Brief regering : Praktijkgerichter onderwijs: kansen voor waardering van talent
31 497 Passend onderwijs
Nr. 514
BRIEF VAN DE STAATSSECRETARIS VAN ONDERWIJS, CULTUUR EN WETENSCHAP
Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 25 juni 2026
Onze samenleving en economie worden gevoed door een breed scala van talenten met een
diversiteit aan kennis en vaardigheden. Het onderwijs is een belangrijke katalysator
daarvoor. Het is van belang dat alle scholieren goed kunnen lezen, schrijven en rekenen.
Daarnaast verwachten we dat ze hun talenten ontdekken. Daarmee wordt het funderend
onderwijs een talentkatalysator voor alle leerlingen en bouwen we aan het fundament
voor de grote maatschappelijke uitdagingen, zoals geschetst in de Talentstrategie.
Op meerdere manieren wordt praktijkgericht onderwijs al gestimuleerd, denk aan het
programma Sterk Techniekonderwijs, het groeifondsprogramma Techkwadraat en de introductie
van de praktijkgerichte vakken in zowel de theoretische leerweg van het vmbo als het
havo. Hierdoor krijgt praktijkgericht onderwijs een prominentere plek, breder binnen
het gehele funderend onderwijs, en is deze niet langer beperkt tot de beroepsgerichte
kant van het vmbo en het praktijkonderwijs. Dit biedt kansen om een versmalling tot
theoretische leerprestaties tegen te gaan en meer vaardigheden te ontwikkelen en te
waarderen (talentontwikkeling). Het biedt bovendien kansen om leerstof, zoals taal
en de andere basisvaardigheden, in een andere context te oefenen en verdiepen.
Deze Kamerbrief is de eerste aanzet tot de richtinggevende visie op beroeps- en praktijkgericht
onderwijs waar uw Kamer om vroeg.1 In deze Kamerbrief wordt, zoals toegezegd aan uw Kamer,2 ingegaan op (1) de stand van zaken rond praktijkgericht onderwijs, (2) wat dit kabinet
al doet om praktijkgericht onderwijs te versterken en (3) welke vervolgstappen genomen
worden. Daarnaast kom ik in deze brief ook terug op twee andere toezeggingen aan uw
Kamer: de eindmonitor van de pilot praktijkgerichte programma’s in de gemengde en
theoretische leerweg,3 en de rol van de experimenten in de verkenning naar een toekomstgericht vmbo.4
1. Praktijkgericht onderwijs: groot potentieel met te weinig impact
Het funderend onderwijs is een oefenplaats voor talent. Daar krijgen leerlingen bij
uitstek de kans om te ontdekken wie ze willen zijn en welke vaardigheden ze hebben.
Ook voor de uitdagingen in onze samenleving, zoals bijvoorbeeld de veranderende economie
of arbeidsmarkt, is het cruciaal dat we een brede stimulans geven aan alle talent
en leerprestaties. Hierin zijn basisvaardigheden cruciaal: leren lezen, schrijven
en rekenen legt de basis voor al het verdere onderwijs. Maar daar stopt het niet,
op die basis bouwen leerlingen verder aan kennis, vaardigheden en talenten die ze
nodig hebben voor hun toekomst. Praktijkgericht onderwijs biedt daarbij kansen om
basisvaardigheden aan te leren en te versterken in een andere context, kennis en vaardigheden
te verwerven en toe te passen. Daardoor leren leerlingen zichzelf en hun omgeving
beter kennen.
De onderwaardering van praktijkgerichte prestaties, opleidingen en diploma’s is de
afgelopen jaren meermaals aan de orde geweest.5 Ook nu heeft uw Kamer tijdens een recent commissiedebat een lans gebroken voor meer
waardering voor praktijkgericht onderwijs.6 Hoewel dit een maatschappelijk vraagstuk is dat het onderwijs ontstijgt, zien we
deze onderwaardering voor praktijkgerichte prestaties weerspiegeld in het funderend
onderwijs. Juist het onderwijs zelf kan hier verandering in aanbrengen door andere
keuzes te maken in het lesaanbod, de lesactiviteiten, de manier waarop we leerprestaties
meten en waarderen en de manier waarop we de leerroutes in de onderbouw inrichten.
Praktijkgericht onderwijs kan een breder beeld geven van leerprestaties en daarmee
de disbalans in het onderwijs verminderen.
