Brief regering : Verzamelbrief dierenwelzijn
28 286 Dierenwelzijn
Nr. 1479
BRIEF VAN DE STAATSSECRETARIS VAN LANDBOUW, VISSERIJ, VOEDSELZEKERHEID EN NATUUR
Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 29 juni 2026
In deze brief informeer ik de Kamer over een aantal moties en toezeggingen over het
welzijn van dieren buiten de veehouderij. Voorafgaand aan het debat van 3 september
2026 over dieren buiten de veehouderij, ontvangt u van mij nog een brief met mijn
visie en plannen voor dieren buiten de veehouderij. Daarbij ga ik in op verschillende
onderwerpen zoals de positieflijsten waarmee wordt vastgesteld welke dieren gehouden
mogen worden, verantwoord houderschap en het (fok)beleid rond honden.
In de brief die u nu ontvangt, ga ik in op de:
– Motie inzake een einde maken aan de handel in kortsnuitige honden uit het buitenland
(Kamerstuk 36 800 XIV, nr. 63)
– Toezegging brief over de omgang met huisdieren (TZ202604-056)
– Toezegging informeren over de chip- en registratieplicht van katten (TZ202510-062)
– Toezegging terugkoppeling gesprekken met DierVizier m.b.t. pilot die gemeenten kunnen
doen met TNRC (TZ202510-065)
– Toezegging informeren over de gesprekken met gemeenten en provincies over financiering
van wildopvang (TZ202510-060)
– Motie inzake een verbod op reptielenbeurzen (Kamerstuk 36 800 XIV, nr. 45)
Tevens stuur ik de voortgang mee op twee onderwerpen over dieren in de veehouderij:
– Verlenging van de vrijstelling op het verbod van de snavelbehandeling bij moederdieren
van trager groeiende vleeskuikens
– Constructieve veiligheid stalvloeren
Motie van het lid Kostić c.s. over een einde maken aan de handel in kortsnuitige honden
uit het buitenland (Kamerstuk 36 800 XIV, nr. 63 en TZ202604-056)
De aangenomen motie van de leden Kostić, Den Hollander, Graus en Grinwis verzoekt
de regering binnen een halfjaar met een plan te komen hoe er definitief en zo snel
mogelijk een einde kan worden gemaakt aan de handel in kortsnuitige honden uit het
buitenland die niet in Nederland mogen worden gefokt. Op de invulling van deze motie
ha ik hieronder in. Daarnaast ga ik in, zoals toegezegd aan het lid Kostić (TZ202604-056),
op de vergelijking met het handelsverbod zoals in Vlaanderen en het verplichten van
meetformulieren van handelaren in buitenlandse pups.
Ik deel de wens om zo spoedig mogelijk een einde te maken aan de handel in extreem
kortsnuitige honden uit het buitenland. Dit is alleen lastig te realiseren, omdat
met de huidige kennis nog niet bij een puppy kan worden vastgesteld of deze uitgroeit
tot een extreem kortsnuitige hond en de ouderdieren niet altijd in beeld zijn op het
moment van verhandelen. Bovendien gelden in het buitenland andere vereisten ten aanzien
van het fokken met kortsnuitige honden en is toezicht op het grensverkeer lastig vanwege
het ontbreken van standaard grenscontroles (in verband met het vrij verkeer van goederen
binnen de EU). Daarom heeft er op 12 februari en 27 mei 2025 overleg plaatsgevonden
tussen verschillende dierenwelzijnsorganisaties1, LVVN en de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA), waarin de mogelijkheden
zijn verkend om de import van kortsnuitige honden waarmee in Nederland niet gefokt
mag worden een halt toe te roepen. Hierbij is ook gekeken naar het handelsverbod zoals
Vlaanderen dit kent, en de mogelijkheid om meetformulieren te verplichten voor handelaren
in buitenlandse pups.
