Brief regering : Contouren sport- en beweegwetgeving
30 234 Toekomstig sportbeleid
Nr. 441
BRIEF VAN DE MINISTER VAN LANGDURIGE ZORG, JEUGD EN SPORT
Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 24 juni 2026
In de afgelopen jaren is meerdere keren de wens geuit om tot sport- en beweegwetgeving
te komen. Deze wens kwam zowel vanuit de Kamer als vanuit de samenleving.1 Mijn ambtsvoorganger heeft daarom toegezegd om voor de zomer een brief naar de Kamer
te sturen over de contouren en het stappenplan voor sport- en beweegwetgeving. In
deze brief ga ik in op de uitkomsten van de verkenning, waaronder het doel van wetgeving
en de thema’s waar wetgeving een meerwaarde kan hebben. Afsluitend ga ik in op het
vervolgproces van verkenning van sport- en beweegwetgeving, waarbij ik ook graag de
inbreng en reflecties van de Kamer meeneem.
Met deze brief doe ik een aantal moties en toezeggingen af. Dat gaat om de motie van
het lid Saris (NSC) over verkennen of de taken en verantwoordelijkheden in het sport-
en beweegbeleid voor alle lagen van de overheid kunnen worden vastgelegd2 en de motie van het lid Mohandis (Groenlinks-Pvda) c.s. over onderzoek naar een gemeentelijke
zorgplicht voor zwembaden.3 Ook de toezeggingen om de Kamer in het voorjaar van 2026 een brief te sturen over
het stappenplan om te komen tot een Sportwet4 doe ik hiermee af.
Maatschappelijke waarde sport en bewegen
Sport en bewegen zijn van onschatbare waarde. Voor een deel zit die waarde in de activiteit
zelf. Het geeft plezier, persoonlijke voldoening en is een vorm van ontspanning. Naast
deze intrinsieke waarde dragen sport en bewegen ook instrumenteel bij aan diverse
maatschappelijke doelen. Denk daarbij aan de brede welvaart en verschillende maatschappelijke
doelen op het gebied van volksgezondheid, preventie en participatie. Zo verlagen sport
en bewegen bij volwassenen en ouderen het risico op hart- en vaatziekten, diabetes
en depressieve symptomen. Ook bij kinderen verkleint het de kans op depressieve symptomen,
verbetert het de insulinegevoeligheid en botkwaliteit. Bij mensen met overgewicht
en obesitas is sport en bewegen onderdeel van de aanpak tot verlaging van de body
mass index (BMI) en vetmassa.5 Ook helpt sport en bewegen bij het beschermen van de mentale gezondheid.6,
7 Onderzoek laat daarnaast zien dat sport kan bijdragen aan de ontwikkeling van sociale
vaardigheden, zelfvertrouwen en sociale interacties voor mensen.8 Het brengt ons bij elkaar en maakt ons gezonder. Ook topsport heeft een grote maatschappelijke
waarde, doordat het zorgt voor sociale verbinding en inspireert tot sporten en bewegen.
Sport en bewegen zijn daarmee niet alleen een doel in zichzelf maar ook een essentieel
middel voor de aanpak van meerdere maatschappelijke opgaven. Duurzaam sport- en beweegbeleid
moet dus zowel gericht zijn op wat sport oplevert, als op de waarde van sport in zichzelf.
Het is goed te benadrukken dat dit om sport én bewegen gaat. De Nederlandse Sportraad
geeft in het advies «Nederland, sta op!» terecht aan dat dagelijks voldoende bewegen voor iedereen vanzelfsprekend moet zijn
als basis voor een vitale, sociale samenleving, en dat ook de overheid hier een rol
in heeft.9 Sport en bewegen zijn beide nodig om optimaal bij te dragen aan een brede welvaart.
Wel zijn sport en bewegen verschillende sectoren met een eigen dynamiek. Daarom kan
het zijn dat soms specifiek gesproken wordt over de sportsector, en soms over alleen
bewegen.