1.1 Wat is praktijkgericht onderwijs?
Praktijkgericht onderwijs wordt gedefinieerd als één van de manieren waarop de bestaande
leerdoelen, kerndoelen en eindtermen, kunnen worden gehaald en aangetoond. Een voorbeeld
hiervan kan zijn dat de woorden voor Engels of Duits in een praktijksituatie, zoals
een gesprek in een winkel, worden geoefend maar ook beoordeeld. Of een toets over
grafieken bij wiskunde die wordt vervangen door een praktische opdracht, waarbij leerlingen
bijvoorbeeld reactiesnelheid in beeld brengen, als afsluiting van het hoofdstuk. Dit
stelt leerkrachten en leerlingen in staat om een breed beeld van talent en interesse
te vormen (bijv. op het gebied van creativiteit, praktische vaardigheden of onderzoeksvaardigheden),
maar ook om andere vaardigheden in te zetten om leerstof te verwerven. Praktijkgericht
onderwijs kan daarmee een toegevoegde waarde hebben in álle schoolsoorten, van praktijkonderwijs
en het vmbo tot en met het gymnasium. De definitie is:7
Praktijkgericht onderwijs is in het curriculum ingebed onderwijs, waarbij leerlingen
activiteiten uitvoeren binnen een maatschappelijk- of professioneel gerichte context,
die hen combinaties van -al eerder ontwikkelde en nieuwe- (praktijkgerichte) vaardigheden
en kennis laat toepassen en verwerven waarmee zij een breed beeld van hun talenten
en interesses krijgen.
Het gaat om onderwijsactiviteiten die ingebed zijn in het curriculum; activiteiten
die bedoeld zijn om leerdoelen te halen. Bestaande voorbeelden hiervan zijn het (techniek)onderwijs
in het beroepsgerichte vmbo, de praktijkgerichtere vakken in het vmbo, havo en vwo
of het profielwerkstuk. Maar in feite kunnen in elk vak de basisvaardigheden, theorie
uit avo-vakken en vaardigheden toegepast en verdiept worden in een maatschappelijke
of professionele context. Praktijkgericht onderwijs is daarmee praktisch, want het
is gericht op de praktijk én op het verwerven en toepassen van kennis en vaardigheden
in een realistische context. Daarnaast helpt praktijkgericht onderwijs met het verkennen
van de maatschappelijke en professionele context waarmee een breder beeld ontstaat
van talent en interesse. Keuzes voor vervolgonderwijs kunnen daardoor beter gemaakt
worden. Het beter inzetten van praktijkgericht onderwijs kan daarmee bijdragen aan
talentontwikkeling van leerlingen en betere leerprestaties.
1.2 Praktijkgericht onderwijs wordt gewaardeerd maar telt nog te weinig mee
In een groot deel van het funderend onderwijs ligt de nadruk op een relatief smalle
set van goed meetbare (cognitieve) leerprestaties die op een specifieke manier in
beeld worden gebracht.8 Daarmee ontstaat het risico op versmalling tot deze specifieke prestaties, wat zorgt
voor een disbalans in waardering. Deze disbalans werkt ook door in de inrichting van
het stelsel, waarbij de leerroutes een oplopende complexiteit in theoretische vaardigheden
kennen en praktijkgericht onderwijs wordt gekoppeld aan specifieke leerroutes in het
vmbo en praktijkonderwijs. Dit heeft impact op de waardering van de leerroutes maar
werkt ook door in het onderwijsprogramma en de manier waarop leerprestaties in beeld
worden gebracht en meegeteld op bepalende momenten.
Om beter zicht te krijgen op de positie van praktijkgericht onderwijs heeft OCW in
2025 onderzoek laten uitvoeren bij scholen voor primair en voortgezet onderwijs.9 De resultaten laten zien dat veel scholen praktijkgerichte activiteiten inzetten
en de meerwaarde zien, maar dat de verbinding aan leerdoelen of het systematisch beoordelen
achterblijft bij andere (cognitieve) leerprestaties. Hoewel leerkrachten en leerlingen
praktijkgerichte activiteiten waarderen vanwege de didactische en pedagogische meerwaarde
is de inzet vaak incidenteel van karakter. Dit geldt uiteraard niet voor de beroepsgerichte
en praktijkgerichte vakken in de bovenbouw van het voortgezet onderwijs of goede voorbeelden
zoals het profielwerkstuk of een taaldorp. Bij deze vakken is praktijkgericht onderwijs
voorwaardelijk voor de eindtermen en de beoordeling van het vak.
