Brief regering : Voorjaarsbrief Sport en Bewegen 2026
30 234 Toekomstig sportbeleid
Nr. 442
BRIEF VAN DE MINISTER VAN LANGDURIGE ZORG, JEUGD EN SPORT
Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 24 juni 2026
In het coalitieakkoord «Aan de slag»1 staat de ambitie beschreven om te bouwen aan de gezondste generatie ooit. Gezondheid
begint niet in het ziekenhuis, maar in het dagelijks leven: thuis, op school, én op
de sportclub. «Met een gezonde leefomgeving en een stevige sociale basis helpen we
mensen om langer gezond te blijven. Dat vergroot de kwaliteit van leven en draagt
bij aan een sterke en veerkrachtige samenleving». Sport en bewegen speelt een belangrijke
en onmisbare rol in deze ambitie.
In het afgelopen jaar voldeed 47 procent van de Nederlandse bevolking aan de beweegrichtlijnen.2 Vooral jongeren (12 t/m 17 jaar) en ouderen (65-plussers) bewegen relatief weinig.
Slechts 41 procent van deze groepen voldoet aan de beweegrichtlijnen. Ruim de helft
van de Nederlanders beweegt daarmee onvoldoende. En dat is zonde. Want mensen die
sporten en bewegen zijn over het algemeen fysiek en mentaal fitter. Bovendien brengt
sport mensen samen op een unieke manier. Genoeg reden om de andere helft van de mensen
in Nederland ook te laten profiteren van de voordelen van sport en bewegen.
Sinds mijn start als Minister van Langdurige Zorg, Jeugd en Sport ervaar ik dagelijks
de enorme inzet en energie die wordt gestoken in het organiseren van sport en bewegen.
Of het nu de vrijwilligers achter de bar zijn of de trainers voor de groep. Ik zie
hoe organisaties alles tot in de puntjes geregeld hebben. Bij de Koningsspelen in
Zeewolde of de Paralympische Spelen in Cortina. En overal werkt die energie ronduit
aanstekelijk. Waar mogelijk draag ik daar graag mijn steentje aan bij. Dit najaar
kunt u daarom van mij een Kamerbrief verwachten waarin ik mijn ambities presenteer.
In de voorliggende brief ga ik in op de voortgang van diverse onderwerpen op het beleidsterrein
van sport en bewegen. Ik geef opvolging aan de toezeggingen van mijn voorgangers.
Daarnaast behandel ik actuele moties en verzoeken van uw commissie. Tenslotte bied
ik u met deze brief het advies Niemand aan de zijlijn aan van de NLsportraad over
Kansengelijkheid (bijlage 1). Een inhoudelijke beleidsreactie hierop kunt u van mij
in het najaar verwachten.
U vindt in deze brief de volgende onderwerpen:
Sterke sport- en beweegsector
– Reactie op het commissieverzoek over het Nationaal Sportakkoord
– Voortgang op het beleidsplan «Toekomstbestendige sportinfrastructuur en ruimte voor
sport en bewegen»
– Subsidieregeling «Stimulering bouw en onderhoud sportaccommodaties (BOSA)»
Passend sport- en beweegaanbod
– Clubondersteuning
– Reactie commissieverzoek over het Landelijk Impactonderzoek Sportverenigingen van
de RVBB
– Voortgang programmaplan Jeugdsport en Talentontwikkeling
– Stand van zaken internationale topsportevenementen in Nederland
Veilige sport
– Stand van zaken hersenschade in de sport
– Monitor OVIVI/OCIVI
– Aanbieding rapport «Prevalentieonderzoek grensoverschrijdend gedrag in de sport»
Bovenstaande onderwerpen behandel ik tegen de achtergrond van de lopende gesprekken
over de exacte invulling van de middelen uit het coalitieakkoord3 met partners en experts uit het veld. In het coalitieakkoord is vanaf 2028 een structureel
bedrag van 50 miljoen euro opgenomen voor onder andere de BOSA (33 miljoen euro in
2027). Over de exacte invulling moet nog besluitvorming plaatsvinden.
Met het oog op «de gezondste generatie ooit» willen wij als kabinet sport en bewegen
in het dagelijks leven stimuleren, voor mensen met en zonder handicap. Bouwen aan
een gezonde generatie gaat voor ons verder dan alleen jeugd. Sporten en bewegen helpen
jongeren, ouderen, en iedereen daartussenin een leven lang, tot aan het pensioen en
ver daar voorbij.
Dit betekent toegankelijke sport- en beweegmogelijkheden, dichtbij, slim georganiseerd
en veilig. We werken aan het fundament voor sport en bewegen. Het is van belang dat
we dit samen met gemeenten en partijen uit het veld doen, die zich elke dag inzetten
voor een solide en toekomstbestendige sport- en beweegsector. Daarom willen we onder
andere renovatie en nieuwbouw van sportaccommodaties en speelplekken stimuleren, gemeenten
steunen bij het formuleren van lokaal sport- en beweegbeleid, investeren in veilige
sport en data gedreven werken.
Zoals hierboven aangekondigd zal ik uw Kamer in het najaar verder informeren over
de wijze waarop ik dit vanaf 2027 samen met partners vorm zal geven. Hierin neem ik
de aanbevelingen vanuit de evaluaties van het Sportakkoord II en Actieplan Nederland
Beweegt mee.
