Brief regering : Versterking voor een circulaire economie juni 2026
32 852 Grondstoffenvoorzieningszekerheid
30 872
Landelijk afvalbeheerplan
Nr. 406
BRIEF VAN DE MINISTER VAN KLIMAAT EN GROENE GROEI
Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 25 juni 2026
Een tijdige transitie naar een circulaire economie draagt niet alleen bij aan de klimaatopgave
maar is door het belang van strategische grondstoffen in de huidige geopolitieke situatie
alleen maar urgenter geworden. Het kabinet streeft omwille van verduurzaming, concurrentiekracht
en weerbaarheid naar een volledig circulaire economie in 2050. In het coalitieakkoord
heeft het kabinet daarom de ambitie neergelegd om het Nationaal Programma Circulaire
Economie (NPCE) te versterken.
In deze brief informeer ik u over de focus die het kabinet de komende jaren wil aanbrengen
om die versterking vorm te geven. Ik zal als coördinerend Minister voor het circulaire-economiebeleid
met mijn collega’s in het kabinet in gesprek gaan over de uitwerking en u hierover
later dit jaar informeren. Daarnaast schets ik in deze brief enkele ontwikkelingen
ten aanzien van o.a. doorontwikkeling van beleidsinstrumenten en uitgevoerde onderzoeken.
Kiezen voor opschaling
Van pilots, first of a kind-installaties en koploperbedrijven naar de reguliere economie in Nederland: in de
transitie naar een circulaire economie is een schaalsprong nodig. Dat is de conclusie
van vele gesprekken met het bedrijfsleven en menig rapportage. De transitie naar een
circulaire economie is een systeemtransitie, met omvangrijke technologische, economische
en sociale vraagstukken: van producten anders ontwerpen en produceren, zodat we producten
langer (kunnen) gebruiken, naar het overstappen op nieuwe businessmodellen.
Voor opschaling of het mainstreammaken van een circulaire economie moet een economische propositie ontstaan waardoor
partijen circulair kunnen ondernemen.
Dat vraagt om een structurele vraag naar circulaire producten, wetgeving die een stip
op de horizon biedt via doelen en normen, kennis van ketens, versterkt instrumentarium
en bereidheid om de lineaire economie uit te faseren.
Voor een doeltreffende opschaling is het nodig met enkele productketens te starten.
Omdat ze van grote economische waarde zijn voor Nederland, in de ketens zelf al een
krachtige beweging richting circulariteit is ontstaan en deze dus klaar zijn voor
een schaalsprong. In de komende jaren wil het kabinet het NPCE versterken met meer
focus op de uitvoering en opschaling van circulaire oplossingen in de praktijk en
een gelijk speelveld creëren door knelpunten weg te nemen. We benutten onze sterke
uitgangspositie in de circulaire economie, met kansen voor circulaire bouw, groene
chemie (waaronder circulair plastic), en elektronica. Deze zijn verbonden aan (maatschappelijke)
urgente opgaven waarvoor circulariteit oplossingen biedt en betreffen (kritieke) grondstoffen
waarvan de leveringszekerheid op het spel staat. Ook bestaan er al samenwerkingsvormen
op deze drie onderwerpen die het mogelijk maken een volgende stap te zetten.
Uiteraard blijven we daarnaast kansen verkennen en pakken in andere sectoren, in het
bijzonder waar deze bijdragen aan het verlagen van onze CO2-voetafdruk.
Samen met de Minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening en de Minister
van Infrastructuur en Waterstaat, die verantwoordelijk zijn voor de bouwsector, de
Staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat, vanuit onze gedeelde verantwoordelijkheid
voor secundaire bouwstoffen en met de Minister van Economische Zaken en Klimaat, vanuit
onze gedeelde verantwoordelijkheid voor elektrische en elektronische apparaten, wil
ik, ook vanuit mijn verantwoordelijkheid voor de chemiesector, de handen hiervoor
ineenslaan. Onderstaande ontwikkelingen en onderzoeken kunnen we daarbij goed benutten.
Voor het einde van het jaar zult u nader geïnformeerd worden over de stand van zaken
en welke stappen we willen zetten om tot opschaling te komen. Ook zal worden aangegeven
hoe we de verwachte effecten ervan zullen meten.
Werken aan een circulaire economie
Hieronder schets ik ontwikkelingen, ook de uitvoering van enkele NPCE-maatregelen,
die de beweging naar een circulaire economie ondersteunen. Ik wil benadrukken dat
het een actuele stand van zaken betreft van slechts een deel van wat er gebeurt voor
de transitie.
Groene chemie
1. Onderzoek vraagcreatie voor toepassing duurzame koolstof
2. Verkenning mogelijkheden voor uitbreiding CBAM
Bouw
3. Nationale Aanpak Biobased Bouwen GWW
4. Milieuprestatie-eisen voor de Grond-, Weg- en Waterbouw
5. MKI-ondersteuningspunt
6. Toezegging PCB’s in gebouwen
Elektrische en elektronische apparaten
7. Onderzoek minimumnorm voor biobased en gerecycled plastic voor elektrische en elektronische
apparatuur in Kaderverordening Ecodesign
8. Stand van zaken Afgifteplicht afgedankte elektrische en elektronische apparaten
Coördinatie Nationaal Programma Circulaire Economie (NPCE)
9. Ketentafels NPCE
10. Nationale circulaire doelen voor productgroepen
11. Toezegging overzicht budgetten en instrumenten circulaire economie
Europees beleid en wet- en regelgeving
12. Onderhandelingsresultaat Europese Circulaire Voertuigenverordening
13. Toezegging Nederlandse inzet Circular Economy Act (CEA)
14. Beleidsagenda emissiereductie productketen
Kaders voor duurzaam grondstoffengebruik en afvalbeheer
15. Nieuw uitvoeringsprogramma VANG-Buitenshuis en verlenging uitvoeringsprogramma VANG-Huishoudelijk
Afval
16. Reactie op commissieverzoek over advies Commissie mer inzake CMP
17. Stand van zaken Werkprogramma storten
18. Internetconsultatie Kaderwet Circulaire Economie
Productbeleid
19. Vervolgonderzoek reparatiebonus
20. Vervolgonderzoek uitgebreide producentenverantwoordelijkheid voor meubels
21. Onderzoek strategieën om emissies van microplastics uit textiel te beperken
22. Onderzoek belasting op kunststof verpakkingen voor eenmalig gebruik
23. Verkenning inzameldoelstellingen Verpakkingenverordening
Sociaaleconomisch
24. Onderzoek circulaire arbeidsmarkt
25. Onderzoek bijdrage van circulariteit aan betaalbare energietransitie
Groene chemie
Om de chemische industrie te verduurzamen is het niet alleen nodig dat er wordt overgestapt
op duurzame energie, maar moet ook in het belang van onze strategische onafhankelijkheid
het grondstoffengebruik zoveel mogelijk van fossiel af. Dit betekent dat de chemie
voor haar grondstoffengebruik moet overstappen van koolstof uit fossiele bronnen zoals
olie of aardgas, naar duurzame koolstof op basis van secundaire grondstoffen uit (plastic)
recycling, duurzame biogrondstoffen of niet-fossiele CO2. Het gewenste grondstoffengebruik van de chemie van 2050 en de route daar naartoe
is beschreven in de kabinetsvisie op Duurzame Koolstof in de Chemische Industrie.1 In de transitie naar een circulaire en klimaatneutrale economie zijn duurzame biogrondstoffen
onmisbaar. Deze zijn ook schaars. Daarom moeten keuzes gemaakt worden over de inzet
van duurzame biogrondstoffen. Het Duurzaamheidskader biogrondstoffen2 geeft hier richting aan. In de EU wordt voor de zomer gestart met de implementatie
van het Strategisch kader voor een concurrerende en duurzame bioeconomie in de EU3.
Een belangrijke pijler in de opschaling van circulaire plastics zijn de Groeifonds
programma’s CPNL en Biobased Circular. Van het programma Biobased Circular heb ik
namens een breed consortium een brief ontvangen waarin ik verzocht word om de overheidssteun
voor de opschaling van biomaterialen te continueren. Ik zal hierover met mijn collega’s
in het kabinet in gesprek gaan.
1. Onderzoek vraagcreatie voor toepassing duurzame koolstof
In de Kamerbrief Duurzame Chemie4 is geconstateerd dat groene vraagcreatie, bij voorkeur op Europees niveau, essentieel
is voor de transitie van fossiele naar duurzame koolstof in de chemische industrie.