Buiten deze vakken en voorbeelden blijft echter de verbinding van praktijkgerichte
prestaties aan leerdoelen in het curriculum of het systematisch beoordelen van praktijkgerichte
activiteiten achter bij theoretische prestaties die wel verbonden zijn aan leerdoelen.
In dit kader heeft Citolab een prototype ontwikkeld dat het mogelijk maakt om groei
in vaardigheden zichtbaar te maken.10 Het prototype laat zien dat het mogelijk is om groei op vaardigheden in beeld te
brengen maar dat er nog veel doorontwikkeling nodig is voordat dit in een gewone klas
kan plaatsvinden.
1.3 Een disbalans in het stelsel
De onderzoeken laten zien dat praktijkgericht onderwijs en praktijkgerichte vaardigheden
structureel te weinig waardering krijgen. Het laat bovendien zien dat dit geen gebrek
aan waardering is van betrokken leerkrachten of ouders, maar eerder een disbalans
in het stelsel weergeeft. Factoren die zorgen voor minder status zijn de missende
koppeling met leerdoelen in het curriculum, de benodigde voorbereidingstijd en expertise,
de uitdagingen bij toetsing of beoordeling van leerprestaties – het laten zien van
groei – op praktijkgerichte vaardigheden en het ontbreken van een systematische rol
van praktijkgericht onderwijs bij de beoordeling van leerprestaties. Dit geldt vooral
als er beslissingen worden genomen over het vervolgtraject van een leerling, zoals
in de overgang po-vo of de overgang van de onderbouw naar de bovenbouw van het vo.
Dat leidt ertoe dat praktijkgericht onderwijs in de ogen van leerkrachten, ouders
en leerlingen «niet echt meetelt». Zoals eerder genoemd zijn er uitzonderingen, zoals
de praktijkgerichte vakken in vmbo gl/tl en havo, andere vakken waarin praktijkgericht
werken een belangrijk onderdeel is of scholen die praktijkgericht werken in hun onderwijs
verwerken. Het is belangrijk om die kennis en kunde in het vervolgtraject te betrekken
en beschikbaar te maken voor scholen die praktijkgerichter willen werken.
2. Wat doen we al om praktijkgericht onderwijs te versterken?
Om meer verbinding te creëren tussen praktijkgericht en theoriegericht onderwijs werkt
OCW in verschillende trajecten maatregelen uit om praktijkgericht onderwijs en technische
vaardigheden te versterken. Daardoor ontstaat meer aanbod van praktijkgericht onderwijs,
zoals met de praktijkgerichte vakken, in het gehele funderende onderwijs.
2.1 Vmbo: beroepsgerichte vakken en de praktijkgerichte vakken
In de basisberoepsgerichte en kaderberoepsgerichte leerweg wordt gewerkt aan de doorontwikkeling
van de beroepsgerichte vakken. Daarvoor zijn drie experimenten gestart (zie bijlage
1 voor verdere informatie en de stand van zaken). Het doel van deze experimenten is
om inzicht te krijgen in de mate waarin een school een flexibele inrichting van het
beroepsgerichte vak in het vmbo aankan. Tevens is het belangrijk te onderzoeken wat
bij het aanbieden van een flexibel model door scholen en leerlingen wordt gezien als
minimale basiskennis en basisvaardigheden in de beroepsgerichte context. Ten slotte
vragen de experimenten de deelnemende scholen om na te denken over het regionale aanbod
en de regionale samenwerking.
In de gemengde (gl) en theoretische leerweg (tl) is het praktijkgericht programma
(gl) en het praktijkgerichte vak (tl) toegevoegd. Het doel van het praktijkgerichte
vak is om met praktische en realistische opdrachten voor opdrachtgevers van buiten
de school kennis, vaardigheden en ervaringen op te doen en daarmee ook een betere
oriëntatie te krijgen op de wereld om leerlingen heen. Hiervoor heeft tussen 2020
en 2025 een pilot plaatsgevonden waarin het zogenaamde praktijkgerichte programma11 (pgp) binnen de gemengde en theoretische leerweg van het vmbo is ontwikkeld en uitgeprobeerd.12, 13 De betrokken scholen geven aan dat het pgp-leerlingen een andere manier van leren
biedt, waarin zij meer ruimte krijgen voor zelfstandig en praktijkgericht werken,
een beter zelfbeeld ontwikkelen, zich beter voorbereiden op het vervolgonderwijs en
meer leerplezier en motivatie krijgen.