In de bijlage treft u de volgende documenten aan:
1. Advies Niemand aan de zijlijn van de Nederlandse Sportraad
2. Evaluatie OVIVI
3. Evaluatie OCIVI
4. Prevalentieonderzoek grensoverschrijdend gedrag in de sport
Sterke sport en beweegsector
Reactie op het commissieverzoek met betrekking tot het Nationaal Sportakkoord
Uw commissie heeft mij gevraagd te reageren op berichtgeving in media over de zorgen
rondom het aflopen van het Nationaal Sportakkoord.4 Ik begrijp waar de zorgen van partijen zitten. De bezuinigingen, die in de vorige
kabinetsperiode aangekondigd zijn, zullen effect hebben op de sportsector.
Het kabinet wil in de komende kabinetsperiode komen tot een stabiel en toekomstbestendige
sport- en beweegsector. Hierbij is het doel de succesvolle onderdelen van het Sportakkoord,
zoals de kracht van samenwerking, te behouden en voort te zetten. Door een verdere
verkenning naar structurele beleidsinbedding, duidelijke rollen en structurele financiering
in plaats van kortlopende projectfinanciering. Het systeem moet voldoende wendbaar
blijven om in te spelen op maatschappelijke veranderingen en groepen die nu nog onvoldoende
worden bereikt. Deze ambities werk ik op dit moment uit met relevante partners en
gemeenten. Hierover zal ik uw Kamer in het najaar informeren.
Voortgang op het beleidsplan «Toekomstbestendige sportinfrastructuur en ruimte voor
sport en bewegen»
In 2025 ontving uw Kamer het beleidsplan Toekomstbestendige sportinfrastructuur en
ruimte voor sport en bewegen.5 In dit plan is uiteengezet hoe we, gezamenlijk met partners, willen bijdragen aan
voldoende ruimte voor sport en bewegen en een toekomstbestendige sportinfrastructuur.
Zoals toegezegd in de begeleidende brief bij dit plan informeer ik uw Kamer over de
voortgang op de acties binnen dit beleidsplan.
Ruimte voor sport en bewegen
De aangekondigde richtlijn voor ruimte voor sport, bewegen en spelen is in ontwikkeling.
Het Mulier Instituut en het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM) werken
hier aan. De richtlijn gaat uit twee delen bestaan. Het eerste deel richt zich op
de gewenste hoeveelheid ruimte voor sport, bewegen en spelen op speelplekken of openbaar
groen. Het tweede deel gaat over de gewenste afstand tot verschillende typen sportaccommodaties.
Het betreft een nationale ontwerprichtlijn die gemeenten kunnen toepassen bij lokale
afwegingen in de ruimtelijke ordening.
Naar aanleiding van de motie Zalinyan6 is uw Kamer door de Minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening geïnformeerd
over verschillende keuzes in de definitieve Nota Ruimte.7 De teksten die gaan over complete en prettige leefomgevingen worden aangevuld met
passages over het belang van sport, bewegen en spelen. Hiermee stimuleert het kabinet
gemeenten om sport en bewegen mee te nemen bij het maken van ruimtelijke afwegingen.
Kenniscentrum Sport & Bewegen, Platform31 en Urhahn ontwikkelen een handleiding om
gemeenten te ondersteunen ruimte voor sport, bewegen en spelen te realiseren met behulp
van de Omgevingswet. Deze handleiding bevat toegankelijke informatie over de huidige
wet- en regelgeving, relevante financiële instrumenten en regelingen. De handreiking
wordt in samenwerking met een community of practiceontwikkeld waarin meerdere gemeenten vertegenwoordigd zijn.8 Het gaat daarbij om beleidsmedewerkers uit zowel het fysieke als sociale domein.
De genoemde richtlijn voor ruimte voor sport, bewegen en spelen wordt ook opgenomen
in deze handreiking.
Financieel instrumentarium per 2027
De Specifieke Uitkering (SPUK) Stimulering Sport wordt ingezet voor investeringen
in sportinfrastructuur. Middelen vanuit de Brede Regeling Combinatiefuncties (BRC)
worden door gemeenten benut om professionals zoals buurtsportcoaches in te zetten.
Deze professionals proberen sport, bewegen en cultuur structureel te verbinden aan
andere sectoren, zoals onderwijs, zorg en welzijn. De Brede SPUK en de bestuurlijke
afspraken die ten grondslag liggen aan de BRC lopen tot en met 2026. Ook de SPUK Stimulering
Sport loopt aan het einde van dit jaar af. Vanaf 2027 staat er 83 miljoen op de begroting
voor de BRC9 en voor SPUK Stimulering Sport staat er 174 miljoen euro op de begroting van VWS
voor gemeenten om hen ook komende jaren te ondersteunen bij investeringen in de sportinfrastructuur
en de bemensing van de sport- en beweegsector. Er moet nog een keuze worden gemaakt
via welk financieringsinstrument gemeenten deze middelen ontvangen.