Om die reden is er een onderzoek uitgevraagd naar de productgroepen die het meest
geschikt zijn om de toepassing van duurzame koolstof in de chemische industrie te
stimuleren middels vraagcreatie in Europees beleid. In het rapport «From Why to How:
Creating Market Demand for Sustainable Carbon» van Haskoning (bijlage 1), worden op
basis van Europese productievolumes van chemische producten en door te kijken naar
de kosten, technologische volwassenheid en milieueffecten van een selectie van duurzame
alternatieven, geadviseerd om minimum aandelen van duurzame koolstof te verplichten
in productgroepen in textiel en verpakkingen. Deze aanbeveling is ondersteunend aan
en wordt gebruikt voor de inzet van het kabinet binnen onder andere de ESPR en PPWR
en in de werkgroep gericht op groene vraagcreatie in de Critical Chemical Alliance.
2. Verkenning mogelijkheden voor uitbreiding CBAM
Het rapport «Verkenning mogelijkheden voor de uitbreiding van het CBAM naar de kunststofsector»
van Ecorys (bijlage 2) onderzoekt hoe het Europese Carbon Border Adjustment Mechanism
(CBAM) kan worden uitgebreid naar plastics. Het doel van het CBAM is om koolstoflekkage
te voorkomen door een koolstofprijs te heffen op ingevoerde goederen uit landen van
buiten de Europese Unie. Het rapport identificeert drie uitdagingen om het CBAM voor
de kunststofsector goed uit te voeren: het meten van ingebedde emissies, de administratieve
lasten, en risico’s op fraude. De onderzoekers concluderen dat het CBAM het meest
effectief werkt als het instrument voor de gehele kunststofketen geldt. Een gedeeltelijke
invoering voor basischemicaliën, monomeren en polymeren binnen specifieke chemische
waardeketens lijkt beter uitvoerbaar, maar kent een weglekrisico via downstream producten.
Dit betekent dat het onder CBAM brengen van deze producten nu niet realistisch lijkt
vanwege complexe uitvoering.
Dit neemt niet weg dat in de tussentijd naar andere mogelijkheden gekeken moet worden.
Daar waar CBAM geen bescherming kan bieden voor het tegengaan van oneerlijke concurrentie,
blijft Nederland zich in Europees verband inzetten voor betere en effectievere instrumenten
om koolstoflekkage tegen te gaan. Zo werkt Nederland binnen de Critical Chemical Alliance
aan voorstellen voor het stimuleren van de vraag naar groene chemie. Ook zet Nederland
zich richting de aanstaande ETS1-herziening in voor een herverdeling van de toewijzing
van gratis rechten en verbeterde investeringsstimulans voor ETS-sectoren. Ten slotte
is Nederland betrokken bij de Circular Plastics Alliance (CPA) en haar werkgroepen.
De Commissie heeft de CPA eerder dit jaar opnieuw in het leven heeft geroepen met
als doel het versterken van het mondiale gelijke speelveld voor Europese plasticbedrijven.
In samenwerking met de sector wordt er gewerkt aan het in kaart brengen van de belangrijkste
marktontwikkelingen, uitdagingen en prioriteiten om zo mogelijke handelsmaatregelen
te identificeren.
Bouw
De woningbouw is een van de grote maatschappelijke opgaves voor dit kabinet en ook
voor de infrastructuur ligt er een grote opgave. Er gaan enorme hoeveelheden grondstoffen
en materialen in de bouw om. Daarom is de toepassing van andere, meer duurzame, bouwmaterialen
een belangrijke pijler in de transitie naar een circulaire bouweconomie, met winst
voor circulariteit, klimaat en milieu.
3. Nationale Aanpak Biobased Bouwen GWW
Eind 2023 is de Nationale Aanpak Biobased Bouwen (NABB) gelanceerd. De NABB heeft
als doel een markt voor biobased bouwen te ontwikkelen. Het programma is een samenwerking
tussen de Ministeries VRO, EZK en LVVN. Binnen de NABB wordt gewerkt aan de opzet
en opschaling van de hele biobased bouwketen, van de productie van vezelgewassen tot
en met de toepassing van eindproducten in de bouw (zowel de burgerlijke en utiliteitsbouw
(B&U) als de GWW). Voor de NABB is € 200 miljoen beschikbaar gesteld uit het Klimaatfonds.
Dit geld is verdeeld over de verschillende betrokken ministeries. Met het in procedure
brengen van de normerende maatregel (het wetsvoorstel «Milieuprestatie-eisen voor
de GWW» – zie punt 4 hieronder) komt het laatste deel van de stimuleringsmiddelen
voor de GWW uit het Klimaatfonds beschikbaar (het gaat om € 10,6 miljoen). Binnen
de NABB worden de middelen tot en met 2030 ingezet om de toepassing van biobased producten
in de GWW op te schalen.
De opschaling moet resulteren is schaalvoordelen zodat investeringen van ondernemers
terugverdiend kunnen worden. Daarnaast moeten opdrachtgevers in de GWW de transitie
maken naar het uitvragen en toepassen van andere (bouw-) materialen. Het doel is een
zelfstandig werkende markt voor biobased bouwmaterialen aan het einde van de NABB.
Het merendeel van het geld komt terecht bij bedrijven in de GWW die een biobased product
optimaliseren en testen, zodat deze op grote schaal commercieel kan worden toegepast.
Een mooi voorbeeld is een innovatiepartnerschap naar bioverrijkt asfalt, dat in het
najaar van 2025 is gestart. In bioverrijkt asfalt wordt het bitumen dat uit aardolie
wordt gewonnen (deels) vervangen door natuurlijke producten die onder andere uit de
teelt van gewassen kunnen worden gemaakt. Door deze vervanging wordt de CO2-impact van het asfalt significant verlaagd. Een coalitie van 16 publieke opdrachtgevers
trekt binnen het innovatiepartnerschap gezamenlijk op. De eerste fase van het innovatiepartnerschap
is gericht op onderzoek en ontwikkeling van het asfalt. In het najaar van 2026 worden,
verspreid over de 16 opdrachtgevers, proefvakken aangelegd met bioverrijkt asfalt.
Door intensief te testen en monitoren worden onder andere de levensduur en kwaliteit
van het asfalt bepaald. De tweede fase van het innovatiepartnerschap is de commerciële
fase. Hierin worden de ontwikkelde producten toegepast in werken die worden uitgevoerd
bij de verschillende opdrachtgevers.
In 2025 is ook een Innovation Impact Challenge (IIC) gestart op het gebied van biobased
geotextiel en drainagebuizen. Deze IIC is een innovatiecompetitie die wordt uitgevoerd
door RVO in opdracht van het Ministerie IenW. Binnen deze competitie worden ondernemers
uitgedaagd om hun biobased producten verder te ontwikkelen richting producten die
rijp zijn voor de markt. Vanuit de NABB is geld beschikbaar om ontwikkelkosten te
vergoeden.
In de loop van 2026 worden nog meer innovatiepartnerschappen opgestart. In de eerste
helft van 2026 start het innovatiepartnerschap biobased geluidschermen (in samenwerking
met Rijkswaterstaat) en later volgen biobased oeverbescherming en biobased brugonderdelen.
Biobased grondstoffen die in deze producten worden toegepast zijn onder andere hout,
miscanthus, vlas en wilg. De productie van deze grondstoffen is bij toenemende vraag
voldoende op te schalen.
Ook wordt de mogelijkheid van een launching customer-regeling uitgewerkt, waarbij
aanbesteders éénmalige (meer-)kosten vergoed kunnen krijgen. Ondernemers worden zo
geholpen bij het vergroten van het aanbod van biobased producten. Het NABB richt zich
ook op de opdrachtgevers in de GWW. Door hen actief te betrekken bij de ontwikkeling
van biobased producten in de GWW, wordt het voor hen meer standaard om biobased producten
uit te vragen en toe te passen. Met de combinatie van de gekozen instrumenten is beoogd
om het grootst mogelijke effect met beperkte financiële middelen te bereiken. Dit
alles moet er toe leiden dat aan het eind van het programma (2030) zowel de vraag
naar als het aanbod van biobased producten in de GWW is opgeschaald.
4. Milieuprestatie-eisen voor de grond-, weg- en waterbouw
Het Ministerie van EZK werkt aan een wijziging van de Wet milieubeheer om de milieu-impact
van de Grond-, Weg-, en Waterbouwsector (GWW) te verlagen en eenduidigheid in inkoop
te realiseren.5 Met het wetsvoorstel komt er een verplichting voor aanbestedende diensten en speciale-sectorbedrijven
om milieuprestatie-eisen mee te nemen in aanbestedingen in de GWW. De milieuprestatie
wordt mede bepaald aan de hand van de milieukostenindicator (MKI). Het wetsvoorstel
regelt de volgende twee onderwerpen:
1) Aanbestedende diensten en speciale-sectorbedrijven worden verplicht om minimumeisen
aan de milieuprestatie van de meest impactvolle materialen (beton en asfalt) te stellen.