Van de verkende opties bleek alleen een houdverbod voor extreem kortsnuitige honden
uitvoerbaar, handhaafbaar en effectief. Met een houdverbod wordt zowel aanbod als
vraag ontmoedigd, omdat de handelaar én de koper kunnen worden aangepakt. Bovendien
is het vaststellen van het op enig moment in bezit hebben (gehad) van een extreem
kortsnuitige hond voldoende om handhavend op te treden. Ik zet mij daarom in om dit
houdverbod zo spoedig mogelijk te realiseren. Hiervoor heb ik de resultaten van het
onderzoek naar de schedelontwikkeling van kortsnuitige puppy’s van het Expertisecentrum
Genetica Diergeneeskunde (EGD) nodig. Hiermee wordt het namelijk mogelijk om te bepalen
of een kortsnuitige pup opgroeit tot een hond waarmee volgens de beleidsregel brachycephale
(kortsnuitige) honden gefokt zou mogen worden of niet. Ik verwacht de resultaten van
het onderzoek in december 2027, waarna ik zo spoedig mogelijk stappen zet om een houdverbod
in procedure te brengen. Uiteraard bereid ik lopende het onderzoek een algemene maatregel
van bestuur (AMvB) die hiervoor nodig is al voor. Dit verbod zal vergelijkbaar zijn
met het houdverbod voor katten met vouworen en naaktkatten, dat op 1 januari 2026
in werking is getreden.
Met deze invulling beschouw ik motie met Kamerstuk 36 800 XIV, nr. 63 als afgedaan.
Handelsverbod Vlaanderen
Vlaanderen kent sinds 1 oktober 2021 een verbod op het fokken en verhandelen van katten
en honden die «een erfelijke aandoening vertonen die niet kan worden verholpen via
oordeelkundige paringscombinaties tussen kweekdieren binnen de raspopulatie», waarbij
aan de Minister «delegatie» is verleend om de betrokken erfelijke aandoeningen te
bepalen2. Tot op heden zijn enkel katten met vouworen (Scottish fold) aangewezen voor dit
handelsverbod3. De Vlaamse overheid koos hiervoor omdat ook als dit ras wordt gekruist met een gezonde
ouder er voor een groot deel ongezonde kittens worden geboren. Voor andere aandoeningen
van «doorgefokte» gezelschapsdieren waarbij door kruisen met een gezonde ouder gezonde
nakomelingen geboren kunnen worden, stelt Vlaanderen geen fok- en handelsverbod in.
En als het gaat om het fokken met kortsnuitige honden gelden in Vlaanderen minder
strenge criteria dan in Nederland. Vooralsnog worden alleen honden met ernstige ademhalingsproblemen,
te korte stop (overgang van de neusrug naar het voorhoofd, ongeveer ter hoogte van
de ogen) en nauwe neusgaten uitgesloten van de fok4. Het handelsverbod in Vlaanderen kan dan ook niet gebruikt worden als voorbeeld voor
een mogelijk handelsverbod in Nederland.
Verplichten van meetformulieren voor handelaren van buitenlandse pups
Het lid Kostić opperde tijdens het begrotingsdebat LVVN op 19 maart 2026 de optie
om handelaren in buitenlandse pups te verplichten om ten aanzien van die pups zogeheten
meetformulieren bij zich te hebben. Bij iedere enigszins kortsnuitige puppy die geïmporteerd
wordt zou dan een dierenartsverklaring moeten zitten voor beide ouderdieren van de
meetresultaten van de zes criteria die in Nederland worden aangehouden voor het fokken
met kortsnuitige honden. Hoewel dit een sympathiek idee is, is dit in de praktijk
helaas niet uitvoerbaar. Het is namelijk niet mogelijk om vast te stellen of meegeleverde
meetformulieren daadwerkelijk van de ouderdieren van de geïmporteerde pup zijn. Daarnaast
kunnen we niet van buitenlandse dierenartsen vragen of verwachten dat zij controleren
of fokdieren in het buitenland voldoen aan Nederlandse wetgeving. Hiervoor moeten
zij zich bekwamen in het meten van deze Nederlandse criteria, en moeten zij deze toepassen
op beide ouderdieren, terwijl het vaderdier vaak niet in beeld is. Het verplichten
van meetformulieren voor handelaren van buitenlandse pups is dus geen oplossing om
de import van extreem kortsnuitige honden tegen te gaan.
Toezegging informeren over chip- en registratieplicht kat (TZ202510-062)
De toenmalige Minister van LVVN heeft in 2023 toegezegd een landelijke chip- en registratieplicht
voor katten in te voeren. Deze maatregel moet ervoor zorgen dat vermiste katten sneller
worden herenigd met hun eigenaar, wat het welzijn van het dier ten goede komt en wat
ook in het belang van de houder is. Tijdens het debat op 2 oktober 2025 zegde mijn
voorganger toe de Kamer in het voorjaar van 2026 te informeren over de stand van zaken
rondom de chipplicht.
Sinds de toezegging is de voorbereiding van de invoering ter hand genomen. Zo heeft
een breed sectoroverleg plaatsgevonden, waaraan onder andere natuurorganisaties, minima-vertegenwoordiging
en dierenwelzijnsorganisaties deelnamen, en zijn de contouren van de ontwerpregelgeving
nu uitgewerkt.
Het project heeft vertraging opgelopen, omdat er geen uitvoerder beschikbaar was voor
het chip- en registratiesysteem. Inmiddels zijn hier afspraken over gemaakt met de
Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO) en kunnen verdere stappen worden gezet.
De eerste stappen bestaan uit het doen van de vereiste toetsen (zoals een privacytoets,
regeldruktoets en uitvoerbaarheidstoets) en het aanbieden van de regelgeving ter internetconsultatie.
Ik verwacht de internetconsultatie in het najaar te kunnen starten. Ik beschouw hiermee
de toezegging als afgedaan.
Toezegging terugkoppeling gesprekken met DierVizier m.b.t. pilot die gemeenten kunnen
doen met TNRC (TZ202510-065)
Tijdens het debat op 2 oktober 2025 vroeg lid Kostić aan mijn voorganger om samen
met gemeenten een pilot voor TNRC (Trap, Neuter, Return & Care) voor zwerfkatten te
starten. Mijn voorganger zegde toe dat hij dit zou aankaarten bij DierVizier omdat
hij veronderstelde dat dit echt bij de gemeenten thuishoort. DierVizier is het kennisplatform
voor gemeenten over dierenwelzijnsgerelateerde beleidsvraagstukken, waar een steeds
grotere groep gemeenten bij is aangesloten.
Aan het begin van dit jaar is dit punt met DierVizier besproken. Verschillende gemeenten
zijn bereid een pilot te starten op dit gebied en trekken daarbij graag gezamenlijk
op met andere overheidslagen en dierenhulporganisaties. Ik ben blij met het initiatief
en het enthousiasme vanuit gemeenten hierin. Ik beschouw hiermee de toezegging als
afgedaan.
Toezegging gesprek provincies en gemeenten financiering wildopvang (TZ202510-060)
Tijdens het debat op 2 oktober 2025 zegde mijn voorganger toe de Kamer te informeren
over de gesprekken met gemeenten en provincies aangaande financiering van de wildopvang.
De aanleiding is een amendement dat vorig jaar is aangenomen op de begroting van LVVN
(Kamerstuk 36 725 XIV, nr. 14). Met dit amendement stelt het Rijk jaarlijks € 0,9 miljoen beschikbaar voor de periode
2025–2029, specifiek ter ondersteuning van de Nederlandse wildopvangcentra. In de
toelichting van het amendement wordt gerefereerd aan een voorstel van de Spreekbuis
Wildopvang en Dierenambulances, waarin provincies en gemeenten ook financieel bijdragen
aan de wildopvang.
In de verzamelbrief van januari van dit jaar (Kamerstuk 28 286, nr. 1416) koppelde mijn voorganger de gesprekken met provincies al terug. Inmiddels is ook
met een groep gemeenten gesproken over dit onderwerp. Deze gemeenten bleken bijzonder
betrokken te zijn bij de lokale wildopvang en dierenambulances. Veel van de gemeenten
leveren al een financiële bijdrage aan wildopvangcentra, soms individueel en soms
in samenwerking met omliggende gemeenten. Gemeenten geven aan zich medeverantwoordelijk
te voelen voor de wildopvang, mede vanwege hun visie op de zorgplicht voor hulpbehoevende
wilde dieren en de rol die wildopvangcentra en dierenambulances vervullen bij het
verzorgen van hulpbehoevende wilde dieren binnen gemeentegrenzen. Tegelijkertijd benadrukken
gemeenten het belang van gezamenlijke inzet van alle overheidslagen en spreken zij
de wens uit om samen met provincies en het Rijk op te trekken in de ondersteuning
van de wildopvang.