Integrale Huisvestingsplannen Sport en Bewegen
Meerdere gemeenten zijn op eigen initiatief al aan de slag met integrale huisvestingsplannen
sport en bewegen (IHPSB). Ik ervaar dan ook veel enthousiasme vanuit gemeenten om
hier lokaal werk van te maken. Het is van belang gemeenten hierin te ondersteunen.
Samen met VSG, NOC*NSF en Kenniscentrum Sport en Bewegen is een handreiking uitgewerkt
die gemeenten helpt bij het opstellen van deze plannen. We zijn in gesprek met gemeenten
hoe verdere ondersteuning vorm moet krijgen.
Subsidieregeling Stimulering bouw en onderhoud van sportaccommodaties (BOSA), inclusief
reactie op commissieverzoeken brieven over de «BOSA-subsidie 2026»
Uw commissie heeft mij via twee commissiebrieven gevraagd te reageren op meerdere
burgerbrieven over de «BOSA-subsidie 2026».10,
11 Met deze brief reageer ik op de commissiebrieven. Daarnaast zal ik elke ontvangen
burgerbrief individueel beantwoorden.
Aanvragers van de subsidieregeling BOSA hebben door een storing van het aanvraagportaal
niet allemaal een eerlijke en gelijke kans gehad tot het indienen van hun subsidieaanvraag.
Hier is uw Kamer over geïnformeerd in de verzamelbrief Sport en Bewegen van april
2026.12 Daarom is besloten de verdeelwijze van het beschikbare budget van de BOSA aan te
passen. In plaats van rangschikking van de aanvragen op volgorde van binnenkomst is
gekozen voor een verdeling op basis van loting.
Zoals eerder aangegeven betreur ik met u en de auteurs van de brieven dat deze storing
heeft plaatsgevonden. Ik zal er alles aan doen om dit in de toekomst beter vorm te
geven. Daarom neem ik de lessen mee in de vormgeving van de regeling voor komend jaar.
Zowel de gebruiksvriendelijkheid van het portaal als de verdeelwijze van het beschikbare
budget zal hierbij tegen het licht gehouden worden. Ik zal u daar in het najaar over
informeren.
Het besluit om de verdeelwijze van het budget op volgorde van binnenkomst van complete
aanvragen los te laten is niet lichtzinnig genomen. Aanvragers hebben door de storing
niet allemaal een eerlijke en gelijke kans gehad tot het indienen van hun subsidieaanvraag.
Om iedereen een gelijke kans te geven heb ik daarom besloten de verdeelwijze aan te
passen.
De loting zal sommige aanvragers verheugen en anderen teleurstellen. Ik ben me ervan
bewust dat de nieuwe volgorde vervelende situaties oplevert, dat betreur ik. Maar
ook bij verdeling op volgorde van binnenkomst hadden zich ongelukkige situaties voorgedaan.
Werkgroep financiering bouw en onderhoud sportaccommodaties
Het kabinet Schoof heeft een taakstelling op de BOSA doorgevoerd. Vanaf 2028 is structureel
nog 25 miljoen euro per jaar beschikbaar voor deze subsidieregeling. In het regeerakkoord
is afgesproken dat het kabinet zal investeren in bouw en onderhoud van sportaccommodaties.
De beschikbare middelen voor de BOSA-regeling wil ik zo goed mogelijk inzetten.
Daarom stel ik samen met NOC*NSF en Stichting Waarborgfonds Sport (SWS) een werkgroep
«financiering bouw en onderhoud sportaccommodaties» in. Deze werkgroep zal in kaart
brengen hoe de middelen voor bouw en onderhoud van sportaccommodaties vanaf 2028 kunnen
worden ingezet. Daarbij wordt ook de verkenning naar een revolverend fonds betrokken,
zoals eerder aangekondigd in het beleidsplan Toekomstbestendige sportinfrastructuur
en ruimte voor sport en bewegen.13 De werkgroep levert eind van het jaar het resultaat op. Ik zal uw Kamer hier dan
ook over informeren.
Passend sport- en beweegaanbod
Clubondersteuning
Sportverenigingen hebben een grote maatschappelijke waarde. Ze bieden miljoenen Nederlanders,
in het bijzonder kinderen en jongeren, de mogelijkheid om te sporten, elkaar te ontmoeten
en zich sociaal en mentaal te ontwikkelen. Maatschappelijke ontwikkelingen zoals individualisering,
vergrijzing, veranderende sportvoorkeuren en druk op de ruimte leiden ertoe dat steeds
meer van verenigingen wordt gevraagd. Daarnaast worden sportclubs geconfronteerd met
aanvullende eisen op het gebied van sociale veiligheid, verduurzaming, regelgeving
en vergunningen.
Om toekomstbestendig te blijven, moeten sportverenigingen zich aanpassen aan deze
veranderingen en voor een deel van de verenigingen is dit moeilijk. Daarom werk ik
samen met NOC*NSF en de VSG aan vitale sportverenigingen, onder andere door clubondersteuning.