De prestatie-eisen zijn erop gericht om het minder goed presterende deel van de markt
te verbeteren. Door een ondergrens voor milieuprestatie in de markt te hanteren neemt
de milieu-impact van de materialen af. De uniforme ondergrens zorgt voor een gelijk
speelveld voor ondernemingen en biedt een duidelijk perspectief voor het investeren
in verduurzaming van de productie.
2) Bij de aanbesteding van grote werken moet milieuprestatie worden meegewogen in de
gunning.
Deze maatregel heeft als doel om partijen structureel uit te blijven dagen. Door milieuprestatie
mee te laten wegen in de gunning van een werk, maken partijen die op dit gebied verder
gaan dan anderen meer kans om een opdracht te winnen. Voor partijen in de sector is
het hiermee aantrekkelijk om te innoveren.
Milieuprestatie-eisen worden op dit moment nog maar deels meegenomen in aanbestedingen
van GWW-werken. Ook is de wijze van toepassing verschillend per opdrachtgever. Door
uniforme en eenduidige eisen te verplichten ontstaat een duidelijk perspectief voor
de markt en weten partijen waarin ze in kunnen gaan investeren. Meer uniformiteit
en eenduidigheid is een breed gedragen wens binnen de bouwsector.
Er is brede steun voor het wetsvoorstel onder brancheorganisaties, bedrijven en overheden.
Dat blijkt ook uit de reacties op de internetconsultatie en stakeholderconsultaties
die de afgelopen tijd zijn georganiseerd om input op te halen voor het wetsvoorstel.
Het voornemen is om het wetsvoorstel voor het zomerreces in te dienen bij de Tweede
Kamer.
Daarnaast wordt momenteel in een algemene maatregel van bestuur het wetsvoorstel nader
uitgewerkt. Hierin wordt omschreven voor welke materialen de minimumeisen gaan gelden
en wanneer een groot werk onder de verplichting valt. Ook bevat het besluit nadere
regels over de beoordelingsmethodiek. Het voornemen is om de internetconsultatie van
de algemene maatregel van bestuur in juli te starten.
5. MKI-ondersteuningspunt
Uit stakeholderconsultaties komt naar voren dat met name kleine aanbestedende diensten
ondersteuning kunnen gebruiken bij de voorbereiding op de wetgeving «milieuprestatie-eisen
voor de GWW». Daarom is in maart 2026 een MKI-ondersteuningspunt opgericht bij PIANOo
(het expertisecentrum aanbesteden bij de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO)6). Het MKI-ondersteuningspunt gaat diverse kennisinstrumenten ontwikkelen om ondersteuning
te bieden, zoals handreikingen, voorbeeldteksten en projectervaringen. De inzet van
het MKI-ondersteuningspunt is er zoveel mogelijk op gericht om de aanbestedende diensten
te helpen om te werken met MKI en hen zo voor te bereiden om te voldoen aan de wet
en hen zodoende in staat te stellen versneld de milieu-impact van hun projecten te
verlagen.
6. Toezegging PCB’s in gebouwen
Op verzoek van het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat heeft TAUW in 2024
een inventariserend onderzoek gedaan om meer zicht te krijgen op de toepassing van
polychloorbifenylen (PCB’s) in gebouwen en bouwwerken. PCB’s zijn al enkele decennia
geleden verboden vanwege de schadelijkheid van deze stoffen voor het milieu en de
gezondheid, maar zijn voorafgaand aan dat verbod toegepast in gebouwen of bouwwerken.
De conclusie van Tauw was dat een aanvullend meetonderzoek nodig was om tot wetenschappelijk
solide conclusies te kunnen komen ten aanzien van mogelijke blootstellingsrisico’s
aan PCB’s in gebouwen. De verwerking van PCB-houdend afval moet milieuhygiënisch verantwoord
en conform de Arbeidsomstandighedenwetgeving plaatsvinden. PCB-houdend afval moet
krachtens de verordening van persistente organische verontreinigingen (POP’s) worden
vernietigd. In het Circulair Materialenplan zijn voor PCB-houdend afval specifieke
richtlijnen opgenomen om mens en milieu te beschermen. De bevindingen uit het inventariserend
onderzoek zijn zoals toegezegd aan de Kamer onder de aandacht gebracht van de Ministeries
van BZK en SZW. Eventuele vervolgstappen naar aanleiding van het onderzoek kunnen
door deze ministeries worden genomen. Met bovenstaande is de toezegging afgedaan.
Elektrische en elektronische apparaten
In veel elektrische en elektronische apparaten (EEA) zijn kritieke grondstoffen verwerkt.
Met de geopolitieke ontwikkelingen zijn we er steeds meer van doordrongen dat we voor
de beschikbaarheid van kritieke grondstoffen minder afhankelijk moeten zijn van andere
landen. Circulariteit kan bijdragen om strategische autonomie te bereiken. Er zijn
circulaire doelen vastgesteld voor EEA en er bestaat, ook vanuit de EU, handelingsperspectief
voor producenten en consumenten. Er ligt een belangrijke relatie tussen EEA en batterijen,
die ik in de beleidsagenda Circulariteit kritieke grondstoffen uitlicht. Hierover
wordt de Kamer geïnformeerd in een brief over de Nationale Grondstoffenstrategie.
7. Onderzoek minimumnorm voor biobased en gerecycled plastic voor elektrische en elektronische
apparatuur in Kaderverordening Ecodesign
Het rapport «Minimumnorm voor biobased en gerecycled plastic voor EEA in de ESPR»
van Ecorys (bijlage 3) onderzoekt de mogelijkheden om een minimumaandeel gerecycled
plastic en biogebaseerde plastics in elektrische en elektronische apparaten (EEA)
te verplichten onder de Europese Kaderverordening Ecodesign voor duurzame producten
(ESPR). Het onderzoek stelt dat het in principe mogelijk is om een eis voor toepassing
van recyclaat en een eis voor toepassing van biogebaseerde plastics vast te stellen
in een horizontale Ecodesign eis. De onderzoekers raden aan om een gecombineerde eis
te hanteren, zodat producenten de mogelijkheid hebben om de verdeling tussen recyclaat
en biobased te bepalen. Dit is voor productie en verwerking van belang omdat zowel
de markt voor plastic recyclaat als voor biogebaseerd plastic nog in ontwikkeling
is. De onderzoekers geven aan dat tussen de EEA categorieën – en zelfs binnen deze
categorieën – verschillen bestaan in de toegepaste hoeveelheden plastic en het potentieel
voor een eis voor recyclaat en biogebaseerd plastic. De clustering van productgroepen
voor een horizontale eis is daarmee een aandachtspunt. Het verplichten van een recyclaatseis
in combinatie met een eis voor biogebaseerd plastic in EEA is in elk geval mogelijk
in productspecifieke Ecodesign Verordeningen. De bevindingen uit dit onderzoek worden
betrokken in de Nederlandse inzet voor aankomende Ecodesign-eisen.
8. Update Afgifteplicht afgedankte elektrische en elektronische apparaten
In de afgelopen jaren is gewerkt aan een afgifteplicht voor afgedankte elektrische
en elektronische apparaten. Deze afgifteplicht moet eraan bijdragen dat de lekstroom
van circa 100.000 ton afgedankte elektrische en elektronische apparaten (AEEA) per
jaar wordt gedicht. Deze producten komen nu in het grijze circuit terecht als oud
«ijzer». Hierdoor worden belangrijke (kritieke) grondstoffen onvoldoende benut en
ontstaat een risico op onjuiste verwerking, met mogelijke milieuschade tot gevolg.
Dit is onwenselijk voor het milieu en staat haaks op het streven naar een circulaire
elektronicaketen.
Op 23 mei 2025 is de voorhang van het Ontwerpbesluit tot wijziging Besluit activiteiten
leefomgeving (Bal), etc. m.b.t. het afgeven van afgedankte elektrische en elektronische
apparatuur gestart.7 Op 18 juni heeft de vaste Kamercommissie voor Infrastructuur en Waterstaat schriftelijke
vragen gesteld, die op 8 september 2025 zijn beantwoord.8 Op 16 oktober 2025 is de voorpublicatie gestart. Deze liep tot en met 12 november
2025. Er zijn geen zienswijzen ingediend. Het ontwerpbesluit voor de Afgifteplicht
is op 21 oktober 2025 genotificeerd bij de Europese Commissie onder nr. 2025/0638/NL.
De Europese Commissie heeft geen opmerkingen gemaakt over de afgifteplicht. De afgifteplicht
is ook gedeeld met en toegelicht aan de Raad van State. De Raad heeft haar advies
op 30 maart jl. gepubliceerd.9 Inhoudelijke opmerkingen zullen nog worden verwerkt. De komende maanden worden ook
niet-juridische aanpassingen gedaan die noodzakelijk zijn om de afgifteplicht te implementeren.
