Lijst van vragen en antwoorden : Lijst van vragen en antwoorden, gesteld aan de regering, over het rapport Resultaten verantwoordingsonderzoek 2025 bij het Ministerie van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur en het Diergezondheidsfonds (Kamerstuk 36945-XIV-2)
36 945 XIV Jaarverslag en slotwet Ministerie van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur en het Diergezondheidsfonds 2025
Nr. 8
LIJST VAN VRAGEN EN ANTWOORDEN
Vastgesteld 29 juni 2026
De vaste commissie voor Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur heeft een aantal
vragen voorgelegd aan de Minister en Staatssecretaris van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid
en Natuur over de brief van 20 mei 2026 over het rapport Resultaten verantwoordingsonderzoek
2025 bij het Ministerie van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur en het
Diergezondheidsfonds (Kamerstuk 36 945 XIV, nr. 2).
De Minister en Staatssecretaris heeft deze vragen beantwoord bij brief van 29 juni
2026. Vragen en antwoorden zijn hierna afgedrukt.
De voorzitter van de commissie, Steen
De griffier van de commissie, Jansma
Vragen en antwoorden
1.
Kunt u toelichten welke middelen voor natuur, landschap en gebiedsgericht werken in
2025 niet tot besteding zijn gekomen en wat daarvan de oorzaak was?
Antwoord:
Op artikel 22 Natuur, visserij en gebiedsgericht werken is € 884 mln. uitgegeven in
2025. De vastgestelde begroting voor dit artikel was € 1.160 mln. Het verschil van
€ 276 mln. wordt met name verklaard doordat middelen naar latere jaren zijn geschoven.
Dit komt bijvoorbeeld doordat betalingen in latere jaren plaatsvinden, of doordat
er vertraging was in de uitwerking van een regeling. Daarnaast zijn er middelen overgeheveld
naar andere begrotingsonderdelen, bijvoorbeeld naar het Provinciefonds of naar RVO.
Een deel van de middelen is niet tot besteding gekomen omdat er sprake is van onderuitputting.
Dit geldt onder meer voor de grondbank, de verplaatsingsregeling en wind op zee middelen.
2.
Kunt u aangeven welke concrete resultaten in 2025 zijn geboekt op het gebied van biodiversiteitsherstel,
landschapselementen, natuurkwaliteit, groenblauwe dooradering en robuuste natuurverbindingen?
Antwoord:
In de periode 2020 t/m 2025 zijn in het kader van Programma Natuur maatregelen genomen
ten behoeve van herstel van 93.000 hectare natuur. Voor 15% van het areaal leiden
de maatregelen tot uitvoering in fase 2 van Programma Natuur; voor 85% van het areaal
zijn de maatregelen reeds uitgevoerd. Bijna 50% van alle maatregelen is opgeleverd
in 2025.
Ook is er in 2025 ingezet op het borgen, faciliteren en versterken van draagvlak,
zodat aanleg, beheer, behoud, herstel en monitoring van landschapselementen in het
landelijk gebied ten behoeve van groenblauwe dooradering duurzaam worden ondersteund.
LVVN stimuleert en faciliteert verschillende partijen in de uitvoering door middel
van kennisontwikkeling en -verspreiding, communicatie, netwerkbeheer ism RVO, en het
bieden van financiële middelen voor aanleg, herstel en beheer. Financiële bijdragen
hebben geleid tot aanleg en herstel van houtige, kruidenrijke en natte landschapselementen
op gronden van Staatsbosbeheer (bij afronding opdracht: 67 ha houtwallen en -singels,
56 km heggen, bomenrijen en natuurvriendelijke oevers, 334 poelen, en 443 bomen) en
in provincies verspreid over Nederland (bij afronding subsidie: 99 ha bosjes, weides
en poelen, 258,5 km (voeder)hagen, bomenrijen, houtsingels en natuurvriendelijke oevers,
en 5.556 bomen, en bij het ANLb ongeveer 18.000 hectare in beheer voor groenblauwe
dooradering), en tot een overzicht van landschapselementen in het landschapsregister
(LASREG) en tot een netwerk van betrokken partijen.