Sport en bewegen hebben dus grote maatschappelijke waarde. Om de sport- en beweegsector
toekomstbestendig te maken is het nodig dat deze waarde volop erkend en benut wordt.
In het coalitieakkoord is niet voor niets opgenomen dat we bouwen aan de gezondste
generatie ooit. Daarvoor is het nodig dat we met z’n allen kunnen blijven sporten
en bewegen, en daar ook de ruimte en voorzieningen voor hebben. Dat gaat niet vanzelf.
Taak overheid
Sport staat niet expliciet in de Grondwet. Wel kan uit de Grondwet een opdracht voor
de overheid worden afgeleid om te zorgen voor een gezonde, actieve en verbonden samenleving.
Op grond van artikel 22 van de Grondwet heeft de overheid namelijk de algemene plicht
maatregelen te treffen ter bevordering van de volksgezondheid en voorwaarden te scheppen
voor maatschappelijke en culturele ontplooiing en voor vrijetijdsbesteding. Omdat
sport en bewegen wetenschappelijk bewezen preventieve middelen zijn tegen talloze
(welvaarts)ziekten, is sport- en beweegbeleid een direct instrument om deze grondwettelijke
plicht te vervullen. Ook is sport in Nederland een van de grootste vormen van georganiseerde
vrijetijdsbesteding. Sport is dus als het ware het snijvlak waar volksgezondheid en
maatschappelijke ontplooiing samenkomen. Artikel 22 van de Grondwet geeft vooral een
richtinggevende grondslag voor beleid. Er worden geen specifieke taken of verantwoordelijkheden
gedefinieerd.
Probleemschets
De sport- en beweegsector heeft al langer te maken met veranderingen en grote opgaven,
die veel van de mensen in de sector vragen. Hoewel het zelfregulerende vermogen van
de sport- en beweegsector in staat is veel veranderingen op te vangen, is soms meer
nodig is dan enthousiasme en inzet.
Als we kijken naar de inrichting van onze steden en wijken, dan zien we dat de openbare
ruimte om te kunnen sporten en bewegen in de knel komt. Terwijl we meer woningen bouwen,
dreigen sportvelden naar de randen van de stad te verdwijnen, juist nu we weten dat
beweging in de buurt cruciaal is. Bovendien zijn veel sportaccommodaties verouderd.
De noodzakelijke verduurzaming is een enorme financiële en logistieke puzzel die verenigingen
en gemeenten niet altijd alleen kunnen leggen. Naast de sportaccommodaties bestaat
de beweegvriendelijke omgeving uit voorzieningen in de openbare ruimte waar mensen
spelen, bewegen, sporten en ontmoeten. Bij het inrichten van de omgeving moet rekening
gehouden worden met veel verschillende opgaven, zoals mobiliteit, energietransitie,
klimaatverandering, landbouw, natuur en gezondheid. Hierdoor zien we dat bewegen als
thema binnen de ruimtelijke ordening niet altijd de aandacht krijgt die het verdient.
Kortom, de ruimte om in de buurt te kunnen sporten en bewegen staat onder druk. Het
risico hiervan is dat de beschikbaarheid en toegankelijkheid van het sport- en beweegaanbod
structureel afneemt, vooral in stedelijke en kwetsbare wijken.10 Daardoor ervaren sommige mensen meer drempels om te gaan sporten en bewegen dan andere.
Dit vergroot gezondheidsverschillen.
Ondertussen verandert de sporter zelf ook. De tijd dat iedereen trouw lid bleef van
één club is voorbij. Mensen willen vaker sporten waar en wanneer het hen uitkomt –
in het park, bij een commerciële aanbieder of via een app. Dat vraagt om een enorme
wendbaarheid van de traditionele verenigingen, die tegelijkertijd kampen met een tekort
aan vrijwilligers voor structurele taken en stijgende exploitatiekosten van accommodaties.
Verenigingen zijn maar beperkt in staat te anticiperen op veranderende vraag. Het
risico van deze ontwikkeling is dat een mismatch optreedt tussen aanbod en behoefte.