Het is hierdoor niet meer mogelijk het besluit per 1 juli 2026 in werking te laten
treden.
Coördinatie Nationaal Programma Circulaire Economie (NPCE)
9. Ketentafels NPCE
In het NPCE is opgenomen dat een aantal ketentafels wordt ingericht met als doel om
met de betrokken partijen de transitie te versnellen. De nationale doelen geven hiervoor
structuur. We kiezen bewust voor productgroepniveau vanwege de specifieke uitdagingen
en partijen die aan tafel moeten zitten. We vinden het belangrijk dat alle ketenschakels
(koplopers én peloton) en andere relevante stakeholders zoals NGO’s voldoende zijn
vertegenwoordigd.
Deze productgroepen zijn bouw, textiel, verpakkingen, elektrische en elektronische
apparaten en meubels. Met die partijen wordt verder uitgewerkt welke stappen nodig
zijn om een productgroep circulair te maken en af te spreken wie wat doet om de keten
te sluiten. Waar mogelijk wordt gebruik gemaakt van bestaande overleggen, die als
ketentafels kunnen fungeren.
– Bouw
Op 5 november jl. is het bouwmaterialenakkoord ondertekend door de Ministeries VRO,
IenW en KGG, brancheorganisaties in de bouw en vertegenwoordigers van 13 materiaalketens
(waaronder beton, gips en staal). Ook is het Transitieteam Circulaire bouweconomie
t/m 2026 actief. Deze tafels kunnen worden gezien als ketentafels. Het is dan ook
niet nodig hier nieuwe ketentafels naast te plaatsen.
– Elektrische en elektronische apparaten
De eerste ketentafel vond plaats op 9 juni jl. Daar is o.a. de opzet van de ketentafel
en de aanstaande herziening van de Richtlijn Afgedankte Elektrische en Elektronische
Apparatuur besproken. Andere belangrijke thema’s voor de toekomstige ketentafel-bijeenkomsten
zijn bijvoorbeeld: een langetermijnagenda om de elektronicaketen te sluiten en de
ontwikkeling van Ecodesign eisen voor elektronica. De circulariteit van kritieke grondstoffen
in elektronica komt ook aan bod. Aan de ketentafel nemen allerlei partijen uit de
keten deel. Van ngo’s en producenten, tot verwerkers van (kritieke) materialen uit
elektronica.
– Textiel
De ketentafel textiel wordt ingevuld door het bestaande «netwerkoverleg textiel» waarin
het in 2024 uitgebrachte «beleidsprogramma textiel» als langetermijnagenda geldt.
Op verzoek van partijen uit de sector en de Kamer is naast de Ketentafel voor textiel
een tijdelijke Textieltafel ingericht om knelpunten op korte termijn rondom inzameling,
hergebruik en recycling op te pakken. De uitkomsten en lessen uit deze tijdelijke
tafel worden meegenomen in de permanente structuur.
– Meubels
De eerste bijeenkomst van de ketentafel Meubels is op 9 januari 2026 gehouden, waarbij
als pilot de bijdrage van de specifieke productgroep aan de nationale doelen inzichtelijk
wordt gemaakt. Als dit succesvol is, kan dit ook voor andere productgroepen worden
gedaan.
– Verpakkingen
De start van de Verpakkingentafel volgt later in 2026. De onderlinge afhankelijkheid
van ketenpartijen om de doelstellingen van de PPWR te bereiken is daar een centraal
thema.
De in 2025 opgerichte tijdelijke Circulaire Plastictafel heeft verschillende voorstellen
gedaan. Die worden op dit moment verder uitgewerkt door het kabinet. De tafel komt
voor de zomer van 2026 nog eenmaal bij elkaar om de implementatie van de voorstellen
te monitoren. Daarna zal in consultatie met de tafelleden worden besloten over het
vervolg. De opzet en werkwijze van de verschillende ketentafels zal het ministerie
begin 2027 evalueren.
10. Nationale circulaire doelen per productgroep
Eerder heeft mijn voorganger u toegezegd u te informeren over de nationale circulaire
doelen per productgroep.10 In 2025 heb ik in de actualisatie van het NPCE aan de Kamer de nationale CE-doelen
gepresenteerd. Daarbij heb ik aangegeven dat het van belang is om die doelen door
te vertalen naar productgroepdoelen zodat het voor bedrijven, medeoverheden en andere
betrokken duidelijk wordt welke bijdrage ze kunnen leveren aan de nationale doelen.
We zijn dit jaar gestart met een pilot om te bepalen welke bijdrage de productgroep
meubels kan leveren aan de nationale doelen. Het is een pilot om ook te kunnen leren
hoe de methodiek die gebruikt is bij de nationale doelen, het beste toegepast kan
worden op productgroepniveau en wat er aanvullend nodig is, bijvoorbeeld op het gebied
van data, om de bijdrage van een productgroep te kunnen bepalen. In het najaar verwacht
ik hier zicht op te hebben en is het streven om met die lessen ook de bijdrage voor
elektrische en elektronische apparaten te bepalen. Dit doen we in samenspraak met
de ketentafels en zo nodig met andere stakeholders die niet deelnemen aan de ketentafel.
Bij het bepalen van de bijdrage betrekken we uiteraard ook de bestaande Europese en/of
nationale productgroepdoelen. Het streven is dat we op den duur voor alle productgroepen
een doorvertaling hebben op een vergelijkbare manier zodat we die doelen van de productgroepen
bij elkaar kunnen optellen om de balans op te maken en te bepalen waar we nog extra
op moeten sturen.
11. Overzicht budgetten en instrumenten circulaire economie
Naar aanleiding van een toezegging aan het lid Kostić11 dat de Kamer voor de zomer over de stand van zaken rond het overzicht van benodigde
budgetten om de doelen voor de transitie naar een circulaire economie te halen, het
volgende. EZK werkt aan een notitie die inzicht moet geven in de mogelijkheden om
kosten en effectiviteit van beleid in beeld te brengen, en heeft het Planbureau voor
de Leefomgeving (PBL) gevraagd hierbij input te geven. Het in kaart brengen van budgetten
en instrumenten is een complexe opgave. De transitie naar een circulaire economie
vraagt immers om een fundamenteel systeemingrijpen dat qua schaal en impact vergelijkbaar
is met de energietransitie. Doelbereik, kosten en baten zijn in hoge mate afhankelijk
van ketens, productgroepen en de gekozen instrumentenmix. Daarnaast is de benodigde
kennis- en databasis over de kosten en effectiviteit van deze instrumenten nog in
ontwikkeling. Op basis van de notitie zal worden bepaald langs welke lijnen het gevraagde
overzicht verder vorm krijgt. Ik zal de Kamer na afronding van deze fase nader informeren
over de uitkomsten en het vervolgproces.
12. Reactie op brief NVCE-coalitie 1,5 miljard voor de circulaire economie
Op verzoek van het lid Zalinyan reageer ik op de brief van een coalitie van NVCE,
FME, de Jonge Klimaatbeweging, de Koninklijke Metaalunie, Natuur en Milieu, VNCE VNO-NCW
en MKB Nederland. In de brief, gericht aan de Minister van Economische Zaken en mijzelf,
roepen zij op structureel € 1,5 miljard per jaar in de circulaire economie te investeren
door bestaande middelen slim te benutten.
Het kabinet ziet het als buitengewoon waardevol dat een brede coalitie, van het brede
bedrijfsleven tot milieuorganisaties, elkaar weet te vinden in het belang van de circulaire
economie. Samenwerking met het brede stakeholderveld is een voorwaarde voor gedragen
transitie, op 27 mei jl. hebben de Minister van Economische Zaken en ik met deze coalitie
gesproken en dit ook sterk benadrukt.
In hun brief doet de coalitie een aantal voorstellen voor gerichte publieke investeringen,
regelingen om de onrendabele top te financieren en op andere manieren te zorgen voor
actieve vraagcreatie van circulaire producten.
Een centraal punt in de oproep is om bestaande regelingen beter geschikt te maken
voor circulariteit. Op dit punt gebeurt al het nodige: de DEI+ gaat in juni opnieuw
open met een aparte DEI+-CE openstelling, die wordt verruimd zodat demonstratieprojecten
in de circulaire economie beter kunnen worden ondersteund; daarnaast wordt de scope
verbreed naar CE-projecten in de voedingsindustrie en de productie van veenvervangers.
Ook zijn via DEI, VEKI en NIKI in eerdere openstellingen al diverse grote circulaire
investeringen ondersteund, waaronder textielrecycling en plasticrecycling; daarnaast
worden bedrijven ondersteund bij aanvragen voor het Europese Innovation Fund. Op dit
moment is het vanwege aflopende budgetten voor meerdere regelingen nog niet duidelijk
of deze na 2027 nog opengesteld worden. Het voorstel van de coalitie om een deel van
de klimaatmiddelen (zoals de SDE++) in te zetten voor circulaire projecten laat ik
dan ook nader verkennen en ik neem dit mee in de voorjaarsbesluitvorming van 2027.
Zoals de NVCE- coalitie ook al stelt: dit is uiteindelijk een prioriteringsvraagstuk,
wat is een goede balans in de stimulering van de energie- en de grondstoffentransitie?
Dit jaar wordt de Agenda Maatschappelijk Verantwoord Opdrachtgeven en Inkopen Maatschappelijk
Verantwoord Opdrachtgeven en Inkopen (MVOI) 2026–2030 met de Kamer gedeeld. Hierin
wordt via inkoop ingezet op een selectie prioritaire productketens waar inkopende
partijen de meeste impact mee kunnen maken ten aanzien van o.a. de circulaire economie.
In het bijbehorende Uitvoeringsprogramma MVOI, worden de concrete activiteiten om
inkopende partijen te stimuleren en ondersteunen uiteengezet. Hierbij wordt aangegeven
hoe per productketen de bijdrage aan een duurzame markttransformatie wordt gemonitord.
Daarnaast wordt dit jaar een onderzoek uitgezet naar de meest optimale vorm van het
normeren van circulair inkopen. Daarmee wordt de vrijwilligheid van het toepassen
van circulair inkopen geadresseerd. Dit onderzoek gebeurt in samenwerking met BZK-Rijksinkoop
en de koepels van medeoverheden.
Voor de NII en de Nadi verwijs ik naar aparte kamerbrieven die worden verstuurd in
het kader van de Taskforce Toekomstige Welvaart en Verdienvermogen.
Europees beleid en wet- en regelgeving
13. Onderhandelingsresultaat Europese Circulaire Voertuigenverordening
Het Commissievoorstel voor een Circulaire Voertuigenverordening12 werd op 13 juni 2023 gepubliceerd. Deze verordening vervangt twee bestaande richtlijnen
en is een belangrijke stap voorwaarts in de verduurzaming en circulariteit van voertuigen.
Het voorstel omvat de gehele levenscyclus van een voertuig, van ontwerp tot afvalfase,
en jaagt de transitie naar een circulaire economie aan. De Kamer is kort na publicatie
van het voorstel van de Europese Commissie per BNC-fiche over het voorstel en de Nederlandse
inzet geïnformeerd13.
Op 11 december 2025 werd een voorlopig akkoord bereikt in de onderhandelingen, waarna
de lidstaten op 25 februari jl. hebben ingestemd met het onderhandelingsresultaat.
Nadat het Europees Parlement heeft ingestemd met het eindresultaat zal dit door de
Raad worden bekrachtigd. Na de vertaling en juridische opschoning van de tekst wordt
de Verordening officieel gepubliceerd. De Verordening zal vervolgens 24 maanden na
publicatie in werking treden.
Het kabinet is positief over het onderhandelingsresultaat van de Circulaire Voertuigenverordening,
in het bijzonder over de circulariteitseisen en de uitbreiding van de scope naar onder
andere bussen, vrachtwagens en motoren en het doel om 30% plastic uit voertuigen te
recyclen. Nederland heeft in samenwerking met gelijkgestemde landen geijverd voor
ambitieuze en realistische doelen voor de verplichte toepassing van plasticrecyclaat
in voertuigen. Hierdoor wordt een vraag naar plasticrecyclaat gegarandeerd en wordt
de concurrentiepositie ten opzichte van nieuw plastic versterkt. In de onderhandelingen
is uiteindelijk het tijdspad van deze doelen verzwakt ten opzichte van het Commissievoorstel,
namelijk 15% na 6 jaar en 25% na 10 jaar, daar waar de Commissie 25% na 6 jaar had
voorgesteld. Desondanks is de ambitie hoog gehouden door pre-consumer recyclaat niet
mee te laten rekenen voor deze recyclaattoepassing, in lijn met het Joint Statement
met betrekking tot de plastic recycling sector14.
De verordening voorziet ook in een helder onderscheid tussen een gebruikt voertuig
en een autowrak. Hierdoor kunnen bijvoorbeeld vermiste voertuigen of illegale export
worden voorkomen, wat tevens zal resulteren in meer beschikbare secundaire grondstoffen
uit deze voertuigen. Ondanks dat dit onderscheid minder scherp is gesteld dan Nederland
graag had gezien, is het resultaat acceptabel, zeker in het licht van de significante
stap die hiermee wordt gezet richting een circulaire voertuigenketen. Het kabinet
verwelkomt daarom het bereikte akkoord dat een belangrijke bijdrage levert aan de
transitie naar een circulaire economie, met oog voor harmonisatie en een gelijk speelveld.
14. Toezegging Nederlandse inzet Circular Economy Act (CEA)
Tijdens het tweeminutendebat over het Schriftelijk Overleg van de Milieuraad van december
jl. heeft de Minister van Infrastructuur en Waterstaat toegezegd een nadere toelichting
te geven op de Nederlandse inzet om een gelijk speelveld tussen circulaire en niet-circulaire
producten te creëren, specifiek in het kader van de Europese Circular Economy Act (CEA). Hierbij wordt tegemoet gekomen aan deze toezegging.
Zoals ook opgenomen in het Nederlandse non-paper over de CEA15, bepleit het kabinet via een aantal manieren een gelijk speelveld te creëren. Dit
vereist maatregelen langs alle onderdelen van de R-ladder, met een inzet op verminderen,
vervangen, verlengen en verwerken16. Een belangrijk instrument is bijvoorbeeld Europees productbeleid, waarmee circulariteitseisen
kunnen worden verplicht voor alle producten binnen een productgroep die op de Europese
markt worden gebracht. Daarbij kan gedacht worden aan verplichte percentages recyclaat,
of eisen aan repareerbaarheid, herbruikbaarheid en recyclebaarheid van producten.
De aankomende jaren worden dergelijke producteisen voor verschillende productgroepen
uitgerold onder de Kaderverordening Ecodesign of sectorale productregelgeving, wat
ervoor zorgt dat circulaire producten uiteindelijk de norm worden. De Europese Commissie
heeft in april 2025 het Ecodesign en Energielabel werkplan vastgesteld voor de periode
2025–2030. In dit werkplan is opgenomen aan welke producten de komende jaren ontwerpeisen
worden gesteld en voor welke producten een energielabel verplicht wordt.17 Zie hiervoor ook de verzamelbrief circulaire economie september 2025.18 Het kabinet zal ervoor blijven pleiten dat deze uitrol onverminderd doorgaat en dat
de CEA dit ondersteunt en waar mogelijk verder versnelt.
Daarnaast vereist dit ook inzet op verschillende randvoorwaarden. Zo is het nodig
dat het functioneren van de Europese interne markt voor secundaire materialen wordt
versterkt, bijvoorbeeld door uniforme einde-afval-criteria. Dit zal bijdragen aan
een gelijk speelveld voor secundaire materialen en het eenvoudiger en aantrekkelijker
maken om deze materialen toe te passen in nieuwe producten. Ook is het van belang
dat Europese secundaire materialen op een eerlijke manier kunnen concurreren met (secundaire)
grondstoffen van buiten Europa. Dit vereist effectieve toezicht en handhaving, om
te controleren dat producten van buiten de EU ook voldoen aan de Europese normen.
Verder dienen oneerlijke handelspraktijken te worden bestreden en dient aan consumenten
de juiste informatie over de duurzaamheid van hun producten te worden aangeboden.
Naast deze inzet in het kader van de CEA, onderzoekt tenslotte het kabinet ook slimmere
financiële prikkels, zoals investeringsaftrekken en fiscale voordelen, die circulaire
ondernemers helpen. In dit kader is het ook goed om te verwijzen naar de brief van
de Staatssecretaris van Financiën over fiscale prikkels om de circulaire transitie
te versnellen19. Over de circulaire hefboom is de Kamer geïnformeerd, meest recentelijk in de Kamerbrief
over de stand van zaken van de voorstellen van de Plastictafel van december 2025.20
Daarbij heb ik ook toegezegd de Kamer voorafgaand aan het zomerreces te zullen informeren
over de onderzoeksresultaten en de conclusies die het kabinet daaruit trekt.