Het kabinet vindt het belangrijk om clubs bij al die uitdagingen te ondersteunen,
zodat zij ook in de toekomst hun maatschappelijke rol kunnen blijven vervullen. Ook
uw Kamer heeft diverse moties aangenomen om aandacht te vragen voor het ondersteunen
van sportverenigingen en het ontlasten van vrijwilligers.14,
15,
16,
17
In het Commissiedebat Sport en Bewegen van 1 juli 2025 heeft het lid Mohandis gevraagd
naar de inzet van het kabinet op clubondersteuning. Mijn voorganger heeft gezegd te
willen kijken hoe we clubondersteuning vanaf 2027 passend kunnen vormgeven, waarbij
we de opgehaalde leerpunten uit het Sportakkoord meenemen. Dit sluit ook aan bij het
Deltaplan, waar het lid van Nispen om vraagt.18
Huidige inzet op clubondersteuning
Met het Nationaal Sportakkoord II is de afgelopen jaren ingezet op clubondersteuning
via directe ondersteuning aan verenigingen, versterking van de lokale ondersteuningsstructuur
en landelijke samenwerking tussen partners. Een belangrijke ontwikkeling is de oprichting
van sport- en beweegloketten. Bij deze sport- en beweegloketten kunnen sportclubs
terecht met hulpvragen over bijvoorbeeld bestuur en vrijwilligers, trainers en coaches,
accommodaties, verduurzaming, sociale veiligheid, regelgeving en samenwerking in de
wijk.
Afhankelijk van de behoefte die een club heeft, wordt daar passende ondersteuning
aan gekoppeld. NOC*NSF verwacht dat eind 2026 in 85 tot 90 procent van de gemeenten
sport- en beweegloketten actief of in ontwikkeling zijn.19
Deze sport- en beweegloketten zijn een belangrijke basis om clubondersteuning lokaal
en regionaal effectiever te organiseren. Het Mulier Instituut heeft onderzoek gedaan
naar clubondersteuning en de werking van de sport- en beweegloketten.20 De onderzoekers geven aan dat clubondersteuning door de opzet van de sport -en beweegloketten
efficiënter is georganiseerd. Daarnaast hebben de sport- en beweegloketten ervoor
gezorgd dat meer lokale organisaties (gemeenten en lokale uitvoeringsorganisaties)
en landelijke organisaties (sportbonden) structureel samenwerken. En daarbij weten
steeds meer sportverenigingen ondersteuning te vinden en wordt het ondersteuningsaanbod
beter gestroomlijnd. Tevens is de samenwerking tussen gemeenten, sportbonden en andere
ondersteunings-organisaties verbeterd.
Uitdagingen van de huidige inzet
Het Sportakkoord II loopt eind 2026 af. Hoewel de basis is gelegd, zijn nog niet alle
sport- en beweegloketten voldoende geborgd om duurzaam te worden voortgezet vanaf
2027. Ik signaleer de volgende uitdagingen:
– Clubondersteuning is op sommige plekken nog versnipperd georganiseerd. De toegankelijkheid
en vindbaarheid van de opgezette sport- en beweegloketten kunnen beter. Het is voor
sportclubs nog niet altijd duidelijk waar zij terecht kunnen met hun hulpvraag.
– De samenwerkingsafspraken tussen de ondersteunende partijen binnen een loket zijn
(nog) niet overal optimaal geborgd.
– De kwaliteit van de clubondersteuning is een aandachtspunt. Zeker gezien het feit
dat sportverenigingen te maken krijgen met complexere vraagstukken. Dat vraagt om
kwaliteitsbewaking van clubondersteuning en aandacht voor specifieke competenties
van clubondersteuners die werkzaam zijn binnen een sport- en beweegloket.
– Het vrijblijvende karakter van clubondersteuning is een aandachtspunt. De financiering
van clubondersteuning is onzeker en niet structureel. Dat maakt de organisatie van
clubondersteuning kwetsbaar. Afspraken over rollen, taken en verantwoordelijkheden
van landelijke partijen over structurele financiering ontbreken.
Inzet vanaf 2027 en verder
Het uitgangspunt is dat de uitvoering van clubondersteuning primair plaatsvindt op
lokaal en regionaal niveau. Waar de lokale context en specifieke behoefte van sportverenigingen
het beste kunnen worden herkend. Samen met NOC*NSF en de VSG gaan we vanaf 2027 aan
de slag met de volgende acties:
– Landelijk dekkend netwerk van sport- en beweegloketten: we vergroten de toegankelijkheid van clubondersteuning door de vindbaarheid van
de bestaande sport- en beweegloketten te verbeteren. Bij deze loketten kunnen clubs
ook terecht voor vragen rondom bouw, onderhoud en verduurzaming.21
– Landelijk ondersteuningspunt: we ontwikkelen een landelijk ondersteuningspunt om de kwaliteit en kennis van de
lokale sport- en beweegloketten te versterken.
– Kwaliteit verbeteren: we zetten een kwaliteitszorgsysteem op, met onder andere erkende functieprofielen
voor clubondersteuners, kwaliteitskaders per expertise, kennisborging, monitoring
en intervisie.
– Kennis bevorderen: we verbeteren kennisontwikkeling en kennisdeling op het gebied van clubondersteuning,
bijvoorbeeld door de mogelijkheden te verkennen rondom de inzet van AI.
– Afspraken over rollen, taken en verantwoordelijkheden: we maken afspraken met NOC*NSF en de VSG over rollen, taken en verantwoordelijkheden
om clubondersteuning in de toekomst duurzaam te organiseren.
Op 3 maart 2026 is door uw Kamer een motie aangenomen over het borgen van een ombudsfunctie
voor sportverenigingen.22 De motie roept op om, in samenspraak met NOC*NSF en het RVVB, deze functie te versterken
en voor de toekomst te borgen. Uit gesprekken met de belangrijkste stakeholders blijkt
dat het op dit moment ontbreekt aan een duidelijke definitie wat een ombudsfunctie
voor sportverenigingen inhoudt, of deze al bestaat, en waar behoefte aan is. Ik zal
dit de komende tijd verder in beeld laten brengen.
Tenslotte zijn er diverse moties en toezeggingen rondom regeldruk ingediend.23,
24,
25 De voortgang van deze moties en toezeggingen komen allen terug in de brief Contouren
Sport- en beweegwetgeving d.d. 24 juni 2026 die naar de Kamer is verzonden. In deze
brief is de voortgang van de rijksbrede Aanpak Regeldruk gedeeld, waarbij ik ook toelicht
wat ik doe om regeldruk te verminderen.
Later dit jaar informeer ik uw Kamer over de voortgang en de concrete uitwerking van
het plan clubondersteuning. In het voorjaar van 2027 volgt een concreet voorstel om
invulling te geven aan de ombudsfunctie. Om de signalen uit het veld goed te benutten,
ga ik daarbij ook met diverse sportverenigingen in gesprek om de inzet op clubondersteuning
te versterken.
Reactie commissieverzoek over het Landelijk Impactonderzoek Sportverenigingen van
de RVBB
Uw commissie heeft mij gevraagd te reageren op het Landelijk Impactonderzoek Sportverenigingen
van de RVVB.26 Hierbij ontvangt u mijn schriftelijke reactie.
Allereerst wil ik de RVVB en de Grote Clubactie hartelijk danken. De inzet en tijd
die zij gestoken hebben in dit onderzoek is bijzonder waardevol. In het coalitieakkoord
«Aan de slag» beschrijft dit kabinet de waarde van sportverenigingen als volgt: «Verenigingen
zijn cruciaal voor ontmoeting en betrokkenheid». Dit is al vaker aangetoond in meerdere
nationale en internationale onderzoeken. Tegelijkertijd is het onderzoeken en meten
van deze (economische) waarde zeer complex.
De maatschappelijke waarde van sportverenigingen staat voor mij onomstotelijk vast.
Om deze waarde op een verantwoorde manier in kaart te brengen, is het essentieel om
te werken met een betrouwbare, transparante en breed gedragen onderzoeksmethode. Alleen
zo kunnen we gericht werken aan het versterken van de vitale rol die sportverenigingen
spelen in onze samenleving. Ik hanteer daarom het Social Return on Investment (SROI)-cijfer27 uit 2024 van Kenniscentrum Sport en Bewegen28.
De SROI is een internationaal erkende methode, die in verschillende landen wordt toegepast
om inzicht te krijgen in de maatschappelijke waarde van sport en bewegen. Alhoewel
de SROI niet specifiek iets zegt over de waarde van sportverenigingen, wordt dit wel
meegewogen. Het SROI-cijfer is gebaseerd op openbare landelijke en gemeentelijke data
en houdt rekening met zowel positieve als negatieve effecten. Denk daarbij aan de
financiële gevolgen van gezondheidswinst, maar ook aan de kosten van blessures en
verzuim. Dit cijfer geeft daarom een betrouwbaar en breed gedragen inzicht van de
waarde van sport en bewegen, al is dit ook gebaseerd op onderbouwde aannames. Momenteel
is de SROI 2,76. Dit geeft aan dat de maatschappelijke opbrengsten van sport en bewegen
2,76 keer hoger zijn dan de kosten.
Het onderzoek van de RVVB en de Grote Clubactie concludeert dat sportverenigingen
een maatschappelijke waarde vertegenwoordigen van 14 miljard euro. Daarmee bevestigt
dit onderzoek mijn beeld dat sportverenigingen een grote waarde hebben voor Nederland.
Dit laat onverlet dat ik ook een aantal aandachtspunten bij dit onderzoek heb. Allereerst
met betrekking tot de onderzoeksmethode. Het onderzoek maakt gebruik van de «Social
Handprint-methode». Deze methode is gebaseerd op zelfrapportage van honderd sportverenigingen.
Het risico van zelfrapportage is dat de ingevulde data subjectief kunnen zijn.
Daarnaast is niet duidelijk hoe de genoemde bedragen, die wordt toegekend aan de activiteiten
van deze honderd sportverenigingen tot stand zijn gekomen. Bovendien houdt deze methode
geen rekening met eventuele negatieve effecten. Nu zijn er enkel positieve baten toegekend.
Tenslotte is de doorrekening van de steekproef in dit onderzoek naar landelijke cijfers
niet voldoende onderbouwd. Zo zou Nederland volgens deze methode ruim 13 miljoen verenigingsleden
hebben, terwijl dit in werkelijkheid nog geen 5 miljoen is.29
Kenniscentrum Sport en Bewegen benadrukt dat de conclusies van de RVVB niet vergelijkbaar
zijn met de SROI door eerdergenoemde methodologische keuzes.