Hierdoor haken vooral jongeren, lage inkomensgroepen en mensen met een handicap af.11 De vraag is dus niet alleen hoe we mensen ook in de toekomst aan het sporten en bewegen
krijgen, maar ook hoe we de clubcultuur vitaal houden in een individuelere wereld.
Om deze uitdagingen aan te gaan, kunnen we niet altijd alles blijven doen zoals we
het deden. We hebben ook in de toekomst voldoende ruimte nodig, en een sport- en beweegaanbod
dat aansluit bij de leefwereld van mensen. Dat vraagt ook om een moderne kennisinfrastructuur
die partijen duidelijk maakt wat werkt, zodat we middelen gericht kunnen inzetten.
We zullen deze opgaven op het gebied van ruimte, behoefte, menskracht, en kansengelijkheid
serieus moeten nemen om ervoor te zorgen dat sport en bewegen geen luxe wordt, maar
een toegankelijk onderdeel is van ieders dagelijks leven. Dat lukt nu niet altijd.
Taken en verantwoordelijkheden
De manier waarop iedereen binnen de sector zich nu al inzet voor de sport is bewonderenswaardig
en dat moeten we koesteren. Toch zijn er terecht zorgen over of de manier waarop we
sport nu organiseren wel toekomstbestendig is. Op dit moment zijn de taken en verantwoordelijkheden
van overheden nergens vastgelegd in een wet. Veel partijen zijn enthousiast en pakken
een rol, maar het is niet altijd duidelijk wat er precies verwacht wordt aan betrokkenheid
en waar de grens van deze betrokkenheid ligt. Die betrokkenheid is bovendien niet
gegarandeerd in de toekomst. Ook is er een kwetsbaarheid dat gemeenten en lokale partners
niet altijd de structurele uitvoeringskracht hebben om een verantwoordelijkheid te
pakken. Tot slot zien we dat sommige gemeenten en lokale partners binnen hun bestedingsvrijheid
ervoor kiezen om andere taken te prioriteren boven sport- en beweegbeleid.
Tijdelijkheid van instrumenten
Bij gebrek aan vastgelegde taken wordt vanuit het Rijk vaak gewerkt met tijdelijke
programma’s en incidentele impulsen als het gaat om sportbeleid. Zo is de afgelopen
jaren hoofdzakelijk ingezet op bestuurlijke afspraken tussen het Rijk, gemeenten en
andere betrokken partijen. Verschillende programma’s en akkoorden volgden elkaar op,
wat niet altijd leidde tot blijvende impact. Ook was financiële ondersteuning vaak
gekoppeld aan tijdelijke programma’s. Dat ging bijvoorbeeld om tijdelijke subsidies
of meerjarige specifieke uitkeringen. Deze geven organisaties uit het veld en gemeenten
niet de planningszekerheid die zij nodig hebben om investeringen te doen voor de lange
termijn.
De verschillende evaluaties van bijvoorbeeld het Sportakkoord laten dit zien.12 In de evaluatie van Sportakkoord II wordt geconcludeerd dat het Sportakkoord op veel
plaatsen heeft geleid tot versterking van sportbeleid, samenwerking en verbinding
met andere maatschappelijke domeinen. Tegelijkertijd wordt gesteld dat het te verwachten
is dat de effecten van het Sportakkoord mogelijk tijdelijk zijn. Ook is de impact
afhankelijk van aanvullende middelen.13
Bijdrage wetgeving
Door de complexiteit van de huidige opgaven is op sommige thema’s meer nodig dan incidentele
impulsen of bestuurlijke afspraken. Gelet op deze opgaven heb ik daarom de meerwaarde
van wettelijke borging verkend. Voor een aantal van deze opgaven kan wetgeving een
deel van het antwoord zijn.
Wettelijke borging betekent dat (onderdelen van) sport en bewegen expliciet worden
verankerd in wet- en regelgeving. Het belangrijkste gevolg van wettelijke borging
is dat sport en bewegen niet langer alleen afhankelijk zijn van bestuurlijke prioritering
of tijdelijke beleidsimpulsen. Om ervoor te zorgen dat ook in de toekomst effectief
beleid gemaakt wordt, ondersteund door de huidige beschikbare middelen, kan het mogelijk
helpen om bepaalde taken wettelijk vast te leggen. Zo wordt duidelijker wat verwacht
kan worden qua rol en taken van verschillende overheidslagen. Sport- en beweegwetgeving
zou op die manier kunnen bijdragen aan het toekomstbestendig maken van de sport- en
beweegsector. Dat wil zeggen dat we ook in de toekomst de ruimte en mogelijkheden
hebben om te kunnen blijven sporten en bewegen.
Bovendien kan een stevigere juridische basis op sommige thema’s bijdragen aan kansengelijkheid.
Op dit moment bepaalt waar je woont nog te vaak of je de toegang hebt tot specifieke
sportvoorzieningen. Mogelijk kan een wettelijke taak bijdragen aan het verkleinen
van deze regionale verschillen en ervoor zorgen dat elke inwoner, ongeacht de lokale
context, kan rekenen op een kwalitatief en toegankelijk aanbod.
Uitgangspunten
Een doel van sport- en beweegwetgeving is het toekomstbestendig maken van het beschikbare
sport- en beweegaanbod en de infrastructuur die daarbij hoort. Dit zal in ieder geval
vragen om het vastleggen dat gemeenten en Rijksoverheid een verantwoordelijkheid hebben
om sport- en beweegbeleid te voeren. Later in deze brief zal ik ingaan op welke thema’s
hier mogelijk bij betrokken kunnen worden. Bij de verdere uitwerking van mogelijke
wetgeving staat een aantal uitgangspunten centraal.
Financieel kader
Een belangrijk uitgangspunt vormt het huidige financiële kader zoals opgenomen op
de VWS-begroting en in het coalitieakkoord. We hebben op dit moment de beschikking
over de middelen van de specifieke uitkeringen waar we gemeenten nu mee ondersteunen
op het gebied van sportinfrastructuur en bemensing.14 Met deze middelen kunnen we mogelijk wettelijke taken ondersteunen. Daarvoor zullen
we een passende manier moeten vinden. Het is dus goed om te beseffen dat we elke taak
die we in een wet opnemen ook moeten kunnen waarmaken. Dat wil zeggen, de financiële
mogelijkheden bieden om de taak uit te voeren. Ik zie daarom op dit moment geen ruimte
om wettelijk taken te borgen die (extra) financiële ondersteuning impliceren. Bijvoorbeeld
op het gebied van topsporters, talentontwikkeling of specifieke doelgroepen. Deze
thema’s laat ik om die reden voor nu buiten beschouwing van de contouren.
Zelfregulerend vermogen
Sport en bewegen in Nederland drijft op zelforganisatie en het private initiatief
van duizenden verenigingen en bonden (het verenigingsrecht) en ondernemende sportaanbieders.
Het ontstaat vanuit de samenleving zelf. Het opleggen van wettelijke plichten moet
de vrijheid van deze organisaties niet inperken. Veel sportverenigingen leunen op
de inzet van vrijwilligers. Wettelijke plichten moeten dus niet leiden tot onnodige
administratieve druk of angst voor aansprakelijkheid. Extra administratieve druk voor
verenigingen knelt namelijk met de wens om de regeldruk juist te verlagen. Ook kan
het de drempel om een bestuursfunctie te bekleden onnodig verhogen en het fundament
van de Nederlandse sportvereniging aantasten. Daarnaast vragen wettelijke taken voor
sportorganisaties om toezicht en handhaving. Het organiseren van toezicht en handhaving
vraagt veel inzet en middelen. Dat vind ik niet passend bij de contouren van wetgeving
die ik in deze brief schets.
Ik vind het belangrijk om het zelfregulerende vermogen van de sector zoveel mogelijk
te behouden. Daarom zie ik nu geen ruimte om wettelijk zaken vast te leggen op het
gebied van kwaliteit- en opleidingseisen voor bijvoorbeeld trainers en bestuurders.
Sport- en beweegwetgeving zal zich daarom niet richten op taken en plichten van sportorganisaties
zelf, maar op de verantwoordelijkheden van overheidslagen.
Subsidiariteit
Gemeenten nemen op dit moment al een grote verantwoordelijkheid als het gaat om bijvoorbeeld
sportinfrastructuur en -stimulering. Het subsidiariteitsbeginsel vraagt om zaken decentraal
te regelen waar dat kan, en centraal waar dat moet. Dat betekent dat we zorgvuldig
moeten kijken welke taken passend zijn op welk overheidsniveau, en daarbij oog houden
voor een evenwichtige taakverdeling. Soms kan dat vragen om het vastleggen van taken
die in de praktijk al worden uitgevoerd, terwijl het bij andere vraagstukken mogelijk
gaat om aanvullende taken.
Het is goed te benadrukken dat het wettelijk vastleggen van overheidstaken zich in
dit geval enkel richt op sport- en bewegen. Onderwerpen die niet primair bij het Ministerie
van VWS liggen maar bij andere departementen, zoals schoolzwemmen, beweegonderwijs
en ruimtelijke ordening, laat ik daarom buiten beschouwing.
Verhouding tot wetsvoorstel integere sport
Veiligheid is een belangrijk fundament van de sportsector. Een sociaal veilige en
eerlijke (en daarmee integere) sportomgeving zorgt ervoor dat iedereen met plezier
kan sporten. Daarom wordt er gewerkt aan het wetsvoorstel Wet integere sport. Het
wetsvoorstel voorziet onder andere in de oprichting van een onafhankelijk integriteitscentrum
voor de sport: Integere Sport Nederland. Ik wil voorkomen dat de twee wetsvoorstellen
elkaar overlappen of dat er tegenstrijdigheden ontstaan. Daarom worden onderwerpen
die raken aan een veilige sportomgeving niet meegenomen in de uitwerking van sport-
en beweegwetgeving.
Normen
Het is belangrijk dat er voldoende flexibiliteit is om in te kunnen spelen op lokale
omstandigheden. Het wettelijk verankeren van normen kan deze flexibiliteit beperken.
Daarnaast bestaat het risico dat wettelijke normen worden gezien als de maximale inzet
die gedaan moet worden. Dit kan een remmende werking hebben in gemeenten (en provincies)
die nu veel inzetten op sport en bewegen. We moeten bovendien voorkomen dat de focus
in de sport verschuift van maatschappelijke impact naar afdwingbare doelen of normen.
Daarom is het wettelijk verankeren van normen, bijvoorbeeld op het gebied van sport-
en beweegruimte, niet aan de orde bij de uitwerking van sport- en beweegwetgeving.
Zoals eerder aangeven laat ik wel een richtlijn opstellen voor het creëren van sport-
en beweegruimte.
Zorgplicht
In de motie van het lid Mohandis wordt gevraagd de mogelijkheden te onderzoeken voor
een gemeentelijke zorgplicht voor zwembaden.15 Het opleggen van een zorgplicht aan medeoverheden om te voorzien in zwembadwater
lijkt op dit moment niet opportuun gezien het huidige budgettair kader. Op basis van
een eerder advies van de Vereniging Sport en Gemeenten (VSG) zullen alleen al de exploitatietekorten
leiden tot een jaarlijkse kostenpost van € 100 miljoen tot € 300 miljoen.16 Daar komen nog de kapitaallasten en grote onderhoudskosten bij. Deze inschatting
leidt al snel tot een benodigd budget van € 400 miljoen tot € 500 miljoen per jaar.
Ik zie geen (financiële) mogelijkheid om een dergelijke zorgplicht te organiseren.
Zwembadwaterbeleid is een lokale verantwoordelijkheid, waarbij gemeenten zelf de afweging
moeten kunnen maken op basis van de behoeften van hun inwoners. Voor gemeenten die
al over meerdere zwembaden beschikken kan het mogelijk een tegengesteld effect hebben.
Het risico bestaat dat er dan zwembaden worden gesloten. Ik ben wel in gesprek met
het Mulier Instituut om te bezien of er een richtlijn kan komen die gemeenten helpt
bij het maken van keuzes op het gebied van zwemwater voor zwemles.
Borging specifieke thema’s
We kunnen niet alles regelen met wetgeving. Per onderwerp zal afgewogen moeten worden
of het mogelijk en wenselijk is om bepaalde aspecten wettelijk vast te leggen. Niet
elk onderwerp is immers geschikt om wettelijk te borgen. Ook geldt voor sommige onderwerpen
dat het op dit moment nog niet geschikt is voor borging, maar eerst nadere verkenning vraagt. Op dit moment
zie ik de mogelijke meerwaarde van wetgeving (nu of op termijn) bij de hieronder genoemde
thema’s. Deze wil ik graag verder verkennen en afwegen met de Kamer. Mogelijk kunnen
we vanuit die basis op termijn aan de slag met het formuleren van andere taken en
verantwoordelijkheden.
Gemeenten
Veel gemeenten hebben in hun lokale beleid aandacht voor sport. Niet voor niets wordt
door gemeenten € 2 miljard besteed aan sport, waarvan € 1,5 miljard aan sportinfrastructuur.17 Het is geen gegeven dat dit ook zo blijft, zeker omdat andere lokale opgaven óók
veel investeringen vergen. Het is vanuit het sport- en beweegperspectief onwenselijk
dat dit ten koste zou gaan van bestedingen aan sport. Tegelijkertijd moeten we ook
de keuzevrijheid van gemeenten kunnen borgen.
Om lokaal sport- en beweegbeleid ook in de toekomst te borgen kan het helpen om gemeenten
hiervoor een wettelijke taak te geven. Dat kan op verschillende manieren, bijvoorbeeld
door het aanzetten tot het maken van periodieke lokale sport- en beweegprogramma’s.
Daarbij zou het Rijk periodiek specifieke landelijke prioritaire aandachtspunten kunnen
benoemen. Gemeenten dienen deze landelijke prioriteiten in acht te nemen in de lokale
sport- en beweegprogramma’s. Wetgeving kan helpen om deze systematiek vast te leggen,
zonder de landelijke prioriteiten zelf wettelijk vast te leggen. Dit kan eraan bijdragen
dat sport en bewegen een integraal onderdeel worden van het fysieke en sociale domein.
Provincies
De rol van de provincies in het sportdomein is divers. Niet elke provincie houdt zich
met dezelfde sportthema’s bezig. Sommige zetten zich bijvoorbeeld in voor gehandicaptensport,
andere juist voor evenementen. Ook verschilt de mate waarin een provincie sportbeleid
vormgeeft. Wetgeving zou een rol kunnen spelen op thema’s waar bovenlokale afstemming
nodig is. Denk aan de spreiding van (bovenlokale) infrastructuur en andere provinciale
thema’s zoals mobiliteit. Dit vraagt om nadere verkenning.
Rijksoverheid
Daarnaast is het belangrijk om in wetgeving aan te geven wat de taken zijn van de
Minister en het Rijk op het gebied van sport. Sport heeft ook een landelijke component,
denk bijvoorbeeld aan thema’s als topsport en kennisinfrastructuur. Ik deel de analyse
in de eerdere Kamerbrief over Hoofdlijnen van wetgeving in de sport, namelijk dat
de Minister verantwoordelijk is voor het landelijk sportbeleid en de inrichting van
een landelijke ondersteunings- en kennisinfrastructuur die daarbij past.18 Voor de toekomst van de sport moet landelijk en lokaal beleid goed op elkaar aansluiten.
Hoe deze systematiek van en wisselwerking tussen lokaal en landelijk beleid eruit
moet zien zullen we met alle betrokken partijen samen moeten uitwerken.
Sportinfrastructuur en ruimte voor sport en bewegen
In het beleidsplan voor een toekomstbestendige sportinfrastructuur is ingegaan op
de meerwaarde van werken met een integraal huisvestingsplan (IHP) voor sport en bewegen.
Een IHP heeft aandacht voor zowel sportaccommodaties als de publieke buitenruimte.
Ook geeft het ruimte voor lokaal maatwerk. Deze planvorming zorgt ervoor dat de sportbehoefte
wordt meegewogen in bredere ruimtelijke ontwikkelingen. Hiermee voorkomen we dat sportvoorzieningen
ad hoc worden gefaciliteerd en stimuleren we multifunctioneel gebruik en duurzame
investeringen in de publieke ruimte. In de volgende fase wordt uitgewerkt in hoeverre
een IHP wettelijk kan worden verankerd en welke ondersteuning gemeenten hierbij nodig
hebben.
Menskracht
Menselijk kapitaal is één van de drijvende krachten binnen de sport- en beweegsector.
Zo zijn mensen onmisbaar voor een goede toeleiding naar het sport- en beweegaanbod.
Daarom moeten we inzetten op goede coördinatie en afstemming tussen al die partijen
en mensen die zich inzetten voor sport en bewegen. Zo creëren we een efficiënt sport-
en beweegnetwerk waarin vraag en aanbod goed op elkaar aansluiten.
Dit sport- en beweegnetwerk heeft baat bij een sterke verbinding tussen verschillende
domeinen. Denk daarbij aan zorg, onderwijs, welzijn en cultuur. Door aandacht te hebben
voor deze verbindingen tussen domeinen zorgen we ervoor dat meer mensen actief kunnen
deelnemen aan sport en bewegen en daardoor gezonder, actiever en fitter worden. Een
goed georganiseerd netwerk kan zo bijdragen aan de kansengelijkheid binnen de sport-
en beweegsector. Drempels worden lager en het bereik groter.
Bij het verkennen van wettelijke borging wil ik recht doen aan het belang van de verbindingen
binnen het sport- en beweegnetwerk. Dat doe ik door inzichten vanuit andere beleidstrajecten,
bijvoorbeeld op het gebied van clubondersteuning en de herijking van de Brede Regeling
Combinatiefuncties (BRC), mee te nemen bij een verdere verkenning van sport- en beweegwetgeving.
Mogelijk zijn er onderdelen op het gebied van bemensing binnen de sport die relevant
zijn voor een wetstraject.
Kennis- en datainfrastructuur
Effectief beleid is afhankelijk van betrouwbare informatie. Dat vraagt om het organiseren
van een goede publieke kennisinfrastructuur. Kennis en data zijn nodig om strategisch
en meerjarig de inzet van mensen en accommodaties te plannen en te monitoren. Ik wil
verkennen of en hoe wetgeving een bijdrage kan leveren aan een adequate kennis- en
datainfrastructuur en doe dit in samenwerking met kennispartijen uit het veld.
Vervolgproces
Het is een grote stap om over te gaan op wetgeving. Met de contouren zoals geschetst
in deze brief wil ik aan de slag om verder te verkennen of en op welke wijze wetgeving
kan bijdragen aan een aanpak van de opgaven in de sport- en beweegsector. Mogelijk
is in de toekomst ruimte om aanvullende onderwerpen wettelijk te borgen, maar voor
de komende periode wil ik een start maken met de geschetste inzet. Ik ga daarom graag
het gesprek aan met de Kamer over de geschetste contouren en gewenste richting. Bij
de uitwerking zal ik samen optrekken met gemeenten (VNG en VSG), provincies, andere
departementen en waar van toepassing de sportsector en kennispartners. Hierbij is
het uitgangspunt dat mogelijke wetgeving binnen de huidig beschikbare middelen kan
worden uitgevoerd en wordt rekening gehouden met verplichte kwaliteitseisen van wetgeving.
Dit zal bepalend zijn voor de vorm en inhoud van een mogelijk wetsvoorstel. Ik wil
de Kamer begin 2027 informeren over de stand van zaken van deze verdere uitwerking.
De Minister van Langdurige Zorg, Jeugd en Sport, W.R.C. Sterk
Indieners
W.R.C. Sterk, minister van Langdurige Zorg, Jeugd en Sport