Leerlingen kunnen in de praktijkgerichte vakken lees- en rekenvaardigheden oefenen
waardoor de basisvaardigheden versterkt worden. Ook hebben zij verschillende generieke
vaardigheden kunnen oefenen, zoals samenwerken, communiceren en zelfstandig werken.
Leraren waarderen het dat zij zelf vorm kunnen geven aan het pgp (met eigen opdrachten
en netwerken) omdat er veel ruimte is voor een eigen invulling door de school.14 Scholen geven aan hierdoor meer in te kunnen spelen op de behoefte van leerlingen.
Al met al is deze ervaring met praktijkgericht onderwijs in de vorm van een praktijkgericht
vak, dat inmiddels in het curriculum van de gl en tl een vaste plek als examenvak
heeft gekregen, positief gebleken, en gaan steeds meer scholen verder met het aanbieden
daarvan in hun onderwijs.15 Er lijkt institutionalisering van het vak binnen de schoolorganisatie gaande.
Om deze praktijkgerichte vakken in de gl/tl verder te versterken stelt OCW extra structurele
aanvullende bekostiging beschikbaar voor praktijkgerichte vakken in de theoretische
leerweg. In de Voorjaarsnota zijn deze middelen toegevoegd aan het begrotingsartikel
3 (voortgezet onderwijs) van de OCW-begroting. Dit betekent dat een school een aanvullende
bekostiging krijgt voor elke leerling in de theoretische leerweg die een praktijkgericht
vak kiest in het vrije deel. Nadat de Eerste en Tweede Kamer hebben ingestemd met
de 1e suppletoire begroting van OCW zal OCW de benodigde aanpassingen per ministeriële
regeling uitwerken om deze aanvullende bekostiging voor scholen vanaf schooljaar 2028–2029
te kunnen verstrekken.
2.2 Havo en vwo: praktijkgericht onderwijs in alle schoolsoorten van het vo
Voor het havo worden vanaf 2026–2027 ook praktijkgerichte vakken maatschappij en technologie
(in een kleine en in een grote variant) toegevoegd, zodat leerlingen deze praktijkgerichte
vakken als volwaardig examenvak kunnen afronden.16 Hiervoor komt vanaf 2027 tevens structurele aanvullende bekostiging per deelnemende
leerling beschikbaar. Daarmee zijn er beroepsgerichte en praktijkgerichte vakken van
de basisberoepsgerichte leerweg tot en met het havo mogelijk. Voor het vwo wordt nader
onderzocht wat de rol van praktijkgericht onderwijs in deze leerroute kan zijn. Zowel
voor het havo als vwo wordt daarbij ook onderzocht in hoeverre bestaande vakken een
vergelijkbare praktijkcomponent hebben als de nieuwe praktijkgerichte vakken. Als
de uitkomsten van het onderzoek positief zijn kijken we naar passende randvoorwaarden
voor verschillende typen vakken.
2.3 Praktijkgericht techniekonderwijs in het funderend onderwijs
In drie andere trajecten wordt gewerkt aan het stimuleren van (praktijkgericht) techniekonderwijs
in het funderend onderwijs. Zo wordt in het programma Sterk Techniekonderwijs (STO)
hard gewerkt om het regionale techniekaanbod in het vmbo van kwalitatief hoog niveau
te houden. Door de samenwerking tussen scholen en regionale mbo-instellingen en regionale
bedrijven lukt het om meer vmbo-leerlingen in aanraking te laten komen met technische
vaardigheden en technische vakinhoud. Tegelijk zien we dat hier nog groei mogelijk
én nodig is. Het tweede programma waarin gewerkt wordt aan (technische) vaardigheden
en het ontdekken van talent en interesse voor technologie is het Groeifondsprogramma
Techkwadraat. Via dit programma krijgen leerlingen in het primair en voortgezet onderwijs
de kans om de wereld van technologie en bèta-techniek te ontdekken en te werken aan
praktische en technische vaardigheden. Tot slot heeft OCW de Skills vakwedstrijden
uitgebreid van vmbo naar het hele voortgezet onderwijs (inclusief praktijkonderwijs
en voortgezet speciaal onderwijs), ook hier krijgen leerlingen de kans om in aanraking
te komen met praktijkgerichte vaardigheden en kennis.
3. Inzet om praktijkgericht onderwijs verder te versterken
Een bredere impact van praktijkgericht onderwijs
Zoals hierboven geschetst wordt er in een heel aantal trajecten hard gewerkt om praktijkgericht
en technisch onderwijs te versterken. Om de verbinding tussen praktijkgericht, technisch
en theoretisch onderwijs te versterken is een breder scala aan leerprestaties en vaardigheden
noodzakelijk. De rol van praktijkgericht onderwijs bij het halen van leerdoelen, kerndoelen
en eindtermen, in het gehele onderwijsprogramma heeft daartoe meer uitwerking en inbedding
nodig. Dit betekent uiteraard niet dat basisvaardigheden of theoretische leerstof
en verwerking minder aandacht krijgen. Integendeel, uit de onderzoeken komt naar voren
dat door praktijkgerichter onderwijs een bewuste en meer systematische plaats te geven
in het onderwijsprogramma, juist kansen ontstaan om ook de basisvaardigheden te verstevigen,
verdiepen en aan te tonen in een andere context. Op die manier ontstaat bovendien
ruimte voor waardering van andere kennis, vaardigheden en houdingen en daarmee bredere
talentontwikkeling.
Vervolgstap: samen werken aan praktijkgericht(er) onderwijs
Het Ministerie van OCW gaat samen met het onderwijsveld kijken wat er nodig is om
praktijkgericht onderwijs tot een succes te maken en te borgen in de dagelijkse praktijk
van scholen. Centraal daarbij staan: de meerwaarde die ontstaat voor het halen van
de leerdoelen, kerndoelen en eindtermen; de kansen en beperkingen, de organisatorische
uitdagingen, de benodigde kennis en de randvoorwaarden. Hiervoor gaan we in gesprek
met het onderwijsveld, belangenbehartigers, bedrijven die ervaring hebben met praktijkgerichte
vakken, wetenschappers en professionals met relevante kennis. Hierbij worden ook scholen
of organisaties betrokken die al veel ervaring hebben met praktijkgericht werken en
op dit gebied expertise en ervaring kunnen delen. In dit kader zet OCW ook het (eerder
aangekondigde) leertraject voort met twaalf vo-scholen, om de impact van praktijkgerichter
werken in de onderbouw van het vo te onderzoeken.17
Daarnaast gaat OCW verder met het onderzoeken van de effectiviteit van het behalen
van kerndoelen, eindtermen en lesdoelen en het verdiepen van eerder aangeleerde kennis
en vaardigheden door praktijkgerichter te werken. Tevens gaan we verder met het onderzoeken
van mogelijkheden om groei op praktijkgerichte vaardigheden systematischer in beeld
te brengen en welke vaardigheden en praktijkgerichte kennis doorstroomrelevant zijn
voor het mbo, hbo en wo. Tot slot wordt ook gekeken naar de invloed van huidige wet-
en regelgeving en beleid op de mogelijkheden voor scholen om meer praktijkgericht
onderwijs te bieden en de impact die een versterkte rol van praktijkgericht onderwijs
heeft op het stelsel. Er is immers ook geconstateerd dat de disbalans in waardering
effect heeft op het stelsel. Een gelijke waardering van alle prestaties vergt een
heroverweging van de huidige manier waarop leerlingen gegroepeerd worden in het voortgezet
onderwijs. Tevens roept het de vraag op welke leerprestaties mogen leiden tot welke
vervolgmogelijkheden en wat daarin de rol van de leerroutes in het vmbo is. Voordat
deze vragen gaan spelen zullen eerst de hierboven beschreven stappen uitgewerkt moeten
zijn. De antwoorden op die vragen zijn immers van belang om de jonge generaties van
nu voor te bereiden op de economie en samenleving van de toekomst.
Tot slot
Het ten volle ontwikkelen van talent en alle leerprestaties is belangrijk voor scholieren
zelf, maar ook voor onze samenleving en economie. Ook met het oog op de uitdagingen
rondom de veranderende economie en de opdracht van de Ministeriële Taskforce Toekomstige
Welvaart en Vestigingsklimaat en de Talentstrategie, waarover uw Kamer binnenkort
nader geïnformeerd wordt.
Praktijkgerichter onderwijs speelt een essentiële rol bij het voorbereiden van onze
jongeren op deze veranderende economie. De impact van praktijkgerichter werken op
de onderwijspraktijk wordt steeds duidelijker, net als de randvoorwaarden, kennis,
materialen en voorbeelden die nodig zijn om scholen te ondersteunen. Ik wil dat elke
leerling onderwijs krijgt dat in staat is om hoofd (kennis en vaardigheden) en handen
(toepassen) in een goede balans te combineren tot een hoogwaardig onderwijsprogramma,
waarmee zij hun brede talenten en passie kunnen ontdekken (hart). Hiermee ontstaat
onderwijs dat leerlingen kennis en vaardigheden leert die zij na hun schooltijd in
het vervolgonderwijs en in de maatschappij kunnen gebruiken, met een brede waardering
voor alle talenten.
De Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap,
J.Z.C.M. Tielen
BIJLAGE 1 EXPERIMENTEN IN DE BEROEPSGERICHTE VAKKEN IN BASIS- EN KADERBEROEPSGERICHTE
LEERWEG
OCW werkt aan het toekomstbestendig maken van het vmbo. Dit gebeurt aan hand van drie
pijlers: een sterk curriculum, een flexibele organisatie en een regionale dekking
en samenwerking. Deze pijlers worden niet los van elkaar ontwikkeld, maar zijn verstrengeld
en afhankelijk van elkaar. OCW kiest in de verkenning naar een toekomstbestendig vmbo
bewust voor een iteratief proces, waarbij zij samen met scholen onderzoekt wat de
basis is voor elke leerling, op welke wijze de leerling gebruikmaakt van de flexibiliteit
zodat deze in verschillende contexten zijn eigen talenten kan ontdekken en ontwikkelen
én op welke wijze scholen kunnen samenwerken met elkaar, het bedrijfsleven en vervolgonderwijs,
om dit aanbod zo passend mogelijk te maken. De zoektocht naar de juiste basis raakt
aan de vraag die gesteld wordt bij de hierboven genoemde tweede vervolgstap: welke
kennis en vaardigheden moeten worden aangeleerd in het funderend onderwijs om te slagen
in het vervolgonderwijs? Ook raakt de verkenning het traject van praktijkgericht onderwijs
op het gebied van regionale samenwerking: bedrijven, instellingen en vervolgonderwijs
kunnen de maatschappelijk of professioneel gerichte context vormen waarin leerlingen
praktijkgerichte kennis en vaardigheden verwerven en toepassen.
Naast de gesprekken en samenwerking met de keten van SLO, CvTE en Cito, werkt OCW
ook actief samen met scholen middels experimenten. Het gaat daarbij om de volgende
experimenten:
a) Drie experimenten met combinatieprofielen: PIE/BWI(eventueel aangevuld met M&T); Z&W/HBR
en Z&W/E&O;
b) Een experiment over de inhoudelijke vernieuwing van het profiel M&T;
c) Een experiment over het praktijkgerichte vak MVI in de basis- en kaderberoepsgerichte
leerweg.
Mede aangewakkerd door de opgebouwde samenwerking tussen de technische profielen binnen
Sterk Techniekonderwijs, is in 2023 aan een beperkte groep scholen de mogelijkheid
geboden af te wijken van de reguliere profielenstructuur. Dit geldt voor de technische
profielencombinaties PIE/BWI (met een enkele uitbreiding naar het profiel M&T). Leerlingen
mogen afwijken van de reguliere voorgeschreven combinatie van een beroepsgericht profiel
bestaande uit vier profielmodules en vier beroepsgerichte keuzevakken. De leerlingen
kiezen in het experiment twee profielmodules en zes keuzevakken. Hierdoor is er voor
de leerling en de school meer gelegenheid zich flexibeler en breder te oriënteren
of juist te specialiseren richting een passende vervolgopleiding. Een tussenrapportage
van de monitor die is uitgezet om het experiment PIE/BWI te volgen is in november
aan uw Kamer aangeboden. Dit experiment wordt vanaf het schooljaar 2026–2027 uitgebreid
met de een aantal dienstverlenende profielen, te weten de combinaties Z&W/HBR en Z&W/E&O.
Ook deze uitbreiding wordt gemonitord door onderzoekers. In totaal experimenteren
zo’n vijftig scholen een flexibel beroepsgericht profiel.
Voor het profiel Mobiliteit en Transport is een kleine groep scholen de gelegenheid
gegeven om binnen een flexibele structuur met inhoudelijke vernieuwing aan de slag
te gaan. Deze vernieuwing is mede aangewakkerd door de noodzakelijke veranderingen
in de sector, met name op het gebied van elektrificatie.
Tot slot heeft het platform voor het profiel Media, ICT en Vormgeving aangegeven graag
een praktijkgericht vak voor de basis- en kaderberoepsgerichte leerweg te willen ontwikkelen.
Voorlopig zal dit experiment zich beperken tot één school.
Ondertekenaars
J.Z.C.M. Tielen, staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap