht
in de AMvB over het beperken van het doden van dieren door particulieren?
Antwoord:
Bij de uitwerking van de concept-AMvB is bezien in welke gevallen uitzonderingen op
het verbod noodzakelijk en proportioneel kunnen zijn. Daarbij is onder meer meegewogen,
dat het kleinschalig houden en slachten van konijnen voor eigen consumptie in bepaalde
gevallen een bestaande maatschappelijke praktijk is die samenhangt met zelfvoorzienend
leven, kleinschalige dierhouderij en tradities binnen bepaalde groepen houders in
Nederland. Zoals ik in mijn eerdere beantwoording heb aangegeven, zal ik in mijn brief
voorafgaand aan het debat Dieren buiten de veehouderij en proefdieren nader ingaan
op de gemaakte afwegingen rondom deze uitzondering.
23.
Welke ambtelijke adviezen zijn gegeven over het al dan niet uitzonderen van thuisslacht
van konijnen in de AMvB over het beperken van het doden van dieren door particulieren?
Antwoord:
Ik ben voornemens uw Kamer vóór het debat Dieren buiten de veehouderij en proefdieren
nader te informeren over de concept-AMvB. Daarbij zal ik ook ingaan op de gemaakte
afwegingen rondom uitzonderingen, waaronder de thuisslacht van konijnen.
24.
Wat is de stand van zaken omtrent het aangenomen amendement van het lid Kostić (Kamerstuk
36 725 XIV, nr. 14) over financiering van wildopvangcentra?
Antwoord:
Dit amendement bepaalt dat het Rijk van 2025 tot en met 2029 jaarlijks € 0,9 miljoen
beschikbaar stelt aan wildopvangcentra. De middelen voor het jaar 2025 zijn vorig
jaar beschikbaar gesteld en zijn inmiddels verdeeld over de wildopvangcentra. De middelen
voor de jaren 2026 tot en met 2029 stel ik met een subsidieregeling beschikbaar. Ik
werk deze op dit moment uit. Wildopvangcentra kunnen later dit jaar een aanvraag indienen
voor de subsidie. Gedurende het proces blijf ik in goed contact met de Spreekbuis
Wildopvangcentra en Dierenambulances, de belangenbehartiger van wildopvangcentra in
Nederland.
25.
Hoeveel fulltime-equivalent (fte) was er per maand beschikbaar bij het Ministerie
van LVVN voor de afhandeling van Woo-verzoeken in de periode van 1 mei 2022 tot en
met 30 april 2026?
Antwoord:
Het is helaas niet mogelijk om hier een exact getal bij te noemen. Het Woo-proces
van het kerndepartement van LVVN is belegd bij verschillende afdelingen en directies
bij de twee kerndepartementen EZK en LVVN.
26.
Wat zijn de meerjarige plannen voor het Centrum voor Proefdiervrije Biomedische Translatie?
Antwoord:
Het Centrum voor Proefdiervrije Biomedische Translatie (Ombion) heeft het doel om
betere wetenschap en nieuwe bedrijvigheid te creëren, gezondheid en veiligheid te
verbeteren, stakeholders op te leiden in de transitie en tegelijkertijd dierenleed
te voorkomen of te verminderen. Ombion, officieel gestart in 2025, heeft een integraal
plan bestaande uit de:
(i) transitieprojecten,
(ii) propositieontwikkeling (het bedenken van de beste belofte (de «propositie») voor een
product),
(iii) expertiseontwikkeling,
(iv) spin-out-activiteiten (het verzelfstandigen van een idee of bedrijfsonderdeel) en
(v) realisatie en inrichting van het fysieke centrum en de laboratoria van Ombion.
Alle plannen zijn samenwerkingen tussen private en publieke partijen, zowel nationaal
als internationaal. De transitieprojecten richten zich voor nu op vier specifieke
medische onderzoeksgebieden waarbinnen de voordelen en haalbaarheid van proefdiervrije
translationele technieken worden gedemonstreerd, namelijk: ALS, taaislijmziekte, osteoartritis
& reumatoïde artritis, en astma & COPD. Vanuit deze projecten worden vervolgens ook
weer spin-out-activiteiten ontwikkeld. Het fysieke centrum van Ombion is gevestigd
in Utrecht. De laboratoria worden momenteel ingericht. Het centrum zal zich richten
op de standaardisatie en validatie van op het menselijke lichaam gebaseerde modellen
en de acceptatie daarvan door regelgevende instanties. Ombion verbindt de verschillende
stakeholders die betrokken zijn bij de transitie naar proefdiervrije biomedische translatie,
waaronder patiëntenorganisaties, maatschappelijke partners, kennisinstellingen, overheden
en bedrijven. Ombion creëert zo een ecosysteem waarin samenwerking, kennisdeling en
innovatie worden gestimuleerd.
27.
Welke financiële middelen zijn, per jaar, beschikbaar gesteld voor het Centrum voor
Proefdiervrije Biomedische Translatie?
Antwoord:
Voor Ombion-centrum proefdiervrije biomedische translatie- zijn de volgende financiële
middelen vanuit het groeifondsbudget beschikbaar: 2026 € 10.554 miljoen, 2027 € 12.300
miljoen, 2028 € 12.809 miljoen en 2029 € 8.227 miljoen (totaal onvoorwaardelijk vanuit
NGF budget € 55 miljoen, voorwaardelijk deel € 69,5 miljoen).
28.
Hoeveel van de Woo-verzoeken die bij het Ministerie van LVVN zijn binnengekomen sinds
het inwerkingtreden van de Woo gingen met name over gegevens van boerenbedrijven en
niet over het (interne) functioneren van de overheid zelf? Hoe vaak gingen deze met
name over andere ondernemingen dan agrarische bedrijven?
Antwoord:
Of een Woo-verzoek zich richt op (agrarisch) ondernemers of het functioneren van de
overheid wordt niet op deze manier geregistreerd door het kerndepartement. Dergelijke
Woo-verzoeken worden ingediend bij bijvoorbeeld RVO.
29.
Op welke wijze is uitvoering gegeven aan de motie Flach/Van Campen (Kamerstuk 30 252, nr. 185)?
Antwoord:
Het kabinet geeft uitvoering aan de motie Flach/Van Campen langs de drie onderdelen
die daarin worden genoemd.
Er wordt toegewerkt naar afrekenbare normen in 2035, maar het is van belang dat al
voor die tijd stappen worden gezet. Het kabinet vindt het hierbij belangrijk dat ondernemers
inzicht kunnen krijgen in waar zij staan ten opzichte van de norm en dat zij betrouwbaar
kunnen aantonen dat zij aan de normen voldoen. Voor het vaststellen van emissies op
bedrijfsniveau zijn verschillende methodes mogelijk, variërend van eenvoudigere rekenmethodes
tot een gedetailleerde rekenmethode of (continu) meten. Deze mogelijkheden worden
nader uitgewerkt. In dit kader wordt ook gekeken naar welke rol de Kringloopwijzer
kan spelen. Daarbij is het relevant dat de Kringloopwijzer niet van de overheid is.
Over de rol van de Kringloopwijzer vindt dan ook afstemming plaats met sectorpartijen
en Wageningen University en Research die verantwoordelijk is voor de software die
de berekeningen maakt. Het beheer van de centrale database ligt bij ZuivelNL. Daarnaast
wordt een traject opgestart om via metingen de wetenschappelijke samenhang tussen
het melkureumgehalte en ammoniakemissies verder te onderbouwen.
Binnen het kader van de Ministeriële Taskforce voor Landbouw, Natuur en Stikstof wordt
een samenhangende aanpak uitgewerkt waarin ook gekeken wordt naar stimulerend en faciliterend
beleid. Hierin wordt onder andere gekeken hoe ondernemers kunnen worden gestimuleerd
om via managementmaatregelen aan de slag te gaan om hun bedrijfsspecifieke ammoniak
uitstoot te verlagen. De Kamer wordt hierover voor de zomer geïnformeerd.
Emissiereductie wordt momenteel op nationaal niveau gemonitord met het model NEMA
(National Emission Model for Agriculture). Ten aanzien van het meenemen van bedrijfsspecifieke
emissies in emissie- en depositieberekeningen wordt momenteel verkend hoe dit, in
samenwerking met de sector, vormgegeven kan worden.
30.
Welke concrete criteria hanteert u om te bepalen of de aangekondigde maatregelen binnen
de stikstofaanpak daadwerkelijk voldoende zijn om vergunningverlening weer structureel
op gang te brengen?
Antwoord:
De afgelopen jaren was het voor veel initiatiefnemers lastig een natuurvergunning
te krijgen voor activiteiten met mogelijk negatieve effecten op Natura 2000-gebieden.
De aangekondigde maatregelen hebben als doel vergunningverlening weer op gang te brengen
binnen de juridische vereisten van de Habitatrichtlijn. Voor elk Natura 2000-gebied
moet ecologisch onderbouwd zijn dat verslechtering van habitats en soorten wordt tegengegaan
en dat de instandhoudingsdoelstellingen haalbaar blijven. Dat stelt concrete eisen
aan het maatregelenpakket.
Nederland telt veel Natura 2000-gebieden met uiteenlopende habitattypen, waarvan een
groot deel nog te veel stikstofdepositie ontvangt. Een maatregelenpakket is voldoende
als het ecologisch aantoonbaar effectief is voor het betrokken gebied en het voldoende
aannemelijk is dat de maatregelen binnen een concreet tijdpad worden uitgevoerd en
het beoogde effect sorteren.
In het coalitieakkoord is afgesproken te werken aan het begrenzen van de emissieruimte
en geborgde emissiereductie in alle sectoren, landbouw, industrie en mobiliteit, waardoor
weer nieuwe vergunningen kunnen worden uitgegeven. Met dit pakket wil ik dat perspectief
waarmaken. Dat zal niet in heel Nederland tegelijk lukken, maar gebied voor gebied.
31.
Op welke begrotingsartikelen zijn in 2025 de grootste verschillen ontstaan tussen
begrote en gerealiseerde uitgaven en wat waren daarvan de concrete oorzaken?
Antwoord:
De grootste verschillen doen zich voor op artikelen 21 en 22. Op artikel 21 wordt
het verschil voornamelijk veroorzaakt door de onderuitputting op de Landelijke beëindigingsregeling
veehouderijlocaties (Lbv). Deze onderuitputting is ontstaan doordat boeren hun deelname
hebben ingetrokken of betalingen later hebben aangevraagd dan verwacht. Op artikel
22 worden de lagere uitgaven voornamelijk veroorzaakt doordat budget is doorgeschoven
naar latere jaren. Daarnaast is de realisatie lager dan de begroting doordat middelen
zijn overgeheveld naar andere begrotingsonderdelen, zoals naar het Provinciefonds.
32.
Hoeveel bedrijven hebben zich in 2025 aangemeld voor vrijwillige beëindiging en hoeveel
daarvan liggen binnen vijf kilometer van Natura-2000 gebieden?
Antwoord:
De Lbv is gesloten per 2 december 2023. De Lbv-plus en de Lbv kleinere sectoren zijn
gesloten per 21 december 2024. Dit maakt dat er in 2025 géén aanvragen zijn ingediend
voor de Lbv-regelingen. Voor de actuele stand van zaken verwijs ik u naar de website
Lbv en Lbv-plus actueel | RVO.nl
33.
Op welke wijze wordt binnen de beëindigingsregeling van veehouderijen geprioriteerd
tussen verschillende bedrijven?
Antwoord:
De Lbv-regelingen kennen depositiedrempels voor deelname. Dat betekent dat de veehouderijlocatie
van een aanvrager minimaal een bepaalde mate van depositie moet veroorzaken op stikstofgevoelige,
overbelaste N2000-gebieden in Nederland. Voor de Lbv-plus is dit 2.500 mol per jaar.
Voor de Lbv is er per betrokken Natura 2000-gebied een specifieke drempelwaarde vastgesteld.
Binnen de Lbv kleinere sectoren wordt gewerkt met de drempelwaarden van zowel de Lbv
als de Lbv-plus. Voor de Lbv-plus en Lbv kleinere sectoren geldt dat subsidiebeschikkingen
worden afgegeven op basis van «wie het eerst komt, wie het eerst maalt». De opzet
van de Lbv is zo vormgegeven dat bij overtekening moest worden gerangschikt op kosten-efficiëntie
(euro per mol reductie). Deze situatie van overtekening heeft zich daadwerkelijk voorgedaan.
Gelet op de omvang en urgentie van de stikstofproblematiek hebben kabinet en Kamer
ervoor gekozen het budget op te hogen, zodat alle Lbv-aanvragen die aan de voorwaarden
voldeden konden worden gehonoreerd.
34.
Wanneer komt een bedrijf al dan niet in aanmerking voor de beëindigingsregeling?
Antwoord:
Een veehouder komt op grond van de Lbv-regelingen in aanmerking voor subsidie voor
de definitieve en onherroepelijke sluiting van een veehouderijlocatie indien het gaat
om een veehouderij met productierecht of met diersoorten behorend tot de kleinere
sectoren en wanneer de veehouderijlocatie een minimale stikstofdepositie kent zoals
toegelicht in het antwoord op vraag 33. Een veehouder komt verder niet in aanmerking
voor subsidie indien een aantal specifieke bepalingen van de meststoffenwet zijn overtreden
zoals het houden van meer dieren of produceren van meer fosfaat dan waar rechten voor
aanwezig waren.
Voorts geldt er binnen de Lbv-regelingen een aantal afwijzingsgronden:
− Als de aanwezige productiecapaciteit niet onafgebroken gedurende vijf jaren voorafgaande
aan de subsidieaanvraag op bedrijfseconomisch gangbare wijze is gebruikt;
− Als de veehouder zich al heeft verplicht om de veehouderijlocatie te sluiten of daarmee
al is begonnen;
− Als de veehouder (latente) ruimte voor stikstofdepositie via extern salderen beschikbaar
heeft gesteld aan derden of een andere eigen veehouderijlocatie;
− Als de veehouder niet voldoet of niet heeft voldaan aan de normen van de Europese
Unie of de wettelijke vereisten voor het drijven van het betrokken type veehouderij.
Om daadwerkelijk de subsidiegelden te ontvangen moet een veehouder gedurende het subsidietraject
aan een serie vereisten voldoen om te komen tot de definitieve en onherroepelijke
sluiting van de betrokken veehouderijlocatie.
35.
Op welke criteria wordt geselecteerd voor een bedrijf om in aanmerking te komen voor
de beëindigingsregeling?
Antwoord:
Indien een veehouderijlocatie voldoet aan de voorwaarden zoals genoemd in het antwoord
op vraag 34 kon het deelnemen aan de Lbv-regelingen.
36.
Is het praktisch en juridisch mogelijk om bij de beëindigingsregeling van veehouderijen
aanvullende prioriteringscriteria mee te nemen, zoals niet-dierwaardige stallen of
stallen met grotere risico’s voor de volksgezondheid?
Antwoord:
De staatssteunkaders voor de landbouw maken het mogelijk om steun te verlenen voor
het sluiten van productiecapaciteit om dier-, plant- of volksgezondheidredenen of
sanitaire, ethische of milieuredenen. Dat betekent dat er juridisch mogelijkheden
zijn om bij een toekomstige beëindigingsregeling aanvullende criteria mee te nemen.
Praktisch gezien is dit echter complex. In de eerste plaats is het complex om voor
al deze terreinen objectieve criteria vast te stellen die gelden voor een beoogde
doelgroep aan veehouderijlocaties. Dit is noodzakelijk met het oog op het gelijkheidsbeginsel:
de staatssteun in de vorm van subsidie moet proportioneel zijn en open staan voor
alle ondernemers die aan de objectieve criteria voldoen. Het toevoegen van criteria
kan er onbedoeld voor zorgen dat ondernemers buiten de boot vallen. In de tweede plaats
kunnen doelen en criteria met elkaar in botsing komen, waardoor een regeling minder
gericht kan worden (effectiviteitsrisico). In de derdede plaats leidt een stapeling
van criteria tot een zeer ingewikkeld proces in de uitvoering, waardoor een regeling
minder doelmatig kan worden (efficiencyrisico). Dit maakt dat een stapeling van criteria
niet wenselijk is.
37.
Welke rol ziet u voor plantaardige eiwitten in het versterken van de voedselzekerheid?
Antwoord:
Plantaardige eiwitten maken onderdeel uit van een gevarieerd en gezond eetpatroon.
Het kabinet heeft de ambitie om in 2030 een balans te bereiken in de gemiddelde eiwitconsumptie
van 50% dierlijk en 50% plantaardig, ten opzichte van circa 60% dierlijke eiwitten
in 2025. Dit draagt bij aan klimaat-, biodiversiteits- en gezondheidsdoelen, zonder
dat dit ten koste gaat van de leveringszekerheid van bijvoorbeeld soja op de korte
termijn.
Het Ministerie van LVVN financiert onderzoeksprogramma’s, zoals die van de Nationale
Wetenschapsagenda (NWA), om de teelt en productie van plantaardige eiwitten in Nederland
klimaatbestendiger en biodiversiteitsvriendelijker te maken en stimuleert de cultivatie
van plantaardige eiwitten via de ecoregeling binnen het GLB. Voor een meer plantaardig
eetpatroon zet LVVN zich in op consumentenvoorlichting en activatie, het verduurzamen
van de voedselomgeving en een groter aanbod van plantaardige eiwitten. Dit wordt ondersteunt
met onderzoek via de WUR (o.a. de Eiwitmonitor), en het werk van het Voedingscentrum.
38.
Wanneer wordt het Landelijke Crisisplan Voedselzekerheid naar verwachting afgerond
en met de Kamer gedeeld?
Antwoord:
Het Landelijk Crisisplan Voedselzekerheid (LCP-V) wordt naar verwachting in september
2026 inhoudelijk afgerond. Het plan wordt ingebracht voor finale afstemming in verschillende
nationale crisisgremia in oktober-december. Het wordt begin 2027 met de kamer gedeeld.
39.
Wat waren de meest voorkomende punten waarop aanvragen voor het Investeringsfonds
Duurzame Landbouw afgewezen werden?
Antwoord:
Om in aanmerking te komen voor een financiering uit het Investeringsfonds Duurzame
Landbouw (IDL) moeten aanvragers een bedrijfsplan indienen dat voldoet aan een aantal
criteria. Naast reductie van stikstofemissie moet het bedrijfsplan ook bijdragen aan
minimaal 4 van de volgende duurzaamheidsdoelen: minder gewasbeschermingsmiddelen en
biociden; minder broeikasgassen; minder nitraat uitspoeling; toename biodiversiteit;
betere bodem, circulaire inzet van veevoer en verbetering van diergezondheid en -welzijn.
Meest voorkomende reden van afwijzen is gelegen in het feit dat de afgewezen aanvragen
weliswaar duurzame stappen en/of investeringen zijn, maar dat de combinatie van maatregelen
en investeringen niet op voldoende doelen een verbetering levert. Het bedrijfsplan
kwalificeert dan niet als een integrale om- of doorschakeling van de bedrijfsvoering.
40.
Waarom wordt er ingezet op het gebruik van Renure terwijl dit voor extra stikstof
op landbouwgrond kan zorgen?
Antwoord:
Circulair gebruik van meststoffen (zoals Renure) draagt bij aan het verminderen van
mestoverschotten, het verlichten van de druk op de mestmarkt, het beter benutten van
waardevolle nutriënten uit eigen mest en zorgt voor minder afhankelijkheid van kunstmest.
Er is een maximum voor de hoeveelheid stikstof uit Renure die per jaar gebruikt mag
worden van 80 kilogram stikstof per hectare op landbouwgrond, bovenop de norm voor
stikstof uit dierlijke mest van 170 kg stikstof per hectare. De totale stikstofgift
mag echter niet hoger zijn dan de totale stikstofgebruiksnorm (stikstof uit dierlijke
mest en stikstof uit andere meststoffen, zoals kunstmest). De totale hoeveelheid stikstof
die aangewend mag worden op landbouwgrond verandert door de toepassing van Renure
dus niet. Of neemt hiermee niet toe. Het Joint Research Centre van de Europese Commissie
heeft daarbij aangetoond dat het gebruik van RENURE niet leidt tot extra risico op
stikstofverliezen naar het grond- en oppervlaktewater.
41.
Kunt u toelichten op basis van welke feitelijke trends de ambitie om naar 15 procent
biologisch landbouwareaal in 2030 te groeien haalbaar wordt geacht, aangezien het
areaal eind 2024 op 5,1 procent stond?
Antwoord:
Ik ben het met u eens dat op basis van de huidige trends de groei van het areaal ruim
onvoldoende is om de ambitie te behalen. Daarom werk ik naar aanleiding van de motie
Bromet (Kamerstuk 36 800 XIV, nr. 32, d.d. 19 maart 2026) aan een plan om de groei te versnellen. Hierover zal ik u voor
de zomer informeren in lijn met het dictum van de motie.
42.
Waarom ligt de realisatie van nieuw bos met 3.010 hectare nog ver achter op de doelstelling
van 37.400 hectare in 2030?
Antwoord:
In de 11e Voortgangsrapportage Natuur wordt als belangrijkste redenen de aanhoudende onzekerheid
over de lange termijn financiering en de lange doorlooptijden van projecten (o.a.
door verwerving van grond en vergunningstrajecten) aangegeven.
In 2026 wordt een brede evaluatie uitgevoerd naar de uitvoering van de Landelijke
Bossenstrategie. Deze komt gereed in het vierde kwartaal. De Tweede Kamer wordt geïnformeerd
over conclusies.
43.
Hoeveel hectare bos moet jaarlijks nog worden gerealiseerd om de doelstelling van
37.400 hectare bos in 2030 te halen?
Antwoord:
Er resteert voor de periode vanaf 2025 tot 2030 een opgave van ongeveer 34.000 hectare.
De cijfers over 2025 zijn nog niet bekend, maar zullen worden gepubliceerd in de 12e
Voortgangsrapportage Natuur later dit jaar.
44.
Welke concrete maatregelen zijn genomen om de bescherming en instandhouding van de
grutto te verbeteren?
Antwoord:
Nederland heeft eind 2024 acht maatregelen aangekondigd naar aanleiding van een aanmaningsbrief
van de Europese Commissie vanwege onvoldoende invulling van de verplichtingen uit
de Vogelrichtlijn. In 2025 zijn in samenwerking met provincies en stakeholders belangrijke
stappen gezet in de uitvoering van de maatregelen ter bescherming van de grutto.
De aanwijzingsbesluiten voor aanvullende instandhoudingsdoelen in Vogelrichtlijngebieden
zijn eind 2025 vastgesteld, waardoor deze juridisch direct doorwerken in vergunningverlening
en planvorming. De verdere implementatie volgt via aangepaste beheerplannen in 2026–2027.
Daarnaast is subsidie verleend voor het Grutto Kuikenoverleving Project (2026–2030),
dat wordt uitgevoerd door de Rijksuniversiteit Groningen. Het onderzoek richt zich
op factoren die de kuikenoverleving beïnvloeden, zoals voedselaanbod, predatie en
grondgebruik, en moet bijdragen aan effectiever beheer en herstel van de gruttopopulatie.
In december 2025 is door het Ministerie van LVVN en alle twaalf provincies de Intentieverklaring
Aanvalsplan Grutto ondertekend. LVVN en de provincies werken nu aan een afsprakenkader
voor het Aanvalsplan, deze moet halverwege 2026 gereed en ondertekend zijn.
45.
Welke rol speelt dierenwelzijn in de aangekondigde evaluatie van het jacht- en faunabeheerstelsel?
Antwoord:
Op dit moment wordt uitvoering gegeven aan de aangenomen Kamermotie (Kamerstuk 33 576, nr. 455, 3 juli 2025) die oproept tot het laten uitvoeren een uitgebreide externe, onafhankelijke
evaluatie van het huidige stelsel van jacht en faunabeheer, waaronder het effect op
dierenwelzijn, de financiële aspecten en de uitvoerbaarheid ervan, door een deskundig
extern bureau. In de opdracht die aan het geselecteerde bureau is gegund zijn de in
de motie genoemde aspecten expliciet opgenomen als toetsingscriteria aan de hand waarvan
wordt geanalyseerd in hoeverre het stelsel doeltreffend en doelmatig is. In de evaluatie
wordt zowel gekeken naar het welzijn van individuele dieren, voor zover daar informatie
over beschikbaar is, als naar soorten en populaties.
46.
Welke maatregelen acht u noodzakelijk om de klimaatdoelen te behalen?
Antwoord:
Hiervoor is een combinatie van meerdere maatregelen nodig op het gebied van landbouw
en landgebruik om te komen tot reductie. Hier kan gedacht worden aan een combinatie
van maatregelen, zoals het stellen van bedrijfsspecifieke emissiedoelen voor stikstof
en klimaat in combinatie met een ondersteuningspakket voor managementmaatregelen en
innovatie worden de boeren. Aanvullend kan gedacht worden aan de maatregel voor het
vrijwillige beëindigen van agrarische ondernemers en extensivering. Afsluitend kan
gedacht worden aan een divers aantal maatregelen, zoals de maatregelen die volgen
uit de aanpak van veenweide, minerale landbouwbodems en de bossenstrategie.
47.
Op welke wijze is uitvoering gegeven aan de motie Flach/Van der Plas (Kamerstuk 32 802, nr. 120) inzake het beperken van de reikwijdte van het begrip «emissiegegevens» in de milieu-informatierichtlijn?
Antwoord:
Voor het antwoord op de aanpak van andere landen verwijs ik naar de brief van de Minister
van BZK inzake openbaarmaking van emissiegegevens van PM juni 2026/PM Kamerstuknummer.
48.
Kunt u toelichten waarom bij de Landelijke beëindigingsregelingen veehouderijlocaties
(Lbv)-regelingen sprake is van een onderuitputting van 483,4 miljoen euro en wat de
redenen zijn voor het feit dat veel ondernemers hebben besloten zich alsnog terug
te trekken?
Antwoord:
De deelname aan de Lbv-regelingen is vrijwillig. Deelnemers aan de Lbv-regelingen
dienen verschillende stappen te doorlopen om hun veehouderijlocatie definitief en
permanent te beëindigen. Ook na het ontvangen van een subsidiebeschikking kan de ondernemer
nog besluiten om toch af te zien van deelname aan de regelingen, waardoor er onderuitputting
kan plaatsvinden. Deelnemers kunnen hierbij zonder opgaaf van reden hun subsidieaanvraag
intrekken. Dat dit gebeurt is gebruikelijk bij vrijwillige beëindigingsregelingen.
De redenen voor het afzien van deelname kunnen zeer uiteenlopend zijn: van geen afscheid
kunnen nemen van het huidige (boeren)bestaan, gunstige marktomstandigheden en -vooruitzichten
en de (on)mogelijkheden voor het starten van een nieuwe activiteit op de te beëindigen
veehouderijlocatie. Veelal zal sprake zijn van een combinatie van overwegingen, waarbij
iedere ondernemer een individuele afweging maakt
49.
Wat zijn de belangrijkste oorzaken van de onderuitputting binnen de LVVN-begroting
in 2025 en welke concrete budgetten zijn hierdoor niet tot besteding gekomen?
Antwoord:
De oorzaak van onderuitputting binnen de LVVN-begroting verschilt per onderwerp. Bij
de Landelijke beëindigingsregelingen veehouderijlocaties was er € 483,4 mln. onderuitputting
doordat veel ondernemers hebben besloten om zich terug te trekken. Op het apparaatsbudget
was er onderuitputting doordat vacatures minder snel konden worden vervuld dan verwacht.
Op de subsidieregeling brongerichte verduurzaming vond onderuitputting plaats (€ 19,9
mln.) doordat er weinig inschrijvingen waren voor de regeling. Door marktontwikkelingen
en vertraging in de uitvoering hebben minder trajecten tot aankoop geleid dan vooraf
was verwacht, wat leidt tot een onderuitputting van € 18,3 mln. voor de Grondbank.
De verplaatsingsregeling verliep langzamer dan verwacht. In 2025 was er € 17,4 mln.
onderuitputting op deze regeling.
50.
Kunt u toelichten welke specifieke risico’s voor het behalen van de beleidsdoelen
op het gebied van landbouw en natuur zijn geïdentificeerd als gevolg van de reorganisatie
en de structurele taakstelling van 14,3 procent op het kerndepartement?
Antwoord:
Als gevolg van de taakstelling en reorganisatie is het risico dat er – ten minste
voor de looptijd van de reorganisatie – minder capaciteit beschikbaar is voor het
werken aan de beleidsdoelen van LVVN dan wenselijk is, omdat het de krimpopgave en
de reorganisatie impact hebben op de organisatie en daarmee indirect ook op de beleidsdoelen.
De reorganisatie is erop gericht om voor de lange termijn een duurzame organisatie
te creëren die in staat is om succesvol beleid te ontwikkelen.
51.
Hoeveel middelen zijn in 2025 besteed aan het versterken van regionale en plantaardige
voedselketens?
Antwoord:
Vanuit de LVVN-begroting is er in 2025 budget besteed aan de stimulering van biobased
teelt (€ 1,5 miljoen) en Bean Deal (€ 15k) waarmee direct is bijgedragen aan het aanjagen
en opschalen van plantaardige gewassen en ketens. Daarnaast waren er nog alternatieve
financieringsstromen zoals die van het Gemeenschappelijk Landbouwbeleid (GLB) en die
van medeoverheden.
52.
Welk deel van de grond in Nederland wordt momenteel gebruikt voor landbouw, gemeten
in hectare en procentueel?
Antwoord:
Uit de meest recente cijfers van het CBS blijkt dat in 2025 1.793.757 hectaren in
Nederland wordt gebruikt als cultuurgrond (StatLine – Landbouw; gewassen, dieren en
grondgebruik naar regio).
Dit is iets meer dan 40% van het totaal oppervlakte van Nederland.
53.
Hoe wordt de ambitie om 15 procent van het landbouwareaal voor biologische doeleinden
te gebruiken gehaald?
Antwoord:
Het kabinet wil de consumptie van biologische en duurzame producten stimuleren en
doet dat door het actieplan «Groei van biologische productie en consumptie» voort
te zetten. Vanuit het actieplan worden verschillende maatregelen uitgevoerd, zoals
de subsidieregeling «Vergroten afzet biologische landbouwproducten» (Vabiola), een
landelijke consumentencampagne en uitvoering van een kennisagenda. U wordt voor de
zomer geïnformeerd over de stand van zaken van het actieplan. Daarnaast werk ik aan
een versnellingsplan naar aanleiding van de motie Bromet (Kamerstuk 36 800 XIV, nr. 32, dd 19 maart 2026). Ik zal u over dit versnellingsplan voor de zomer informeren.
54.
Welk jaarlijks groeipercentage van biologisch areaal is vanaf 2026 nodig om het doel
van 15 procent in 2030 alsnog te halen?
Antwoord:
In 2025 was het biologische landbouwareaal volgens de cijfers van Skal 102.538 hectare
en daarmee 5,7% van het biologische landbouwareaal. Daarmee zou het biologische areaal
van 2026 tot en met 2030 met gemiddeld 1,9% van het Nederlandse landbouwareaal moeten
groeien om in 2030 uit te komen op 15%.
55.
Welk percentage van de publieke voedselinkoop bestond in 2025 uit plantaardige producten?
Antwoord:
Voor de contracten die binnen de rijksinkoopcategorie Consumptieve Dienstverlening
vallen is het aandeel ingekochte plantaardige eiwitten gemiddeld 45–50%, met een enkele
uitschieter naar boven (65%) en naar beneden (30%). Een rijksbreed percentage is niet
beschikbaar. LVVN werkt samen met RVO aan een monitoring hierop.
56.
Hoeveel jonge boerenbedrijven die steun ontvingen zijn biologische boerenbedrijven?
Antwoord:
Hierover heb ik momenteel geen data. Ik zal dit laten uitzoeken en u hierover voor
de zomer informeren in de brief over de stand van zaken van het actieplan.
57.
Kunt u aangeven bij hoeveel natuurgebieden in 2025 nog een Kritische Depositiewaarde
(KDW) wordt overschreden?
Antwoord:
Het RIVM publiceert jaarlijks de actuele totale stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden.
De laatste rapportage dateert van 1 oktober 2025.1
In de rapportage (en bijbehorende databestanden) is te vinden dat van de 131 stikstofgevoelige
Natura 2000-gebieden, 117 gebieden minimaal één habitat bevatten waarvan de KDW wordt
overschreden. Die berekening is gebaseerd op emissies uit het jaar 2023.
58.
Kunt u toelichten welke concrete onderzoeken en pilots voor natuurmonitoring in 2025
zijn uitgezet om te voldoen aan de aanvullende verplichtingen uit de Europese Natuurherstelverordening
(NHV)?
Antwoord:
Op 26 juni zal u het ontwerpNatuurplan ontvangen. Hierin heb ik voor alle ecosystemen
die onder de verordening vallen opgenomen wat er nodig is om aan de monitoringsvereisten
invulling te geven, en waar relevant welke onderzoeken en pilots ik daarvoor heb uitgezet.
Dit betreft onder anderen de reeds gepubliceerde onderzoeken van Wageningen Marine
Research naar het Nederlandse mariene ecosysteem,2 het rapport van het Planbureau voor de Leefomgeving over de monitoring van groen
en boomkronen3 en het advies over de monitoring van de Boerenlandvogelindex.4 Ook zijn er een aantal onderzoeken uitgezet waar publicatie nog volgt, zoals naar
de monitoring van bestuivers, de aanwezigheid van habitattypen buiten N2000 en de
monitoring van indicatoren voor bosecosystemen.
59.
Kunt u toelichten waarom het aandeel lumpsumopdrachten binnen de totale opdracht van
de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO) in 2025 is uitgekomen op 44 procent,
terwijl de vastgestelde norm voor een doeltreffend opdrachtenpakket 80 procent bedraagt?
Antwoord:
Het aandeel van lumpsumopdrachten is flink gedaald doordat de GLB-opdracht van jaarlijks
ongeveer € 100 mln. is opgenomen als flexibel te financieren opdracht. De GLB-opdracht
leent zich door toegenomen complexiteit van deze opdracht in de uitvoering in de huidige
periode (na 2021) minder goed voor lumpsum-financiering dan in de vorige GLB-programmaperiode.
60.
Bij welke uitvoeringsorganisaties, fondsen of subsidieregelingen ziet u in de verantwoording
de grootste risico’s op ondoelmatige of inefficiënte besteding van publieke middelen?
Antwoord:
Het beoordelen van de doelmatigheid en doeltreffendheid van uitvoeringsorganisaties
en subsidieregelingen is een belangrijk en continu proces. Hiervoor wordt onder andere
het instrument van de periodieke rapportage benut. Specifiek over 2025 zijn er zowel
door LVVN zelf als door de ADR en Algemene Rekenkamer geen grote risico’s geconstateerd.
VERANTWOORDINGSONDERZOEK ALGEMENE REKENKAMER
1.
Kunt u toelichten welke middelen voor natuur, landschap en gebiedsgericht werken in
2025 niet tot besteding zijn gekomen en wat daarvan de oorzaak was?
Antwoord:
Op artikel 22 Natuur, visserij en gebiedsgericht werken is € 884 mln. uitgegeven in
2025. De vastgestelde begroting voor dit artikel was € 1.160 mln. Het verschil van
€ 276 mln. wordt met name verklaard doordat middelen naar latere jaren zijn geschoven.
Dit komt bijvoorbeeld doordat betalingen in latere jaren plaatsvinden, of doordat
er vertraging was in de uitwerking van een regeling. Daarnaast zijn er middelen overgeheveld
naar andere begrotingsonderdelen, bijvoorbeeld naar het Provinciefonds of naar RVO.
Een deel van de middelen is niet tot besteding gekomen omdat er sprake is van onderuitputting.
Dit geldt onder meer voor de grondbank, de verplaatsingsregeling en wind op zee middelen.
2.
Kunt u aangeven welke concrete resultaten in 2025 zijn geboekt op het gebied van biodiversiteitsherstel,
landschapselementen, natuurkwaliteit, groenblauwe dooradering en robuuste natuurverbindingen?
Antwoord:
In de periode 2020 t/m 2025 zijn in het kader van Programma Natuur maatregelen genomen
ten behoeve van herstel van 93.000 hectare natuur. Voor 15% van het areaal leiden
de maatregelen tot uitvoering in fase 2 van Programma Natuur; voor 85% van het areaal
zijn de maatregelen reeds uitgevoerd. Bijna 50% van alle maatregelen is opgeleverd
in 2025.
Ook is er in 2025 ingezet op het borgen, faciliteren en versterken van draagvlak,
zodat aanleg, beheer, behoud, herstel en monitoring van landschapselementen in het
landelijk gebied ten behoeve van groenblauwe dooradering duurzaam worden ondersteund.
LVVN stimuleert en faciliteert verschillende partijen in de uitvoering door middel
van kennisontwikkeling en -verspreiding, communicatie, netwerkbeheer ism RVO, en het
bieden van financiële middelen voor aanleg, herstel en beheer. Financiële bijdragen
hebben geleid tot aanleg en herstel van houtige, kruidenrijke en natte landschapselementen
op gronden van Staatsbosbeheer (bij afronding opdracht: 67 ha houtwallen en -singels,
56 km heggen, bomenrijen en natuurvriendelijke oevers, 334 poelen, en 443 bomen) en
in provincies verspreid over Nederland (bij afronding subsidie: 99 ha bosjes, weides
en poelen, 258,5 km (voeder)hagen, bomenrijen, houtsingels en natuurvriendelijke oevers,
en 5556 bomen, en bij het ANLb ongeveer 18.000 hectare in beheer voor groenblauwe
dooradering), en tot een overzicht van landschapselementen in het landschapsregister
(LASREG) en tot een netwerk van betrokken partijen.
In 2025 is voor het verbeteren van natuurkwaliteit buiten natuurgebieden, gewerkt
aan het ontwikkelen van beleid voor basiskwaliteit natuur (BKN). Hiervoor is in elke
provincie een pilot opgezet waarin provincie, gemeente en waterschap samen met het
rijk het BKN beleid ontwikkelt. Verder heeft in 2025 een kennisprogramma onder andere
de BKN in het bebouwde gebied concreet uitgewerkt (https://www.samenvoorbiodiversiteit.nl/toolbox/basiskwaliteit-natuur/ra…). De ontwikkeling van BKN in pilots en kennisprogramma loopt nog door tot 2028.
Tot slot rapporteren Rijk en provincies jaarlijks over resultaten van (gedecentraliseerde)
natuurbeleid in de Voortgangsrapportage Natuur. Voor 2025 verschijnt deze eind dit
jaar.
3.
Kunt u aangeven of er in 2025 middelen voor natuur, landschap of gebiedsgericht werken
zijn doorgeschoven naar latere jaren? Zo ja, om welke bedragen, regelingen en redenen
gaat het?
Antwoord:
Er zijn middelen op artikel 22 Natuur, visserij en gebiedsgericht werken doorgeschoven
naar latere jaren. De grootste schuiven zijn:
− Vanwege vertraging in de aankoop van gronden is er voor de Nationale Grondbank € 37
mln. van 2025 naar 2027 geschoven.
− Er is € 29 mln. doorgeschoven naar latere jaren voor de regeling Samenwerking in veenweidegebieden
en Natura 2000-overgangsgebieden, zodat de begroting aansluit bij de geplande uitbetalingen
van de subsidieregeling.
− Maatwerkcasussen voor piekbelasters hebben een langere doorlooptijd dan voorzien.
Er is daarom € 24 mln. uit 2025 naar latere jaren geschoven.
− Er is € 15 mln. doorgeschoven in de middelen voor ANB, vanwege vertraging in de besluitvorming.
4.
Kunt u toelichten welke knelpunten in 2025 zijn geconstateerd in de uitvoering van
natuurherstel, landschapsbeheer en gebiedsgerichte maatregelen bijvoorbeeld door juridische
onzekerheid, beperkte uitvoeringscapaciteit of vertraging in gebiedsprocessen?
Antwoord:
In de uitvoering van natuurherstel, landschapsbeheer en gebiedsgerichte maatregelen
zijn in 2025 enkele knelpunten in de uitvoering in 2024 geconstateerd die de voortgang
tijdelijk beïnvloeden. Over voortgang en de knelpunten is de Tweede Kamer op 19 december
2025 nader geïnformeerd in een kamerbrief (bijlage bij Kamerbrief 36 600 XIV, nr. 11) en in de Voortgangsrapportage Natuur (bijlage bij Kamerbrief 33 576-472). Deze uitdagingen zijn echter onderkend en worden actief aangepakt.
De belangrijkste knelpunten zijn:
− Juridische onzekerheid: tijdelijke vertraging van vergunningverlening voor investeringsmaatregelen.
Ook lopen staatssteunprocedures voor nieuwe regelingen, zoals herwaardering.
− Beperkte uitvoeringscapaciteit: De krapte op de arbeidsmarkt en de complexe, tijdsintensieve
aard van gebiedsprocessen. Daarnaast vraagt het creëren van draagvlak bij ondernemers
meer aandacht.
− Gebiedsprocessen: De uitvoering van gebiedsmaatregelen vraagt om zorgvuldige afwegingen
en blijvende betrokkenheid van alle partijen wat leidt tot een langere voorbereidingstijd.
5.
Kunt u toelichten hoe in 2025 is gewerkt aan structurele financiering van beheer van
natuur, landschap en landschapselementen en hoe wordt voorkomen dat middelen vooral
beschikbaar zijn voor aanleg maar onvoldoende voor langjarig beheer?
Antwoord:
Het programma agrarisch natuurbeheer heeft als doel om zowel het Agrarisch natuur-
en landschapsbeheer stapsgewijs uit te breiden als het stelsel te versterken door
het verbeteren van clustering van beheer, verzwaring en de invoering van contracten
met een langere looptijd. In de periode van groei wordt gewerkt met extra investeringen
om het mogelijk te maken voor collectieven en agrariërs om het beheer te verzwaren
en worden bijvoorbeeld het doelenkader verbeterd en de voorwaarden voor langjarige
contracten uitgewerkt. Tijdens deze fase van groei nemen de investeringsmiddelen gefaseerd
af ten gunste van middelen voor beheer via het ANLb. Na de zomer wordt aan de Tweede
Kamer een brief verstuurd met daarin beschreven de voortgang van het agrarisch natuurbeheer.
6.
Kunt u aangeven welke stappen in 2025 zijn gezet om het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen
beter te registreren, te monitoren en handhaafbaar te maken, mede in het licht van
signalen dat een aanzienlijk deel van de regels volgens de Algemene Rekenkamer in
de praktijk moeilijk handhaafbaar is?
Antwoord:
In 2025 zijn gesprekken gevoerd met de sector over de ontwikkeling van een (privaat)
benchmarkinginstrument. Vervolgens is eind 2025 subsidie verleend voor uitvoering
van onderzoek om de ontwikkelingsrichtingen en technische eisen voor zo’n systeem
in kaart te brengen. Op basis hiervan kan ICT infrastructuur gebouwd worden. Doel
van het instrument is om telers en adviseurs hun inzet van gewasbeschermingsmiddelen
tussen jaren en met elkaar te laten vergelijken zodat zij kunnen sturen op het reduceren
van hun milieu impact. Om deze milieu impact nog beter inzichtelijk te maken is ook
door de sector gewerkt aan de doorontwikkeling van de Milieu Indicator Gewasbescherming,
met ondersteuning van mijn ministerie.
7.
Hoe wordt gewaarborgd dat het te ontwikkelen (privaat) benchmarkinginstrument waarin
telers hun geregistreerd middelengebruik gaan delen, als onafhankelijke autoriteit
gaat opereren terwijl deze door de sector zelf wordt opgezet?
Antwoord:
De juiste governance structuur van het instrument «benchmarking» is een constant onderwerp
van gesprek met de sector. Hier moet aandacht zijn voor het publieke belang, alsmede
voor de private moeite die in het instrument gestoken is. De bedoeling is dat telers
specifiek en direct na kunnen gaan hoe hun middelengebruik zich verhoudt tot dat van
de «benchmark», waardoor minder gebruik van middelen wordt bevorderd.
8.
Welke concrete verbetermaatregelen gaat u naar aanleiding van dit verantwoordingsonderzoek
treffen en binnen welk tijdpad worden deze uitgevoerd?
Antwoord:
In het rapport van het verantwoordingsonderzoek stelt de AR twee onderwerpen centraal:
regelgeving gewasbeschermingsmiddelen en stikstofpakket Ministeriële Commissie Economie
en Natuur (MCEN). De punten waarbij de AR aanbevelingen heeft gegeven of zorgen heeft
geuit betreft, naast de hiervoor twee genoemde onderwerpen, een onvolkomenheid in
de bedrijfsvoering: het autorisatiebeheer van het financieel systeem.
– Regelgeving gewasbeschermingsmiddelen: de AR concludeert dat een deel van de onderzochte
regels voor juist gebruik van gewasbeschermingsmiddelen in open teelten niet of onvoldoende
controleerbaar en handhaafbaar is. Voor de bewuste regels is de kritiek bij de Ministers
van LVVN en IenW bekend en wordt actie ondernomen voor verbetering van de controleerbaarheid.
De aanbeveling om betrokken organisaties vroegtijdig te informeren over wetgevingstrajecten
voor een toets op handhaafbaarheid, uitvoerbaarheid en fraudebestendigheid voert LVVN
reeds uit. Immers, dit is al sinds 2016 een verplichting voor departementen.
Ten aanzien van de aanbeveling om te bevorderen dat telers de regels kennen, wordt
gewezen op de verplichte opleiding voor het bewijs van vakbekwaamheid (spuitlicentie).
Hierin is de geldende wet- en regelgeving een vast onderdeel. Tegelijkertijd wordt
herkend dat etiketvoorschriften op gewasbeschermingsmiddelen complex kunnen zijn.
Om dit meer hanteerbaar te maken voor telers, heeft LVVN het Ctgb inmiddels opdracht
gegeven om restrictiezinnen digitaal te ontsluiten.
Bij de aanbeveling van een centraal spuitregister is de inzet van LVVN gericht op
het doorontwikkelen van een benchmarksysteem door de sector. Dit systeem stelt telers
in staat om het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen voor hun eigen bedrijf te registreren
en te vergelijken tussen verschillende jaren en met andere telers. Het inrichten van
een centraal spuitregister bij het Rijk zou dit systeem doorkruisen. Echter, op dit
moment loopt ook een beroep bij de Raad van State omtrent de eerder door de rechtbank
Noord-Nederland aan de Minister van LVVN opgelegde verzamelplicht van gegevens uit
spuitregisters die door agrarische ondernemers worden bijgehouden. De Raad van State
heeft aangegeven dit beroep in het tweede kwartaal van 2026 te willen behandelen.
Duidelijkheid in deze procedure over de interpretatie van de betrokken verplichting
in de Verordening gewasbeschermingsmiddelen (EG) zal bepalen welke route LVVN in dit
dossier zal volgen.
– Stikstofpakket MCEN: LVVN onderschrijft de conclusie van de AR dat Nederland niet
volledig van het stikstofslot komt met de maatregelen die opgenomen waren in het start-
en vervolgpakket waartoe door het Kabinet-Schoof is besloten. Zowel de bestaande wettelijke
stikstofdoelen als de emissiereductiedoelstellingen die het vorige kabinet heeft gepresenteerd,
zouden immers niet worden behaald met de twee pakketten. Dit inzicht was ook bekend
bij de vorige Minister van LVVN, die dit reeds benoemde in haar brief van 16 september
jl. De conclusie van de AR en de reflecties van kennisinstellingen worden betrokken
bij besluitvorming over een effectief en samenhangend maatregelpakket.
9.
Kunt u toelichten op welke specifieke aannames en berekeningen van het kennisconsortium
bestaande uit het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL), het Rijksinstituut voor Volksgezondheid
en Milieu (RIVM), Deltares en Wageningen University and Research (WUR) de conclusie
is gebaseerd dat de stikstofaanpak van het kabinet-Schoof onvoldoende zou zijn om
de vergunningverlening op gang te brengen?
Antwoord
Het PBL heeft namens het kennisconsortium een reflectie op de plannen van het kabinet
Schoof gepubliceerd.5 Hierin stellen zij (onder slide 2) dat de reflectie geen uitspraak kan doen over
«Nederland van het slot», maar alleen kijkt naar de effecten van de voorgestelde maatregelen
op bijvoorbeeld de stikstofdepositie.
De reflectie concludeert dat de voorgestelde stikstofaanpak onvoldoende is om aan
de wettelijke doelen (omgevingswaarden) voor 2030 en 2035 te voldoen. Die conclusie
kan worden getrokken omdat de voorgestelde emissiereductie minder is dan benodigd
volgens berekening van het RIVM.6
10.
Kunt u toelichten waarom eind 2025 slechts 14 Programma Aanpak Stikstof (PAS)-melders
een onherroepelijke vergunning hadden, terwijl op dat moment 1.364 meldingen voldeden
aan de criteria om voor een oplossing in aanmerking te komen?
Antwoord
− De aanpak van het legalisatieprogramma dat liep van 2022–2025 ging uit van legalisatie
door middel van bronmaatregelen. Deze aanpak heeft slechts gezorgd voor de legalisatie
van 7 PAS-melders. 7 andere PAS-melders zijn opgelost door een andere route. Dat is
zeer teleurstellend.
− Dit beperkte effect heeft 3 redenen gehad namelijk:
○ De doorlooptijd voor het opzetten en uitvoeren van een regeling is lang en gecompliceerd
geweest en de opbrengst in stikstofreductie van de regelingen kwam pas erg laat ter
beschikking.
○ Daarnaast moet de ruimte die vrijkomt uit een bronmaatregel niet noodzakelijk zijn
om behoud van Natura 2000-gebieden te borgen. Gedurende de uitvoering van het eerste
legalisatieprogramma werd duidelijk dat gezien de staat van de natuur op veel plekken
meer depositiedaling in de Natura 2000-gebieden nodig was om behoud te borgen (additionaliteit).
Hierdoor kon stikstofruimte uit bronmaatregelen niet meer betrokken worden bij een
vergunningsaanvraag.
○ Daar waar ruimte betrokken kan worden bij een vergunning moet de ruimte ook op exact
dezelfde hexagonen matchen met de depositie van een PAS-melding. Er is nauwelijks
sprake van passende ruimte voor PAS-melders.
− Dit alles zorgde ervoor dat legalisatie met bronmaatregelen onvoldoende resultaten
heeft opgeleverd.
− Er is een nieuwe aanpak ontwikkeld die gericht is op maatwerk. Het doel is om op bedrijfsniveau
te kijken naar hoe het bedrijf met een PAS-melding weer in een legale situatie kan
komen. De verwachting is dat dit gedurende de looptijd van de opvolger van het legalisatieprogramma
tot veel meer PAS-melders met een structurele oplossing zal leiden.
11.
Kan uiteengezet worden welke emissie- en lozingsbronnen de grootste risico’s vormen
voor het niet halen van de Kaderrichtlijn Water (KRW)-doelen?
Antwoord:
In 2025 heeft de Landsadvocaat een analyse uitgevoerd naar de stand van zaken van
de risico’s met betrekking tot de KRW. Deze analyse is met de Kamer gedeeld (Kamerstukken
27 625, nr. 716). Uit deze analyse blijkt dat Nederland voor de meeste doelen aan de KRW kan voldoen,
doordat deze doelen ofwel bereikt zullen zijn, ofwel een beroep op een legitieme uitzondering
kansrijk lijkt. Daar waar doelen niet gehaald worden doordat maatregelen die feitelijk
niet onmogelijk zijn, achterblijven, is een beroep op een uitzondering juridisch gezien
minder robuust. Dit betreft volgens de Landsadvocaat met name de normoverschrijdingen
voor nutriënten, aan de uitspoeling van nutriënten gerelateerde metalen, gewasbeschermingsmiddelen
en in mindere mate ook de biologische doelen (namelijk vooral waar die gekoppeld zijn
aan de negatieve effecten van gewasbeschermingsmiddelen en nutriënten). Er blijft
ook een significante groep gevallen over waarin niet op voorhand gezegd kan worden
hoe kansrijk het inzetten van een uitzondering is.
12.
Hoeveel extra kosten worden verwacht voor waterzuivering?
Antwoord:
De Kamer zal voor de zomer worden geïnformeerd over de resultaten van een studie naar
de kosten voor het zuiveren van grondwater voor drinkwater wanneer de emissies van
stoffen uit bestrijdingsmiddelen naar het water gelijk blijven.
13.
Kunt u toelichten hoe de toename van de bezetting bij de Nederlandse Voedsel en Warenautoriteit
(NVWA) met 475 fulltime-equivalent (fte) in 2025 zich verhoudt tot de voorgenomen
bezuinigingen op de apparaatsuitgaven uit het Hoofdlijnenakkoord?
Antwoord:
Conform de SGO lijn die is afgesproken levert de NVWA haar bijdrage aan de apparaat-taakstelling
uit het HLA Schoof. In de jaren 2025 t/m 2029 0,5% per jaar oplopend naar 2,5% in
2029. Daarnaast heeft de NVWA in 2025 veel meerwerk opdrachten ontvangen vanuit nieuwe
wet- en regelgeving, zoals voor Vapes, Mest, Ontbossing en Cyber security. Tot slot
heeft de NVWA in 2025 additionele middelen vanuit het Coalitieakkoord Rutte IV ontvangen
om de taken en middelen verder in balans te brengen
14.
Hoe wordt de uitvoeringsverordening ((EU) 2023/564) die telers verplicht om vanaf
2027 digitaal hun spuitregisters bij te houden deze registratieplicht bij telers gecontroleerd
en gehandhaafd?
Antwoord:
Telers hebben nu reeds de verplichting om een gebruiksregistratie bij te houden. Met
de inwerkingtreding van uitvoeringsverordening ((EU) 2023/564) wordt het verplicht
om deze registratie digitaal bij te houden. In de praktijk houden de meeste telers
deze gebruikstelers al digitaal bij. De NVWA controleert telers reeds op het bijhouden
van een correcte gebruiksregistratie, dit verandert niet.
15.
Worden de gegevens van telers die digitaal hun spuitregisters bijhouden vanuit de
overheid centraal verzameld? Zo nee, waarom niet?
Antwoord:
De verplichting om gebruiksgegevens digitaal te registreren betreft puur de registratie
door de teler zelf. Deze digitale registratie kan gebruikt worden voor de verplichte
CBS-gebruiksenquête waarvoor telers gegevens dienen aan te leveren. De verplichting
voor het bijhouden van gebruiksgegevens in digitale vorm uitvoeringsverordening ((EU)
2023/564) geeft geen directe aanleiding om gegevens centraal te verzamelen.
16.
Hoe wordt uitvoering gegeven aan de in 2023 aangenomen motie van het lid Tjeerd de
Groot (Kamerstuk 21 501-32, nr. 1528) en de in 2025 aangenomen motie van het lid Podt (Kamerstuk 27 858, nr. 728) waarin wordt opgeroepen tot centrale registratie van het professioneel bestrijdingsmiddelengebruik
op percelen en coördinatie door een onafhankelijke autoriteit?
Antwoord:
Zoals eerder aan uw Kamer gemeld (Kamerstuk 27 858, nr. 734) wordt gewerkt aan een benchmarkingsystematiek als invulling van deze moties. Hierbij
is aangegeven dat de data van professioneel middelengebruik in het benchmarkingsysteem
privaat beheerd wordt en dit systeem voorziet in jaarlijkse rapportages met geaggregeerde
gegevens over het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen in teelten, onder andere te
gebruiken bij beleidsevaluaties en statistiekverplichtingen. Voor handhavende diensten
is toegang tot (individuele) gegevens een belangrijk streven, daarom wil ik de mogelijkheden
daartoe onderzoeken. Dit vraagt om een gedegen uitwerking. Ik zal dit ook bespreken
in het kader van het convenant.
17.
Op welke wijze geeft Nederland uitvoering aan de Statistics on agricultural input
and output (SAIO)-verordening?
Antwoord:
Voor elk onderdeel van de SAIO zijn er EU-implementatieverordeningen aangenomen, waarmee
een praktische en inhoudelijke invulling gegeven wordt over wat er precies aan SAIO-cijfers
geleverd dient te worden per lidstaat. Het Centraal Bureau voor de Statistiek is primair
verantwoordelijk om deze gegevens aan te leveren aan Eurostat (het Europees statistisch
bureau te Luxemburg) namens Nederland. Zowel het CBS als Eurostat publiceren de gegevens
op hun eigen websites.
18.
Hoe kan Nederland voldoen aan de verplichting om de correcte gebruiksdata bij de Europese
Unie aan te leveren als ongeveer 50 procent van de in Nederland verkochte bestrijdingsmiddelen
op onverklaarbare wijze uit de gebruiksgegevens verdwijnt?
Antwoord:
Het SAIO-onderdeel gewasbescherming bestaat uit twee delen. De afzetcijfers en de
gebruikscijfers. Deze hebben niet dezelfde scope. De insteek van de statistiek over
de verkochte gewasbeschermingsmiddelen is om volledig te zijn. Bij de gebruikscijfers
is dat niet zo. Het gebruik hoeft niet voor alle gewassen opgevraagd te worden. Ook
zijn er middelen die buiten de landbouw gebruikt worden, die buiten de SAIO-scope
vallen. In Nederland wordt het gebruik buiten de landbouw als klein ingeschat door
strengere regelgeving.
19.
Op welk gedeelte van de Nederlandse telers en landbouwareaal ziet de SAIO-rapportageverplichting?
Antwoord:
De vereiste dekking staat beschreven in artikel 4 lid 5 in de SAIO. Voor de monitoring
van het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen geldt een transitie, conform artikel
14 in de SAIO. Voor verslagjaar 2026 bestaat een verplichte lijst van gewassen (via
EU-implementatieverordening 2023/1537), die door elke EU-lidstaat gehanteerd dient
te worden. Op EU-niveau dekt deze lijst (aangevuld met grasland, dat niet op de EU-lijst
staat) 75 procent van het landbouwareaal in de EU. Concreet zal CBS dezelfde gewassen
uitvragen als in 2024 aangevuld met zonnebloemen en wijndruiven die op de gemeenschappelijke
lijst staan in de conventionele landbouw. In de biologische teelt beperken het zich
tot de gemeenschappelijke lijst. In het najaar van 2027 zal het CBS evalueren of er
met deze lijst de vanaf 2028 verplichte 85% gehaald wordt of dat er nog aanpassingen
nodig zijn voor 2028.
20.
Welke Europese lidstaten hebben aantoonbaar effectievere handhavingssystemen voor
gewasbeschermingsmiddelen en wat kan Nederland daarvan leren?
Antwoord:
De NVWA heeft in Europees verband regelmatig contact met handhavende instanties in
andere lidstaten. Door het grote verschil waarop handhaving en wet- en regelgeving
in andere lidstaten geregeld is, kan er niet gesteld worden dat het ene land betere
handhaving heeft dan het andere. Geleerde lessen uit contacten met andere lidstaten
neemt de NVWA mee om haar eigen handhavingsbeleid vorm te geven of om suggesties te
doen om beleid aan te scherpen.
21.
Waarom is de doelstelling in het jaarplan van de NVWA gewijzigd van «90 procent van
de regels worden nageleefd» naar «vermindering van blootstellingsrisico’s»?
Antwoord:
Voortschrijdend inzicht. Het was een ambitieus doel, maar het is een overschatting
van de bijdrage die NVWA kan leveren aan het verhogen van de naleving. Het verhogen
van de naleving hangt af van vele factoren, waaronder de intrinsieke motivatie en
het kennisniveau van een teler, heldere, eenduidige wetgeving en passende sancties.
Toezicht & handhaving zit aan het eind van de keten en toetst in de praktijk in hoeverre
aan de wet- en regelgeving voldaan wordt. De primaire verantwoordelijkheid voor correcte
naleving van wet- en regelgeving ligt bij de teler en de sector zelf.
22.
Kunt u toelichten wat de oorzaak is van de daling in de naleving van regels voor gewasbeschermingsmiddelen
naar 68 procent in 2025, terwijl de eerdere doelstelling van de NVWA was gesteld op
90 procent?
Antwoord:
De doelstelling van 90% naleving was ambitieus en doet geen recht aan de rol en mogelijkheden
van het toezicht (de NVWA). Uit inspectiegegevens blijkt dat de naleving op het gebied
van gewasbescherming, die afhankelijk is van vele factoren (zie vraag 21), structureel
rond de 70% schommelt.
23.
Waarom kon bij de «Tijdelijke subsidieregeling sanering garnalenvisserij» niet worden
aangetoond dat aan de subsidievoorwaarden was voldaan en welke controlemechanismen
ontbraken?
Antwoord:
Bij de subsidieaanvraag zijn twee verklaringen niet opgevraagd. Deze verklaringen
hebben betrekking op het feit dat de begunstigde de subsidie niet inzet voor de vervanging
of modernisering van een hoofd- of hulpmotor van een vissersvaartuig en dat de begunstigde
op de hoogte is dat er documenten (zoals vergunningen) worden ingetrokken die bij
het schip horen dat wordt gesaneerd. Inmiddels zijn alle verklaringen ontvangen en
kan RVO voort met de subsidievaststellingen.
24.
Kunt u toelichten welke concrete maatregelen zijn getroffen naar aanleiding van de
geconstateerde fout van 19,7 miljoen euro door het niet naleven van aanbestedingsregels
bij artikel 22?
Antwoord:
De fout van € 19,7 miljoen is een zgn. geëxtrapoleerde fout. Hierbij heeft de ADR
de bevindingen uit hun steekproef op inkopen toegepast op de rest van de data. In
het inhuurproces heeft de ADR geconstateerd dat kandidaten (in deze: potentiële inhuurkrachten)
zijn aangenomen die niet voldoen aan de eisen zoals opgeschreven in de offerteaanvraag.
LVVN houdt zich aan het door het IUC aangepaste proces. Per 1 mei jl. is een nieuwe
werkwijze geïntroduceerd dat op verschillende plekken in het inhuurproces voor meer
grip zorgt. Het inhuurformulier wordt aangepast waardoor minder ruimte is voor een
grote hoeveelheid eisen en door deze in overleg met de inkoper te beperken tot duidelijke,
objectief toetsbare en SMART-geformuleerde minimumeisen. In het offerteformulier geeft
de leverancier aan bij zowel de eisen als de wensen op welke wijze de kandidaat hieraan
voldoet. In het beoordelingsformulier licht de beoordelaar per aangeboden kandidaat
toe op welke wijze de kandidaat voldoet aan de eisen en wensen. Daarnaast wordt per
kandidaat aangegeven of er een verificatiegesprek heeft plaatsgevonden waardoor deze
te herleiden zal zijn uit de beoordeling. Het IUC controleert of de voornemens te
gunnen kandidaat voldoet aan de gestelde eisen.
Ondertekenaars
-
Eerste ondertekenaar
H.S. Steen, voorzitter van de vaste commissie voor Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur -
Mede ondertekenaar
R.P. Jansma, griffier