In 2025 is voor het verbeteren van natuurkwaliteit buiten natuurgebieden, gewerkt
aan het ontwikkelen van beleid voor basiskwaliteit natuur (BKN). Hiervoor is in elke
provincie een pilot opgezet waarin provincie, gemeente en waterschap samen met het
rijk het BKN beleid ontwikkelt. Verder heeft in 2025 een kennisprogramma onder andere
de BKN in het bebouwde gebied concreet uitgewerkt (https://www.samenvoorbiodiversiteit.nl/toolbox/basiskwaliteit-natuur/ra…). De ontwikkeling van BKN in pilots en kennisprogramma loopt nog door tot 2028.
Tot slot rapporteren Rijk en provincies jaarlijks over resultaten van (gedecentraliseerde)
natuurbeleid in de Voortgangsrapportage Natuur. Voor 2025 verschijnt deze eind dit
jaar.
3.
Kunt u aangeven of er in 2025 middelen voor natuur, landschap of gebiedsgericht werken
zijn doorgeschoven naar latere jaren? Zo ja, om welke bedragen, regelingen en redenen
gaat het?
Antwoord:
Er zijn middelen op artikel 22 Natuur, visserij en gebiedsgericht werken doorgeschoven
naar latere jaren. De grootste schuiven zijn:
– Vanwege vertraging in de aankoop van gronden is er voor de Nationale Grondbank € 37
mln. van 2025 naar 2027 geschoven.
– Er is € 29 mln. doorgeschoven naar latere jaren voor de regeling Samenwerking in veenweidegebieden
en Natura 2000-overgangsgebieden, zodat de begroting aansluit bij de geplande uitbetalingen
van de subsidieregeling.
– Maatwerkcasussen voor piekbelasters hebben een langere doorlooptijd dan voorzien.
Er is daarom € 24 mln. uit 2025 naar latere jaren geschoven.
– Er is € 15 mln. doorgeschoven in de middelen voor ANB, vanwege vertraging in de besluitvorming.
4.
Kunt u toelichten welke knelpunten in 2025 zijn geconstateerd in de uitvoering van
natuurherstel, landschapsbeheer en gebiedsgerichte maatregelen bijvoorbeeld door juridische
onzekerheid, beperkte uitvoeringscapaciteit of vertraging in gebiedsprocessen?
Antwoord:
In de uitvoering van natuurherstel, landschapsbeheer en gebiedsgerichte maatregelen
zijn in 2025 enkele knelpunten in de uitvoering in 2024 geconstateerd die de voortgang
tijdelijk beïnvloeden. Over voortgang en de knelpunten is de Tweede Kamer op 19 december
2025 nader geïnformeerd in een kamerbrief (bijlage bij Kamerbrief 36 600 XIV, nr. 11) en in de Voortgangsrapportage Natuur (bijlage bij Kamerbrief 33 576-472). Deze uitdagingen zijn echter onderkend en worden actief aangepakt.
De belangrijkste knelpunten zijn:
– Juridische onzekerheid: tijdelijke vertraging van vergunningverlening voor investeringsmaatregelen. Ook
lopen staatssteunprocedures voor nieuwe regelingen, zoals herwaardering.
– Beperkte uitvoeringscapaciteit: De krapte op de arbeidsmarkt en de complexe, tijdsintensieve aard van gebiedsprocessen.
Daarnaast vraagt het creëren van draagvlak bij ondernemers meer aandacht.
– Gebiedsprocessen: De uitvoering van gebiedsmaatregelen vraagt om zorgvuldige afwegingen en blijvende
betrokkenheid van alle partijen wat leidt tot een langere voorbereidingstijd.
5.
Kunt u toelichten hoe in 2025 is gewerkt aan structurele financiering van beheer van
natuur, landschap en landschapselementen en hoe wordt voorkomen dat middelen vooral
beschikbaar zijn voor aanleg maar onvoldoende voor langjarig beheer?
Antwoord:
Het programma agrarisch natuurbeheer heeft als doel om zowel het Agrarisch natuur-
en landschapsbeheer stapsgewijs uit te breiden als het stelsel te versterken door
het verbeteren van clustering van beheer, verzwaring en de invoering van contracten
met een langere looptijd. In de periode van groei wordt gewerkt met extra investeringen
om het mogelijk te maken voor collectieven en agrariërs om het beheer te verzwaren
en worden bijvoorbeeld het doelenkader verbeterd en de voorwaarden voor langjarige
contracten uitgewerkt. Tijdens deze fase van groei nemen de investeringsmiddelen gefaseerd
af ten gunste van middelen voor beheer via het ANLb. Na de zomer wordt aan de Tweede
Kamer een brief verstuurd met daarin beschreven de voortgang van het agrarisch natuurbeheer.