Ik kijk terug op constructieve gesprekken en waardeer de betrokkenheid die gemeenten
tonen op dit dossier. Omdat wildopvangcentra zowel een lokale als regionale functie
hebben roep ik gemeenten en provincies op om de samenwerking op te zoeken als het
gaat om de ondersteuning van wildopvangcentra. Ik beschouw hiermee de toezegging als
afgedaan.
De middelen vanuit het amendement voor het jaar 2025 zijn inmiddels verdeeld over
de wildopvangcentra. De middelen voor de resterende vier jaar stel ik met een subsidieregeling
beschikbaar. Hiermee geef ik mede invulling aan één van de punten uit de motie over
het Dierendagakkoord (Kamerstuk 28 286 nr. 1419).
Motie verbod reptielenbeurzen (Kamerstuk 36 800 XIV, nr. 45)
Op 24 maart jl. is de motie van de leden Graus en Kostić (PVV en PvdD) aangenomen
voor een verbod op reptielenbeurzen vanwege het dierenwelzijn (Kamerstuk 36 800 XIV, nr. 45). In deze brief informeer ik de Kamer hoe ik invulling zal geven aan deze motie.
Ik vind het belangrijk dat dierenwelzijn te allen tijde gewaarborgd is, zo ook van
reptielen en amfibieën in tijdelijke huisvesting op beurzen. Wanneer dit niet het
geval blijkt te zijn ben ik bereid om over te gaan tot een verbod. Dit is echter een
verregaande maatregel, de stappen daar naartoe wil ik wel overwogen en in afstemming
met de Kamer nemen. In deze brief neem ik de Kamer graag mee in mijn overwegingen.
Een verbod op reptielenbeurzen vanwege dierenwelzijn vereist een goede onderbouwing.
Een verbod moet geschikt, nodig en proportioneel zijn om het doel te realiseren. De
regering moet daarvoor duidelijk maken dat minder vergaande maatregelen dan een verbod
geen optie zijn. Het invoeren van een verbod met onvoldoende onderbouwing kan ertoe
leiden dat het verbod geen standhoudt bij de rechter. Ook kan een verbod ertoe leiden
dat handel in de illegaliteit verdwijnt. Tegen die achtergrond wil ik eerst een stap
zetten in het verduidelijken van de dierenwelzijnsvoorschriften voor reptielenbeurzen
door middel van een beleidsregel, die invulling geeft aan de open normen in relatie
tot het tijdelijk huisvesten van reptielen en amfibieën gedurende een beurs, tentoonstelling
of markt (artikelen 1.6, 1.7, 1.8 en 3.12 van het Besluit houders van dieren). Zoals
eisen ten aanzien van de afmetingen, temperatuur en inrichting van de tijdelijke huisvesting.
Het ontwerp van deze beleidsregel is in een ver gevorderd stadium en is gereed om
de vereiste procedures te doorlopen voordat tot vaststelling kan worden overgegaan
(bedrijfseffecten-toets, internetconsultatie, uitvoerings- en handhavingstoetsen en
notificatie bij de Europese Commissie).
Een beleidsregel heeft bovendien als voordeel dat de kans dat handel in de illegaliteit
verdwijnt kleiner zal zijn dan bij een verbod, of dat de handel zich verplaatst naar
het buitenland of online, wat kan leiden tot meer transport van deze dieren. Ook blijft
dan de mogelijkheid voor RVO om op de beurzen gericht voorlichting te geven over CITES-regelgeving
en handel in reptielen en voor de toezichthouders (Landelijke Inspectiedienst Dierenwelzijn
(LID) en NVWA) om voorlichting te geven over welzijn en gezondheid van dieren.