De verwachting is dat de Commissie de CEA zal presenteren in het derde kwartaal van
dit jaar. In aanloop hier naartoe vraagt Nederland actief aandacht voor bovenstaande
inzet. Waar relevant en mogelijk doet Nederland dit met gelijkgezinde lidstaten, zowel
ambtelijk als politiek, in lijn met de motie Buijsse21. Momenteel is de precieze vorm en inhoud van de CEA nog onduidelijk. De Commissie
heeft wel al benadrukt dat de CEA in ieder geval moet bijdragen aan het versterken
van de interne markt voor secundaire materialen. Wanneer de Commissie het voorstel
publiceert, zal blijken in hoeverre de Nederlandse inzet in dit dossier daadwerkelijk
wordt weerspiegeld in het voorstel. De Kamer zal na publicatie van het voorstel zoals
gebruikelijk via een BNC-fiche worden geïnformeerd over de kabinetspositie.
15. Beleidsagenda emissiereductie productketen
Naar aanleiding van het Klimaatplan 2025–2035 heeft het kabinet onderzoek laten uitvoeren
naar de potentiële meerwaarde van een EU-broeikasgasvoetafdrukdoel. Het rapport hierover
is in september 2025 naar de Kamer gestuurd. Hieruit is gebleken dat een voetafdrukdoel
de prikkel geeft om te investeren in emissiereducties in de keten of in het buitenland.
Daarmee kan een dergelijk doel meerwaarde hebben voor het beleid gericht op klimaat,
energie en circulaire economie.
Het kabinet zal binnenkort beslissen hoe invulling wordt gegeven aan de aanbevelingen
uit dit rapport. Hiervoor wordt momenteel de Beleidsagenda Emissiereductie Productketens
uitgewerkt, met daarin zowel nationale als EU-acties. Deze acties zijn er niet alleen
op gericht om ketenemissies beter te meten, rapporteren en reduceren, maar ook om
de concurrentiepositie van Nederlandse bedrijven te versterken en koolstoflekkage
waar mogelijk te voorkomen. De beleidsagenda zal ik deze zomer naar de Kamer sturen.
Kaders voor duurzaam grondstoffengebruik en afvalbeheer
16. Nieuw uitvoeringsprogramma VANG-Buitenshuis en verlenging uitvoeringsprogramma
VANG-Huishoudelijk Afval
In de recente actualisatie van het NPCE is de vormgeving van twee nieuwe uitvoeringsprogramma’s
aangekondigd binnen het Van Afval Naar Grondstof (VANG)-programma. In het kader van
het VANG-programma werkt het Rijk samen met gemeenten, bedrijven en inzamelaars naar
meer en betere afvalscheiding en afvalpreventie. Met deze programma’s wordt bijgedragen
aan de hoogwaardige verwerking van afvalstoffen.
Het uitvoeringsprogramma VANG-Buitenshuis (bijlage 4) ondersteunt bedrijven en organisaties
om toe te werken naar meer en betere afvalscheiding en afvalpreventie in de kantoren-,
winkel-, en dienstensector. In het nieuwe uitvoeringsprogramma22 ligt de nadruk van de activiteiten op het breder verspreiden en overdragen van de
kennis die tijdens de uitvoering van het vorige uitvoeringsprogramma is opgedaan.
Dit met als doel om meer bedrijven en organisaties in staat te stellen om zelfstandig,
toekomstbestendig en circulair te opereren met als resultaat minder afval, beter gescheiden
afval en meer recycling.
Via het uitvoeringsprogramma VANG-Huishoudelijk Afval ondersteunt het Rijk sinds 2015
gemeenten in het uitvoeren van hun wettelijke taak om huishoudelijk afval gescheiden
in te zamelen. In aanvulling daarop loopt momenteel een verkenning naar de (on)mogelijkheden
van meer landelijke standaardisering van afvalscheiding en -inzameling. In afwachting
van de resultaten van deze verkenning is besloten om het huidige uitvoeringsprogramma,
dat in 2025 zou aflopen, met een jaar te verlengen.
17. Reactie op commissieverzoek over advies Commissie mer inzake CMP
Op 17 december 2025 heeft de vaste commissie voor Infrastructuur en Waterstaat verzocht
om een schriftelijke reactie op het advies «Circulair Materialenplan» van de Commissie
voor de milieueffectrapportage (hierna: Commissie mer).23 Tevens is tijdens het commissiedebat circulaire economie van 16 april 2025 toegezegd
om het advies van de Commissie mer goed te bekijken en te bezien of er aanpassingen
nodig zijn van het milieueffectrapport (MER).24 De vaste commissie heeft op 24 april 2025 een gelijksoortig schriftelijk verzoek
gedaan om reactie op het advies van de Commissie mer.25 In reactie hierop heeft de Kamer op 3 september een brief ontvangen waarin is gereageerd
op het advies van de Commissie mer en hoe hieraan opvolging wordt gegeven.26 Met deze brief is voldaan aan zowel het commissieverzoek als de toezegging van april
2025. Voor een inhoudelijke reactie op de belangrijkste bevindingen van de Commissie
mer, conform het commissieverzoek van december 2025 verwijs ik daarom ook naar deze
brief. Daarnaast kan voor een gedetailleerde reactie op alle punten van de Commissie
mer ook de reactienota worden geraadpleegd, die als bijlage is meegestuurd bij de
Kamerbief over de vaststelling van het Circulair Materialenplan op 1 december.27 Deze reactienota is ook te vinden op www.circulairmaterialenplan.nl/cmp/verandert-cmp/.
18. Stand van zaken Werkprogramma storten
Zoals vermeld in de Kamerbrief van 11 juni 2024 wordt uitvoering gegeven aan een Werkprogramma
Storten 2024–2029 om tot een toekomstbestendig stortstelsel te komen. In een circulaire
economie is het storten van afval zoveel mogelijk beperkt, maar zullen er ook afvalstromen
zijn die niet op een veilige manier hoogwaardiger verwerkt kunnen worden en dus gestort
moeten worden. Het is daarom noodzakelijk om het storten van afval goed te borgen
en te zorgen dat storten betaalbaar en beschikbaar blijft. Er is toegezegd de Kamer
jaarlijks te informeren over de voortgang van het werkprogramma28. In het kader van het werkprogramma worden verschillende onderzoeken uitgevoerd,
onder meer naar het nazorgstelsel, de technische richtlijnen voor stortplaatsen en
het moratorium op stortcapaciteit29.
Met betrekking tot het nazorgstelsel is een scenariostudie uitgevoerd naar mogelijke
(stelsel)wijzigingen en de gevolgen hiervan. Deze studie heeft gekeken naar zowel
financiële als bestuurlijke verantwoordelijkheden binnen het nazorgstelsel en benodigde
wijzigingen om de werking van het nazorgstelsel te verbeteren (bijlage 5). Daarnaast
is een onderzoek afgerond naar de technische richtlijnen waar stortplaatsen aan moeten
voldoen. Deze technische richtlijnen moeten worden gemoderniseerd om te zorgen dat
zij toekomstbestendig zijn en nieuwe innovaties niet in de weg zitten. Het onderzoek
heeft in kaart gebracht hoe de technische richtlijnen verankerd zijn in de Omgevingswet
en welke richtlijnen vernieuwd dienen te worden (bijlage 6). In de loop van 2026 zal
tevens het onderzoek starten naar de benodigde uitbreiding van het moratorium op stortcapaciteit,
zodat er voldoende stortcapaciteit beschikbaar blijft.
Op basis van de bevindingen uit de studies omtrent het nazorgstelsel en de technische
richtlijnen zal de komende maanden worden besloten welke vervolgstappen gewenst zijn.
De Kamer zal hier naar verwachting in het vierde kwartaal van dit jaar over worden
geïnformeerd.
19. Internetconsultatie Kaderwet Circulaire Economie
In april 2024 is de Kamer geïnformeerd over de hoofdlijnennotitie voor de beoogde
Circulaire Economie-wet.30 Inmiddels ligt het concept-voorstel voor de Kaderwet Circulaire Economie in internetconsultatie,
van 18 juni tot en met 13 augustus. Deze Wijzigingswet van de Wet milieubeheer (Wm)
geeft uitvoering aan de wens van de Tweede Kamer (motie Hagen) om in wetgeving sterker
te sturen op circulair grondstoffengebruik.31 Met dit voorstel wordt de Wm toekomstbestendig gemaakt voor wat betreft de artikelen
die gaan over stoffen, producten en afvalstoffen. De wet verbetert de mogelijkheden
om te sturen op duurzaam grondstoffengebruik, onder meer door het introduceren van
een overkoepelende doelbepaling van de circulaire economie. Ook worden de circulariteitsstrategieën
uit het NPCE opgenomen. Verder wordt in het nieuwe hoofdstuk 10 van de Wm de structuur
van de wet zo aangepast dat de gehele materiaalcyclus, van productie tot afvalfase,
kan worden gereguleerd. Het gaat hierbij om een beleidsarme omzetting, waarbij geen
nieuwe verplichtingen worden geïntroduceerd.
Productbeleid
20. Vervolgonderzoek reparatiebonus
De motie Bamenga e.a.32 verzoekt de mogelijkheid in kaart te brengen om naar Oostenrijks voorbeeld reparatievouchers
in te voeren in Nederland. Ook bij het Commissiedebat van 16 april 2025 is toegezegd33 om de Kamer te informeren over de mogelijkheid van reparatiebonnen. Onlangs is de
verkenning naar de mogelijkheden om een reparatiebonussysteem in te voeren afgerond,
waarbij ook naar reparatievouchers is gekeken. Hierbij wordt in reactie op de motie
Bamenga en de genoemde toezegging dit onderzoek met de Kamer gedeeld (bijlage 7).
In de Kamerbrief van 24 juni 2024 over reparatie in de circulaire economie34, is het beleid ter bevordering van reparatie uiteengezet. Kort gezegd komt het erop
neer dat het kabinet inzet op:
1) beter productontwerp door het stellen van Europese Ecodesign-eisen;
2) versterking van de reparatie-infrastructuur en vakmanschap; en
3) stimuleren dat consumenten hun producten (laten) repareren.
Een eventuele reparatiebonus zou vallen in deze laatste categorie en is specifiek
gericht op het verlagen van de kosten van reparatie. Een hoge prijs van reparatie
is immers een van de factoren die consumenten ontmoedigt te kiezen voor reparatie.
Er zijn daarnaast andere belemmerende factoren zoals onzekerheid over de reparatiekosten
en de resterende levensduur, de rompslomp die komt kijken bij de organisatie van reparatie,
de beschikbaarheid van kundige reparateurs en reserveonderdelen, de beperkte repareerbaarheid,
etc.
De verkenning naar de mogelijkheden van een reparatiebonussysteem heeft niet alleen
naar het Oostenrijkse vouchersysteem gekeken, maar ook naar de bonussystemen in Frankrijk
en in de Duitse deelstaat Thüringen, aangevuld met informatie uit literatuur en interviews.
Uit de internationale vergelijking komt naar voren dat ongeveer één derde van de gedane
reparaties onder een bonussysteem additioneel is. Dat wil zeggen dat deze zonder de
bonus niet zouden zijn uitgevoerd. Er zijn echter geen signalen dat door de bonus
de reparateursmarkt op korte termijn verandert. Omdat de bonussystemen nog relatief
nieuw zijn, is het nog onduidelijk of het gedragseffect bij consumenten blijvend is
zodra de bonus wegvalt. De milieuwinst als gevolg van extra reparaties wordt geraamd
op 3,3 tot 25,3 miljoen kg vermeden CO2-equivalent35 per jaar. De kosten worden geraamd tussen de 10 en 100 miljoen euro per jaar, afhankelijk
van de hoogte van de bijdrage, het aantal reparaties en de communicatie- en systeemkosten.
Daarmee kost de reparatiebonus tussen de € 2.600 en € 4.200 per vermeden ton CO2-eq en wordt beoordeeld als onvoldoende doelmatig. Het bedrag benodigd voor een bonussysteem
is op dit moment geen onderdeel van de rijksbegroting.
Het kabinet onderschrijft het belang van het structureel bevorderen van reparatie.
Daarom zal verder worden onderzocht hoe belemmeringen voor reparatie in brede zin
weggenomen kunnen worden. De reductie van de kosten zijn daarbij een belangrijke factor.
In dat kader wordt bij de doorontwikkeling van de UPV’s onderzocht hoe reparaties
financieel gestimuleerd kunnen worden. Een reparatiefonds is daarbij een optie. Daarnaast
zal het kabinet mede in dit kader onderzoeken hoe financiering effectief en goed uitvoerbaar
kan bijdragen aan meer reparatie en de bevindingen hierover vóór de zomer met de Kamer
delen. Hiermee zal tevens invulling worden gegeven aan de motie Grinwis36. Het streven is om effectieve en doelmatige oplossingen te vinden die reparatie bevorderen,
zowel financieel als anderszins. Daarbij zal ook de visie van relevante stakeholders
worden meegenomen.
21. Vervolgonderzoek uitgebreide producentenverantwoordelijkheid voor meubels
Het NPCE 2023–2030 voorziet dat er voor meubels uiterlijk in 2030, in samenwerking
met de relevante spelers in de keten, een UPV is ontwikkeld die eraan bijdraagt dat
meubels beter ingezameld, hergebruikt, opgeknapt, gerepareerd en gerecycled worden.
Rebel heeft een advies uitgebracht over het opzetten van uitgebreide producentenverantwoordelijkheid
(UPV) voor meubels (bijlage 8).
De onderzoekers hebben een uitgebreide consultatie gedaan onder een brede groep ketenpartijen
en gegevens bijeengezocht over aantallen van de diverse meubeltypen die worden verkocht,
worden ingezameld, gerepareerd of vernieuwd («refurbishing»), worden gedemonteerd
voor recycling, dan wel worden verbrand. Die gegevens bleken nog te beperkt voor het
bepalen van haalbare en tevens voldoende ambitieuze verplichte percentages voor bijvoorbeeld
heel-inzamelen van meubels en reparatie of vernieuwing met het oog op hergebruik,
of recycling van materiaal uit meubels. Daarom adviseren de onderzoekers om een wettelijke
UPV-regeling op te zetten die producenten in eerste instantie alleen verplicht tot
rapportage van gegevens waarover nog onvoldoende bekend is: aantallen meubels die
nieuw worden verkocht, na afdanking op diverse manieren worden ingezameld, na reparatie
of refurbishing opnieuw worden verkocht, worden gerecycled, of worden verbrand. Op
basis van deze monitoring zouden dan (vanaf 2030) alsnog doelstellingen voor inzamelen,
voorbereiden voor hergebruik en recycling bepaald moeten worden.
De bespreking van de ontwikkeling van de wettelijke UPV is voortgezet aan de Ketentafel
meubels, die op 9 januari jl. een eerste bijeenkomst heeft gehad. Onder de ketentafel
zijn twee op UPV gerichte werkgroepen ingesteld. Het uitgangspunt is zo spoedig mogelijke
instelling van een wettelijke UPV met een brede reikwijdte die zowel losstaande meubels
als interieurbouw omvat (zoals ook Rebel adviseerde).
In de werkgroepen worden mogelijkheden gezocht om op korte termijn gegevens te verkrijgen
waarmee in de UPV-regeling al vanaf het begin doelpercentages opgenomen kunnen worden
(om niet te hoeven afwachten of twee jaar monitoring onder de UPV-regeling die gegevens
oplevert). De brancheorganisaties van meubelproducenten hebben onlangs een enquête
onder hun leden uitgezet om het marktaanbod van meubels scherper te krijgen. Het ministerie
heeft inmiddels een onderzoeksopdracht lopen die ook de gang van afgedankte meubels
beter in beeld brengt.
Met de verkregen resultaten verwacht ik in het najaar een eerste opzet van de UPV-regeling
aan de ketentafel te kunnen voorleggen die de brancheorganisaties van de producenten
voldoende duidelijkheid geeft over de opgave die de producenten krijgen, waarmee zij
aan de oprichting van een producentenorganisatie (PRO) kunnen gaan werken. Een gedegen
opzet van de PRO, inclusief afspraken met ketenpartijen die men nodig heeft, vraagt
tijd en is essentieel voor een effectieve UPV. In het najaar zal ik de Kamer weer
over de ontwikkelingen van de UPV informeren.
22. Onderzoek strategieën om emissies van microplastics uit textiel te beperken
Microplastics die vrijkomen bij het dragen en wassen van textiel zijn een significante
bron van vervuiling voor de leefomgeving. Het RIVM deed in opdracht van het Ministerie
van Infrastructuur en Waterstaat onderzoek naar de meest effectieve mitigerende maatregelen.
In februari 2026 publiceerden zij het rapport «Possibilities for reducing microplastics
emissions from textiles» (bijlage 9). Daarin zijn de volgende ketenbrede maatregelen
naar voren gekomen: verbeterde ontwerpeisen voor textiel voor het verbeteren van vezelvastigheid
door fabrikanten, de overstap van plastic naar natuurlijke materialen, het stimuleren
van langer kledinggebruik en het terugdringen van fast fashion en het stimuleren van
wasprogramma's met minder frictie, zoals lagere centrifugesnelheden. De belangrijkste
conclusie is dat samenwerking binnen de gehele keten noodzakelijk is om de uitstoot
van microplastics uit textiel effectief te kunnen terugdringen. Vrijwillige maatregelen
hebben daarbij minder effect dan wettelijke verplichtingen en duidelijke normen. Deze
uitkomsten worden meegenomen in de Nederlandse inzet voor de Europese Kaderverordening
Ecodesign voor duurzame producten (ESPR) op het gebied van textiel en bij de uitvoering
van het beleidsprogramma circulair textiel 2025–2030.