Programmaplan jeugdsport en talentontwikkeling
Op dit moment werk ik samen met NOC*NSF, VSG, POS en kennispartners Mulier Instituut
en Kenniscentrum Sport en Bewegen aan een programmaplan dat zich richt op een gezamenlijke
inzet op jeugdsport en talentontwikkeling de komende jaren. Hierbij is onder andere
aandacht voor het scholen van kader en passend sportaanbod. Mijn voorganger verwachtte
dit plan rond de zomer naar uw Kamer te kunnen sturen.30 Deze brief komt echter te vroeg. Daarom zal dit plan meegezonden worden met de brief
in het najaar, die ik u eerder in deze brief aankondigde.
Stand van zaken internationale topsportevenementen in Nederland
Onderstaande tabel toont hoe het Ministerie van VWS de financiële middelen voor internationale
topsportevenementen heeft besteed in 2026, vanuit de subsidieregeling topsportevenementen
2024–2028. Het betreft de totale subsidie voor topsportevenementen die per evenement
gedurende de looptijd van de projecten is verleend. De daadwerkelijke betaling kan
daarbij plaatsvinden in andere jaren dan 2026.
Ik bied u tegen het einde van dit jaar de rapportage «Topsportpodium Nederland» aan
over het jaar 2026. Dit is een rapportage over topsportevenementen in Nederland. Waarbij
ook de maatschappelijke waarde van topsportevenementen aandacht krijgt. Met deze rapportage
en onderstaande tabel kom ik tegemoet aan de toezegging om uw Kamer twee keer per
jaar te infomeren over de stand van zaken op het gebied van topsportevenementen.31
Gesubsidieerde topsportevenementen 2026
Verleende subsidie
EK Volleybal U22 vrouwen
€ 372.120
WK Beachvolleybal U19
€ 430.330
WK Veldrijden
€ 1.450.295
Solheim Cup
€ 2.500.000
WK Turnen
€ 2.500.000
WK (Para)roeien
€ 3.000.000
WK Paracycling track
€ 832.000
WK Hockey mannen en vrouwen
€ 2.500.000
WK Waterski
€ 161.525
WJK Under 21 Dansen Standaard
€ 124.230
Totaal
€ 13.870.500
Veilige sport
Voortgang van de inspanningen rondom het voorkomen van hersenschade als gevolg van
herhaald hoofdcontact in de sport
In september vorig jaar heeft u van mijn voorganger een advies van de Nederlandse
Sportraad ontvangen.32 In dit rapport stonden diverse aanbevelingen voor de sport om hersenschade in de
sport te voorkomen. In de beleidsreactie beschreef mijn voorganger hoe de Rijksoverheid
deze adviezen wilde opvolgen.33 Zoals toegezegd informeer ik uw Kamer over de voortgang.
1. Ik ben, zoals aangekondigd, in gesprek gegaan met de sportbonden en sportkoepel NOC*NSF.
Het eerste gesprek heeft mijn voorganger gevoerd op 13 oktober 2025. Op 6 juli heb
ik een vervolggesprek met dezelfde partijen.
2. Op 4 november 2025 is het onderwerp hersenschade besproken tijdens het periodieke
overleg van de Human Capital Agenda (HCA)-tafel Sport en Bewegen. Daaruit bleek dat
in opleidingen van technisch kader beperkt aandacht is voor (de omgang met) hersenschade
in de sport. In sommige gevallen is deze aandacht er wel in de opleidingen voor arbitrage
(«wat te doen bij een hersenschudding»). Ik zal het belang van dit onderwerp blijven
benadrukken bij de opleiders van kader die aan deze tafel zitting hebben.
3. Tijdens de Europese Sportraad op 12 mei jl. heb ik het onderwerp hersenschade in de
sport internationaal geagendeerd. Ik vroeg daarbij in het bijzonder aandacht voor
het risico dat kinderen lopen op chronisch letsel later in hun leven. Deze oproep
was volgend op de internationale uitvraag die ik heb gedaan bij collega-lidstaten.
Ik vroeg hen naar hun ervaringen met het voorkomen van hersenschade in de sport. Hierbij
kwam naar voren dat veel lidstaten vooral kennis verzamelen. Tegelijk hebben weinig
lidstaten ervaring met maatregelen om herhaald hoofdcontact te voorkomen. Hiermee
lijkt een opening richting de toekomst te zijn ontstaan om samen met andere lidstaten
op te trekken. Zodat we binnen Europa de jeugd beter kunnen beschermen tegen hersenschade
als gevolg van sport.
4. Ik ben in gesprek met VeiligheidNL en NOC*NSF over de registratie van maatregelen
en de opvolging daarvan. Ik verwacht later dit jaar nadere afspraken hierover te kunnen
maken.
5. Daarnaast ben ik ook met VeiligheidNL in overleg over het coördinerende expertisecentrum.
De wijze waarop VeiligheidNL hier invulling aan zou kunnen geven is nog onderwerp
van gesprek.
6. In bovengenoemde geplande gesprek met sportbonden en NOC*NSF op 6 juli is ook aandacht
voor de registratie van traumatisch hersenletsel en eenduidige richtlijnen voor een
veilige terugkeer in de sport.
Bovenstaande inzet is vooral gericht op het georganiseerde deel van de «sportwereld».
Maar die sportwereld is veel groter. Veel mensen sporten en spelen gewoon buiten op
straat, buiten het zicht van een sportbond, een club of trainer. Daarom roep ik in
het bijzonder kinderen en hun ouders op om herhaaldelijke klappen tegen het hoofd
zo veel mogelijk te voorkomen en hersenschade serieus te nemen.
Monitor OVIVI/OCIVI
Binnen het beleidsprogramma «Ons Voetbal Is van Iedereen» (OVIVI) werk ik samen met
de KNVB en de Ministeries van JenV, SZW en OCW aan het tegengaan van discriminatie
en racisme in het voetbal. Discriminatie kan leiden tot uitsluiting, ongelijkheid
en onrechtvaardige behandeling van individuen of groepen op basis van kenmerken zoals
genderidentiteit, seksuele oriëntatie, religie, of andere persoonlijke kenmerken.
Het is belangrijk om discriminatie te voorkomen, te signaleren en aan te pakken.
In het regeerakkoord geeft het kabinet aan dat er voor racisme en discriminatie geen
plek is in Nederland. Met de aanpak van OVIVI geeft het kabinet invulling aan het
doel om discriminatie en racisme in het voetbal tegen te gaan. Voorbeelden van maatregelen
binnen OVIVI zijn onder andere de Fair Play projecten (interactieve workshops voor
jongeren), het inzetten van slimme technologie zoals Persoonlijke Digitale Toegang
bij stadions en de campagne «Discriminatie=Kansloos». Ook stellen de betaald voetbalorganisaties
schriftelijke plannen op tegen discriminatie en racisme, en voor inclusie en een sociaal
veilig klimaat.
Zoals gebruikelijk ontvangt u jaarlijks de monitor «Ons voetbal Is van Iedereen» (OVIVI)
en de monitor «Onze Club Is Van Iedereen» (OCIVI). Hieronder neem ik u mee in de resultaten
over het jaar 2025.
De monitor OVIVI 2025 laat zien dat de aanpak van racisme en discriminatie in het
voetbal voortgang boekt, onder meer dankzij de campagne «Discriminatie=Kansloos»,
trainingen voor staf en kader, meldstructuren, technologische innovatie en een nauwe
samenwerking tussen de partners. Zo is het aantal meldingen van discriminatie binnen
het amateurvoetbal gestegen, mede door een verruimde definitie en verbeterde signalering.
Tegelijkertijd is er nog ruimte voor verbetering. Zo worden er door betrokkenen drempels
ervaren om een melding te doen, of men weet niet goed waar ze incidenten kunnen melden.
De monitor concludeert dat verdere voortgang vraagt om een meer structurele en verplichtende
aanpak. Daarbij is het van belang clubs concreter te ondersteunen én aan te spreken
op het ontwikkelen van beleid, gekoppeld aan de thema’s sociale veiligheid en diversiteit.
Ook is meer maatschappelijke en bestuurlijke druk nodig om binnen het betaald voetbal
duurzame gedragsverandering en bewustwording te realiseren.
NOC*NSF is in 2023 het beleidsprogramma «Onze Club Is Van Iedereen» (OCIVI) gestart
met als doelstelling inclusie binnen de Nederlandse sportorganisaties te bevorderen
en discriminatie aan te pakken. De monitor OCIVI 2025 laat zien dat het programma
richting sportclubs en sportorganisaties een impuls heeft gegeven om aandacht te besteden
aan discriminatie, racisme en inclusie. Tegelijkertijd blijven deze thema’s binnen
veel sportorganisaties beperkt geïmplementeerd en krijgen zij, met name op bestuurlijk
niveau, onvoldoende prioriteit. De uitvoering blijkt vaak afhankelijk van individuele
kartrekkers, waardoor duurzame borging kwetsbaar is.
Het is positief dat meer interventies vanuit OCIVI via gemeenten zijn ingezet dan
in voorgaande jaren. Op clubniveau blijft structurele opvolging echter achter. Veel
verenigingen ervaren weinig urgentie, herkennen discriminatie onvoldoende binnen de
eigen organisatie en maken beperkt gebruik van beschikbare interventies. De monitor
concludeert dat een voornamelijk vrijblijvende aanpak onvoldoende effectief is om
discriminatie en racisme duurzaam tegen te gaan.
Aanbevolen wordt om te komen tot een meer integrale en minder vrijblijvende aanpak,
waarbij maatregelen tegen racisme en discriminatie sterker worden verbonden aan sociale
veiligheid en diversiteit. Daarbij is het van belang clubs concreter te ondersteunen
én waar nodig te verplichten tot het ontwikkelen en uitvoeren van beleid, inclusief
duidelijke kaders, praktische handvatten en structurele monitoring. Een voorbeeld
van het afdwingen van een verplichting op discriminatiebeleid is via licentie-eisen
waar een voetbalclub aan moet voldoen om aan (betaalde) competitie mee te mogen doen.
In de tweede helft van 2026 ga ik daarom samen met de betrokken bewindspersonen van
de hierboven genoemde ministeries en de KNVB door met maatregelen zoals de campagne
«Discriminatie=Kansloos», de Meldingsapp en de Persoonlijke Digitale Toegang bij een
stadionbezoek in het betaald voetbal. Parallel hieraan vinden gesprekken plaats over
de invulling van de aanpak OVIVI en OCIVI vanaf 2027.
Uitkomsten prevalentieonderzoek grensoverschrijdend gedrag in de sport
Sportverenigingen worden over het algemeen als sociaal veilig, welkom en inclusief
ervaren. Tegelijkertijd sluit dit positieve algemene klimaat niet uit dat grensoverschrijdend
gedrag zich voordoet. Uit het onderzoek dat is uitgevoerd door Arch Safeguarding,
in opdracht van NOC*NSF en het Centrum Veilige Sport Nederland, blijkt dat ruim één
op de drie sporters van 16 jaar en ouder grensoverschrijdend gedrag heeft ervaren
binnen de sportvereniging. Psychisch grensoverschrijdend gedrag kwam het meest voor
(27%) en betreft onder meer vernederende of kwetsende opmerkingen. Daarnaast rapporteerden
sporters ervaringen met fysiek (17%), seksueel (12%) waarvan het grootste deel verbaal
(10%) en instrumenteel (7%) grensoverschrijdend gedrag, zoals het onder druk zetten
van sporters ten behoeve van prestaties.
Meer dan de helft van de betrokken sporters heeft deze ervaringen niet gemeld of besproken.
Daar waar werd gemeld, gebeurde dit voornamelijk binnen de sportvereniging of in de
privéomgeving. De meest voorkomende reden om niet te melden is dat sporters hun ervaring
niet ernstig genoeg achten. Dat een groot deel van de ervaringen niet wordt gemeld,
benadrukt het belang van een open meldcultuur en laagdrempelige ondersteuning binnen
de sport. Integriteitskwesties zoals wedstrijdmanipulatie, drugs en doping worden
door de meerderheid niet ervaren, maar wanneer zij zich voordoen, hangen zij samen
met andere vormen van grensoverschrijdend gedrag.
Ondanks de negatieve ervaringen beoordelen sporters de veiligheid binnen hun vereniging
gemiddeld als hoog. De resultaten laten daarmee een gemengd beeld zien: enerzijds
ervaren veel sporters hun vereniging als veilig, anderzijds komt grensoverschrijdend
gedrag in de sport nog steeds voor. Het huidige onderzoek bevestigt daarmee de uitkomsten
uit het onderzoek uit 2020 dat grensoverschrijdend gedrag in de sport nog steeds voorkomt
en dat een blijvende inzet hiertegen noodzakelijk is. De sportsector is primair zelf
verantwoordelijk voor het realiseren van een sociaal veilige en eerlijke sport. Echter,
uit het onderzoek blijkt ook dat de sportsector dit niet alleen kan en ondersteuning
noodzakelijk is.
Het prevalentieonderzoek naar grensoverschrijdend gedrag en ervaren sociale veiligheid
in de georganiseerde verenigingssport in sportseizoen 2024–2025 is als bijlage bij
deze brief gevoegd. Hiermee geef ik invulling aan de toezegging die mijn voorganger
op 30 juni 2020 aan u heeft gedaan.34
Sport moet voor iedereen een veilige omgeving zijn waarin met plezier en respect kan
worden gesport. Het is daarom van groot belang dat de normen helder zijn en signalen
en incidenten worden gemeld en besproken. Dat zou ik graag terugzien binnen de vereniging
en via de daarvoor beschikbare meldstructuren.
In dat kader ondersteun ik de sportsector met de inzet op het stimuleren van het werken
met de vier V’s: een verenigingsbrede gedragscode, een vertrouwenscontactpersoon,
een Verklaring Omtrent het Gedrag voor vrijwilligers en trainers en vakkundig geschoolde
trainers. Daarnaast werk ik aan het wetsvoorstel Wet integere sport dat onder meer
de oprichting van een onafhankelijk integriteitscentrum regelt.
Tot slot
Met deze brief informeer ik u over enkele actuele zaken in het sport- en beweegbeleid.
Het is u vast niet ontgaan dat we ons bevinden in een periode van grote veranderingen.
Sportakkoord II en de huidige de BRC-regeling lopen af, we werken aan de oprichting
van het integriteitscentrum en hebben het proces rondom het verkennen van sport- en
beweegwetgeving hernomen.35
In onze beleving bieden die grote veranderingen kansen om samen het sport- en beweegbeleid
van de toekomst vorm te geven. Bovendien hebben we als kabinet in het huidige coalitieakkoord
extra middelen gereserveerd voor sport en bewegen. Zodra er meer duidelijkheid is
over de besteding daarvan zal ik ingaan op de voorgenomen inzet om te komen tot een
toegankelijk, veilig en toekomstbestendige sport- en beweegsector. Zodat iedereen,
groen of grijs, de grote maatschappelijke waarde van sport en bewegen kan benutten.
De Minister van Langdurige Zorg, Jeugd en Sport, W.R.C. Sterk
Indieners
W.R.C. Sterk, minister van Langdurige Zorg, Jeugd en Sport