Tegelijkertijd werk ik een verbod wel verder uit, zodat wanneer deze klaar is met
de Kamer kan worden afgewogen of de regelgeving daarvoor in procedure kan worden gebracht
of dat we voldoende verbetering zien. Wanneer blijkt dat de beleidsregel tot onvoldoende
vooruitgang op dierenwelzijn heeft geleid kan dit juist ook helpen met de juridische
noodzakelijke onderbouwing van een verbod. Daarmee werken we ook in de komende jaren
aan verbetering van dierenwelzijn zonder jaren vertraging op te lopen. Ik beschouw
hiermee de motie als afgedaan.
Verlenging vrijstelling ingreep pluimvee
In het kader van de ontwikkeling naar een dierwaardige veehouderij werk ik naar een
veehouderij zonder ingrepen. Voor de pluimveesector wordt, via de Stuurgroep Ingrepen
Pluimvee5, al geruime tijd gewerkt aan het verantwoord uitfaseren van de ingrepen en is de
ingreep aan de snavel voor ruim 90 procent van het in Nederland gehouden pluimvee
al verboden. Voor een kleine groep, waaronder de moederdieren van trager groeiende
vleeskuikens, is nog een vrijstelling ingeregeld. De ingreep wordt uitgevoerd om te
voorkomen dat de hennen en hanen elkaar beschadigen waarbij ernstige huid- en veerbeschadigingen
kunnen ontstaan die kunnen leiden tot de dood. Op 8 juni 2023 (Kamerstuk 28 286, nr. 1296) is de Kamer door mijn ambtsvoorganger geïnformeerd over de tijdelijke verlenging
van de vrijstelling voor de ingreep aan de snavel van moederdieren van trager groeiende
vleeskuikens tot 1 september 2026. Deze verlenging was conform het advies van de Stuurgroep.
De Stuurgroep heeft inmiddels een nieuw advies uitgebracht over deze ingreep (zie
bijlage). In het advies komt de Stuurgroep tot de conclusie dat de resultaten van
het onderzoek in de praktijk, onder begeleiding van onderzoekers, verder moeten worden
onderzocht en succesvol moeten blijken voordat een verbod op deze ingreep verantwoord
kan ingaan. Door de Stuurgroep wordt daarom unaniem een verlenging van de vrijstelling
met drie jaar (tot 1 september 2029) geadviseerd. Uiterlijk 1 juli 2028 zal de Stuurgroep
een tussenevaluatie opleveren. Als uit deze evaluatie blijkt dat de vrijstelling eerder
kan vervallen zal de Stuurgroep mij daarover adviseren. De periode na 1 juli 2028
zal worden gebuikt door houders om de benodigde managementmaatregelen te implementeren.
Ondanks dat het verlengen van een vrijstelling op het uitvoeren van de ingreep aan
de snavel tegenstrijdig is met de ontwikkeling naar een dierwaardige veehouderij vind
ik het wel van belang dat de datum, net als de ingangsdata voor de andere maatregelen,
zorgvuldig en verantwoord dient te worden gekozen. Gelet op voorgaande zal ik het
advies van de Stuurgroep dan ook overnemen en de vrijstelling verlengen tot 1 september
2029.
Constructieve veiligheid stalvloeren
In de media verschijnen regelmatig berichten over inzakkende stalvloeren waarbij veehouderijdieren
in de mestput vallen. Daarbij raken dieren soms gewond en komen soms te overlijden.
Zoals ook aangegeven in de antwoorden op de schriftelijke vragen van de eerste suppletoire
begroting (Kamerstuk 36 915 XIV, nr. 6), zou de Kamer hier voor de zomer over worden geïnformeerd. Om nader inzicht in het
probleem te krijgen is door het Nederlands Instituut Publieke Veiligheid (NIPV) onderzoek
gedaan naar meldingen van inzakkende roostervloeren, aan de hand van meldkamerdata6. RVO heeft een media-analyse uitgevoerd, dat inzicht geeft in casussen die in het
nieuws zijn gekomen7. Een overzicht van meldingen en casussen vindt u in de in de rapporten (zie voetnoten).
De inzichten uit deze onderzoeken neem ik mee in verdere gesprekken met betrokken
partijen.
De Staatssecretaris van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur S.P.A. Erkens
Indieners
S.P.A. Erkens, staatssecretaris van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur