Brief regering : Beantwoording vragen commissie over de verantwoordingsstukken KGG 2025
36 945 XXIII Jaarverslag en slotwet Ministerie van Klimaat en Groene Groei 2025
Nr. 8
BRIEF VAN DE MINISTER VAN KLIMAAT EN GROENE GROEI
Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 24 juni 2026
Hierbij zend ik u de antwoorden op de vragen van mevrouw Müller (VVD) in haar rol
als begrotingsrapporteur naar aanleiding van de analyse van het jaarverslag en de
Slotwet van Klimaat en Groene Groei 2025.
De Minister van Klimaat en Groene Groei,
S. van Veldhoven-van der Meer
1
Kunt u ingaan op de consequenties van de onderuitputting van diverse beleidsinstrumenten,
zoals de DEI+, de regelingen voor groene waterstof en investeringsregelingen voor
verduurzaming van de industrie, voor het realiseren van de ambities van het kabinet?
Antwoord
Een aanzienlijk deel van de onderuitputting van de beleidsinstrumenten betreft middelen
uit het Klimaat- en Energiefonds (KEF) en Nationaal Groeifonds (NGF) welke terugvloeien
naar het betreffende fonds en dus beschikbaar blijven voor de ambities van het kabinet.
Het gaat hier bijvoorbeeld ook om de middelen voor de DEI+ vergassing van reststromen
en groene waterstof.
2
U heeft toegezegd de informatie over de uitgaven van de toegekende Klimaatfondsmiddelen
aan andere departementen te verbeteren. Kunt u hierbij ook helder maken wat er gebeurt
met de middelen die niet tot besteding komen?
Antwoord
Middelen uit het Klimaat- en energiefonds (KEF) die niet zijn besteed, vloeien terug
naar het KEF. Dit is vastgelegd in de Tijdelijke wet Klimaat- en energiefonds. Hierdoor
blijven de middelen beschikbaar in het KEF voor nieuwe voorstellen. Besluitvorming
over nieuwe voorstellen en besteding van deze middelen vindt plaats via het eerstvolgende
reguliere besluitvormingsmoment.
3
Ziet u mogelijkheden om bij de budgettering en systematiek van de SDE-regelingen beter
te anticiperen op de hoogte van de energieprijzen? Zo ja, wat bent u voornemens te
gaan doen?
Antwoord
De uitgaven voor de SDE-regelingen zijn afhankelijk van volatiele energie- en CO2-prijzen en zijn daardoor moeilijk te voorspellen. Tijdens de voorjaarsbesluitvorming
wordt de raming van de SDE-uitgaven geactualiseerd en wordt het indicatieve openstellingsbudget
voor het volgende jaar gecommuniceerd, waarbij rekening wordt gehouden met de beschikbare
middelen.
De SDE++ biedt bedrijven benodigde zekerheid in deze volatiele markt door een vaste
opbrengst per geproduceerde eenheid duurzame energie te garanderen.
De verwachte energieprijzen waarmee de uitgaven worden berekend zijn gebaseerd op
onafhankelijk advies van het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL). In de raming van
de SDE-uitgaven houd ik rekening met een buffer om extra uitgaven door prijsdalingen
op te kunnen vangen, en bestaat de begrotingsreserve duurzame energie om grote tegenvallers
te dekken. Daarnaast ben ik voornemens om te onderzoeken hoe de ramingssystematiek
van de SDE-regelingen verbeterd kan worden en welke maatregelen kunnen bijdragen aan
een betere beheersbaarheid van de SDE-uitgaven. De conclusies en aanbevelingen van
dit onderzoek zal ik met de Kamer delen.
4
Bent u bereid om in de voortgangsrapportages netcongestie inzichtelijk te maken wat
het langjarig pad met einddoelen en tussendoelen is en om de realisaties hier tegen
af te zetten, zodat duidelijk is of de voortgang op schema loopt?
Antwoord
Netcongestie kent diverse oorzaken, knelpunten en deeloplossingen die elkaar over
en weer beïnvloeden. Verlichting van netcongestie vereist een veelzijdige aanpak op
alle fronten, variërend van omvangrijke fysieke uitbreiding van de infrastructuur
van het hoog-, midden- en laagspanningsnet tot aanpassingen in regelgeving en gedrag
om opwek en verbruik over de dag en de seizoenen beter op elkaar af te stemmen. De
aanpak van netcongestie omvat dan ook een groot aantal concrete acties die in samenhang
leiden tot zoveel mogelijk verlichting van de congestie. Daarbij weten we niet alles
en zijn niet alle ontwikkelingen te voorspellen. Dit maakt het moeilijk om vooraf
het effect in te schatten van concrete acties en maatregelen. De aanpak van netcongestie
kent daarom geen definitieve marsroute maar is een levend programma dat aan de hand
van ontwikkelingen, resultaten en opgedane ervaringen wordt aangevuld en bijgestuurd.
Daarbij geldt dat congestieproblematiek, hoewel die in het hele land speelt, bij uitstek
een locatie-specifiek karakter heeft, met per gebied verschillende knelpunten en mogelijke
oplossingen. Hierdoor is de landelijke kwantitatieve voortgang die de voortgangsrapportages
inzichtelijk maakt (realisatie van infrastructuur, wachtrijen, aantallen flexibele
contracten e.d.) van beperkte betekenis voor huishoudens of bedrijven in een specifiek
gebied.
5
Kunt u aangeven hoeveel geld er in 2025 is besteed aan het verhelpen van netcongestie?
Is dat naar uw inzicht voldoende? Bent u voornemens om voor de komende jaren meer
geld hiervoor vrij te maken en zo ja, hoeveel?
Antwoord
Naast middelen voor apparaat en onderzoeken is in 2025 circa € 30,3 mln uitgegeven
de Flex-e regeling. In 2026 is hiervoor € 28,9 mln gereserveerd. Met de Flex-e worden
bedrijven en instellingen gestimuleerd om hun elektriciteitsgebruik te flexibiliseren.
Voor de voortzetting en uitbreiding met een «XL»-onderdeel (met hogere steunbedragen
voor de energie-intensieve industrie) is een reservering opgenomen in het Klimaatfonds
die met een toekomstig Meerjarenprogramma meegenomen wordt in het beoordelingsproces.
De inschatting is dat in totaal € 198,9 miljoen nodig is voor de jaren 2027 tot en
met 2030. Hiervoor is een reservering opgenomen in het Meerjarenprogramma van het
Klimaat- en energiefonds1. Veel acties en uitgaven, ook door andere ministeries dan EZK, die ten goede komen
aan de vermindering van netcongestie zijn onderdeel van beleid en programma’s met
een bredere doelstelling waarbinnen netcongestie vooral een te overwinnen uitdaging
is, zoals verduurzaming van de industrie, de uitrol van laadinfrastructuur voor elektrisch
vervoer en versnelling van de woningbouw.
6
Hoe is het kabinet voornemens de ambities op het gebied van kernenergie uit te werken
binnen de bestaande middelen in het Klimaatfonds?
Antwoord
In de Kamerbrief van mei 2025 (Kamerstukken II, 2024/25, 32 645, nr.156) is een eerste bandbreedte van de totale investeringsomvang van twee nieuwe, grootschalige
kerncentrales toegelicht (€ 20–30 miljard, exclusief financieringslasten) gebaseerd
op de technische haalbaarheidsstudies. Het kabinet stelt een overheidssteunpakket
voor dat uitgaat van volledig publieke financiering in de eerste fase van het project
en sluit daarbij de optie voor private financiering (vanuit de kapitaalmarkt, of vanuit
de opdrachtnemer voor het project) op een later moment niet uit. Op een later moment
zal de Kamer geïnformeerd worden over het overheidssteunpakket.
7
Hoe gaat u invulling geven aan de aanbevelingen van de Algemene Rekenkamer, zoals
verwoord in de brief van de Rekenkamer van 5 november 2025 aan de toenmalig Minister
van Klimaat en Groene Groei?
Antwoord
De Algemene Rekenkamer heeft deze zelfde brief op 1 oktober 2025 verstuurd aan de
Minister van Klimaat en Groene Groei. De aanbevelingen van de Algemene Rekenkamer
betroffen de parlementaire betrokkenheid, de financiering, het publiek belang en het
beheer van de beleidsdeelneming Nucleaire Energie Organisatie Nederland B.V. (NEO
NL). Het kabinet heeft op 17 oktober 2025 de Staten-Generaal per brief geïnformeerd
over de voorgenomen oprichting van NEO NL onder het Ministerie van Klimaat en Groene
Groei (KGG) en de daarbij horende kapitaalstorting2. In die brief heeft het kabinet per aanbeveling aangegeven hoe daaraan invulling
wordt gegeven. De Staten-Generaal is op 16 februari 2026 geïnformeerd over de oprichting
van NEO NL B.V.3.
8
Hoe gaat u om met de middelen in het Klimaatfonds die nog beschikbaar zijn voor de
maatwerkaanpak?
Antwoord
De beschikbare middelen voor de maatwerkaanpak verduurzaming industrie zijn deels
gereserveerd voor bedrijven waarmee een Joint Letter of Intent (JLoI) is getekend.
De resterende middelen (zie Kamerstuk 36 800 M, nr. 4) zijn beschikbaar voor een beperkt aantal bedrijven waarmee tot nog toe geen JLoI
is getekend maar waarmee de gesprekken nog gaande zijn (zie Kamerstuk 29 826, nr. 260), ook in samenhang met de bredere ontwikkeling van de betreffende clusters.
9
Kunt u een actueel overzicht geven van de stand van zaken van de maatwerktrajecten:
hoeveel maatwerktrajecten lopen er nog en waarom lopen trajecten achter op de verwachting?
Hoe verhoudt dit zich tot de afspraak in het coalitieakkoord om door te gaan met de
bestaande maatwerkafspraken en om nieuwe maatwerkafspraken te richten op clusters
of gebieden?
Antwoord
Op de lopende maatwerktrajecten is het afgelopen jaar goede voortgang geboekt. Op
18 december jl. is het eerste deel van de maatwerkafspraak met Cosun getekend voor
met name de verduurzaming van de locatie Vierverlaten (zie Kamerstuk 29 826, nr. 278). Inmiddels is het eerste grote project gestart. Het tweede deel van de maatwerkafspraak
is nu voorzien voor het eerste kwartaal van 2027. Met Tata Steel Nederland is op 29 september
2025 een JLoI getekend (zie Kamerstuk 29 826, nr. 266) en wordt nu gewerkt aan een maatwerkafspraak. Met Alco Energy Rotterdam is op 11 maart
2026 een JLoI getekend (zie Kamerstuk 29 826, nr. 280). De maatwerkafspraak is voorzien voor het eerste kwartaal van 2027 met een voorinvestering
in 2026. Met Zeeland Refinery wordt nog gesproken over een JLoI. Dit proces kost onder
meer tijd vanwege aanpassingen in de eigendomsverhoudingen. Met AnQore is op 9 juli
2025 een JLoI getekend (zie Kamerstuk 29 826, nr. 262). De uitwerking van deze JLoI en de gesprekken van OCI hangen nauw samen met de bredere
ontwikkelingen in het cluster Chemelot. Over de planvorming voor Chemelot wordt de
Kamer separaat geïnformeerd. De uitvoering van de maatwerkafspraken met Nobian (zie
Kamerstuk 29 826 nr. 219) heeft vertraging opgelopen vanwege onder meer knelpunten rond stof en de vergunningsverlening.
Het CCS project van Yara dat als onderdeel van de maatwerkaanpak subsidie heeft ontvangen
project is in uitvoering. De opening is voorzien in september 2026. De complexiteit
om tot afspraken te komen heeft vaak ook te maken met afhankelijkheden buiten het
bedrijf onder meer met andere bedrijven in het cluster. Mede om die reden wordt nu
ook nadrukkelijker naar de clusters als geheel gekeken om tot afspraken te komen.
De Kamer wordt daar nader over geïnformeerd als deze aanpak concreter gemaakt kan
worden.
10
Wat is het tijdspad van de Minister om het streefdoel van 28,8 megaton CO2 voor de industrie in 2030 te halen?
Antwoord
We gaan met volle kracht aan het werk om de klimaatdoelen te halen, zo ook het streefdoel
voor de industrie. Het doel voor 2030 wordt lastig, maar we houden de ambitie wel
vast. Voor effectieve verduurzaming van de industrie én behoud van een gelijk Europees
speelveld, voeren we beleid voor de transitie zo veel mogelijk op EU- en internationaal
niveau, zonder onnodige nationale koppen. We sluiten dus zoveel mogelijk aan bij de
Europese aanpak, o.a. met een stabiel ETS en met Europese vraagstimulatie. Indien
nodig nemen we in het voorjaar aanvullende nationaal geborgde maatregelen om het doel
van 2040 te halen. Daarbij hebben we oog voor betaalbaarheid en handelingsperspectief.
Indieners
S. van Veldhoven-van der Meer, minister van Klimaat en Groene Groei