23. Onderzoek belasting op kunststof verpakkingen voor eenmalig gebruik
Zoals eerder gedeeld met de Kamer kijkt het kabinet naar mogelijke alternatieven voor
de lastenverzwarende maatregelen binnen het domein van afvalverwerking te weten in
de vorm van een verhoging van de afvalstoffenbelasting en de CO2-heffing voor afvalverbrandingsinstallaties, zoals aangekondigd in de voorjaarsbesluitvorming
202537. In dit kader is onderzoek gedaan naar twee soorten verpakkingenbelastingen (bijlage
10). Bij de eerste belasting, een belasting op kunststof verpakkingen voor eenmalig
gebruik, wordt er belasting geheven op kunststof verpakkingen voor eenmalig gebruik
die voor het eerst op de Nederlandse markt worden gebracht. In de effectberekening
van CE Delft is bij deze belasting uitgegaan van een vrijstelling voor verpakkingen
die voor minimaal 50% uit recyclaat bestaan en zijn twee tarieven doorgerekend: een
laag tarief van € 0,25 per kilogram en een hoog tarief van € 0,80 per kilogram. Daarnaast
is onderzoek gedaan naar een belasting op de inzameling van kunststof drankflessen
en blikjes. Hierbij is een variant doorgerekend met een tarief dat geldt per verpakkingseenheid
en lineair afneemt naarmate het collectieve inzamelpercentage stijgt, van ongeveer
3 eurocent per verpakking bij 80% inzameling tot 0 eurocent per verpakking bij 95%
inzameling.
De effecten van de eerste belasting met een hoog tarief zijn een opbrengst van € 0
tot 150 miljoen in 2035, een vermeden CO2-uitstoot van 0,15 tot 0,51 Mt in 2035, extra recyclaatinzet van 5 tot 20% in 2035
en een afvalreductie-effect van 15 kt per jaar. De effecten voor de tweede belasting
bij een lichte groei qua inzamelingspercentage zijn een opbrengst van 55 tot 80 miljoen
EUR in 2030, een vermeden CO2-uitstoot van 0,005 tot 0,012 Mt in 2030 en een afvalreductie-effect van 1,1 tot 1,3
kt in 2030. Verder verwachten de onderzoekers zeer beperkte verschuivingseffecten,
zowel richting andere materialen als richting herbruikbare verpakkingen. De uitkomsten
van dit onderzoek worden meegenomen in de besluitvorming over de begroting bij Prinsjesdag.
Het kabinet zal de Kamer met Prinsjesdag ook informeren over de appreciatie en weging
van de alternatieve voorstellen die de Werkgroep Afvalsector heeft gedaan voor het
beprijzingspakket voor afvalverbrandingsinstallaties.
24. Verkenning inzameldoelstellingen Verpakkingenverordening
Op 12 februari 2025 is de Europese Verpakkingenverordening (Packaging and Packaging
Waste Regulation, PPWR) in werking getreden. De maatregelen die in de PPWR staan,
zijn vanaf 12 augustus 2026 van toepassing, tenzij een afwijkende datum is vermeld.
Voor de implementatie van de verordening dienen nationaal nog enkele keuzes gemaakt
te worden over zaken met betrekking tot uitvoering, toezicht en handhaving. Zo dienen
lidstaten uiterlijk 1 januari 2029 verplichte inzameldoelstellingen voor de inzameling
van verpakkingen vast te stellen38. In deze context heeft het ministerie onderzoeksbureau Rebel gevraagd een eerste
inschatting te doen van de benodigde inzameldoelstellingen op basis van de recyclingdoelstellingen
en het verplichte minimumgehalte aan gerecycled materiaal in kunststof verpakkingen
die in de PPWR zijn vastgelegd (bijlage 11)39. De belangrijkste conclusie is dat vooral voor kunststof verpakkingen een hoge inzameldoelstelling
nodig is om de recyclingdoelstellingen te kunnen halen. Voor die stroom raadt het
onderzoeksbureau daarom aan ook te kijken naar hoe de verliezen tussen inzameling
en recycling kunnen worden teruggedrongen. Deze bevindingen zullen worden meegenomen
in de verdere implementatie van de PPWR. Daarnaast zal dit knelpunt specifiek aandacht
krijgen aan de Ketentafel Verpakkingen.
Sociaaleconomisch
25. Onderzoek circulaire arbeidsmarkt
De onderzoekers van het Platform Talent voor Technologie (PTvT) concluderen in het
rapport «Circulaire arbeidsmarkt, Versnelling van de transitie door gerichte sturing op Leven
Lang Ontwikkelen» (bijlage 12), dat arbeidskrapte in technologische en uitvoerende beroepen een mogelijk
risico vormt voor het realiseren van een circulaire economie. Het aanbod van (beroeps-)onderwijs
en Leven Lang Ontwikkelen (LLO) sluit nog niet in alle sectoren en beroepen aan. Het
tegengaan van versnippering en bevorderen van regionale samenwerking biedt kansen
om dit te verbeteren. In bedrijfstakken waar het grondstoffenverbruik hoog is, wordt
dit doorgaans wel opgepakt; voorbeelden daarvan zijn de bouw, textiel, meubilair en
de zorg. In de logistieke sector is er nog minder scholingsaanbod voor de circulaire
economie, bijvoorbeeld hoe regionaal kringlopen te sluiten.
De onderzoekers adviseren te werken aan het vergroten van de marktvraag naar circulair
opgeleide professionals. LLO kan hierin een hefboomfunctie vervullen. Het loont daarbij
om in een sector of keten te kijken welke bestaande infrastructuren er zijn en hoe
kennis het beste (ook lokaal en regionaal) gedeeld kan worden, bijvoorbeeld via beroepsverenigingen.
Zij adviseren verder LLO modulair en zo mogelijk meertalig aan te bieden. Dit maakt
het gemakkelijker om in verschillende situaties passend aanbod voor diverse doelgroepen
te creëren. Ten slotte merken zij op, dat er nog weinig wordt gedaan aan het afbouwen
of omvormen van lineaire opleidingen. Dat gebeurt binnen het reguliere onderwijs al
steeds meer, voor LLO is dit lang niet altijd het geval. Deze aanbevelingen zullen
worden meegenomen in het verdere programma, in samenhang met de sectorale ontwikkelpaden
van het Ministerie van SZW.40
26. Onderzoek bijdrage van circulariteit aan betaalbare energietransitie
Binnen de Klimaattransitie levert circulariteit op meerdere vlakken een belangrijke
bijdrage. Circulariteit verlaagt de uitstoot, maakt ons minder afhankelijk van fossiele
en kritieke grondstoffen, en draagt bij aan een gezonde leefomgeving. Wat tot nu toe
relatief weinig aandacht heeft gekregen, is de potentie van circulariteit om de kosten
van investeringen in de energietransitie te verlagen. Dit is onderzocht door CE Delft
en Trinomics (bijlage 13). Jaarlijkse kostenbesparingen kunnen oplopen tot € 2,8 mld.
in 2050 door gebruik te maken van verschillende circulaire strategieën (weigeren,
verminderen, hergebruiken) in de sectoren gebouwde omgeving, mobiliteit, plasticindustrie
(productie), en staalindustrie. Deze strategieën drukken de (groeiende) vraag naar
energie-intensieve producten en diensten. Hierdoor hoeft er minder geïnvesteerd te
worden in het energiesysteem dan anders het geval zou zijn. Dit onderzoek biedt een
aanvullende manier voor het beoordelen van circulaire maatregelen naar de effecten
op de energietransitie (en mogelijk ook andere beleidsterreinen) door kostenbesparing
op de langere termijn inzichtelijk te maken. Onderzocht wordt op welke manier dit
meegenomen kan worden in het besluitvormingsproces voor circulaire maatregelen.
Tot slot
Bovenstaande laat zien dat de transitie naar een circulaire economie op stoom begint
te komen. Er zijn in veel sectoren ontwikkelingen gaande die kunnen bijdragen aan
de groei van de concurrerende economie, een versterking bieden van onze onafhankelijkheid
en weerbaarheid tegen verstoringen én bijdragen aan het terugdringen van broeikasgassen.
Al deze ontwikkelingen komen, net als in de transitie naar hernieuwbare energie, nog
niet zelf tot wasdom. Dat ligt aan een ongelijk speelveld. De juiste prikkels kunnen
de ontwikkeling naar een circulaire economie wel versterken, zo laten de verschillende
onderwerpen duidelijk zien.
Hierover ga ik graag met uw Kamer in gesprek tijdens het komend commissiedebat.
De Minister van Klimaat en Groene Groei,
S. van Veldhoven-van der Meer
Indieners
S. van Veldhoven-van der Meer, minister van Klimaat en Groene Groei