6.
Kunt u aangeven welke stappen in 2025 zijn gezet om het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen
beter te registreren, te monitoren en handhaafbaar te maken, mede in het licht van
signalen dat een aanzienlijk deel van de regels volgens de Algemene Rekenkamer in
de praktijk moeilijk handhaafbaar is?
Antwoord:
In 2025 zijn gesprekken gevoerd met de sector over de ontwikkeling van een (privaat)
benchmarkinginstrument. Vervolgens is eind 2025 subsidie verleend voor uitvoering
van onderzoek om de ontwikkelingsrichtingen en technische eisen voor zo’n systeem
in kaart te brengen. Op basis hiervan kan ICT infrastructuur gebouwd worden. Doel
van het instrument is om telers en adviseurs hun inzet van gewasbeschermingsmiddelen
tussen jaren en met elkaar te laten vergelijken zodat zij kunnen sturen op het reduceren
van hun milieu impact. Om deze milieu impact nog beter inzichtelijk te maken is ook
door de sector gewerkt aan de doorontwikkeling van de Milieu Indicator Gewasbescherming,
met ondersteuning van mijn ministerie.
7.
Hoe wordt gewaarborgd dat het te ontwikkelen (privaat) benchmarkinginstrument waarin
telers hun geregistreerd middelengebruik gaan delen, als onafhankelijke autoriteit
gaat opereren terwijl deze door de sector zelf wordt opgezet?
Antwoord:
De juiste governance structuur van het instrument «benchmarking» is een constant onderwerp
van gesprek met de sector. Hier moet aandacht zijn voor het publieke belang, alsmede
voor de private moeite die in het instrument gestoken is. De bedoeling is dat telers
specifiek en direct na kunnen gaan hoe hun middelengebruik zich verhoudt tot dat van
de «benchmark», waardoor minder gebruik van middelen wordt bevorderd.
8.
Welke concrete verbetermaatregelen gaat u naar aanleiding van dit verantwoordingsonderzoek
treffen en binnen welk tijdpad worden deze uitgevoerd?
Antwoord:
In het rapport van het verantwoordingsonderzoek stelt de AR twee onderwerpen centraal:
regelgeving gewasbeschermingsmiddelen en stikstofpakket Ministeriële Commissie Economie
en Natuur (MCEN). De punten waarbij de AR aanbevelingen heeft gegeven of zorgen heeft
geuit betreft, naast de hiervoor twee genoemde onderwerpen, een onvolkomenheid in
de bedrijfsvoering: het autorisatiebeheer van het financieel systeem.
– Regelgeving gewasbeschermingsmiddelen: de AR concludeert dat een deel van de onderzochte
regels voor juist gebruik van gewasbeschermingsmiddelen in open teelten niet of onvoldoende
controleerbaar en handhaafbaar is. Voor de bewuste regels is de kritiek bij de Ministers
van LVVN en IenW bekend en wordt actie ondernomen voor verbetering van de controleerbaarheid.
De aanbeveling om betrokken organisaties vroegtijdig te informeren over wetgevingstrajecten
voor een toets op handhaafbaarheid, uitvoerbaarheid en fraudebestendigheid voert LVVN
reeds uit. Immers, dit is al sinds 2016 een verplichting voor departementen.
Ten aanzien van de aanbeveling om te bevorderen dat telers de regels kennen, wordt
gewezen op de verplichte opleiding voor het bewijs van vakbekwaamheid (spuitlicentie).
Hierin is de geldende wet- en regelgeving een vast onderdeel. Tegelijkertijd wordt
herkend dat etiketvoorschriften op gewasbeschermingsmiddelen complex kunnen zijn.
Om dit meer hanteerbaar te maken voor telers, heeft LVVN het Ctgb inmiddels opdracht
gegeven om restrictiezinnen digitaal te ontsluiten.
Bij de aanbeveling van een centraal spuitregister is de inzet van LVVN gericht op
het doorontwikkelen van een benchmarksysteem door de sector. Dit systeem stelt telers
in staat om het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen voor hun eigen bedrijf te registreren
en te vergelijken tussen verschillende jaren en met andere telers. Het inrichten van
een centraal spuitregister bij het Rijk zou dit systeem doorkruisen. Echter, op dit
moment loopt ook een beroep bij de Raad van State omtrent de eerder door de rechtbank
Noord-Nederland aan de Minister van LVVN opgelegde verzamelplicht van gegevens uit
spuitregisters die door agrarische ondernemers worden bijgehouden. De Raad van State
heeft aangegeven dit beroep in het tweede kwartaal van 2026 te willen behandelen.
Duidelijkheid in deze procedure over de interpretatie van de betrokken verplichting
in de Verordening gewasbeschermingsmiddelen (EG) zal bepalen welke route LVVN in dit
dossier zal volgen.
– Stikstofpakket MCEN: LVVN onderschrijft de conclusie van de AR dat Nederland niet
volledig van het stikstofslot komt met de maatregelen die opgenomen waren in het start-
en vervolgpakket waartoe door het Kabinet-Schoof is besloten. Zowel de bestaande wettelijke
stikstofdoelen als de emissiereductiedoelstellingen die het vorige kabinet heeft gepresenteerd,
zouden immers niet worden behaald met de twee pakketten. Dit inzicht was ook bekend
bij de vorige Minister van LVVN, die dit reeds benoemde in haar brief van 16 september
jl. De conclusie van de AR en de reflecties van kennisinstellingen worden betrokken
bij besluitvorming over een effectief en samenhangend maatregelpakket.
– Autorisatiebeheer financieel systeem: de monitoring op de voortgang bij EZK, de eigenaar
van het systeem, wordt verder versterkt. Streven is om deze onvolkomenheid dit jaar
op te lossen.
9.
Kunt u toelichten op welke specifieke aannames en berekeningen van het kennisconsortium
bestaande uit het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL), het Rijksinstituut voor Volksgezondheid
en Milieu (RIVM), Deltares en Wageningen University and Research (WUR) de conclusie
is gebaseerd dat de stikstofaanpak van het kabinet-Schoof onvoldoende zou zijn om
de vergunningverlening op gang te brengen?
Antwoord
Het PBL heeft namens het kennisconsortium een reflectie op de plannen van het kabinet
Schoof gepubliceerd.1 Hierin stellen zij (onder slide 2) dat de reflectie geen uitspraak kan doen over
«Nederland van het slot», maar alleen kijkt naar de effecten van de voorgestelde maatregelen
op bijvoorbeeld de stikstofdepositie.
De reflectie concludeert dat de voorgestelde stikstofaanpak onvoldoende is om aan
de wettelijke doelen (omgevingswaarden) voor 2030 en 2035 te voldoen. Die conclusie
kan worden getrokken omdat de voorgestelde emissiereductie minder is dan benodigd
volgens berekening van het RIVM.2
10.
Kunt u toelichten waarom eind 2025 slechts 14 Programma Aanpak Stikstof (PAS)-melders
een onherroepelijke vergunning hadden, terwijl op dat moment 1.364 meldingen voldeden
aan de criteria om voor een oplossing in aanmerking te komen?
Antwoord
– De aanpak van het legalisatieprogramma dat liep van 2022–2025 ging uit van legalisatie
door middel van bronmaatregelen. Deze aanpak heeft slechts gezorgd voor de legalisatie
van 7 PAS-melders. 7 andere PAS-melders zijn opgelost door een andere route. Dat is
zeer teleurstellend.
– Dit beperkte effect heeft 3 redenen gehad namelijk:
○ De doorlooptijd voor het opzetten en uitvoeren van een regeling is lang en gecompliceerd
geweest en de opbrengst in stikstofreductie van de regelingen kwam pas erg laat ter
beschikking.
○ Daarnaast moet de ruimte die vrijkomt uit een bronmaatregel niet noodzakelijk zijn
om behoud van Natura 2000-gebieden te borgen. Gedurende de uitvoering van het eerste
legalisatieprogramma werd duidelijk dat gezien de staat van de natuur op veel plekken
meer depositiedaling in de Natura 2000-gebieden nodig was om behoud te borgen (additionaliteit).
Hierdoor kon stikstofruimte uit bronmaatregelen niet meer betrokken worden bij een
vergunningsaanvraag.
○ Daar waar ruimte betrokken kan worden bij een vergunning moet de ruimte ook op exact
dezelfde hexagonen matchen met de depositie van een PAS-melding. Er is nauwelijks
sprake van passende ruimte voor PAS-melders.
– Dit alles zorgde ervoor dat legalisatie met bronmaatregelen onvoldoende resultaten
heeft opgeleverd.
– Er is een nieuwe aanpak ontwikkeld die gericht is op maatwerk. Het doel is om op bedrijfsniveau
te kijken naar hoe het bedrijf met een PAS-melding weer in een legale situatie kan
komen. De verwachting is dat dit gedurende de looptijd van de opvolger van het legalisatieprogramma
tot veel meer PAS-melders met een structurele oplossing zal leiden.
11.
Kan uiteengezet worden welke emissie- en lozingsbronnen de grootste risico’s vormen
voor het niet halen van de Kaderrichtlijn Water (KRW)-doelen?
Antwoord:
In 2025 heeft de Landsadvocaat een analyse uitgevoerd naar de stand van zaken van
de risico’s met betrekking tot de KRW. Deze analyse is met de Kamer gedeeld (Kamerstukken
27 625, nr. 716). Uit deze analyse blijkt dat Nederland voor de meeste doelen aan de KRW kan voldoen,
doordat deze doelen ofwel bereikt zullen zijn, ofwel een beroep op een legitieme uitzondering
kansrijk lijkt. Daar waar doelen niet gehaald worden doordat maatregelen die feitelijk
niet onmogelijk zijn, achterblijven, is een beroep op een uitzondering juridisch gezien
minder robuust. Dit betreft volgens de Landsadvocaat met name de normoverschrijdingen
voor nutriënten, aan de uitspoeling van nutriënten gerelateerde metalen, gewasbeschermingsmiddelen
en in mindere mate ook de biologische doelen (namelijk vooral waar die gekoppeld zijn
aan de negatieve effecten van gewasbeschermingsmiddelen en nutriënten). Er blijft
ook een significante groep gevallen over waarin niet op voorhand gezegd kan worden
hoe kansrijk het inzetten van een uitzondering is.
12.
Hoeveel extra kosten worden verwacht voor waterzuivering?
Antwoord:
De Kamer zal voor de zomer worden geïnformeerd over de resultaten van een studie naar
de kosten voor het zuiveren van grondwater voor drinkwater wanneer de emissies van
stoffen uit bestrijdingsmiddelen naar het water gelijk blijven.
13.
Kunt u toelichten hoe de toename van de bezetting bij de Nederlandse Voedsel en Warenautoriteit
(NVWA) met 475 fulltime-equivalent (fte) in 2025 zich verhoudt tot de voorgenomen
bezuinigingen op de apparaatsuitgaven uit het Hoofdlijnenakkoord?
Antwoord:
Conform de SGO lijn die is afgesproken levert de NVWA haar bijdrage aan de apparaat-taakstelling
uit het HLA Schoof. In de jaren 2025 t/m 2029 0,5% per jaar oplopend naar 2,5% in
2029. Daarnaast heeft de NVWA in 2025 veel meerwerk opdrachten ontvangen vanuit nieuwe
wet- en regelgeving, zoals voor Vapes, Mest, Ontbossing en Cyber security. Tot slot
heeft de NVWA in 2025 additionele middelen vanuit het Coalitieakkoord Rutte IV ontvangen
om de taken en middelen verder in balans te brengen
14.
Hoe wordt de uitvoeringsverordening ((EU) 2023/564) die telers verplicht om vanaf
2027 digitaal hun spuitregisters bij te houden deze registratieplicht bij telers gecontroleerd
en gehandhaafd?
Antwoord:
Telers hebben nu reeds de verplichting om een gebruiksregistratie bij te houden. Met
de inwerkingtreding van uitvoeringsverordening ((EU) 2023/564) wordt het verplicht
om deze registratie digitaal bij te houden. In de praktijk houden de meeste telers
deze gebruikstelers al digitaal bij. De NVWA controleert telers reeds op het bijhouden
van een correcte gebruiksregistratie, dit verandert niet.
15.
Worden de gegevens van telers die digitaal hun spuitregisters bijhouden vanuit de
overheid centraal verzameld? Zo nee, waarom niet?
Antwoord:
De verplichting om gebruiksgegevens digitaal te registreren betreft puur de registratie
door de teler zelf. Deze digitale registratie kan gebruikt worden voor de verplichte
CBS-gebruiksenquête waarvoor telers gegevens dienen aan te leveren. De verplichting
voor het bijhouden van gebruiksgegevens in digitale vorm uitvoeringsverordening ((EU)
2023/564) geeft geen directe aanleiding om gegevens centraal te verzamelen.
16.
Hoe wordt uitvoering gegeven aan de in 2023 aangenomen motie van het lid Tjeerd de
Groot (Kamerstuk 21 501-32, nr. 1528) en de in 2025 aangenomen motie van het lid Podt (Kamerstuk 27 858, nr. 728) waarin wordt opgeroepen tot centrale registratie van het professioneel bestrijdingsmiddelengebruik
op percelen en coördinatie door een onafhankelijke autoriteit?
Antwoord:
Zoals eerder aan uw Kamer gemeld (Kamerstuk 27 858, nr. 734) wordt gewerkt aan een benchmarkingsystematiek als invulling van deze moties. Hierbij
is aangegeven dat de data van professioneel middelengebruik in het benchmarkingsysteem
privaat beheerd wordt en dit systeem voorziet in jaarlijkse rapportages met geaggregeerde
gegevens over het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen in teelten, onder andere te
gebruiken bij beleidsevaluaties en statistiekverplichtingen. Voor handhavende diensten
is toegang tot (individuele) gegevens een belangrijk streven, daarom wil ik de mogelijkheden
daartoe onderzoeken. Dit vraagt om een gedegen uitwerking. Ik zal dit ook bespreken
in het kader van het convenant.
17.
Op welke wijze geeft Nederland uitvoering aan de Statistics on agricultural input
and output (SAIO)-verordening?
Antwoord:
Voor elk onderdeel van de SAIO zijn er EU-implementatieverordeningen aangenomen, waarmee
een praktische en inhoudelijke invulling gegeven wordt over wat er precies aan SAIO-cijfers
geleverd dient te worden per lidstaat. Het Centraal Bureau voor de Statistiek is primair
verantwoordelijk om deze gegevens aan te leveren aan Eurostat (het Europees statistisch
bureau te Luxemburg) namens Nederland. Zowel het CBS als Eurostat publiceren de gegevens
op hun eigen websites.
18.
Hoe kan Nederland voldoen aan de verplichting om de correcte gebruiksdata bij de Europese
Unie aan te leveren als ongeveer 50 procent van de in Nederland verkochte bestrijdingsmiddelen
op onverklaarbare wijze uit de gebruiksgegevens verdwijnt?
Antwoord:
Het SAIO-onderdeel gewasbescherming bestaat uit twee delen. De afzetcijfers en de
gebruikscijfers. Deze hebben niet dezelfde scope. De insteek van de statistiek over
de verkochte gewasbeschermingsmiddelen is om volledig te zijn. Bij de gebruikscijfers
is dat niet zo. Het gebruik hoeft niet voor alle gewassen opgevraagd te worden. Ook
zijn er middelen die buiten de landbouw gebruikt worden, die buiten de SAIO-scope
vallen. In Nederland wordt het gebruik buiten de landbouw als klein ingeschat door
strengere regelgeving.
19.
Op welk gedeelte van de Nederlandse telers en landbouwareaal ziet de SAIO-rapportageverplichting?
Antwoord:
De vereiste dekking staat beschreven in artikel 4 lid 5 in de SAIO. Voor de monitoring
van het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen geldt een transitie, conform artikel
14 in de SAIO. Voor verslagjaar 2026 bestaat een verplichte lijst van gewassen (via
EU-implementatieverordening 2023/1537), die door elke EU-lidstaat gehanteerd dient
te worden. Op EU-niveau dekt deze lijst (aangevuld met grasland, dat niet op de EU-lijst
staat) 75 procent van het landbouwareaal in de EU. Concreet zal CBS dezelfde gewassen
uitvragen als in 2024 aangevuld met zonnebloemen en wijndruiven die op de gemeenschappelijke
lijst staan in de conventionele landbouw. In de biologische teelt beperken het zich
tot de gemeenschappelijke lijst. In het najaar van 2027 zal het CBS evalueren of er
met deze lijst de vanaf 2028 verplichte 85% gehaald wordt of dat er nog aanpassingen
nodig zijn voor 2028.
20.
Welke Europese lidstaten hebben aantoonbaar effectievere handhavingssystemen voor
gewasbeschermingsmiddelen en wat kan Nederland daarvan leren?
Antwoord:
De NVWA heeft in Europees verband regelmatig contact met handhavende instanties in
andere lidstaten. Door het grote verschil waarop handhaving en wet- en regelgeving
in andere lidstaten geregeld is, kan er niet gesteld worden dat het ene land betere
handhaving heeft dan het andere. Geleerde lessen uit contacten met andere lidstaten
neemt de NVWA mee om haar eigen handhavingsbeleid vorm te geven of om suggesties te
doen om beleid aan te scherpen.
21.
Waarom is de doelstelling in het jaarplan van de NVWA gewijzigd van «90 procent van
de regels worden nageleefd» naar «vermindering van blootstellingsrisico’s»?
Antwoord:
Voortschrijdend inzicht. Het was een ambitieus doel, maar het is een overschatting
van de bijdrage die NVWA kan leveren aan het verhogen van de naleving. Het verhogen
van de naleving hangt af van vele factoren, waaronder de intrinsieke motivatie en
het kennisniveau van een teler, heldere, eenduidige wetgeving en passende sancties.
Toezicht & handhaving zit aan het eind van de keten en toetst in de praktijk in hoeverre
aan de wet- en regelgeving voldaan wordt. De primaire verantwoordelijkheid voor correcte
naleving van wet- en regelgeving ligt bij de teler en de sector zelf.
22.
Kunt u toelichten wat de oorzaak is van de daling in de naleving van regels voor gewasbeschermingsmiddelen
naar 68 procent in 2025, terwijl de eerdere doelstelling van de NVWA was gesteld op
90 procent?
Antwoord:
De doelstelling van 90% naleving was ambitieus en doet geen recht aan de rol en mogelijkheden
van het toezicht (de NVWA). Uit inspectiegegevens blijkt dat de naleving op het gebied
van gewasbescherming, die afhankelijk is van vele factoren (zie vraag 21), structureel
rond de 70% schommelt.
23.
Waarom kon bij de «Tijdelijke subsidieregeling sanering garnalenvisserij» niet worden
aangetoond dat aan de subsidievoorwaarden was voldaan en welke controlemechanismen
ontbraken?
Antwoord:
Bij de subsidieaanvraag zijn twee verklaringen niet opgevraagd. Deze verklaringen
hebben betrekking op het feit dat de begunstigde de subsidie niet inzet voor de vervanging
of modernisering van een hoofd- of hulpmotor van een vissersvaartuig en dat de begunstigde
op de hoogte is dat er documenten (zoals vergunningen) worden ingetrokken die bij
het schip horen dat wordt gesaneerd. Inmiddels zijn alle verklaringen ontvangen en
kan RVO voort met de subsidievaststellingen.
24.
Kunt u toelichten welke concrete maatregelen zijn getroffen naar aanleiding van de
geconstateerde fout van 19,7 miljoen euro door het niet naleven van aanbestedingsregels
bij artikel 22?
Antwoord:
De fout van € 19,7 miljoen is een zgn. geëxtrapoleerde fout. Hierbij heeft de ADR
de bevindingen uit hun steekproef op inkopen toegepast op de rest van de data. In
het inhuurproces heeft de ADR geconstateerd dat kandidaten (in deze: potentiële inhuurkrachten)
zijn aangenomen die niet voldoen aan de eisen zoals opgeschreven in de offerteaanvraag.
LVVN houdt zich aan het door het IUC aangepaste proces. Per 1 mei jl. is een nieuwe
werkwijze geïntroduceerd dat op verschillende plekken in het inhuurproces voor meer
grip zorgt. Het inhuurformulier wordt aangepast waardoor minder ruimte is voor een
grote hoeveelheid eisen en door deze in overleg met de inkoper te beperken tot duidelijke,
objectief toetsbare en SMART-geformuleerde minimumeisen. In het offerteformulier geeft
de leverancier aan bij zowel de eisen als de wensen op welke wijze de kandidaat hieraan
voldoet. In het beoordelingsformulier licht de beoordelaar per aangeboden kandidaat
toe op welke wijze de kandidaat voldoet aan de eisen en wensen. Daarnaast wordt per
kandidaat aangegeven of er een verificatiegesprek heeft plaatsgevonden waardoor deze
te herleiden zal zijn uit de beoordeling. Het IUC controleert of de voornemens te
gunnen kandidaat voldoet aan de gestelde eisen.
Ondertekenaars
-
Eerste ondertekenaar
H.S. Steen, voorzitter van de vaste commissie voor Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur -
Mede ondertekenaar
R.P. Jansma, griffier